Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Hoe oud is de moderne industrie van Tilburg?
Hoe oud is de moderne industrie van Tilburg?
 

Titel:   

Hoe oud is de moderne industrie van Tilburg?

Ondertitel:   

Auteur:   

Ronald Peeters

Tijdschrift:   

Tilburg Magazine

Jaargang:   

4 (1993)

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

34-37

 

Tilburg een Moderne Industriestad? Dat was 12.000 jaar geleden al het geval. In het stenen tijdperk had Tilburg al een bloeiende industrie.

In 1841 was er in Tilburg al een amateur-archeoloog actief. J.A. van Spaendonck vond bij de aanleg van de Lancierskazerne dicht bij het Jan Aartenboomke enkele urnen uit de midden-bronstijd. Pas meer dan een eeuw later wordt er in Tilburg weer aan archeologisch onderzoek gedaan. Ad Melis ontdekte in 1957 tijdens een wandeling in een stuifzandrug ten westen van de Kraaivense akkers enkele door mensenhanden bewerkte stenen. Deze vondst zou leiden tot de ontdekking van een van de omvangrijkste midden-steentijdnederzettingen die we in Noordwest-Europa kennen. 

Op dit toekomstige Industrieterrein-Noord begon hij met een opgraving. Tot in 1975 hebben vele amateur-archeologen op een terrein dat iets groter was dan een ha, ruim 82.000 artefacten (door mensenhanden vervaardigde voorwerpen) gevonden. Er werden een 25-tal 'vuursteenwerkplaatsen' aangetroffen die 7500 jaar oud zijn. Enkele vondsten dateren zelfs uit de warme fase van de laatste ijstijd, en zijn zo'n 11.000-12.000 jaar oud.

Steentijd

In Nederland zijn slechts enkele vindplaatsen bekend met resten van menselijke activiteiten uit het paleolithicum of de oude steentijd. Spectaculaire vondsten van 250.000 jaar oud werden de laatste jaren opgegraven in de stuwwallen van Rhenen en in de Belvédčre-groeve bij Maastricht. Pas uit de laatste fase van deze periode, het laat-paleolithicum (14.000-11.000 jaar geleden), zijn met name in Noord-Nederland, Oost-Brabant en Noord-Limburg enkele honderden nederzettingen bekend. In Tilburg en omgeving zijn zij echter vrij zeldzaam. Toch zijn er door de Tilburgse amateur-archeologen A.F. Janssen en Ronald Peeters tussen 1968-1971 nog vier kleine nederzettingen in de Kraaivense akkers aangetroffen die behoren tot de zogenaamde Federmesser- of Tjongercultuur. Uit de omgeving van Tilburg zijn verder vindplaatsen bekend bij het Plakkeven onder Loon op Zand en een zevental uit de Drunense Duinen.

Hoe moeten wij ons die tijd van de eerste 'Tilburgers' voorstellen ? We bevinden ons in de laatste ijstijd, het Weichselien, en in de laatste 3000 jaar daarvan (13.000-10.000 jaar geleden) is het klimaat dusdanig verbeterd, dat menselijke bewoning mogelijk is. Deze periode wordt ook wel het Laatglaciaal genoemd, waarin overigens warmere en/of vochtiger zogenaamde interstadialen met bossen, werden afgewisseld met koudere en/of drogere zogenaamde stadialen met toendra- en parktoendravegetaties. Rondtrekkende jagers die worden gerekend tot de Federmesser- of Tjongercultuur, deden in een warmere periode, het Alleröd-interstadiaal (11.800-11.000 jaar geleden) ook Tilburg aan. Het landschap bestond uit achtereenvolgens berken- en dennen/berkenbossen. Deze mensen leefden meestal op een hoogte langs een waterloop of een ven. Bij de Kraaivense akkers zijn in de bodem ook sporen van een ven aangetroffen. 

In de laatste fase van het Alleröd-interstadiaal, toen het steeds kouder en droger werd en de bomen afstierven, ontstonden er enorme bosbranden. De oude bodem waarin resten van de Tjongercultuur worden aangetroffen, is herkenbaar als een bleke band in het zand, die veel stukjes houtskool bevat. Men noemt deze ook wel de zogenaamde 'Laag van Usselo'. Men jaagde vooral op standwild, zoals edelhert, eland en ree. Wat wij terugvinden in de bodem zijn door deze mensen achtergelaten vuurstenen artefacten. De jong-paleolithische 'Tilburger' heeft aan het Kraaiven, gezeten bij een kampvuurtje, de in de bodem aangetroffen vuursteenknollen bewerkt tot stenen werktuigen zoals pijlpunten en schrabbers en stekers om dierenhuiden, been en hout te bewerken. Hij leefde in tenten, beschut tegen de toch aanzienlijke kou (de gemiddelde zomertemperatuur was niet hoger dan 15 graden Celsius). Op vier locaties, twee gelegen op een terrein dat omsloten wordt door de huidige Zevenheuvelenweg, Kesselsstraat, Jules de Beerstraat en Gebr. Deprezstraat, en twee aan De Posthoornstraat, zijn ruim 850 artefacten aangetroffen op een oppervlak van slechts enkele vierkante meters. Hieronder bevonden zich 48 stuks die gekarakteriseerd kunnen worden als echte werktuigen, terwijl de overige vondsten met name het bij de vuursteenbewerking ontstane afvalmateriaal betreft. 

Na het Alleröd-interstadiaal volgde nog een koude periode, waarna omstreeks 11.000 jaar geleden de ijstijd voorbij was en een definitieve klimaatsverbetering intreedt. De midden-steentijd of het mesolithicum was aangebroken. Door de stijging van de temperatuur ontstonden loofbossen met hazelaar, eik, iep, linde, es en els. Door de toegenomen verscheidenheid aan flora en fauna, werd ook de voedselvoorziening voor de mens gevarieerder. De mesolithische 'Tilburger', die in kleine familiegroepen leefde, was jager, visser en voedselverzamelaar en moet in de laatste fase van het mesolithicum, het laat-mesolithicum (7500 jaar geleden), aan het Kraaiven gedurende vele jaren een seizoenskamp hebben gehad. Het moet daar goed toeven zijn geweest, want de jong-paleolithische mens had op dezelfde plek ruim 3500-4500 jaar eerder reeds zijn kampement opgericht.

Het onderzoek

Augustus 1957. Er bestonden reeds plannen om ten noorden van het Wilhelminakanaal in de Kraaivense akkers een industrieterrein aan de leggen. Voor de wegtracés Kesselsstraat en Gebr. Deprezstraat werd ter plaatse zand afgegraven, waardoor een afgraving ontstond. De jonge Tilburgse frater Waldemar Melis (later uitgetreden), die door zijn onderzoekingen in Loon op Zand onder andere bij het Leikeven in de archeologie geďnteresseerd was geraakt, vindt in die zandafgraving enkele vuurstenen werktuigen uit het late-mesolithicum. In november 1957 heeft gedurende enkele dagen een onderzoek plaatsgevonden onder supervisie van dr. A.Bohmers van het Biologisch Archeologisch Instituut van de universiteit van Groningen, destijds de bekendste steentijdspecialist in Nederland. Naast incidenteel onderzoek door het Amsterdamse Instituut voor Pre- en Protohistorie in 1967 en 1971, is het veldonderzoek vanaf de ontdekking door Melis tot in 1975 in hoofdzaak uitgevoerd door amateur-archeologen. Vanaf 1959 krijgt hij assistentie van F.J. Hendriks en Anton van der Lee, beiden afkomstig uit Loon op Zand. Het drietal zou tot in januari 1964 met opgravingen doorgaan. Inmiddels was de gemeente-ambtenaar bij de Tilburgse Woningdienst A.F. Janssen op dezelfde locatie met zijn onderzoek begonnen. Vanaf 1968 deed de schrijver van dit artikel zijn veldverkenningen. Janssen en Peeters stopten in 1974. Tot in 1975 werd het vondstterrein incidenteel nog door enkele amateur-archeologen bezocht. 



Fr. Waldemar Melis (links) met twee collega's en Anton van der Lee, tijdens een opgraving in 
1964. Op de achtergrond de Volt.

Het vondstterrein beslaat een totale omvang van ca. 11.900 vierkante meter. De onderzoekers hebben samen ruim 82.000 artefacten opgespoord, waaronder 5300 werktuigen. Ruim 13% van de vondsten is opgegraven uit de oorspronkelijke vondstlaag, de rest is verspreid over het terrein gevonden. Door het bouwrijpmaken van het terrein in 1959 is het complex nogal verstoord geraakt. De vindplaats wordt ongeveer begrensd door de huidige Kesselsstraat, Zevenheuvelenweg, Gebr. Deprezstraat en de Jules de Beerstraat. Een proefonderzoek heeft uitgewezen dat ook noordelijk van de Zevenheuvelenweg, op het terrein van de Volt, de nederzetting moet hebben doorgelopen. Op de terreinen van de firma's Otto en Assenburg aan De Posthoornstraat, werden naast vondsten van de Tjongercultuur, ook mesolithische vondsten door Janssen en Peeters ontdekt.


Vaklui

De laat-mesolithische mens leefde in een landschap met een gemengd eikenbos, waarin ook els, linde en iep voorkwamen. Hij maakte jacht op oeros, everzwijn, edelhert en klein wild en hij was visser. Zijn werktuigen maakte hij van vuursteen die hij ter plaatse vond. In de ondergrond wordt hier veelvuldig zogenaamd Maasgesteente aangetroffen, waarin zich veel vuursteen, van weliswaar inferieure kwaliteit, bevindt. Voor de betere artefacten gebruikte hij de zogenaamde Wommersomkwartsiet, een grijs tot grijs-bruin homogeen en fijnkorrelig gesteente, dat dezelfde splijtende eigenschappen heeft als vuursteen. Dit gesteente komt alleen voor bij Wommersom ten noorden van Tienen in België. Daar moest het dus gehaald worden. Misschien bestonden er toen reeds handelscontacten met onze huidige zuiderburen. Grenzen bestonden toen nog niet, maar de relatief grote afstanden moesten wel te voet worden afgelegd.



Mesolithische vuurstenen pijlspitsen en vishaakjes, 7500 jaar oud, gevonden door A.Melis 
(foto: Frans van Ameijde; coll. RHC Tilburg).

In het mesolithicum werden voornamelijk kleine tot zeer kleine werktuigen (microlithen) voor de jacht en huishoudelijk gebruik gemaakt. Van de vuursteenknollen werden met een hamersteen langwerpige scherven (klingen) geslagen, die door middel van een druktechniek verder werden bewerkt tot bijvoorbeeld kunstzinnig gevormde pijlpunten. Met een akelige preciesie ontstonden driehoekige of trapeziumvormige pijlspitsen die, als je ze naast elkaar legt, in onze ogen eigenlijk alleen maar met moderne machines gemaakt zouden kunnen worden. Zo identiek zijn ze vaak. Vooral de slechts enkele centimeters grote dubbelspitsen met fraaie bewerking op het oppervlak, die als zogenaamde 'lokvisjes' voor de visvangst werden gebruikt, zijn ware staaltjes van vakmanschap. De wat groffere schrabbers en stekers werden gebruikt voor de bewerking van been, hout, huiden en vlees. Bij de vervaardiging van de werktuigen werden veel scherfjes en brokken vuursteen als afval achtergelaten. Dat 87% van de gevonden artefacten uit 'afval' bestond, is daarom dus niet zo verwonderlijk. De enorme hoeveelheid vondsten van Tilburg-Kraaiven maken duidelijk dat in dit gebied gedurende een lange periode, van misschien wel enkele honderden jaren, regelmatig mesolithische jagers hun tentenkampje hebben opgezet.

Betekenis

Wat vondstaantallen betreft, is Tilburg-Kraaiven, zoals de vindplaats officieel bekend staat, de rijkste laat-mesolithische vindplaats van Zuid-Nederland en België. Achteraf gezien hebben de professionele wetenschappers in Tilburg een unieke kans, om een van de omvangrijkste mesolithische vondstcomplexen in Noordwest-Europa te onderzoeken, laten liggen. Het is aan de amateur-archeologen te danken dat zoveel materiaal voor toekomstig onderzoek gered is. Helaas konden niet alle vondstomstandigheden professioneel worden geregistreerd. 
In 1980-1981 is er in het noorden van Tilburg wederom een grote mesolithische vindplaats ontdekt. Amateur-archeologen, en later de afdeling archeologie van de gemeente Tilburg, verzamelden ruim 17.000 artefacten, waaronder zo'n 350 werktuigen in het Lepelare Zand aan de rand van de vuilstortplaats. Prehistorisch afval naast twintigste-eeuws afval! En nog onlangs, in 1992, zijn er bij een verkennende opgraving op het kunstcluster-terrein tussen de Bisschop Zwijsenstraat en de Oude Dijk, enkele mesolithische vondsten gedaan. 



De zeldzaamste mesolithische vondst, een 
zogenaamde 15 cm lange 'zoem- of slingersteen',
 een doorboord geslepen artefact van de steensoort 
lydiet, gevonden door A. Janssen. De streepjes op 
het voorwerp hebben een magische betekenis. 
Het is het oudste kunstvoorwerp uit Tilburg: 
7500 jaar oud (foto: Frans van Ameijde).

Twee pioniers zijn inmiddels overleden: Melis in 1984 en Janssen in 1988. Hun collecties kwamen respectievelijk in het Gemeentearchief van Tilburg en in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch terecht. Janssen ontving na de schenking van zijn collectie in 1987, de zeer sporadisch uitgereikte provinciale penning. De vondsten van de overige amateur-archeologen zijn nog in hun bezit. Alle vondsten zijn door de Eindhovense archeoloog drs. Nico Arts in 1988 beschreven. Hij is voornemens om de vondsten van de vindplaats Tilburg-Kraaiven nog eens nader te analyseren en er een uitgebreide wetenschappelijke publikatie over uit te geven.