Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tilburgse Historische Reeks 1
Texandrië, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom
 

Titel:   

Texandrië, van omstreden gouwbegrip naar integratie in het hertogdom

Ondertitel:   

Hoofdlijn en vraagtekens

Auteur:   

drs. Bas Aarts

THR 

Geworteld in Taxandria.
Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout

Nummer:   

1 (1992) Tilburgse Historische Reeks

Pagina’ s:   

8-42


Gouwen en graafschappen

Texandrië is de naam (met als varianten Taxadrië en Toxandrië), die middeleeuwse teksten tussen de 7e en de 12 eeuw geven aan het grondgebied van een zogeheten gouw, soms een graafschap, die in die periode een groot deel van de huidige provincies Noord-Brabant, Antwerpen en Belgisch-Limburg moet hebben bestreken. Het zoeken naar scherpe begrenzingen hiervan is in de oudere historische literatuur een veelbeoefende bezigheid geweest. Daarbij combineerde men alle plaatsvermeldingen in een dergelijke gouw tot een overzichtelijk geografisch geheel en construeerde zo een vastomlijnd gouwbegrip dat vanuit de Merovingisch-Karolingische tijd nagenoeg ongewijzigd zou hebben doorgelopen tot ver in de 12e eeuw.

Parallel aan de gouwindeling van het Frankische rijk en zijn opvolger-staten zou er een bestuursindeling in graafschappen hebben bestaan. De bronnen maakten echter altijd al duidelijk dat graafschappen weer hun eigen logica gehad moeten hebben. Er bleken binnen bepaalde gouwen meerdere graafschappen voor te komen, en sommige graafschappen hebben delen omvat van verschillende gouwen.
Het moderne onderzoek naar de bestuursstructuren in de vroege middeleeuwen heeft dit 'statisch' denken over gouwen en graafschappen grotendeels losgelaten. Elke periode kende haar eigen dynamiek. Gouwen bleken te kunnen groeien en slinken, hun benaming kon zich verplaatsen. Graafschappen werden ingericht naar de wisselende behoeften van het moment en hebben soms een zeer kortstondig leven geleid. Over dit hele proces zijn we slechts fragmentarisch ingelicht.

Om toch enig zicht te krijgen op dat Texandrië, dat door de middeleeuwse bronnen een aantal malen wordt vermeld, nemen we als meest recent onderzoek naar deze materie de uitgebreide studie van dr. Frans Theuws als leidraad.(1) Uitgaande van een vergelijkbaar werk over de Veluwe en het oude Hamaland (2) ontwikkelde Theuws de idee dat het begrip 'gouw' (pagus) in oorsprong (7e en 8e eeuw) geïnterpreteerd kan worden als een gebied waarvan de omvang varieerde en bepaald werd door de onderlinge verbondenheid van de daarbinnen levende woongemeenschappen onder leiding van hun grootgrondbezittende elite. Bevolkingsgroei en ontginning droegen ertoe bij dat het gouwbegrip uitdijde of verschoof, waarbij de gouwnaam, naar het zich laat aanzien, meer een streeknaam werd (9e en 10e eeuw).



Plaatsen in het Maas-Demer-Schelde-gebied welke volgens de geschreven bronnen tot 
de gouwen Texandrië en Rien kunnen worden gerekend. 
1 en 2: plaatsen genoemd in de 8e eeuw; 
3 : plaatsen genoemd in de 9e eeuw. Aangevuld met plaatsen langs de Maas die volgens 
de auteur ook tot Texandrië behoord zullen hebben;
4 en 5: plaatsen genoemd in de 10e eeuw;
6 : plaatsen genoemd na 1000 die tot de gouwen Texandrië en Rien worden gerekend.
Tekening: Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Prae- en Protohistorie, 
dr. F. Theuws.

Iets vergelijkbaars overkwam het begrip 'graafschap' (comitatus). Ook hier lijkt het er steeds sterker op dat dit begrip in eerste instantie zeer persoonsgebonden gezien moet worden. De graaf was een hoofdpersoon in het sociaal-politieke netwerk van de gouw en oefende daar, binnen de bestaande verhoudingen, zijn controle uit namens de koning. Hij sprak recht, inde bepaalde belastingen en voerde in oorlogstijd de opgeroepen weerbare mannen aan. Een plaatsaanduiding is daarom bijna altijd dubbel, zowel de betreffende streek als de graaf met zijn graafschap wordt vermeld volgens de bekende oorkondeformule in pago X in comitatu Y.

Bevolkingstoename en meer complexe verhoudingen noopten tot de aanstelling van meerdere graven binnen sommige gouwen als Haspengouw en Brabant. Pas in de laat-Karolingische tijd en in de 10e eeuw kan men iets waarnemen van een begin van territorialisering van het graafschap. Dan ontstaat ook hier en daar de gewoonte om het graafschap niet meer naar een persoon maar naar een hoofdplaats te noemen.
Dit hier geschetste werkmodel toepassend op Texandrië ontwikkelt zich in hoofdlijnen (onder het nodige voorbehoud) het volgende beeld.

De naam herinnert ongetwijfeld aan de volksgroep van de Texuandri uit de Romeinse tijd. Het geeft iets aan ter rechterzijde of 'in het westen/zuiden'.(3) De bekende schenkingen aan Willibrord van omstreeks 700 situeren een aantal plaatsen binnen de gouw Texandrië, zoals bijvoorbeeld Alphen, Diessen en Eersel. Een van die schenkingen (in 709) werd gedaan te Tilliburgis (in de Tilburgen).(4) Die meervoudsvorm is merkwaardig, maar gold sinds de laat-Romeinse tijd voor veel plaatsen als 'modieus'.(5) Daarmee is dat 8e-eeuwse 'Tilburg' echter nog niet verklaard. Het oord zelf werd niet weggeschonken en kan daarom best de woonplaats geweest zijn van de vrijgevige Frank Aengelbertus. Hem en zijn familie ontmoeten we ook in andere schenkingen aan Willibrord en hij moet behoord hebben tot een adellijke bovenlaag van grootgrondbezitters, die zich sinds een of twee generaties in deze streek gevestigd had. De archeologische wetenschap gunt ons een steeds duidelijker blik op de materiële leefwereld van deze elite en haar onderhorigen door het onderzoek van grafvelden en woonplaatsen (Alphen, Goirle, Grobbendonk, Meerveldhoven, Dommelen).(6)

'Tilliburgis' en 'Turnholt'

Een speciale werkgroep heeft inmiddels de speurtocht naar Tilliburgis op haar programma staan en vordert daarin gestaag, al zijn er nog vele hindernissen te nemen.(7) Zo intrigeert velen allang het element 'burg' in die oudste vermelding van Tilburg. De meest recente naamsafleiding voor 'Tilburg' geeft burcht in combinatie met nieuw gewonnen land.(8) Gelet op de vroege datering (709) is men geneigd daarbij aan iets van een overgebleven kleine Romeinse sterkte te denken, omdat er in de 8e eeuw nog nauwelijks middeleeuwse burchten voorkwamen. Of het daarbij dan werkelijk om zoiets als een laat-Romeinse burgus in de vorm van een versterkte toren ging, blijft vooralsnog de vraag. Het begrip burgus kan in de vroege middeleeuwen ook een meer civiele betekenis hebben.(9) Daarnaast zou er ook alleen een herinnering in opgesloten kunnen zitten. Zo verwijst het middeleeuwse toponiem Burgstad in het naburige Hilvarenbeek hoogstwaarschijnlijk naar Romeinse bewoningssporen ten noorden van dat dorp. Ook de grootvader van Aengilbertus kan zijn woonstede gekozen hebben in of nabij Romeinse overblijfselen van wat dan ook. Als mogelijke locatie komt de dekzandrug aan de noordwestzijde van de Leij in aanmerking, waar nu zowel het huidige Tilburg als Goirle met zijn Merovingisch verleden op liggen.(10)

Van dat mysterieuze 'Tilburg' nu meteen de hoofdplaats van heel Texandrië te willen maken(11), lijkt me vooralsnog wat te voorbarig.
Dat 'Tilburg' staat trouwens niet alleen. Tenminste als we ons even verdiepen in een andere naamsafleiding, die van Turnhout. Ook hier is al veel over geschreven. Tegenwoordig neigt men daarbij toch weer naar de meest eenvoudige en directe uitleg, die van een 'toren' of 'torens' in 'het bos'. De vraag rijst dan onmiddellijk, wat voor 'toren(s)'? Naar analogie van Torhout in West-Vlaanderen wordt dan een Romeins verleden mogelijk geacht(12), al ontbreekt een duidelijke archeologische context. Qua situering hebben sommige schrijvers het latere kasteel van Turnhout op het oog(13), maar dat lijkt voorlopig nog weinig waarschijnlijk. Daarbij speelt dan ook nog of de naam Turnholt (1186) niet van origine aan Oud-Turnhout toegekend moet worden en dat de latere stad deze naam overgenomen kan hebben.(14)
We laten Tilburg - Turnhout even rusten en hernemen de draad om zicht te krijgen op het oude Texandrië.

Texandrië en Rien

Begin 9e eeuw wordt van een aantal plaatsen in het Middennederlandse rivierengebied (Hedel, Engelen, Orthen, Empel, Rosmalen, Velddriel en andere) gezegd dat ze behoren tot Texandrië en/of Teisterbant. In een scherpe analyse heeft D.P. Blok indertijd de groei van de gouw Teisterbant geschetst en aannemelijk gemaakt dat deze in haar grootste omvang zich uitgestrekt zal hebben tussen Lek en (Oude) Maas, en voornamelijk de Tielerwaard, Bommelerwaard en een deel van het Land van Heusden en Altena besloeg.(15) Als consequentie kan dan een aantal plaatsen langs de Maaskant rondom het tegenwoordige 's-Hertogenbosch al in het begin van de 9e eeuw tot Texandrië gerekend worden. Als achterhaald moet intussen de visie van J. Dhondt (1952) beschouwd worden dat de gouw Teisterbant zich ooit ver naar het zuidwesten uitstrekte tot voorbij het latere Breda.(16) Aan deze misvatting ligt waarschijnlijk een verwisseling ten grondslag van Martwijk (eertijds deel van Velddriel in de Bommelerwaard) als Matras met de oude naam voor Princenhage Merters.(17) Waarmee trouwens in dat 'verre westen' nog geen duidelijkheid geschapen is.

In de Antwerpse Kempen kreeg Willibrord ook bezittingen (onder andere langs de Nete), waarvan de precieze lokalisering nog omstreden is.(18) De bewuste goederen lagen nadrukkelijk niet in Texandrië, maar kennelijk in de gouw Rien, die echter door velen als een soort ondergouw van het grote Texandrië wordt gezien.(19) Zeer waarschijnlijk ten onrechte. Rien (pagus Renensium) was een relatief kleine, dichtbevolkte gouw, behoorde kerkelijk tot het bisdom Kamerijk en fungeerde als achterland van het Merovingische Antwerpen.
Als graafschap werd Rien omstreeks 1000 omgevormd tot het (mark-)graafschap Antwerpen, waarbij zich een soort grensverschuiving ten koste van Texandrië lijkt te hebben voorgedaan. Werden Noorderwijk en Itegem in de 10e eeuw nog tot Texandrië gerekend, de schenking van bisschop Ansfried (+ 1007) van Westerlo - Olen c.a. aan twee Utrechtse kapittels situeert zijn voormalig erfelijk bezit in het graafschap Rien, spoedig dat van Antwerpen genoemd.(20)

De streek van Turnhout rekent zich traditioneel in oorsprong tot Texandrië. Daar zal weinig op tegen zijn, al zijn er geen algemeen aanvaarde schriftelijke gegevens beschikbaar.(21) Toch ging ook hier klaarblijkelijk later iets verschuiven in oostelijke richting. Zo leren we uit latere bron dat voor het onderhoud van de 10e-eeuwse Ottoonse burcht in Antwerpen, die de strategische spil werd van het nieuwe markgraafschap, men mannen mocht oproepen tot aan Ossendrecht, Mol en de Turnhoutervoort toe.(22) Met die Turnhoutervoort, die kennelijk een begrenzing van het markgraafschap aangaf, wordt een doorgang in de Aa bedoeld op 't Stokt, aan de westelijke ingang van de latere stad.(23) De eveneens beeldbepalende kerkelijke grens in deze regio, tussen de bisdommen Kamerijk (Antwerpen) en Luik (Texandrië), had zich ondertussen, al of niet met een grenscorrectie in de Kempen rond 1040 (24) ruwweg gestabiliseerd op de waterscheiding tussen Schelde en Maas. Hierdoor lag het middeleeuwse Turnhout binnen het bisdom Kamerijk.



Politiek-geografische eenheden in het Maas-Demer-Schelde-gebied en aangrenzende 
streken in de 10e eeuw.
Tekening: Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Prae- en Protohistorie, dr. F. Theuws.


Wat lag er direct ten noorden van Rien - Antwerpen? Bergen op Zoom wordt in de 10e eeuw in Texandrië gesitueerd (25), evenals Rijsbergen, al is die laatste vermelding niet controleerbaar.(26) Een paar duidelijk valse oorkonden (voor Nijvel en Thorn) spreken over de pagus of het Land van Strijen. Men heeft daar een gouw Strijen of Strien uit willen construeren, gelegen binnen of naast Texandrië in westelijk Noord-Brabant en het aangrenzende Zuid-Holland. Gelet op de kerkelijke indeling ligt het meer voor de hand dit gehele gebied tot Texandrië te rekenen.(27) De noordgrens van het bisdom Luik bleef immers de loop van de (Oude) Maas volgen tot het punt (in Zuid-Holland) waar het water de Striene, komende van de Oosterschelde, zich met haar verenigde. Heel dit uitgestrekte, maar dunbevolkte, gebied kwam bij de dekenaatsindeling van het noordelijk deel van het bisdom Luik (waarschijnlijk in de 11e eeuw) onder Hilvarenbeek. Vanuit dat zogenaamde Land van Strijen waren op het eind van de 10e eeuw de bekende goederenschenkingen aan de abdij van Thorn gedaan door Hereswind, de echtgenote van graaf Ansfried, de latere bisschop van Utrecht (995 - 1010).(28) 



Naar: G. Bannenberg e.a., De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek, 
dl. I (Nijmegen, 1966) VIII
.

Die 10e eeuw lijkt wat zicht te bieden op de grootste omvang die de gouw Texandrië ooit bereikt heeft. Niet zozeer door gegevens van binnenuit, want die blijven schaars, maar doordat andere gouwen c.q. graafschappen eromheen zich iets duidelijker manifesteren, al kan ook hun bestaan zeer kortstondig geweest zijn. De relatie met Rien - Antwerpen werd al besproken. Als westgrens kon het water de Striene aannemelijk gemaakt worden. In het noorden volgen we de (Oude) Maas stroomopwaarts tot de omgeving van Grave. Vanaf hier lijken de Peelmoerassen een natuurlijke oostgrens voor Texandrië gevormd te hebben. Rechts ervan wordt in 949 eenmalig de Gennepgouw vermeld, die noordelijk doorgelopen moet hebben tot de omgeving van Nijmegen. Deze verder niet bekende gouw was misschien een onderdeel of afsplitsing van de 'oergouw' Hattuarië, die gezien kan worden als een voortzetting van het Romeinse district Xanten.(29) Iets zuidelijker kan ook langs beide zijden van de Maas de Maasgouw gesitueerd worden, waarbinnen men blijkbaar al vroeg weer onderverdelingen aangebracht heeft. Wat de grafelijke macht betreft, moeten er hier in de 10e eeuw verschillende reorganisaties plaatsgevonden hebben. Zo wordt Aldeneik geplaatst in het graafschap Hufte (Hocht bij Lanaken). Texandrië, dat hier doorliep tot in de richting van Bilzen, werd in het zuiden begrensd door de Haspengouw, waarin graafschappen ontstonden als Avernas (-le-Baudouin) en Leuven.(30)


Graaf en abt

Is daarmee de omtrek van de grote gouw Texandrië in de 10e eeuw redelijk benaderbaar, moeilijker ligt het met het verschijnsel van de grafelijke macht alhier. Hoewel een 'graafschap Texandrië' op zich al vroeg genoemd wordt (9e eeuw), blijft het vooralsnog onduidelijk wat daar concreet onder verstaan moet worden. In de 10e eeuw lijkt Ansfried sr. (oom van graaf/bisschop Ansfried) het meest in aanmerking te komen om als graaf in Texandrië geregistreerd te worden. Al verloopt de bewijsvoering helaas wat indirect. In 969 wordt Empel geplaatst in pago Dehsendron, in presidatu Ansfridi comitis, waarmee strikt genomen slechts gezegd wordt dat Empel in Texandrië onder een bepaald juridisch gezag van graaf Ansfried stond.(31) Het zou hierbij kunnen gaan om de functie van praeses, wat in het begin van de 11e eeuw als de prefectuur (een soort oppergezag in het rivierengebied) lijkt te worden omschreven.(32)

In 968 wordt dezelfde Ansfried sr. als getuige vermeld bij het wegschenken aan Reims van onder andere Lithoijen aan de Maas, waardoor mijn inziens toch wel aannemelijk lijkt dat hij inderdaad de grafelijke waardigheid binnen Texandrië bekleed kan hebben. Hij moet trouwens volgens de kroniek van Thietmar van Merseburg over 15 graafschappen beschikt hebben, waarvan we verder alleen Teisterbant (968/971) met enige zekerheid kunnen aanwijzen.(33)
Aan zijn neef en erfgenaam Ansfried jr., de latere bisschop van Utrecht, worden traditioneel ook Teisterbant en Texandrië als graafschappen toegeschreven, zonder echte bewijzen overigens. Hij was in ieder geval wel graaf van Hoei (985) en ergens binnen de gouw Brabant, waarmee in de 10e eeuw de streek tussen Schelde en Dijle bedoeld werd. Hem wordt ook vaak Rien (Antwerpen) toebedacht, maar de aanwezigheid van hem aldaar als grootgrondbezitter biedt daarvoor te weinig ondersteuning, al heeft J. Dhondt daar indertijd (1952) de bekende stelling op gebaseerd dat de keizer Ansfrieds rechten hanteerde om er het markgraafschap Antwerpen mee in te richten in ruil waarvoor Ansfried de bisschopszetel van Utrecht kon krijgen.(34)

Binnen Texandrië is Ansfried jr. wel als grootgrondbezitter aan te wijzen, zoals in Vught waarover hierna meer, en elders, als men ten minste de middeleeuwse overlevering wil bijvallen die verhaalt van zijn schenking van het domein Lommel aan de 'kerk' van Hilvarenbeek. Het latere kapittel van Beek zou nog zeer lang allerlei voorrechten in Lommel genieten (zoals het belangrijke voordrachtsrecht van de pastoor) en het zal geen toeval zijn dat dit Lommel ook nog net valt onder het uitgebreide middeleeuwse dekenaat Beek.(35)

Hoewel dus aan de Ansfrieds niet zonder meer de grafelijkheid in Texandrië toegeschreven kan worden, wil dat mijns inziens nog niet zeggen dat voor Texandrië de graafschapsstructuur als zodanig niet uit de verf gekomen zal zijn(36), al blijven de gegevens erg schaars.
Opvallend voor Texandrië is wel dat er, meer dan elders blijkbaar, een enorme concentratie van kerkelijke bezittingen geweest moet zijn. Dat van de abdijen van Echternach (Willibrord) en Thorn kwam al ter sprake. Verder kan als vermoedelijk oud bezit, van welke herkomst dan ook, gewezen worden op onder andere de goederencomplexen van bijvoorbeeld Nijvel (Bergen op Zoom), St. Servaas (Poppel - Ravels), Corbie (rondom Mol), Lorsch (de Maaskant) en St. Truiden (Eksel en in Teisterbant rond Aalburg). De betreffende domeinen lagen in de regel aan de noord-zuid verbindingen die het relatief dunbevolkte gebied doorkruisten.(37)

In een recente studie wordt het vermoeden uitgesproken dat in het midden van de 10e eeuw aartsbisschop Bruno van Keulen (953 - 965), tevens hertog van Lotharingen en broer van Otto I, zich intensief met Texandrië beziggehouden kan hebben. Dit in de vorm van een herinrichting van de nog aanwezige koninklijke domeinen en de bouw van diverse St. Petrus-Banden-kerken, die met hun patrocinium naar Keulen zouden verwijzen.(38) Veel moet hierbij voorlopig nog hypothetisch blijven. Ook inzake het (Keulse ?) St. Petrus-Banden-patrocinium, dat voor sommige plaatsen (Gilze, Bergeijk, Bladel, Hilvarenbeek ?) misschien inderdaad aanknoopt bij een voor de 10e eeuw bekende verering van de apostel Petrus-in-zijn-boeien, maar elders toch gekoppeld moet worden aan jongere kerkstichtingen (Oirschot, Oisterwijk ?). Daarnaast mogen we ook de positie van Ansfried sr. als waarschijnlijke graaf binnen Texandrië niet uit het oog verliezen. Rond het jaar 1000 komt de bisschop van Luik, tot wiens diocees Texandrië behoorde, wat meer in beeld. De diverse Luikse kapittels blijken dan over nogal wat goederen verspreid over Texandrië te beschikken. Zo kunnen de bezittingen van het kapittel van St. Jan in Haaren, Moergestel en Westerwijk (Hilvarenbeek), hoewel bekend uit latere bron, in principe tot deze tijd terugreiken.(39)



Het goederenbezit van enkele middeleeuwse abdijen in het Maas-Demer-Schelde-gebied
vóór 1000
1: Echternach
2: Corbie
3: Lorsch
4: St. Truiden
5: Chèvremont
6: St. Servaas - Maastricht
Tekening: Universiteit van Amsterdam, Instituut voor Prae- en Protohistorie, dr. F. Theuws.

Veel kerkelijk goed concentreerde zich rondom de samenloop van de diverse Noordbrabantse riviertjes in de Dieze. Hier had Echternach zijn aloud bezit in St. Michielsgestel. Hier deed bisschop Ansfried ('1006') zijn schenkingen vanuit Vught aan het door hem gestichte klooster Hohorst bij Amersfoort.(40) Daarbij bleek Vught toen over onder andere een tol en een muntslag te beschikken, wat het belang onderstreept van dit natuurlijk knooppunt nabij de Maas. Zo Texandrië al een economisch-juridisch middelpunt heeft gehad (10e - 11e eeuw ?), zou ik het hier willen zoeken, excentrisch gelegen, in de regio Vught - Orthen, vooruitlopend op de latere centrumfunctie van 's-Hertogenbosch.


Invloed van Utrecht

De Ansfried-schenking aan Hohorst zou aangegrepen kunnen worden om daarmee de rechtstitel te verklaren waarmee Utrecht later een bepaald hoogheidsgezag over een deel van Texandrië claimde en waaronder de Brabantse hertog nog in de 13e eeuw, eenmaal meester van het gebied, niet zonder meer bleek te kunnen uitkomen. Het scherpst komt dit tot uitdrukking in het zogenaamde Memoriale Adelboldi, een aan bisschop Adalbold (1021) toegeschreven opsomming van alle naburige grote heren die in een leenverhouding stonden tot Utrecht (Holland, Gelder, Kleef, Kuyc en andere). Hierbij wordt ook de hertog van Brabant genoemd, die van de bisschop in leen zou houden het stenen gebouw ('stadspaleis') in Tiel met toebehoren en verder de gehele Kempen tot aan Turnhoutervoorde met alles erop en eraan ( ... item totam Kempineam usque Turnoutervoerde cum mancipiis, prediis, silvis, campis ...)(41) Iedereen is er tegenwoordig wel van overtuigd met een falsum van doen te hebben, vervaardigd in de 13e of misschien pas in de 14e eeuw. De erin gehanteerde elementen zijn echter beduidend ouder en worden in meerderheid nu toegedacht aan de regeerperiode van bisschop Boudewijn II (1178 - 1196).(42)  Bij het diplomatieke onderzoek naar de datering en de betekenis van dit opmerkelijke stuk heeft de Brabantse component nooit een grote rol gespeeld. Toch is die opmerking over de Kempen tot aan Turnhoutervoort een boeiende bouwsteen in het raamwerk van feiten en hypotheses, waarmee we iets meer zicht op het vroegere Texandrië proberen te krijgen.

Er wordt verwezen naar de al eerder genoemde noordoostelijke begrenzing van het markgraafschap Antwerpen, waarbinnen bepaalde privileges golden voor hen die vanaf omstreeks 1000 de burcht moesten onderhouden (libertas castrensis operis). Daarmee in mijn ogen minimaal terugreikend tot vóór 1106, het moment dat de graaf van Leuven hertog werd en daarmee dat markgraafschap Antwerpen verwierf, waarbuiten hij in noordoostelijke richting klaarblijkelijk tegen de invloedssfeer van de Utrechtse bisschop aanliep.
Als beginpunt voor toekenning van enigerlei zeggingsmacht aan de Utrechtse bisschop over Texandrië of delen ervan lijkt me de Ansfried-schenking van '1006' betreffende Vught (bevestigd in 1028 en 1050(43) wat te beperkt. Te meer daar dit bezit verder geen sporen nagelaten heeft.(44)

De rijksconferentie te Nijmegen van 1018 zou het gezochte startpunt geweest kunnen zijn, al lijkt het wat vroeg hiervoor. Dit was in ieder geval nagenoeg de laatste maal dat een keizer van het Duitse rijk in onze streken nog effectief kon ingrijpen in regionale feodale verwikkelingen. Weliswaar mislukte een daar geplande militaire actie tegen Dirk III van Holland, maar gelukte de ontmanteling van het territorium-in-spé dat het beruchte grafelijk echtpaar Balderik en Adela rond 1000 creëerde met het rivierengebied als spil. Tot het machtsbereik van dit paar werd ook Texandrië wel eens gerekend.(45) In ieder geval had graaf Balderik eerder in 1008 samen met zijn verwant bisschop Balderik II van Luik de jachtrechten in hun eigen 'familiebossen' van het Waverwoud bij Mechelen verworven.(46)
De Utrechtse bisschoppen nu, te beginnen met Adalbold, profiteerden duidelijk van de val van graaf Balderik en sindsdien begon onder de opeenvolgende keizers de uitbreiding van het Sticht Utrecht tot een wereldlijk vorstendom, compleet met grafelijke rechten, bijvoorbeeld in Teisterbant (1026). Uiteindelijk wist de Utrechtse bisschop zelfs een moeilijk definieerbaar soort (rijks)oppergezag af te dwingen ten opzichte van een aantal omringende heren. Iets wat het eerder genoemde (valse) Memoriale Adelboldi moet hebben gepoogd te institutionaliseren.(47)


Keulen van dichtbij

Wie óók zijn voordeel gedaan moet hebben met het tijdelijk machtsvacuüm tussen Rijn en Maas, was de aartsbisschop van Keulen. Deze trad al in 1018 regelend op in Hattuarië en zou zich verderop in de 11e eeuw, met name onder aartsbisschop Anno II, steeds duidelijker profileren als de vertegenwoordiger bij uitstek van het rijksgezag, daarbij aanknopend bij de positie die Keulen innam onder Bruno in de 10e eeuw.(48) Tegen die achtergrond kan mogelijk het gezag geplaatst worden dat men kennelijk omstreeks 1100 aan Keulen toekende inzake Texandrië. Dit blijkt namelijk uit een wat lastig te interpreteren antwoord van aartsbisschop Frederik (1100 - 1110) op het verzoek van de abdij van Echternach om de plaatselijke voogden over de Echternachse goederen in Texandrië tot de orde te roepen. Het is duidelijk dat hier toch een of andere vorm van (rijks)hoogheidsgezag aan ten grondslag moet liggen. De aartsbisschop liet zijn voogd voor Texandrië, een graaf Hendrik, in actie komen.(49) Men heeft onlangs in deze niet nader gedefinieerde graaf Hendrik een regionale grootheid willen zien(50), maar ik zou er de voorkeur aan willen geven hem als een vertrouweling uit de directe omgeving van de aartsbisschop te kwalificeren. Bijvoorbeeld als graaf Hendrik van Kessel (1082 - 1114), voogd van St. Pantaleon in Keulen, de meest westelijke steunpilaar voor de aartsbisschop op dat moment en bewoner van de machtige burchttoren op de linker Maasoever te Kessel.(51) Als lokale autoriteiten vallen in het bewuste document onder de getuigen alleen Harper van Boxtel en zijn broer Megenher te ontwaren, door familiebanden trouwens tegelijk weer Rijnlanders naar het schijnt.(52) Voorop staan de graven Gerard en Dirk vermeld, die men in deze strikt Keulse context mag verbinden met Wassenberg/Gelder en Kleef/Tomburg en daarmee tot directe nakomelingen van het Flamenses-broederpaar dat eerder in de 11e eeuw door de keizer naar de Nederrijn was gehaald. Deze familie zou gestaag goederen en rechten weten te verwerven in het rivierengebied, bijvoorbeeld in Teisterbant, waar zowel Gelder als Kleef leenman van Utrecht zouden worden.(53) Maar ook in Texandrië, waar de Gelderse tak later in de 13e eeuw allerlei rechten blijkt te bezitten, zich daarbij beroepend op Keulen. 

Het verondersteld intermezzo Kessel lijkt erg persoonsgebonden geweest te zijn en heeft blijkbaar maar kort geduurd. Hoe binnen Texandrië de invloedssferen van Utrecht en Keulen zich onderling precies verhouden zullen hebben, ontgaat ons nog in deze periode. Opmerkelijk is wel dat de bisschop van Luik, tot wiens diocees het betreffende gebied behoorde, zich hier kennelijk niet snel tot een wereldlijk vorst heeft kunnen ontwikkelen. Desondanks bezaten de diverse Luikse kapittels hier allang vele goederen, zoals eerder al aangegeven. Verder zal uiterlijk in de late 11e eeuw de organisatiestructuur van dit deel van het bisdom voltooid geweest zijn met de inrichting van het aartsdiakenaat Texandrië, waarbinnen dan onder andere de dekenaten (Hilvaren-)Beek, Woensel en Cuijk gevormd werden.(54)


Brabant: de voorpost Orthen

En dan komt Brabant kijken. De vroegst aantoonbare 'sprong', die het latere hertogdom maakte naar het noorden, lijkt me verband te houden met het huwelijk van graaf Hendrik II van Leuven met Adelheid, dochter van een verder onbekende graaf Everhard. Tussen 1079 en 1099 zou die Adelheid namelijk als weduwe haar eigen goed met toebehoren in Orthen opdragen aan Utrecht en dit weer in leen terugontvangen.(55) Het lijkt aannemelijk dat vanuit haar erfenis het Leuvense gravenhuis een voet tussen de deur kreeg in het eerder genoemde strategisch-economisch belangrijke bruggehoofd aan Dieze en Maas. Iets later nog versterkt door de verwerving in hetzelfde Orthen van een oorspronkelijk allodium van de abdij van Brauweiler. Dit dan in de vorm van een belening, nu door Keulen(56), waarmee de complexe verhoudingen uitstekend geïllustreerd worden.

Terugkomend op Adelheid, ziet de historische literatuur in haar vader Everhard steevast een (onbekende) graaf in Teisterbant. Dat lijkt me wat te beperkt. Weliswaar biedt dat een mogelijke verklaring, vanuit dezelfde erfenis-gedachte, voor het feit dat Brabant wat later van Utrecht Tiel, Zandwijk en zelfs de Veluwe in leen blijkt te houden.(57) Verder blijkt Adelheid familie van de vroegste heren van Kuyc/Malsen, wat ook op Teisterbant wijst en een afstamming mogelijk maakt van graaf Unroch aldaar, op zijn beurt weer bekend als een bloedverwant van bisschop Ansfried (995 - 1010).(58) Daarnaast wil ik erop wijzen dat haar bezit Orthen tot Texandrië gerekend mag worden, al zag de oudere literatuur dit in de regel over het hoofd. Daarmee kan haar vader Everhard in het midden van de 11e eeuw in principe best tevens graaf in dat Texandrië geweest zijn of in een deel ervan. Misschien was er rondom Orthen na de Balderik-troebelen wel een bestuurseenheid geschapen die de klassieke gouwbegrenzingen doorsneed. De getuigenlijst bij Adelheids opdracht aan Utrecht geeft een boeiende reeks grootgrondbezitters weer uit de directe omgeving (Rijswijk, Empel, Herlaer, Heeswijk, Boxtel, Batenburg, Ooij en andere).(59) Zij kunnen en zullen gedeeltelijk tot de 'getrouwen' van Herman van Malsen/Kuyc behoord hebben, die immers optrad als voogd voor de weduwe Adelheid. Anderzijds kan hun herkomst ook een indicatie geven voor de omvang van het graafschap van Everhard. Daarmee komt een gebied in beeld dat delen van Teisterbant, van het Land van Maas en Waal en van Texandrië beslaat. Voorlopig komen we niet verder dan Everhard in gedachten te houden als mogelijk laatste graaf 'in Texandrië' en al of niet reeds in een leenverhouding tot Utrecht.

Daarna schijnt een proces te starten (of zich te versnellen) van versnippering van macht en territorium. In een tijdperk gekenmerkt door grote bevolkingsgroei en nieuwe sociaal-economische ontwikkelingen zijn het dan de plaatselijke grondheren die, vaak ten koste van aan hun bescherming toevertrouwd kerkelijk goed, zich verrijken en opklimmen tot regionale grootheden. Het oude Texandrië met zijn grote hoeveelheid aan domeingoederen van veraf gelegen abdijen en kapittels vormde hierbij een ideaal 'jachtterrein'.
Zo maakten de heren van Breda-Schoten zich sterk in het westen, onder andere ten koste van de abdij van Thorn. Zo moest de abt van St. Truiden zich rond 1100 beklagen over de hardvochtige Arnulf van de burcht van Rode (St. Oedenrode), die de abdij tiranniseerde rondom Aalburg.(60) Door politiek en huwelijk waren de Van Rode's verbonden met het geslacht Van Malsen/Kuyc, dat als stadsgraven van Utrecht de politiek van het Sticht mee ging bepalen en zijn goederen (en naam) in het huidige Noord-Brabant kennelijk als een rijksleen had verworven tegen 1100.(61) De burchtzetel te Cuijk op de plek van een vroeger Romeins castellum werd echter spoedig door een strafexpeditie verwoest na de moord op Floris de Zwarte van Holland in 1133.(62)


Brabants opmars naar het noorden

Voor het Leuvense huis ging een expansie in noordelijke richting pas tot de mogelijkheden behoren na de verwerving van het markgraafschap Antwerpen in 1106, inherent als dit geworden was aan de hertogstitel die Godfried I toen wist te verkrijgen. De begrenzing van dat markgraafschap (onder andere tot aan de Turnhoutervoort) kwam al ter sprake en sluit mijns inziens duidelijk uit dat geheel Texandrië daar toen al onder viel, zoals de oudere literatuur nog wel eens wilde veronderstellen.(63) De 'Brabantisering' van dat Texandrië was een moeizaam, ten dele mistig proces, waarbij de bronnen ons maar enkele losse detail-feiten overleveren, waarmee zich heel even een plaatselijke opklaring manifesteert.

Maar vooralsnog had de nieuwe hertog dichter bij huis grote zorgen. Een heuse oorlog, gepaard gaande met het neerhalen van de motteburcht in Grimbergen, moest de macht van de Berthouts breken, die vanuit hun positie als voogden voor Luik in Mechelen tot levensgevaarlijke concurrenten waren uitgegroeid.(64) Deze Berthouts waren ook grondheer in (Oud-)Turnhout en Geel en het zal na hun onderwerping geweest zijn (1159), dat de hertog meer greep kreeg op dit deel van de Antwerpse Kempen.(65) Dat er zich voordien nabij de Turnhoutervoort al een kasteelsterkte bevond, is mogelijk, maar vooralsnog niet goed aantoonbaar.(66) Meer noordelijk bereikte de hertog dat de heer van Breda ca. 1198 aan hem zijn burcht (castellum) en verder eigen goed (allodium) opdroeg en weer in leen terugontving (met uitbreidingsmogelijkheden), al bleek spoedig de graaf van Holland hier bezwaren tegen te koesteren.(67)



Motteburcht uit de 12e eeuw. Een kasteeltype dat ook in Brabant veel 
voorkwam (bijvoorbeeld in Grimbergen, Schoten, Ranst, Brecht, Landen, 
Eindhoven, Gemert, Oirschot, Oisterwijk, Heusden).

Met de exclave Orthen nabij de Maas moet men in Leuven bepaalde plannen gekregen hebben. Er werd althans in 1179 een uitzondering voor gemaakt in een hertogelijke erfenisbeschikking.(68) Om die plannen te kunnen concretiseren zou er echter definitief vastgesteld moeten worden wiens macht de hoogste was in het onderhavige gebied. Zoals al eerder aangegeven, was de situatie niet echt overzichtelijk. Brabant had mogelijk rechten opgebouwd omstreeks 1100 vanuit de erfenis van graaf Everhard, al werd dit als argument nooit gehanteerd. We zagen dat rond 1190 de hertog in Utrecht beschouwd werd als leenman voor de Kempen, al is ook hiervan het precieze (politieke) gewicht niet bekend. Via Keulen had de graaf van Gelder weer allerlei rechten opgebouwd, zoals nog nader zal blijken, en hij oefende die ook daadwerkelijk uit met name in het oosten van Texandrië. Zo moet hij ergens tegen 1200 de positie van de eerdergenoemde heren van Rode (St. Oedenrode) hebben overgenomen, waarna het bijbehorende gebied als 'graafschap' zou worden gekwalificeerd.

Informatief inzake de hele problematiek is misschien een zinsnede uit een klachtenbrief van Echternach aan de keizer in 1192, waarin gesteld wordt dat het om rijkslenen gaat waar het de (agressieve) aanwezigheid betreft van met name Brabant en Gelder in Texandria, in Pedele (Peelland), in Bethua.(69) Rijkslenen, verworven lijkt me via de al of niet onderling rivaliserende vertegenwoordiging van het rijksgezag, die de bisschoppen van Utrecht en Keulen betreffende Texandrië sinds de 11e of begin 12e eeuw uitgeoefend kunnen hebben.
De feitelijke machtsstrijd ter plaatse, tussen Brabant, Gelder en op afstand Holland, had eerst nog het karakter van een feodaal-juridisch steekspel; bijvoorbeeld met de weinig gegronde pretenties die hertog Hendrik I op de rijksdag van 1190 in Schwäbisch Hall ten toon spreidde ten opzichte van Kuyc, Gelder, Kleef en Loon.(70) Maar snel werd de situatie serieuzer. Er stond voor iedereen dan ook veel op het spel.


Eindspel voor Gelder

Op een hoogte in het domein Orthen werden al enige tijd bomen gerooid en verrees een nieuwe nederzetting, die uiterlijk in 1195 een vorm van stadsrecht kreeg.(71) Dit alles in de nabijheid van een door de archeologie teruggevonden tufstenen sterk huis dat laat denken aan de historische overlevering die spreekt van een 'jachtslot' in het bos van de hertog, als een eerste aanzet tot de stadsvorming.(72) Gevoegd bij de reeds bestaande Brabantse aanwezigheid in Tiel werd hier de basis gelegd voor een mogelijke economisch-strategische monopoliepositie in het rivierengebied. Na een eerste begeleidend militair vertoon in 1195 bereikte de hertog dat de inwoners van de nieuwe stad in het Bos bij Orthen (de novo opido super Silvam iuxta Orten) tolvrijheid genoten in het gehele Gelderse gebied. Een schending van dit akkoord door Gelder werd bestraft eind 1200 op een ontmoeting in Maastricht, waarbij ook de bisschoppen van Utrecht en Keulen aanwezig waren. Tevens werd toen kennelijk een vaag soort afbakening van wederzijdse invloed bepaald tussen Vught en St. Michielsgestel in.(73)

De regionale problematiek werd overschaduwd en versterkt door het partijkiezen in de 'grote politiek' van die dagen, de troonstrijd in het Duitse rijk tussen de rivaliserende families van Welfen en Staufen. Hendrik I verkreeg als hoofd van de Welfische coalitie in de Nederlanden een duidelijk overwicht en kon daarmee een tegenstrever en buurman als de graaf van Holland zijn wil opleggen. Die moest namelijk in diezelfde tijd (november 1200) formeel afzien van zijn aanspraken op Breda en zijn intussen verworven territorium tussen Strijen, Dordrecht, Dussen en Waalwijk 'tot aan Brabant' (ad terram ducis) in leen opdragen.(74) Holland én Gelder wensten zich echter niet zonder meer bij een Brabantse suprematie in het rivierengebied neer te leggen. Het conflict zou uiteindelijk met de wapens beslecht worden.

Terwijl hertog Hendrik I hiertoe in augustus 1202 voorbereidingen trof, verscheen Otto van Gelder in zijn legerkamp om te komen onderhandelen. Ondertussen sloeg Dirk VII van Holland toe en verbrandde Tiel en Orthen ('s-Hertogenbosch) met ondersteuning van Gelderse troepen. Hendrik brak onmiddellijk de onderhandelingen met graaf Otto af, zette hem vast op beschuldiging van medeplichtigheid en ging achter Dirk VII aan. Blijkbaar bevond het kamp van de hertog zich al in de buurt, want Dirk werd snel ingehaald en gevangengenomen in (Oud-)Heusden. De hertog had nu beide tegenspelers in zijn macht en kon zijn voorwaarden dicteren.(75)

De graaf van Holland kreeg een boete opgelegd en behield zijn ondergeschikte status, zoals in 1200 was bepaald. Daarna was de graaf van Gelder aan de beurt. Er werd een boete vastgesteld voor de Gelderse deelname aan de gewraakte rooftocht. En vervolgens begon het uitkleden van de Gelderse rechten inzake Texandrië.
Uit een bewaard gebleven cryptische ontwerptekst voor het vredesverdrag valt af te leiden dat een blijkbaar ingewikkeld geschil over de eninge van de Kempen nog even aangehouden werd.


'Eninge' der Kempen

Onder die eninge moet men een bepaald territorium verstaan waarbinnen een en hetzelfde recht gold.(76)
De naam Kempen (betekenis woeste grond) ontwikkelde zich vanuit de 11e eeuw tot een streeknaam en verving stilaan de oude naam Texandrië. Maar dit niet in een betekenis volledig gelijk aan de omvang van de vroegere gouw. Het westen en de noordrand zouden nooit Kempen genoemd worden. De naam lijkt rond het midden van de 13e eeuw als streeknaam alleen het gebied te dekken van de zandgronden ten zuiden van 's-Hertogenbosch tot ver in het graafschap Loon; daarnaast, maar misschien pas wat later, een groot gebied voorbij Turnhout richting Antwerpen, waarmee aan die kant de oude gouwgrens dus weer ruim overschreden werd.(77) De regelingen rond 1200 geven daarbij de indruk dat er toen onder de eninge van de Kempen een wat beperkter gebied verstaan werd. De mogelijke begrenzing daarvan wordt straks nog wat duidelijker. In ieder geval openbaart de ontwerp-tekst van oktober 1203 ons iets van de conflictstof die hier kennelijk hoog lag opgeslagen en waarbij in ieder geval voor de Brabantse claims als achtergrond natuurlijk aan de door Utrecht gepretendeerde leenhoogheid uit het Memoriale Adelboldi gedacht moet worden. Het bewuste vredesconcept noemt verder nog het kasteel van Heeze, waarop beide partijen hun rechten zouden behouden.(78)

Het definitieve verdrag van eind 1203 tussen de hertog en de Gelderse graaf werd volgens goed middeleeuws diplomatiek gebruik gekoppeld aan een huwelijksovereenkomst tussen beider kinderen. De tekst ervan vertoont een aanscherping, in die zin dat de graaf nu volledig afzag, naast zijn gepretendeerde rechten op Megen, van die eninge van de gehele Kempen.(79) Daarmee was wat betreft het feitelijk gezag aldaar mijns inziens het pleit beslecht, los van bepaalde leenverbanden die de plaatselijke heren nog hier en daar kenden met Gelder, zoals even later in Vught zou blijken. Voortbordurend op opmerkingen van W. Steurs en J. Melssen zou ik dan ook willen onderstrepen dat de eninge van de Kempen iets geheel anders was dan het graafschap Rode (St. Oedenrode), dat enige tijd later (1231) door Gelder tegen betaling zou worden overgedaan aan Brabant.(80) Niet alleen anders als juridische entiteit, maar ook in territoriale zin.



Naar: G. Bannenberg e.a., De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek, dl. I 
(Nijmegen, 1966) 265
.

Dat Rode, waarvan de voormalige heren al ter sprake kwamen, is qua bestuurlijke omvang enigszins te traceren aan de hand van een afwijkend leenrecht (jure Rodensi beate Ode). In zijn recente studie over Eersel maakt J. Melssen duidelijk dat hiervoor behalve de directe omgeving van St. Oedenrode ook het gebied in aanmerking komt waarin het latere Eindhoven ligt.(81)
Concluderend zou ik derhalve als werkhypothese de veelbesproken eninge van de Kempen willen situeren tussen dit comitatus de Roda in en het Land van Breda, zuidelijk reikend tot en met Lommel en tot aan de hertogelijke positie in Turnhout (en voorheen grenzende aan Turnhoutervoort).

Deze gedachtengang over de omvang van de eninge wordt onder andere geschraagd door het feit, dat de (weinige) 'Noordbrabantse' plaatsaanduidingen 'in de Kempen' van 1207 tot + 1240 juist in dit bedoelde gebied blijken te liggen.(82) Oirschot zal er ook toe behoord hebben, waar de hertog immers in het voorjaar van 1195 verblijf hield.(83) Geografisch gezien zou daarmee de dekenaatsgrens Beek - Woensel niet helemaal van een oorspronkelijke politiek-historische realiteit ontbloot behoeven te zijn.(84)
Het geheel ressorteerde onder een vaag Utrechts hoogheidsgezag en werd in leen gehouden door Brabant, hoewel het ontwerpakkoord van 1203 bewijst dat ook Gelder kennelijk een geldige claim bezat.
De eveneens in 1203 genoemde oorden Megen en Heeze geven vervolgens voor het uiterste noordoosten en zuidoosten als het ware de vleugeltips aan van het effectieve machtsbereik van de Brabantse hertog op dat moment.(85)


Nieuwe 'steden' voor de hertog

Dat de Brabantse suprematie in de eninge nu veiliggesteld was, blijkt vervolgens uit de reeks 'stadstichtingen' of aanzetten daartoe, waarmee in hoog tempo nu juist in deze zone begonnen werd. In 1213 somt de hertog in een overeenkomst met de heer van Breda als zijn nieuwe opida libera namelijk op: Arendonk, Herentals, Hoogstraten, Oisterwijk en Turnhout.
Oppidum in deze context heeft iets van een 'evolutie-factor'. Er werd plaatselijk iets gestimuleerd, al of niet in een reeds bestaande woongemeenschap. Er volgden de verlening van een vrijheidsrecht en de creatie van een nieuwe bestuursstructuur met schout en schepenen. Vervolgens bepaalde de toekomst of het geheel economisch levensvatbaar was en kon uitgroeien tot de status van een middeleeuwse stad, of zich daarentegen slechts kon handhaven op het niveau van een dorp met eigen voorrechten.(86)
In Turnhout mogen we dit proces van toepassing verklaren op een gemeenschap nabij de Turnhoutervoort en in de schaduw van het kasteel (hertogelijk jachtslot). De nieuwe (St. Petrus-)kerk aan het marktplein bleef parochieel verbonden met het nu Oud-Turnhout geheten oord.(87) Hoewel het 'nieuwe' Turnhout niet in alles wat een middeleeuwse stad kenmerkte meegroeide (er kwam bijvoorbeeld nooit een omwalling of een eigen fiscaal statuut), moet het toch wat meer allure gehad hebben dan louter die van een bevoorrecht dorp.(88) Hoogstraten en Arendonk bleven meer bescheiden van opzet.


Oisterwijk - Tilburg rond 1200

Recentelijk komt er wat meer zicht op het ontstaan van Oisterwijk als ville neuve. Vanuit de in het begin van dit artikel genoemde werkgroep Tilliburgis groeit echter het besef dat er voor het begin 13e eeuw zover was nogal wat structuurwijzigingen optraden in de betreffende regio.
Op de grens van twee oude (woeste grond) gemeinten (Tilburg en Haaren) ontstond het dorp Enschot. Als plaatselijke grondheer kan de familie der heren van Boxtel er de kerk gesticht hebben, waarbij dan vóór 1164 de jonge abdij van Tongerlo voor een vierde gedeelte tot mede-eigenaar gemaakt werd.(89) De familie Van Boxtel noteerden we reeds begin 12e eeuw als getuige bij de Keulse interventie ten behoeve van Echternach. Ze wist tot in de 15e eeuw als reichsunmittelbar een duidelijke afstand tot Brabant te bewaren.(90)

Men veronderstelt dat door het introuwen in deze familie een geslacht naar het noorden is gekomen dat we kennen als dat der Tilburgse Giselberten. De wortels lagen in (Oud-)Landen, bakermat der Karolingers, waar voor Luik een ondervoogdij werd uitgeoefend over het bezit der St. Gertrudiskerk. Daarnaast blijkt dat de familie zich ook in een bepaald leenverband met Brabant had begeven, hetgeen de verhoudingen in Landen danig compliceerde.
Naast een familierelatie met de heren van Boxtel speelde er misschien ook een met de roemruchte heren van Rode, waaraan de middeleeuwse overlevering ook het bezit van Hilvarenbeek in de 12e eeuw toeschrijft.(91)
Eenmaal gesetteld in het 'Tilburgse' kunnen het de Giselberten zijn geweest die ergens in de 12e eeuw nabij een hun toebehorende hoeve een kerk gesticht hebben voor (West-)Tilburg, als dochterkerk van die van Enschot.(92)

Meer oostelijk en binnen de gemeint van Haaren was intussen een Oost-Tilburg ontstaan, eind 12e eeuw voorzien van kerk en parochie. Giselbert (II) liet zich hier in 1192 gelden als dominus de Tilburch in een regeling betreffende een te bouwen kapel op zijn goed in Helvoirt.(93) Op de samenloop van Leij en Reusel werd de motte van Ter Borch opgeworpen, die een regionaal dominerende functie moet hebben gehad.
De Giselberten oogden rond 1200 zeer zelfstandig en verschenen behalve in Brabant ook in oorkonden voor Holland. Desondanks is hun positie niet exact in te schatten. De burcht blijkt later een Utrechts leen te zijn en op hun thuisbasis Landen fungeerden ze als leenmannen voor Brabant.

De hertog moet in ieder geval rond 1210 ook in het 'Tilburgse' een voet tussen de deur gekregen hebben. In 1213 getuigde hij zelf dat Oisterwijk (in de parochie Oost-Tilburg) tot de nieuwe 'oppida' behoorde, waarvoor hij toch over grond en rechten moet hebben kunnen beschikken. Vanaf 1214 blijkt zijn bemoeienis met tienden, bijvoorbeeld in Berkel. In 1222 heet Thilburch een hertogelijk allodium en in 1231/32 beschikte hij over het patronaatsrecht van de kerken van Oost- en West-Tilburg.(94) Gedurende dit expansie-proces zien we de Tilburgse heren duidelijk degraderen. Giselbert (III) is nergens dominus de Tilburch, maar nobilis vir (edelman), miles (ridder), of nog duidelijker fidelis noster (onze vazal, 1244). De familie werd tegelijk uitgekocht of droeg zelf haar tiendrechten over.(95) Zeer opmerkelijk is dat haar in Landen hetzelfde overkwam. Na grote bouwactiviteiten op het burcht- en kerkterrein aldaar in het eerste kwart van de 13e eeuw zette rond 1250 het verval in van Landen-Ouderstadt. De bevolking trok kennelijk weg naar het iets noordelijker gelegen Nieuw-Landen, door de hertog gesticht waarschijnlijk kort na 1222. De Giselberten van Landen worden na 1229 niet meer vermeld.(96) Een scherp voorbeeld van het uitrangeren van een en dezelfde familie op twee verschillende plaatsen binnen het hertogdom, waar ze blijkbaar de nieuwe opzet in de weg stond die Hendrik I voor ogen had.

Terugkerend naar het Oisterwijk van 1213 kan het begrip oppidum liberum nog verduidelijkt worden door erop te wijzen dat het hier kennelijk ging om de creatie van een nieuwe (markt-)plaats (de Lind), pal ten oosten van het bestaande kerkdorp Oost-Tilburg. De beide kernen smolten spoedig samen. Kerk en parochie werden nog even 'van (Oost-)Tilburg en Oisterwijk' genoemd, tot de oudere naam Oost-Tilburg afstierf.(97) In 1230 kreeg Hosterwijch de rechten van 's-Hertogenbosch, uitgezonderd de tolvrijdom op de Rijn. Hiermee werd de economie van de plaats allereerst gericht op dienstbaarheid aan de 'moederstad'.(98)
Het oppidum kreeg evenmin als Turnhout, Hoogstraten en Arendonk ooit een omwalling. De gewenste bescherming moest blijkbaar van de motteburcht Ter Borch komen.



Kasteel en markt van Turnhout omstreeks 1670. Fragment uit gravure van Lucas Vorsterman.
Coll. Stadsarchief Turnhout (SAT).

Toch was Oisterwijk een tijdje grensplaats. Dat illustreert bijvoorbeeld een afspraak uit april 1222. Politieke omstandigheden dwongen toen Hendrik I tot een 'niet-aanvalsgebaar' ten opzichte van Keulen. In die tijd betekende dat het etaleren van een (meer of minder symbolisch) kwetsbare houding. Voor dat doel droeg de hertog toen aan de aartsbisschop op (en ontving in leen terug) een aantal strategische posities aan de toenmalige oostgrenzen van Brabant. Concreet de allodia Orthen (d.w.z. het heropgebouwde 's-Hertogenbosch), Thilburch en verder Dormaal (met de burcht) en Hannuit (met de burcht). Inzake het allodium Thilburch werd de burcht aldaar uitgezonderd, omdat de hertog deze zelf weer in leen hield van de bisschop van Utrecht.(99) Voor die burcht komt in de regio typologisch gezien alleen de al eerder genoemde motteburcht Ter Borch in aanmerking, die de hertog hoogstwaarschijnlijk mee overgenomen had uit de boedel der Giselberten. De hier weer incidenteel geconstateerde Utrechtse leenhoogheid bewijst dat deze blijkbaar toch (hoewel hier voor het laatst vermeld) meer dan nominaal geweest moet zijn in deze zone. Tevens een ondersteuning voor de gedachte om de tot 1203 betwiste eninge van de Kempen territoriaal oostelijk tot voorbij Oisterwijk te laten lopen. 
Erg lang zou Oisterwijk overigens geen grensplaats blijven. Er ging wat verschuiven rondom St. Oedenrode.




Schepenzegel van het 'oppidum' Oisterwijk (1259) 
met burchtteken als symbool van de verkregen 
vrijheidsrechten.
Foto:
RHC Tilburg.


St. Oedenrode in de overgang

Mogelijk werd er over dat Rode al iets opgenomen in het definitieve huwelijkscontract uit 1206 voor Margaretha van Brabant en Gerard van Gelder, die als kinderen in 1203 reeds gekoppeld waren. Er wordt namelijk een Gelderse allodium van Rothe genoemd als eventueel weduwengoed voor Margaretha.(100) De geschiedenis verliep echter anders.

Tussen 1227 en 1229 kwam de verhouding tussen Brabant en Gelder weer op scherp te staan. Graaf Gerard IV wilde daarbij kennelijk zijn positie tegenover zijn schoonvader versterken en liet daarom de aartsbisschop van Keulen in februari 1229 verklaren dat hij van deze, net zoals zijn voorvaderen, het graafschap van de Kempen en de voogdij over de Peel in leen hield (comiciam de Kempine et advocaciam de Pedele). Kort daarop, in ieder geval voor zijn dood in oktober 1229, verzoende Gerard zich weer met hertog Hendrik. Hoogstwaarschijnlijk bij die gelegenheid kwam hij al of niet gedwongen tot de overeenkomst zijn graafschap Rode (comitatus de Roda) voor 2000 Keulse marken over te dragen aan Brabant.(101) De elementen uit dit steekspel combinerend lijkt me de Keulse verklaring over het 'graafschap van de Kempen' betrekking te hebben op de daarna beloofde overdracht van het graafschap Rode, mede in verband met het gelijktijdig vermelde Peelland.

Het lijkt niet logisch te veronderstellen dat Gelder in 1227-1229 weer volledig terugkwam van het in 1203 bereikte akkoord over de daarvoor omstreden eninge van de Kempen. Dat moet toch een gepasseerd station geweest zijn, gelet ook op de snelle ontwikkeling van de villes neuves in de zone ten westen van St. Oedenrode. De Keulse steunbetuiging van 1229 spreekt daarbij als eerste en enige van een 'graafschap' van de Kempen en als zodanig werd de eninge nooit omschreven. Wel het complex van Gelderse rechten rondom St. Oedenrode blijkbaar, zoals in de definitieve overdracht van 1231 werd gesteld.
De omschrijving Kempen voor dat bewuste graafschap zou dan nog voor verwarring kunnen zorgen. Alle onderzoekers tot op heden zien er een reflectie in van het grote geheel van het oude Texandrië, herinnerend aan de Keulse interventie van omstreeks 1100.(102) Mijn indruk is dat Keulen in 1229 niet teruggreep naar een vaag en tot 1203 omstreden verleden, maar dat het daarentegen de zich uitdijende streeknaam Kempen benut heeft (+ 1250 in pago Rhodensi in Campina Brabantica Aegidius van Orval) om de concrete en nooit betwiste (Keuls-)Gelderse supervisie over Rode en Peelland te omschrijven.(103)

Voor Gelder was het (zo duur mogelijk) verkopen van deze laatste belangrijke rechtspositie in het huidige Noord-Brabant misschien ook het enige profijtelijke alternatief. Reeds vóór 1220 had de hertog in het zuidoosten de heerlijkheidsrechten over het oude domein van Helmond verworven en kort vóór september 1222 kocht hij concreet van Willem van Horne voor 300 Keulse marken ditmaal het allodium de Helmont, waartoe beslist de houten sterkte langs de Aa (d'Oude Huys) behoord zal hebben. Ook de streek van Eindhoven zou rond die tijd onder invloed van de hertog gekomen kunnen zijn.(104) Mogelijk eerst na april 1222, omdat zowel Eindhoven als Helmond niet opgenomen zijn in de eerdergenoemde leenopdracht aan Keulen.

Gelet op de feitelijke situatie van 1229 maakt de Keuls-Gelderse verklaring betreffende Kempen (Rode) en Peelland daarmee in praktische zin ook meer de indruk van een noodkreet in dit geo-politieke machtsspel.
Op 11 november 1231 verklaarde de jonge Otto II van Gelder (staande onder voogdij van Hendrik I) dat de afgesproken 2000 Keulse marken betaald waren, waarmee de overdracht van het graafschap Rode een feit was.(105) Onmiddellijk schoof de Brabants-hertogelijke bestuursstructuur door St. Oedenrode met zijn door grachten omgeven burcht annex romaanse kapittelkerk (Rodensis ecclesiae opidulum) verkreeg al in 1232 vrijheidsrechten. Evenals Eindhoven, dat al vóór die toekenning van het recht van 's-Hertogenbosch (1232) als oppidum zal zijn opgekomen in de schaduw van een plaatselijke (motte-)burcht aan de Dommel (Die Haghe). Helmond volgde, getuige een bewaard gebleven zegel uit 1241 met de vermelding als oppidum.(106)
Verschillende van deze villes neuves, zoals Oisterwijk en St. Oedenrode, tooiden hun zegel met een burchtteken, symbool voor de verkregen vrijheid vanuit de hertogelijke macht.(107)
De verdere ontwikkeling verliep zeer divers. Slechts Eindhoven en Helmond werden later omwald en telden mede daarom binnen de Meierij dan ook alleen mee als (kleine) 'steden'.(108)


Integratie in het hertogdom

De hier besproken serie nieuwe vrijheden of stadstichtingen 'op termijn', zowel die van de eerste golf (vóór 1213) als die van de tweede (rond 1231), leverde voor de hertog nieuwe centra op van waaruit het zich uitbreidende territorium kon worden georganiseerd en geadministreerd. In die bestuurlijke reorganisatie van het feodaal verbrokkeld geraakte oude Texandrië was weinig plaats voor eigengereide grootgrondbezitters van de oude stempel. We zagen reeds hoe de heren van Tilburg terzijde werden geschoven. Een ander voorbeeld is misschien nog duidelijker.



Graftombe van Hendrik I, hertog van Brabant, in de Sint-Pieter te Leuven. (coll. RHC Tilburg).


Op 1 mei 1232 sloot hertog Hendrik I een akkoord met Boudewijn van Vught. Deze werd daarbij, naar we aannemen onvrijwillig, ingepast in het hertogelijk keurslijf. Hij moest bepaalde allodiale goederen in leen opdragen en verder de heerlijkheidsrechten over het dorp Vught voortaan delen met de hertog (uitgezonderd het onderdeel dat weer van de graaf van Gelder in leen gehouden werd). Ten slotte werd bepaald dat hij al zijn jurisdicties (rechtsmacht) over Kempinia, die zijn vader en zijn voorgangers in bezit hadden, voor zich alleen zal verkrijgen.(109) De details zijn veelzeggend en een verband met het vredesverdrag van 1203 dringt zich op. De rechtsmacht van Boudewijns familie over de Kempen lijkt me op het eerder geschetste territorium van de eninge van de Kempen te slaan, waarover Gelder in 1203 de supervisie verloren had. Het graafschap Rode was in 1232 immers al een afgesloten hoofdstuk. Hoewel aan Brabant sinds 1203 het hoogheidsgezag over die eninge toekwam (met Utrecht vaag op de achtergrond), werd de praktische uitoefening van allerlei jurisdicties vermoedelijk voorlopig overgelaten aan die regionaal belangrijke families die daar traditioneel mee belast waren. De heren van Vught-Oirschot lijken daarvoor dus in aanmerking te komen. De aanwezigheid van Gelderse rechten in Vught illustreert weer haarscherp de complexiteit van het Brabants-Gelders conflict van vóór 1203 in deze regio.

De erfelijke rechtsmacht, die Boudewijn bezat, werd in het bewuste akkoord van 1232 kennelijk omgezet in een soort van ambtelijke taak. Lang zou hij ook daar niet van genieten. Reeds in 1246 vinden we Hendrik van Herentals in Lieshout actief als schout in 's-Hertogenbosch en in Campinia.(110) Hier zou ik de Kempen opnieuw als een streeknaam willen interpreteren, die in het laatste kwart van de 13e eeuw vervangen ging worden door die van de Meierij van 's-Hertogenbosch in het kader van de voortschrijdende bestuurlijke indeling van het bij elkaar verworven bezit.
De integratie werd vervolgens voltooid met de inrichting van de ondermeierijen of kwartieren (vermoedelijk eerste helft 14e eeuw). Hierbij zou de benaming Kempen weer beperkt worden tot die voor het Kwartier van Kempenland, waartoe ook Eindhoven behoorde.(111) Alleen in kerkelijke zin dijde de kennelijk flexibele benaming zich vrijwel ongestoord uit. In de late middeleeuwen werd het gehele noorden van het bisdom Luik, inclusief de dekenaten Maaseik, Susteren en Wassenberg, als aartsdiakenaat Kempenland aangeduid.

Nog één opmerking over de ongelukkige Boudewijn van Vught. Zijn afgang was inderdaad volledig. In 1257 moest hij als Boudewijn voorheen heer van Vught (Balduinus olim dominus de Vucht) zijn resterende rechten in Vught overdragen, inclusief zijn archiefbescheiden. Zijn broer Daniël kwam er iets genadiger af. De indruk bestaat dat deze voor zijn nazaten het bezit van Oirschot kon redden, weliswaar door ook daar de hertog als halfheer te accepteren. De nakomelingen van Boudewijn verloren zelfs hun stand en degradeerden tot leden van de Bossche burgerij, zoals J. Lijten op indringende wijze aannemelijk heeft gemaakt.(112)
Hoe de heren van Vught-Oirschot oorspronkelijk aan hun prestigieuze rechten gekomen zijn, blijft onduidelijk. Het enige dat opvalt, is dat de voornaam Daniël zowel in hun geslacht als in dat der heren/voogden van Orthen en Empel(113) met regelmaat voorkwam. Daarmee gaan de gedachten natuurlijk onwillekeurig uit via Orthen naar graaf Everhard en zijn verwanten.

Besluit

De hele hier behandelde turbulente geschiedenis werd vanuit een slecht aangegeven middeleeuwse bron op uiterst beknopte wijze door Jacob van Oudenhoven (1649) als volgt weergegeven: In 't uyterste van Taxandria leydt een Bossche, dat de keysers eertijts aen de kercke van Utrecht gegeven hebben, waer van de Graven van Gelderlant langhen tijdt eygenaers geweest zijn, die 't selve aen hare Vrienden vereert hebben, de welcke 't Dorp Vucht aen Hertoghe Hendrick van Lotharinghen verkocht hebben, die op den Ortenschen Dijck een Stadt ghebouwt heeft, de welcke nu 's Hertogenbossche is. Dese Stadt placht eertijts genoemt te worden: Civitas de Ortduno. De Stadt van Ortduynen...(114) Dat moet in enkele details niet geheel correct zijn, zoals het voorafgaande heeft getracht duidelijk te maken. Maar meer dan een hoofdlijn met vele prikkelende vraagtekens onderweg vermag ook tegenwoordig nog niet geboden worden, al hoopt de hier geschetste lijn wat op- en aanmerkingen los te maken, waarmee toch weer enkele nieuwe antwoorden bij die vraagtekens geformuleerd kunnen worden.

De tijdgeest lijkt gunstig. Er mag veel verwacht worden van het stads- en streek-archeologisch onderzoek van de laatste jaren, het alom bloeiend heemkundig en lokaal-historisch speurwerk en de vruchtbare discussiemogelijkheid binnen de contactgroep Middeleeuwen van de Historische Vereniging Brabant, die zich hiervoor richt op alle betrokken vorsers, met name uit de drie Brabantse provincies.


Noten

Afkortingen

OBNB Oorkondenboek van Noord-Brabant tot 1312. Dl. I: De Meierij van 's-Hertogenbosch (met de heerlijkheid Gemert), door H.P.H. Camps ('s-Gravenhage, 1979).

OBHZ Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, Dl. I: Eind van de 7de eeuw tot 1222, door A.C.F. Koch ('s-Gravenhage, 1970).

(1) F.C.W.J. Theuws, De archeologie van de periferie. Studies naar de ontwikkeling van bewoning en samenleving in het Maas-Demer-Schelde gebied in de vroege middeleeuwen (Amsterdam, 1988). Niet gepubliceerd. Met name 103-159.
(2) H.A. Heidinga, Medieval settlement and economy north of the Lower Rhine. Archaeology and History of Kootwijk and the Veluwe (the Netherlands) (Assen/Maastricht, 1987).
(3) M. Gysseling, 'De oudste toponymie van de Kempen', Brabants Heem, XI (1959) 102; U. Nonn, Pagus und Comitatus in Niederlothringen. Untersuchungen zur politischen Raumgliederung im früheren Mittelalter (Bonn, 1983) 65.
(4) C. Wampach, Geschichte der Grundherrschaft Echternach im Frühmittelalter. Untersuchungen über die Person des Gründers, über die Kloster- und Wirtschaftsgeschichte auf Grund des Liber Aureua Epternacensis (698 - 1222). I 2 (Luxemburg, 1930) nr. 16.
(5) P.L.M. Tummers, 'Toponymische gegevens over Merovingisch-Karolingisch Brabant en Limburg' in: A. Weynen, red., Frankisch-Merovingisch-Karolingisch (Assen, 1965) 40-41.
(6) Zie o.a.: Theuws, Archeologie van de periferie, 50-52, 267-288, F.C. Theuws, 'The integration of the Kempen region into the Frankish Empire (550-750): some hypothesis', Helinium, 26 (1986) 121-136; F.C.W.J. Theuws, 'Centre and periphery in Northern Austrasia (6th-8th centuries). An archaeological perspective' in: J.C. Besteman e.a., red., Medieval Archaeology in the Netherlands. Studies presented to H.H. van Regteren Altena (Assen/Maastricht, 1990) 41-69; T. Maas, 'Nederzettingsgeschiedenis van de Brabantse zandgronden' in: A.J. Bijsterveld e.a., red., Middeleeuwen in beweging. Bewoning en samenleving in het middeleeuwse Noord-Brabant ('s-Hertogenbosch, 1991) 44-58; A. Verhoeven en E. Vreenegoor, 'Middeleeuwse nederzettingen op de zandgronden in Noord-Brabant' in dezelfde bundel: Middeleeuwen in beweging (1991) 59-76.
(7) Werkgroep 'Tilliburgis': een initiatief van de Stichting Project Archeologie Tilburg, bestaande uit een aantal archeologen, historici, geografen en archiefvorsers. Het doel is nader inzicht te verwerven in de bewoningsgeschiedenis van Tilburg en omgeving van de laat-Romeinse tijd tot in de 13e eeuw.
Zie: J. Hendriks en F. van Nuenen, 'Archeologisch onderzoek in 'De Tilburgen'', Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 7 (1989) 88-94.
(8) R.E. Künzel e.a., Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200 (Amsterdam, 1989) 348; G. van Berkel en K. Samplonius, Het plaatsnamenboek. De herkomst en betekenis van Nederlandse plaatsnamen (Houten, 1989) 178.
Zie ook: H. Hardenberg, 'Het ontstaan van de Vrijheid Tilburg' in: H.J.A.M. Schurink en J.M. Mosselveld, red., Van heidorp tot industriestad (Tilburg, 1955) 29-33; Gysseling, 'Oudste toponymie Kempen', 106.
(9) Theuws, Archeologie van de periferie, 287-288.
(10) Zie: Hendriks/Van Nuenen, 'Archeologisch onderzoek in 'De Tilburgen'', 88-94; Westerheem, XXXVIII (1989) 53-130, themanummer Midden-Brabant, onder redactie van A. Carmiggelt, J. Hendriks, F. van Nuenen en F.D. Zeiler.
(11) Zie hierover: M. Gysseling, 'Germanisering en taalgrens' in: Algemene Geschiedenis der Nederlanden 1 (Haarlem, 1981) 105.
(12) J. van Loon, 'Turnhout, Torhout en aanverwante toponiemen', Naamkunde, 8 (1976) 63-67; R. van den Eeckhout, 'Toponynische Bijdrage' in: H. de Kok e.a., red., Turnhout. Groei van een stad (Turnhout, 1983) 49-50.
(13) J.E. Jansen, Turnhout en de Kempen in het raam der vaderlandsche en kerkelijke geschiedenis (Turnhout, 1946) 43.
(14) Zie hierover: Jansen, Turnhout en de Kempen, 43-44; Van den Eeckhout, 'Toponymische Bijdrage', 49-50; F. Prims, Het Parochiewezen in de Antwerpse Kempen. Campinia Sacra VIII (Antwerpen, 1948) 219-221.
(15) D.P. Blok, 'Teisterbant', Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Nieuwe reeks, dl. 26 nr. 12 (Amsterdam, 1963) 460-466.
Zie ook: J.P.C.A. Hendriks, Archeologie en Bewoningsgeschiedenis van het Land van Heusden en Altena (Almkerk, 1990) 103-105.
(16) J. Dhondt, Proloog van de Brabantse geschiedenis. Een inleiding tot de politieke geschiedenis van Noord-Brabant in de 9e en 10e eeuw (Bergen op Zoom, 1952) 11-12.
(17) Hierover: D.P. Blok, 'Driel en Sellik', Naamkunde, 12 (1980) 31-40; K.A.H.W. Leenders, 'Princenhage: een dorp met twee namen', Naamkunde, 14 (1982) 220-230.
18) Over Wommelgem en Boekhout is men het meestal eens. Furgelarus/Sprusdare wordt begrepen als Vorselaar (Theuws, Archeologie van de periferie, 83, 89, 121, 157) of gesplitst in Rijkevorsel en Nijlen/Viersel (Prims, Parochiewezen, 196, 204, 253).
(19) Over Rien-Antwerpen zie: Nonn, Pagus und Comitatus, 67; H. Rombaut, 'Merovingisch Antwerpen historisch en archeologisch bekeken' in: E. Warmenbol, red., Het ontstaan van Antwerpen. Feiten en Fabels (Antwerpen, 1987) 163-177; Theuws, Archeologie van de periferie, 107-122; A.D.A. Monna, Zwerftocht met middeleeuwse heiligen (Amsterdam, 1988) 201-205.
(20) Zie: Dhondt, Proloog ..., 29-30; B. Aarts, 'Het 'Ansfried-probleem' in Hilvarenbeek en elders' in: J. Scheirs, red., Hilvarenbeek Duizend Jaar. Bijdragen tot een symposium over de geschiedenis der Brabantse dorpen (Hilvarenbeek, 1988) 9, 16-17. Dit artikel verschijnt eind 1992 in een bijgewerkte versie als 'Ansfried, graaf en bisschop. Een stand van zaken' in: 'Opera Omnia'. Een verzameling historische en heemkundige opstellen II (Thorn, 1992).
(21) De vermelding van Turnichalt (gerechtsplaats) in de Salische wet van omstreeks 500 (zie: Jansen, Turnhout en de Kempen, 42-43) durft men tegenwoordig niet zonder meer op Turnhout te betrekken.
(22) Met betrekking tot dat borchtwerk en het eraan verbonden privilege (libertas castrensis operis) en de daarmee samenhangende begrenzing van het markgraafschap Antwerpen in zijn vroegste vorm links en rechts van de Schelde, zie: A.C.F. Koch, 'Grenzverhältnisse an der Niederschelde, vornehmlich im 10. Jahrhundert', Rheinische Vierteljahrsblätter, 21 (1956) 213-218; J. van Acker, Antwerpen van Romeins veer tot wereldhaven (Antwerpen, 1975) 33-35; H. de Kok, 'De politieke geschiedenis van Turnhout' in: H. de Kok e.a., red., Turnhout. Groei van een stad (Turnhout, 1983) 79-80; Monna, Zwerftocht ..., 204-205 nr. 93.
(23) Jansen, Turnhout en de Kempen, 50.
(24) Hierover: P.C. Boeren, De heren van Breda en Schoten c.a. 1100 - 1281 (Leiden, 1965) 86.
Verder: Dhondt, Proloog ..., 8-9, 13-15.
(25) Althans dat is de meest gebruikelijke, maar niet onomstreden, interpretatie van de betreffende interpolatie in de bewuste oorkonde voor Nijvel (966). Zie hierover: W.A. van Ham, 'Bergen op Zoom in opkomst en eerste bloei ca. 1200-1350' in: Studies uit Bergen op Zoom 6 (1988) 30-33; Dhondt, Proloog ..., 33-34 nr. 25-29.
(26) Dhondt, Proloog ..., 34 nt. 29. Bedoeld wordt een door Gramaye (Antiquitates Bredanae II, 7) vermelde oorkonde van Otto I met daarin blijkbaar de villa Risbeche aan de Atua in Taxandria.
(27) Pver 'Strijen'en aanverwante problematiek: Dhondt, Proloog..., 34 nt. 29; Nonn, Pagus und Comitatus, 67-68; Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 22-23.
(28) Zie: Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 18.
(29) ibidem, 18.
(30) Nonn, Pagus und Comitatus, 137-139; F. Theuws en A.J. Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum in ottonischer und salischer Kaiserzeit' in: H.W. Böhme, red., Siedlungen und Landesausbau zur Salierzeit. I: Inden nördlichen Landschaften des Reiches (Sigmaringen, 1991) 117-119.
(31) Zie: Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 129 nt. 92.
(32) Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 33-34.
(33) ibidem, 13, 32.
(34) Hierover: Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 12-17; Monna, Zwerftocht ..., 196-205.
(35) Zie: Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 24-26.
Schenking bestreden in: Monna, Zwerftocht ..., 143-145.
Zie verder: B. Aarts, 'Beika 1155', Tussen Paradijs en Toekomst. Nieuwsbrief Heemkundige kring 'Ioannes Goropius Becanus' Hilvarenbeek - Diessen, 9 ( 1990) 93-95.
(36) Theuws/Bijsterveld ('Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 112, 114, 123, 129) plaatsen, onder voorbehoud, enige vraagtekens bij een 'graafschap Texandrië', als volwaardig instituut (9e - 10e eeuw).
(37) Zie bijvoorbeeld: A.J.A. Bijsterveld, 'Een zorgelijk bezit. De benedictijnen-abdijen van Echternach en St. Truiden en het beheer van hun goederen en rechten in Oost-Brabant, 1100-1300', Noordbrabants Historisch Jaarboek 6 (1989) 7-44; Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 124-127.
(38) Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 127-130.
(39) ibidem, 130-134.
Verder: J. Deckers, 'Le domaine de la collégiale Saint-Jean l'Evangeliste à Liège dans la seconde moitié du XIIe siècle' in: J. Deckers, red., La collégiale Saint-Jean de Liège. Mille ans d'art et d'histoire (Luik, 1981) 39-45. Zie ook: OBNB I 49, met diplomatische kritiek.
(40) Meest recent aangaande de Ansfried-schenking: P.A. Henderikx, 'Onecht of echt? De bevestigingsoorkonde van bisschop Bernold van 26 juni 1050 voor de Sint-Paulusabdij te Utrecht' in: J.B. Berns e.a., red., Feestbundel aangeboden aan prof. D.P. Blok ter gelegenheid van zijn 65ste verjaardag ... (Hilversum, 1990) 122-143.
Zie verder: OBNB I 27, 28, 29.
(41) OBHZ I 73, met meest recente diplomatische kritiek.
Het 'stadspaleis' in Tiel (civitatem lapideam in Tyele) was waarschijnlijk het nova et lapidea civitas, wat graaf Waldger daar tegelijk met het St. Walburgisklooster bouwde omstreeks 892 (zie: H. Müter, 'Het ontstaan van de stad Tiel', Bijdragen voor de Geschiedenis der Nederlanden, 9, 1954-1955, 168-171).
(42) A.C.F. Koch (OBHZ I 73) 135-137.
Als politieke achtergrond voor het op schrift stellen van de Utrechtse pretenties zou men kunnen denken aan het conflict van 1187 toen Utrecht en Holland de keizer steunden en Brabant, Gelder en anderen zich rondom de aartsbisschop van Keulen schaarden in de oppositie (zie voor de politieke geschiedenis: G. Smets, Henri I. Duc de Brabant 1190-1235, (Brussel, 1908) 30-3).
(43) Henderikx, 'Onecht of echt?', 122-143.
(44) ibidem, 133.
Wel blijkt het kapittel van Oudmunster tot in de 13e eeuw goederen en rechten in Berlicum gehad te hebben (OBNB I 182, 183).
(45) L. Vanderkindere, La formation territoriale des principautés belges (Brussel, 1902) II, 124-125.
(46) Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 34-35.
(47) J.F. Niermeijer, 'Lotharingen en Friesland onder Duitse koningsmacht, 925-1076', Algemene Geschiedenis der Nederlanden II (Utrecht, 1952) 36-41.
(48) W. Jappe Alberts, Overzicht van de Geschiedenis van de Nederrijnse territoria tussen Maas en Rijn + 800-1288 (Assen, 1979) 51-65.
(49) OBNB I 34.
(50) J. Lijten, 'De heren van Oirschot' in: H.J.M. Mijland e.a., red., Oog op Oirschot (Oirschot, 1991) 56-57.
(51) Suggestie in: B. Aarts, 'De walburcht aan de Roode Beek/Rothenbach. Een 'herontdekking' ?' in; Castellogica. Verkenningen II (Doorn, 1991) LVIII nt. 12.
(52) Hardenberg, 'Het ontstaan van de Vrijheid Tilburg', 43-44.
(53) Jappe Alberts, Nederrijnse territoria, 30-36.
(54) Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 134-135.
(55) OBNB I 32.
Gravin Adelheid komt daarnaast voor in 1086, met haar zonen Hendrik en Godfried, bij een schenking aan de abdij Affligem. Zie: J.A. Coldeweij, De Heren van Kuyc 1096 - 1400 (Tilburg, 1981) 12 nt. 22.
(56) OBNB I 36 (1114-1120).
(57) Zie: J. Dhondt, 'Het ontstaan van het hertogdom Brabant', Brabants Heem, V (1953) 80.
(58) Zie: Coldeweij, Kuyc, 11-19; Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 38-39.
(59) Ouderdom getuigenlijst soms aangevochten. Zie: Coldeweij, Kuyc, 11-12. H.P.H. Camps (OBNB I 32, p. 51-52) ziet geen directe bezwaren.
(60) Zie: Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 38-39; Aarts, 'Beika 1155', 91-92.
(61) Coldeweij, Kuyc, 12.
De heren van Rode worden door hem niet concreet ergens geplaatst, zeker niet in St. Oedenrode. In het algemeen heeft de historische literatuur tot voor kort niet goed raad geweten met de lokalisering van deze belangrijke familie.
(62) Coldeweij, Kuyc, 33-34.
Aangaande de burcht van Cuijk, zie: B. Aarts, 'De ontwikkeling van het middeleeuws kasteel in Noord-Brabant', Het Brabants Kasteel, 2 (1979) nr. 1, 11-13.
(63) Hierover: Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 18; Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 122-123.
(64) Over de Berthouts: J. Verbesselt, 'De oudste Brabantse adel en feodaliteit' in: J. Verbesselt e.a., De adel in het hertogdom Brabant (Brussel, 1985) 30-33.
(65) Jansen, Turnhout en de Kempen, 51-52; Prims, Parochiewezen, 127, 230.
(66) Er is tot het midden van de 19e eeuw een niet authentieke steen bekend met het jaartal 1110 (in Arabische cijfers) uit een omheiningsmuur van het kasteel (Janssen, Turnhout en de Kempen, 52), waaraan ik geen conclusie zou durven verbinden. Wel werden er bij de verbouwing van het kasteel in de 17e eeuw funderingen aangetroffen die leken te verschillen van die van het heropgebouwde kasteel uit de 14e eeuw (Janssen, Turnhout en de Kempen, 52).
(67) F.F.X. Cerutti, 'De vorming der stad', in: F.F.X. Cerruti e.a., Geschiedenis van Breda. I: De Middeleeuwen (Tilburg, 1952) 30-33.
Zie ook: K.A.H.W. Leenders, 'Land en water tussen de Bergen', Holland, 14 (1982) 150-151.
(68) OBNB I 73.
(69) OBNB I 81.
(70) Smets, Henri I, 41-42; Coldeweij, Kuyc, 45.
(71) Voor de discussie rondom de ouderdom van stad en stadsrecht van 's-Hertogenbosch, zie: R. van Uytven, 'Aspecten van de middeleeuwse stadsgeschiedenis in het noorden van het hertogdom Brabant; het recht van Leuven en 's-Hertogenbosch' in: I.J. Brugmans e.a., Plaatsbepaling van het historisch onderzoek betreffende Noord-Brabant binnen de geschiedenis der Nederlanden (Tilburg, 1982) 17-34; P. Avonds, 'Bewoning en samenleving in het middeleeuwse Noord-Brabant' in: A.J. Bijsterveld e.a., red., Middeleeuwen in beweging ('s-Hertogenbosch, 1991) 16-20.
(72) K. Steehouwer, 's-Hertogenbosch bestaat nog! De herontdekking van een belangrijke middeleeuwse stad ('s-Hertogenbosch, 1991) 24-25.
(73) OBNB I 92. Vergelijk: Oorkondenboek der graafschappen Gelre en Zutphen tot op den slag van Woeringen, 5 juni 1288. Dl. I, door L.A.J.W. Sloet ('s-Gravenhage, 1872) 397.
Verder: M. Scholten van Aschat, 'Bijdrage tot de geschiedenis van de hervormde of St. Lambertuskerk te Vught', De Kleine Meijerij, X (1956-1957) 11-17.
(74) OBHZ I 244.
Zie: Smets, Henri I, 92 - 93.
Dit verdrag werd en wordt vaak ten onrechte in verband gebracht met de gevechtshandelingen van 1202 om Tiel en 's-Hertogenbosch.
(75) Zie: Smets, Henri I, 98-100.
(76) OBNB I 98. Voor interpretatie, zie: J. Melssen, 'Het wapen van Eersel, een historische verkenning', in: A. Dams e.a., red., Eersel-Duizel-Steensel. Drie Zaligheden (Hapert, 1989) 52.
(77) D.P. Blok, 'De naam de Kempen', Brabants Heem, XXXVI (1984) 62-63; Melssen, 'Eersel', 51-53.
(78) 'de domo Hese' (OBNB I 98). Hier wordt m.i. het kasteel van Heeze bedoeld vanwege de typologisch aanwijsbare ouderdom van dit kasteel en de langgekoesterde Gelderse rechten in het aanpalende Geldrop.
(79) OBNB I 99.
Hierover: Melssen, 'Eersel', 51.
(80) Zie: W. Steurs, 'La région entre Dommel et Peel (Brabant septentrional). Peuplement rural, géographie politique et création de villes, 1200 - 1400 environ', Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 60 (1982) 795; Melssen, 'Eersel', 58.
(81) Melssen, 'Eersel', 54.
Daarnaast blijft het ook mogelijk dat het graafschap Rode zich over een aanzienlijk deel van Peelland heeft uitgestrekt. Zie hiervoor: Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 130 nt. 99; M. van Asseldonk, 'Het Graafschap Rode", Van Vehchele tot Veghel, 10 (1990) 3-13.
(82) Vermeld als in de Kempen: Bladel, Hulsel, Hoogeloon (1207-1227). 1290 Udenhout supra Campinam. Zie: Melssen, 'Eersel', 53 (met verwijzingen).
(83) OBNB I 85 (apud villam que vocatur Orscot). Hier kwam Albert van Dinther een ingewikkelde transactie regelen ten gunste van de abdij van Berne. Datering volgens Van Uytven ('Aspecten ...', 23).
Bij het afpalen van de Brabantse invloed in deze regio mag ook gewezen worden op een oorkonde uit 1219 waarin de hertog samen met de graaf van Loon én de aartsbisschop van Keulen een plaatselijk geschil beslecht aangaande Beringen (J. Gerits, Historische Steden in Limburg, Hasselt, 1989, 17).
(84) Opmerkelijk is in dit verband een gildeverklaring van 1543 uit Oerle (op de dekenaatsgrens Beek-Woensel), dat men woonachtig is op de grens van het Land van Gelre (ruim drie eeuwen nadat dit een historische mogelijkheid geweest kan zijn!). Zie: Melssen, 'Eersel', 52.
(85) Zie ook: Steurs, 'Dommel et Peel", 795, 798-800.
(86) Zie uitvoerig: Van Uytven, 'Aspecten ...', 19, 7-17.
(87) De Kok, 'Politieke geschiedenis van Turnhout', 80-81; Prims, Parochiewezen, 219-223, 230.
(88) Overzicht problematiek: De Kok, 'Politieke geschiedenis van Turnhout', 101-102.
(89) Betreffende Enschot: W.A.M. Deliën, 'Die kercke van Sinte Michiels tot Enschot. Bijdrage tot de geschiedenis van het dorp Enschot in het gebied der 'Tilburgen'', De Lindeboom. Jaarboek IX-X (1985-1986) 18-23.
(90) J. Vriens, 'Boxtel, een rijksonmiddellijke heerlijkheid in Brabant' in: A.J.A. Bijsterveld e.a., red., Middeleeuwen in beweging ('s-Hertogenbosch, 1991) 77-83.
(91) B. Aarts, 'De motten van Landen (België) en Oisterwijk, een weinig bekende relatie', De Kleine Meijerij, XLII (1991) 99; Aarts, 'Het Ansfried-probleem', 25-27, 39; Aarts, 'Beika 1155', 91-92.
(92) Deliën, 'Enschot', 26-32.
(93) OBNB I 80.
(94) Zie: B. Aarts, 'Ter Borch, faktor in de middeleeuwse geschiedenis der 'Tilburgen'', De Lindeboom. Jaarboek V (1981) 50.
(95) Zie: Hardenberg, 'Het ontstaan van de Vrijheid Tilburg', 56-60.
(96) Zie: A. Plevoets, 'De afkomst van de Giselberten, heren van Tilburg', Actum Tilliburgis, XI (1980) 5-15; Aarts, 'Motten van Landen en Oisterwijk', 97.
(97) Zie hiervoor: W. Steurs, Les campagnes du Brabant Septentrional au Moyen Age: La Fondation de la ville neuve d'Oisterwijk par le Duc Henri Ier (Leuven/Brussel, 1974) 16-18.
Hierover: Aarts, 'Ter Borch, faktor ...', 49-54.
(98) Steurs, Les campagnes du Brabant ..., 44-57.
Verder: OBNB I 150, met uitgebreid commentaar.
Recent: Avonds, 'Bewoning en samenleving in Noord-Brabant', 12-13, 16; W. Steurs, 'Les phénomènes urbains dans le Brabant Septentrional jusqu'aux environs de 1300' in: J.M. Duvosquel en A. Dierkens, Villes et campagnes au Moyen Age. Mélanges Georges Despy (Luik, 1991) 647.
(99) OBNB I 123.
Voor de interpretatie, zie: Smets, Henri I, 169-170; Aarts, 'Motten van Landen en Oisterwijk', 99; J. Baerten, 'Bij een onopgemerkte 750ste verjaring. De politiek van hertog Hendrik I van Brabant (1190-1235)', De Brabantse Folklore, nr. 235 (1987) 8.
In dit verband wijs ik erop dat in de 13e eeuw bepaalde cijnzen aan Utrecht betaald dienden te worden in Oisterwijk (apud Osterwike 1238, OBNB I 186).
(100) Melssen, 'Eersel', 53-54. Zie ook: Smets, Henri I, 102.
(101) OBNB I 148.
Chronologie naar Steurs, 'Dommel et Peel', 794-795.
(102) Steurs, 'Dommel et Peel', 793-796; Melssen, 'Eersel', 51-53.
(103) Zie ook: Theuws/Bijsterveld, 'Der Maas-Demer-Schelde-Raum', 130 nt. 99. Voor de omschrijving in pago Rhodensi in Campina Brabantica, zie: Melssen, 'Eersel', 52.
(104) G.J. van Bussel, 'De ochtendstond heeft geen mond. De verwerving van Helmond en de stichting van de stad als onderdeel van hertogelijke machtspolitiek, 1179-1241', De Vlasbloem. Historisch Jaarboek voor Helmond, 10 (1989) 31-50; Steurs, 'Dommel et Peel', 800-803; Steurs, 'Phénomènes urbains ', 650-651.
(105) OBNB I 153.
(106) OBNB I 165, 166.
Zie verder: Steurs, 'Dommel et Peel', 801-803; Steurs, 'Phénomènes urbains', 650; Van Bussel, 'De verwerving van Helmond', 44-45.
(107) Steurs, 'Phénomènes urbains', 648-649.
J. Melssen ('Eersel', 59-65) brengt het burchtteken in verband met een feitelijke burcht ter plaatse. In enkele gevallen gaat dat op (Oisterwijk, St. Oedenrode). Het garandeert m.i. niet dat er ook altijd een (hertogelijke) burcht geweest moet zijn, dit ondanks de aanwezigheid van shertoghen hofstat in Eersel (1316).
(108) Steurs, 'Dommel et Peel', 803; Steurs, 'Phénomènes ur-
bains', 648, 650.
(109) OBNB I 160.
Interpretatie naar J. Lijten, Oog op Oirschot, 53-56.
(110) Lijten, Oog op Oirschot, 54-55.
(111) Zie: Melssen, 'Eersel', 52-55.
(112) Lijten, Oog op Oirschot, 55-61; J. Lijten, 'De heren van Oirschot van 1100 tot 1320', Campinia, 20 (1990) 60-63.
(113) Zie: R.A.Th. van Aart, 'Kasteel van Empel en Meerwijk', Het Brabants Kasteel, 13 (1990) 64-65.
(114) Van Oudenhoven (Beschryvinge der Stadt ende Meyerye van 's-Hertogen-Bossche, 1649, 2) verwijst hiervoor naar de Kroniek van St. Truiden, waarin dit fragment echter niet voorkomt.