Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Koning Willem II, ondernemer en grootgrondbezitter in Tilburg
Koning Willem II, ondernemer en grootgrondbezitter in Tilburg
 

Titel:   

Koning Willem II, ondernemer en grootgrondbezitter in Tilburg

Ondertitel:   

Auteur:   

Ronald Peeters

Tijdschrift:   

Tilburg Magazine

Jaargang:   

4 (1993)

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

37-39

 

Eens bezat koning Willem II onder andere aanmerkelijke stukken grond, een paleis, een tuinhuis aan de Koningshoeven, een kazerne, een pannenbakkerij, een schaapskooi en vele hoeven in Tilburg. Thans bezitten zijn erven hier nog slechts één perceel van 96 vierkante meter. Dit is het stukje grond gelegen bij de fontein voor het paleis-raadhuis, waar de oorspronkelijke gedenknaald ter nagedachtenis van Willem II heeft gestaan. Tilburg heeft nog vele herinneringen aan de koning die hier in 1849 zo jammerlijk overleed. Ronald Peeters duikt in het verleden en belicht met name Willem II als ondernemer en grootgrondbezitter.


Verblijf in Tilburg

Kroonprins Willem van Oranje voerde als opperbevelhebber van het Nederlandse leger in 1831 strijd tegen de opstandige Belgen. Tijdens de Tiendaagse Veldtocht in augustus van dat jaar, had hij zijn hoofdkwartier in het militair-strategische Tilburg gevestigd. Het zou nog tot 1839 duren voordat het definitieve eindverdrag met België tot stand kwam en hij zijn hoofdkwartier, zij het met een korte onderbreking, in Tilburg hield. Willem, die voordien afwisselend in Brussel en Den Haag zijn residentie had, woonde sinds 1831 met een kleine hofhouding vaak in zijn geliefde Tilburg. Aanvankelijk verbleef hij dan bij Thomas Josephus van Dooren, een bekende notabele, die een van de fraaiste woonhuizen in Tilburg bezat aan de Steenweg (Heuvelstraat) op de hoek van de Comediestraat, de later naar de prins genoemde Willem II-straat. Een deel van dit huis is nog herkenbaar (boven de winkelpui van het Kruidvat). Van Dooren was een zeer gefortuneerd man en een groot kunstverzamelaar. Omdat hij er vaak voor zaken moest zijn, kocht hij in Parijs als tweede woning het paleis van de aartsbisschop, dat door de revolutie was onteigend. Hij had in Tilburg de bijnaamd van 'Parijs' van Dooren. De kroonprins was ook zeer bevriend met de textielfabrikantenfamilies Diepen en Bogaers. 



Koning Willem II door de Tilburgse kunstschilder J.H. Hutten.
(Coll. RHC Tilburg).

De periode 1825 tot 1830 was voor de Tilburgse wollenstoffennijverheid een tijd van grote bloei. Dat was mede te danken aan de nieuwe afzetgebieden in de Zuidelijke Nederlanden, het tegenwoordige België, waar in 1830 ruim drie-vierde deel baaien en karsaaien werd afgezet. Door de afscheiding van België als gevolg van de Belgische Opstand in 1830 en de daaropvolgende status-quo-tijd tot de ondertekening van het eindverdrag in 1839, kwamen vele Tilburgse (klein)bedrijven en de huisindustrie in grote moeilijkheden. Juist de grote firma's Diepen Jellinghaus & Co., Van Dooren en Dams, C. Bogaers en Zoon en Paulus en Hendrik Vreede hadden minder last van de depressie, omdat zij andere produkten zoals lakens, duffels en katoenen baaien in de noordelijke provincies verkochten en dan voornamelijk ook nog aan de krijgsmacht en de Nederlandse Handel-Maatschappij. Hier was ook het Koninklijk Besluit dat op initiatief van de kroonprins werd uitgevaardigd debet aan. Deze protectionistische maatregel hield in dat alleen binnenlandse wollen manufacturen voor de kleding van militairen mochten worden aangewend.
Na 1839 ging het nog slechter met het Nederlandse bedrijfsleven. Voor de Tilburgse textielindustrie betekende het terugtrekken van de troepenmacht aan de grens een terugval in de orders van militaire lakens. Op een bevolking van 13.500 inwoners waren er in 1840 ruim 2000 werkelozen. 


Schapenfokker

Ondanks zijn kleine hofhouding bleek al spoedig dat de kroonprins te grote uitgaven deed. Hij zag in 1834 de oplossing in het kopen van twee boerenhofsteden met bouw- en weiland en ook percelen heidegrond, om vervolgens voor tafel en stal zelf produkten te gaan kweken. 
In Nederland had men zich in die tijd weinig toegelegd op de produktie van fijne wol. De grondstof werd voornamelijk ingevoerd uit Spanje, en sinds 1830 uit Duitsland. Willem ontdekte deze tekortkoming ook tijdens zijn verblijf in Tilburg. Zijn ondernemersgeest combineerde hij met zijn interesse in het agrarisch bedrijf door net op het grondgebied van Berkel in 1834 een grote schaapskooi te bouwen. Hierin plaatste hij eerst een aantal Spaanse rammen 'tot veredeling van het inlandsch ras' en weldra ook 42 Silesische rammen en Silesische ooien. Hij wilde enerzijds de wolstapel verbeteren, en anderzijds door de handel in fijne wol zijn financile positie verbeteren. Door zorgvuldige behandeling en nieuwe aanvoeren uit Silesië groeide de kudde in drie jaar tijd uit tot enige honderden schapen.
De wol werd voornamelijk plaatselijk afgezet. In de boekhouding van de firma Diepen Jellinghaus & Co. komt de naam van de prins van Oranje herhaaldelijk voor als leverancier van aanzienlijke hoeveelheden wol.



De prinselijke schaapskooi met links op de achtergrond de in aanbouw zijnde Annahoeve en de kerk
 van Tilburg, geschilderd door J.A. Knip en zijn kinderen, 1835. (Part. collectie).


Op 29 mei 1835 was de eerste steen gelegd voor de Annahoeve, de eerste in de reeks van ontginningshoeven die de prins zou laten bouwen in het aangrenzende Berkel en Hilvarenbeek. De in Tilburg geboren kunstschilder Josephus Augustus Knip schilderde kort daarna samen met zijn kinderen August en Henriëtte een fraai schilderij van de schaapskooi met de in aanbouw zijnde Annahoeve, te midden van een uitgestrekt heideveld met de kerk van Tilburg op de achtergrond. Hij bood de prins dit schilderij aan en ontving als dank een aanvullend pensioen van drie jaar.
Achter de schaapskooi had Willem nog twee kleinere hoeven in bezit, de Willemshoeve en de Sophiahoeve. Het gehele hoevencomplex werd 'de Schaapskooi' genoemd. Andere hoeven (gesticht in 1835) kregen de namen Hendrikhoeve (Berkel) en Alexanderhoeve (Hilvarenbeek). In het Leygebied (thans bekend onder de naam Koningshoeven) kocht hij nog de Nieuwe Hoeve, de Schouwsche Hoeve, het Hooghuis, het Barrièrehuis en een tuinhuis met pleziertuin. In dit tuinhuis sprak hij de historische woorden: 'Hier adem ik vrij en voel ik mij gelukkig.' 
Verder bezat hij een pannenbakkerij aan de Bredaseweg en verschillende percelen land verspreid over de stad. Na vijftien jaar zou ruim 125 ha woeste grond door hem ontgonnen zijn tot bouw- en weiland. 
In 1847 verkocht de firma Diepen een vollerij en ververij met terreinen aan de Bredaseweg, genaamd Dongewijk, aan de koning, die er grote veestallen liet inrichten voor de bemesting van de nabijgelegen heidegronden. 
Koning Willem II heeft met zijn ontginningswerkzaamheden in Tilburg pioniersarbeid verricht. De talrijke revenuën uit deze activiteiten kwamen niet alleen ten goede aan hemzelf en zijn hofhouding, maar ook aan het leger en de armlastigen van Tilburg.

De schaapskooi en de hoeven in het Leygebied rendeerden goed en ze zijn in 1852, drie jaar na de dood van koning Willem II, verkocht aan de Tilburgse koopman C. Jansen, die ze in 1868 weer verkocht aan de vermogende wolverver Caspar Houben. Deze schonk in 1881 de Willemshoeve, Sophiahoeve en de Schaapskooi aan de paters trappisten, die er later, in 1893, het huidige klooster aan de weg naar Moergestel lieten bouwen. De brouwerij van het klooster draagt al vanouds de naam 'de Schaapskooi'.


Bouwer

Voor het stimuleren van de plaatselijke bouwnijverheid en het bestrijden van de werkeloosheid is Willem II eveneens van enige betekenis geweest, hoewel we moeten constateren dat bouwopdrachten aan slechts één Tilburgse aannemer werden gegund: Adriaan Goyarts. In zijn in het Gemeentearchief Tilburg bewaard gebleven rekeningenboek staan honderden uitgavenposten vermeld voor vele bouw- en onderhoudswerkzaamheden die in opdracht van Willem II werden uitgevoerd. In negen jaar tijd besteedde deze meer dan 160.000 gulden aan nieuwe bouwwerken. De reparatiekosten aan boerderijen en verdere gebouwen moeten tienduizenden guldens hebben belopen.



De voormalige lansierskazerne in 1887. (Coll. RHC Tilburg).

Tijdens en na de Tiendaagse Veldtocht van 1831 waren er in Tilburg vele militairen ingekwartierd, die bij de plaatselijke bevolking veel overlast veroorzaakten. Tilburg was geen garnizoensstad. Met de opperbevelhebber van het leger in de stad kon het niet anders of daar werd door hem een oplossing voor gevonden. In 1841 werd op zijn initiatief begonnen met het bouwen van drie stallen waarin ruimte was voor 200 paarden. Op 7 mei 1842 legde de koning de eerste steen voor de kazerne, die weldra bevolkt werd met dragonders en lansiers. Uit eigen zak betaalde Willem ruim 50.000 gulden voor de bouw van deze kazerne met paardestallen, de latere uitbreidingen en het onderhoud van de gebouwen. Tot 1856 is Tilburg garnizoensstad gebleven, waarna het kazernecomplex, dat inmiddels sedert 1851 eigendom was van de gemeente Tilburg, werd verkocht aan de firma's De Kanter en Van den Bergh. Zij vestigden er respectievelijk een leerlooierij annex vellenbloterij en een wollenstoffenfabriek. Deze oudst bewaarde cavaleriekazerne van Nederland bestaat nog voor een deel, en is als rijksmonument gerestaureerd.



De ververij van Frankenhoff in 1868. (Coll. RHC Tilburg).

In 1835 kocht Willem twee patriciërswoningen naast elkaar en de daarachter gelegen lakenververij van de weduwe van J.M. Frankenhoff aan de Nieuwendijk (thans Bisschop Zwijsenstraat / Stadhuisplein). Daar ging hij ook wonen. 
De koning investeerde nog meer. Voor de verbetering van de infrastructuur liet hij onder andere in 1845 voor 29.000 gulden de straatweg op de Koningshoeven aanleggen, en in 1848 maakte hij plannen voor de aanleg van een kanaal van 's-Gravenmoer tot aan de Bredaseweg in Tilburg. In 1848 liet hij de voormalige ververij van Frankenhoff afbreken en er een nieuwe bouwen. Een jaar later liet hij voor zijn intendant J.N. Frankenhoff, de zoon van bovengenoemde weduwe, een nieuw woonhuis bouwen ten bedrage van 8500 gulden. In dit gebouw werden in de jaren dertig van deze eeuw het Natuurhistorisch en het Volkenkundig Museum gehuisvest. 
Het kleinste 'bouwwerk' dat Goyarts maakte, werd in 1840 opgeleverd: een 'kiep kooi'.

Na zijn troonsbestijging in 1840 werd de behoefte om een groter en waardiger paleis als zuidelijke residentie te bouwen bij de koning steeds groter. De vorst blijkt zelf het ontwerp van dit in Engelse neogotische trant gebouwde paleis te hebben bedacht. Grote haast had hij er niet mee, want pas in 1847 werd met de bouw begonnen. Het heeft Willem totaal ongeveer 60.000 gulden gekost. Helaas heeft hij het paleis nooit kunnen bewonen. Hij overleed in zijn 'oude paleis' op 17 maart 1849, nog voordat zijn nieuw onderkomen zou worden opgeleverd. Aannemer Goyarts kreeg een laatste koninklijke opdracht: voor 72 gulden vervaardigde hij een 'eike houte bruijn gemaakte lijk kiest ... volgens plaatselijk gebruik' en 'een zinke kiest in de zelve'. 
Willem II werd in de koninklijke grafkelder in Delft bijgezet. Het in verval geraakte oude paleis in Tilburg werd in 1873 gesloopt. Op deze plaats is op 17 maart 1873, vijfentwintig jaar na de dood van Willem II, een gedenknaald opgericht; deze heeft er tot de aanleg van het Stadhuisplein in 1968 gestaan.

Tilburg heeft nog vele herinneringen aan zijn koning: een scholengemeenschap en een voetbalclub dragen zijn naam; vijf straten en pleinen zijn naar hem genoemd: Willem II-straat, Koningsplein, Willemsplein, Koningshoeven en Prinsenhoeven. Er staat sinds 1987 weer een nieuwe gedenknaald en het uit Den Haag afkomstige standbeeld op de Heuvel is in april 1993 tijdelijk van zijn sokkel gehaald om gerestaureerd te worden. Vier gebouwen herinneren nog aan Willem II: het paleis-raadhuis, de lancierskazerne, het tuinhuis op de Koningshoeven en zijn logeeradres in de Heuvelstraat. Aan de fontein voor het paleis-raadhuis en in de zijgevel van de kazerne zijn gedenkplaten aangebracht. Het Gemeentearchief bezit tientallen prenten, penningen, schilderijen, beeldjes, boeken en archiefstukken met betrekking tot de vorst. Willem II is in Tilburg misschien wel net zo bekend als de zalige Peerke Donders.



Standbeeld van koning Willem II op de Heuvel, april 1993.
(Foto Frans van Ameijde).

 
J.J. Abbink, de biograaf van koning Willem II, karakteriseerde hem in 1849 als volgt: 'Hij voerde Tilburg tot eenen trap van welvaart, dien men daar nimmer voor hem had gekend. Het was niet zijne neiging voor de bouwkunde, niet zijne zucht, om eene voor zijnen rang meer voegzame woning te hebben, waaraan hij zelf den eersten steen legde; neen! het was om zijn verlangen, aan veler handen werk en aan veler monden brood te geven, te bevredigen.'

Willem II was bevriend met de Tilburgse dominee dr. G.D.J. Schotel. Deze schreef in 1849 in de brochure 'De dood des konings' over hem: 'Geen oord in ons Vaderland, waar de Koning zich liever ophield, dan te Tilburg. Dáár had hij, een vurig beminnaar en een grondig kenner van den landbouw, rijke bezittingen, die hij steeds uitbreidde en verfraaide; dáár bezat hij uitgebreide heidegronden, die hij liet ontginnen en in welige landsdouwen herschiep. De stad zelve was hem dierbaar ...'