![]() |
|||
![]() |
Groeien aan de grens | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Groeien aan de grens |
|
Ondertitel: |
De afzet van Tilburgse wollen stoffen en de Scheiding tussen Noord en Zuid |
|
Auteur: |
drs. Martin de Bruijn |
|
THR |
Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout |
|
Nummer: |
1 (1992) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
102-119 |
De rechte heyrbaen van de vrijheyt van Thurnout naer Tilborgh
Op 5 juli 1656 verscheen een drietal Tilburgse kooplui voor twee schepenen van de schepenbank van Tilburg en Goirle. Zij legden daar op verzoek van Johannes Huttenis, tevens
schepen ende coopman van wolle laeckenen binnen de voorschreven heerlycheyt, een verklaring af. De drie verklaarden om te beginnen
dat de rechte heyrbaen van de vrijheyt van Thurnout naer Tilborgh voorschreven altoos boven memorie van menschen geloopen ende haeren cours gehadt heeft ende alnoch hebbende is door Ravels, Welt, Poppel ende Aerl,
'tgene is de vuyterste jurisdictie van den Lande van Thurnout voorschreven, ende soo voorts op ende over de gemeynte ende heyde van Goirle door hetselve dorp tot binnen Tilborgh
voorschreven. Deze 'certificatie' hield hiermee verband dat een van de drie, Anthony Broeckmans, met zijn broer Goyert in de maand mei van hetzelfde jaar in Goirle was aangehouden door twee controleurs van de Brabantse landtol, die naar een betalingsbewijs van de tol hadden gevraagd. Ze hadden daarop geantwoord dat ze recht van Turnhout naar Tilburg reden en dat op die route alleen in Tilburg een kantoor van de landtol gevestigd was. De beambten hadden daarmee geen genoegen genomen.
De gebroeders hadden de kooplui met hun vracht aangehouden en de som van 15 rijksdaalders, in die tijd een hoog bedrag,
afgeperst.(1)
Een dergelijk voorval, waaruit bovendien het bestaan van vrachtverkeer tussen Tilburg en Turnhout blijkt, was in die tijd niet uitzonderlijk.(2) Dit had onder meer te maken met de nieuwe staatsgrens, die kort tevoren, in 1648, onverbiddelijk tussen de Republiek der Verenigde Nederlanden in het noorden en de Spaanse Nederlanden in het zuiden getrokken
was. In mijn bijdrage aan deze bundel wil ik in grote lijnen aandacht besteden aan de problemen die de Tilburgse textielondernemers hebben ondervonden bij de afzet van hun 'lakens' gedurende de periode dat de scheiding tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden zich heeft voltrokken. Ruwweg gaat het hierbij om de tijd van de Tachtigjarige Oorlog, die duurde van 1568 tot 1648, en enkele decennia daarna.
De grens in het noorden
Eeuwenlang heeft voor Tilburg de grens in het noorden gelegen. In staatkundig opzicht lag het dorp in de vroege middeleeuwen in de gouw Taxandria, waarvan de noordgrens zich in de buurt van de rivier de Maas bevond. Ten noorden van die grens strekte zich de gouw Teisterbant uit. Beide bestuurseenheden maakten overigens deel uit van het Frankische Rijk.
Deze districten gingen ten onder in de verwarring van de Noormanneninvallen in de negende eeuw. Onder een zwak centraal gezag van koningen en keizers probeerden graven en andere regionale en lokale functionarissen zich op te werken tot erfelijke landsheren. Uit die strijd ontstonden in onze streken onder meer het hertogdom Brabant en het graafschap
Holland.(3) Nog geen tien kilometer ten noorden van Tilburg, dat sinds ongeveer 1200 deel uitmaakt van het hertogdom, vormde zich een grillige grenslijn tussen beide gewesten. Dorpen als 's-Gravenmoer, Waspik, de Capelles, Besoijen en Baardwijk behoorden tot het graafschap Holland; Dongen, Loon op Zand, Waalwijk en Drunen tot het hertogdom
Brabant.(4)
In de veertiende en vijftiende eeuw kwamen weliswaar zowel Holland als Brabant in handen van het machtige Bourgondische Huis en trad er enige centralisatie in het bestuur van de verschillende gewesten op. Maar deze behielden hun zelfstandigheid en privileges, zodat allerlei gewestelijke heffingen vooralsnog gewoon bleven voortbestaan.
Voor- en nadelen verbonden aan de nabijheid van de grens
Een dergelijke ligging in het grensgebied kon een hoop ellende met zich meebrengen. De veelvuldige conflicten tussen de landsheren en hun aanhang werden vaak daar uitgevochten. Steden hadden door hun grachten en muren de mogelijkheid zich te beschermen, maar het open platteland kon doorgaans ongehinderd worden gebrandschat en leeggeplunderd. Het was daarbij vaak nauwelijks van belang of het om vriend of vijand ging.
Maar er waren ook voordelen verbonden aan een ligging bij de grens. Plaatselijke heren speelden waar mogelijk hun aanhankelijkheid tussen de landsheren uit. Handelaren, ambachtslieden en boeren konden soms hun vestigingsplaats en de afzet van hun produkten in gunstige zin verschuiven, terwijl ook smokkelhandel perspectieven bood. Want al vroeg was de door- en uitvoer en de verkoop van handelswaar aan allerlei heffingen onderworpen. Tollen vormden daarvan een belangrijk bestanddeel. Een andere heffing was het geleidegeld, dat betaald moest worden voor de bescherming die de overheid bij het reizen en het vervoer van goederen verleende, althans behoorde te verlenen. Een dergelijke tol, tevens geleidegeld, was de Brabantse landtol, waarvan hierboven sprake was.
Vroege contacten over de grens
Tilburgers onderhielden al in de middeleeuwen veel contacten met het Hollandse gebied. Familienamen als Van Capelle, Van Besoyen, van Eethen, Van Baardwijk, Van
Doeveren, Van Zuidewijn, Van Veen en Van Wijk, die we aantreffen in de oudste Tilburgse schepenprotocollen op het eind van de vijftiende eeuw, wijzen daarop. In het Hollandse rivierengebied bezaten de Tilburgers hooilanden, die zij voor de wintervoeding van hun vee nodig hadden en waar ze rundvee
fokten.(5) Ook op het gebied van de lakennijverheid waren er al vroeg contacten met Holland. Omstreeks 1380 werd vanuit het Engelse Great Yarmouth wol aangevoerd op Vlaardingse schepen. Een van de bevrachters was een zekere Thomas van
Tilburg.(6) Rond het midden van de vijftiende eeuw vestigden drie Tilburgse lakenvollers zich in
Leiden.(7)
De belangrijkste oorzaak van de contacten met het noorden was waarschijnlijk gelegen in het feit dat in deze richting op korte afstand van Tilburg plaatsen lagen waar de textielprodukten van het land- op het waterverkeer konden worden overgeslagen. Vooral voor de lange zware lakens was dat een groot voordeel boven het verkeer per as over de doorgaans erbarmelijke zandwegen naar het
Zuiden.(8)
Dit betekende natuurlijk niet dat er geen handelscontacten bestonden met het hertogdom Brabant, waartoe Tilburg behoorde. Niet gehinderd door de met handelsbarrières gepaard gaande staatsgrens konden de Tilburgse textielprodukten naar de Brabantse steden worden gebracht. In de zestiende eeuw, de grote bloeitijd van de handelsmetropool Antwerpen aan de rivier de Schelde, zullen vele lakens in die richting vervoerd
zijn.(9) Ook dat zal overigens voor een groot deel over water hebben
plaatsgevonden. De produkten konden worden ingescheept in de eveneens tot het hertogdom behorende stad Breda.
De Opstand tegen Spanje
In de tweede helft van de zestiende eeuw brak er een opstand uit tegen het 'Spaanse' gezag van koning Filips II. Terwijl het er aanvankelijk op leek dat alle Noord- en Zuidnederlandse gewesten zich in vereniging zouden losmaken van Spanje, tekende zich al in de jaren zeventig van de zestiende eeuw een scheiding af tussen de noordelijke en de zuidelijke. Vooral de machtsgreep van de calvinisten in Holland vanaf 1572 droeg daaraan bij. In het Noorden werd in 1579 de Unie van Utrecht gesloten, waaruit zich na enkele jaren de Republiek der Verenigde Nederlanden vormde. Deze bestond uit zeven gewesten: Holland, Zeeland, Utrecht, Friesland, Groningen, Overijssel en Gelderland.
Het Zuiden keerde terug onder het gezag van de koning. Dat gebeurde in een geleidelijk proces, waarin zowel de overtuiging als de wapens een rol speelden. In de strijd kozen ook afzonderlijke steden positie. Sommige Zuidnederlandse steden sloten zich aan bij de Unie van Utrecht, waaronder de Noordbrabantse steden Breda en 's-Hertogenbosch. Maar Den Bosch, een van de hoofdsteden van het hertogdom Brabant, keerde nog in 1579, het jaar waarin de Unie gesloten werd, onder het gezag van de koning
terug.(10) Daarmee was ook de Bossche Meierij, waarin Tilburg gelegen was, weer 'Spaans' geworden. Andere delen van de Zuidelijke Nederlanden moesten gewapenderhand tot de orde worden gebracht. Breda, dat een heerlijkheid was van de Oranjes, kwam in 1581 door een krijgslist weer in Spaanse
handen.(11) Antwerpen werd in 1585 door de veldheer Alexander Farnese, hertog van Parma, voor de Spanjaarden heroverd. Omdat de Hollanders vervolgens de Schelde afsloten, heeft deze toenmalige grootste handelsstad van Noord-Europa daarna veel van haar economische betekenis verloren.
Grote aantallen Zuidnederlanders vluchtten met hun kapitaal en kennis naar het Noorden.
Spanje heeft nog hardnekkig geprobeerd ook het verloren gebied van de Noordelijke Nederlanden te heroveren. Een groot deel van de oorlog speelde zich af aan de grenzen van Holland, dus op het Noordbrabantse platteland, dat geteisterd werd door de rondtrekkende legers. De daar gelegen dorpen moesten aan beide oorlogvoerende partijen enorme bedragen aan oorlogscontributies betalen. Wanneer dergelijke lasten niet op tijd of onvoldoende werden voldaan, konden moord en verkrachting, plundering en brandstichting het gevolg zijn.
Een dorp in oorlogstijd
In Tilburg liepen de uitgaven van het dorp, die in vredestijd in het algemeen slechts enkele duizenden guldens per jaar bedroegen, op tot bijna 60.000 gulden in
1597.(12) In het jaar 1581 waren het kasteel van Tilburg en het kasteeltje Broekhoven
verwoest,(13) in 1595 was de parochiekerk in brand gestoken.(14) Op de omslag van een van de dorpsrekeningen uit die tijd schreef de gemeentesecretaris de woorden van de profeet Isaias:
Alle hooft is quellende ende alle hert is truerende. U lant is verwoest, u stede sijn verbrant met viere, met haet ende met
nijt.(15)
Toen de Opstand uitbrak, had Tilburg naast de landbouw al een bloeiende textielindustrie, waarvan vooral de produktie van wollen stoffen van belang was. De oorlogshandelingen op het Brabantse platteland hadden natuurlijk een negatieve invloed op het handelsverkeer. Maar het belang van de Tilburgse lakennijverheid was toen al zo groot dat de Tilburgse ondernemers weigerden zich daar passief aan over te geven. Zo wisten zij in 1585 een Spaans vrijgeleide te krijgen voor het vervoer van onder andere lakens naar
Holland.(16) Ondanks een aantal afgekondigde handelsverboden van beide oorlogvoerende partijen, kwam de handel namelijk nooit dan slechts tijdelijk stil te liggen. De regulering van het handelsverkeer leverde namelijk inkomsten op waaruit de oorlog voor een aanzienlijk deel kon worden bekostigd. Vanzelfsprekend werkten deze heffingen, de zogeheten konvooien en licenten - te zamen simpelweg 'licent' genoemd -,
kostprijsverhogend.(17) We zullen dan ook zien dat de Tilburgse ondernemers, daarbij soms gesteund door hun voornaamste afnemers, de Hollandse groothandel, zich intensief hebben ingespannen om de tarieven voor hun produkten zo laag mogelijk te houden.
De Scheiding tussen Noord en Zuid
Na 1588 keerden de krijgskansen zich ten gunste van de opstandelingen. De oudere lezers zullen zich uit de vaderlandse geschiedenis op de lagere school nog de ondergang van de Spaanse Armada weten te herinneren. Ook kreeg Parma zijn handen vol in Frankrijk, zodat de noordelijken hun positie konden versterken. Tussen 1590 en 1597 kon de stadhouder van Holland en Zeeland, prins Maurits van Nassau, voor de nieuwe Republiek der Verenigde Nederlanden belangrijke veroveringen tot stand brengen. Een van de eerste was de inname van Breda in 1590 met behulp van het bekende turfschip. Daarmee kwam westelijk Noord-Brabant grotendeels in handen van het Noorden. Er werden door de Republiek ook verschillende pogingen gedaan om de stad 's-Hertogenbosch te veroveren, maar zonder succes. Dit betekende dat de soevereiniteit over de Meierij van Den Bosch - met uitzondering van onbetekenende stadjes als Eindhoven en Helmond, die nogal eens van militaire bezetting wisselden
-(18) in Spaanse handen bleef.
In 1609 was de oorlogsmoeheid zo groot dat er tussen de oorlogvoerende partijen voor twaalf jaar een wapenstilstand werd gesloten: het Twaalfjarig Bestand. Dit gaf beide partijen een adempauze, maar in 1621 werden de vijandelijkheden hervat. De Italiaanse veldheer in Spaanse dienst Ambrosio Spinola wist in 1625 Breda te heroveren, maar in 1629 ging na een langdurig beleg door stadhouder Frederik Hendrik de stad Den Bosch voor het Zuiden verloren. Deze gebeurtenis had haar weerklank in heel Europa, tot in het Turkse Rijk
toe.(19)
De afzet van Tilburgse textielprodukten naar het Noorden
De eerste keer dat we de Tilburgse lakens als een afzonderlijk produkt in de tarieflijsten van de konvooien en licenten aantreffen, is in een door de Staten-Generaal van de Republiek uitgevaardigd 'plakkaat' - een verordening met een opgedrukt zegel - uit 1603.(20) De oorlogstarieven werden in 1609, bij het ingaan van het Twaalfjarig Bestand,
verlaagd.(21)
Bij de hervatting van de strijd in 1621 werd echter het handelsverkeer opnieuw aan zware tarieven onderworpen. Het Zuiden kondigde zelfs verschillende malen een totaal handelsverbod af, dat echter doorgaans na enige tijd al weer werd opgeheven. In het Noorden werd op 20 juli 1622 een plakkaat uitgevaardigd dat de invoer van buitenlandse lakens aan banden legde. Breda en Nijmegen werden aangewezen als plaatsen waarlangs deze handelswaar binnen de Republiek mocht worden gebracht. In die steden moesten ze van een loodje worden
voorzien.(22) Overigens viel Breda in 1625 af, omdat het, zoals we gezien hebben, in dat jaar weer in Spaanse handen kwam. Waarschijnlijk gingen de lakens daarna via Geertruidenberg en
Gorinchem.(23) Breda werd pas in 1637 door stadhouder Frederik Hendrik definitief voor de Republiek heroverd.

Post betreffende de Tilburgse lakens in de tarieflijst van de konvooien en licenten van de Republiek in
een plakkaat van 5 april 1603. Dit was voor de eerste keer dat deze lakens als een apart produkt in een
dergelijke lijst werden vermeld. Coll. RHC Tilburg, Groot Placaetboeck, I.
Al twee maanden vóór de afkondiging van het plakkaat van 20 juli 1622, te weten op 20 mei, hadden de Tilburgse textielondernemers samen met hun collega's uit Weert een gunstige regeling weten te treffen over de betaling van licent. Een besluit van de Raad van State bepaalde dat over de ingevoerde Weertse en Tilburgse lakens volgens de tarieflijst licent moest worden betaald, maar dat vrij mochten worden geïmporteerd
een half stuck wolle lakens van tweeëndertich oft dryeëndertich ellen oft oock lappen van minder
mate.(24) Oorspronkelijk waren de halve lakens 15 tot 26 el lang, maar op den duur werden ze zo lang gemaakt dat ze nagenoeg de lengte bereikten van een heel laken van 34 tot 36 el. In wezen ging het bij halve lakens dus om lakens van een bepaalde
lengte.(25) Naar de letter was de regeling van 1622 bedoeld voor kleine hoeveelheden. In het algemeen was namelijk de verkoop van
'eigen gewin en gewas' van betaling van licent vrijgesteld. De interpretatie van de Tilburgers, die daarbij werden gesteund door de Hollandse groothandel, luidde echter dat het bij deze importvrijheid om onbeperkte aantallen halve lakens ging. Waarschijnlijk tot hun eigen verbazing werd deze visie in 1626 door de Raad van State
bevestigd.(26) In dat jaar werd de Tilburgse lakenkoper Nicolaas Adriaansz. van Oeckel door soldaten van de Republiek aangehouden en werden zijn kar en twaalf halve lakens en lappen in beslag genomen. Maar bij besluit van 21 augustus 1626 kreeg hij zijn kar met lading van de Raad van State terug
als sijnde van quaden prinse (geringe buit).(27) Deze uitspraak zou acht jaar later de Tilburgers weer van pas komen.
De Retorsietijd
De val van 's-Hertogenbosch in 1629 had ook voor Tilburg belangrijke gevolgen. Het capitulatieverdrag bevatte een onduidelijke bepaling. Op grond daarvan beweerde de Republiek dat met de stad Den Bosch ook de hele Meierij in haar handen was gekomen, maar Spanje hield vol dat dit slechts gold voor enkele rond Den Bosch gelegen dorpen en gehuchten, de zogeheten vrijdom. Onderhandelingen over de soevereiniteit van de Meierij, die voor een groot deel in Tilburg werden gevoerd, hadden geen resultaat en zo bleef zij tot 1648 omstreden gebied. Beide partijen vaardigden er - vaak tegenstrijdige - plakkaten uit en hieven er belastingen. De naleving en betaling ervan werden soms gewapenderhand afgedwongen. Zelfs werden zowel in als buiten de Meierij door beide partijen wraakacties uitgevoerd, de zogenaamde 'retorsies en
contraretorsies'.(28) Deze periode wordt daarom wel de Retorsietijd genoemd. Het laat zich denken wat voor negatieve gevolgen dit op het gebied heeft gehad.
De Tilburgse gemeenterekeningen maken duidelijk dat het dorp in deze periode opnieuw te lijden kreeg van de rondtrekkende troepen. De rekeningen van 1629 en 1630 zijn niet bewaard gebleven, maar in het jaar daarop bedroegen de uitgaven bijna 42.000 gulden. Daarna trad wel een lichte vermindering op, maar tot 1644 kwamen zij nooit onder de 25.000
gulden.(29)
Tegen de Hollandse steden en Den Bosch
Aangezien in de visie van de Republiek de Meierij van Den Bosch, waarin Tilburg gelegen was, onder haar soevereiniteit was gekomen, zou dit moeten hebben betekend dat het handelsverkeer met Holland voortaan als binnenlands zou gelden en dat er dus geen licent meer zou hoeven worden betaald. Maar zo ver ging de regering van de Republiek niet. De concurrentie met Tilburg werd zelfs door de Hollandse textielproducenten en die van Den Bosch zozeer gevreesd dat deze alles in het werk stelden om de invoer van Tilburgse lakens te verbieden of althans met zware heffingen te belasten. Zij beschuldigden de Tilburgers niet ten onrechte herhaaldelijk van herkomstfraude en belastingontduiking. Het zou te ver voeren in dit artikel van die strijd gedetailleerd verslag te
doen.(30) Daarom volgt hier een beknopt overzicht.
In 1634 wisten de Tilburgse ondernemers een bevestiging te krijgen van het privilege van 1622 voor de vrije invoer van hun halve
lakens.(31) Op 3 april 1635 werd het plakkaat van 20 juli 1622 vernieuwd met aanpassing van de steden die toen in handen van de Republiek waren. Voortaan moesten alle lakens die naar de Republiek gingen, aangegeven en van een loodje voorzien worden in de steden Nijmegen, Geertruidenberg, Gorinchem of 's-Hertogenbosch. In dat plakkaat werd verder bepaald dat de controleur van de uitheemse lakens, Ludolf van Lintzenich, commiezen mocht aanstellen in Turnhout, Eindhoven en
Tilburg.(32) Er zijn nog steeds exemplaren van dit plakkaat aanwezig in de gemeentearchieven van Turnhout en Tilburg.(33) Voor zover ik echter heb kunnen nagaan, is het Van Lintzenich niet gelukt in deze plaatsen commiezen neer te zetten. Voor Turnhout lijkt me dat helemaal onmogelijk, omdat deze vrijheid toen nog tot het gebied van de Spaanse Nederlanden behoorde.

Plakkaat van 3 april 1635 betreffende de invoer van 'uitheemse' lakens naar de
Republiek. (coll.
Gemeentearchief Leiden).
Tegen het loden van de lakens tekenden de Tilburgers protest aan bij de Staten-Generaal van de Republiek. Zij maakten daarbij gebruik van een zogeheten 'solliciteur'. Dat was iemand die over goede relaties in regeringskringen beschikte en door middel van verzoekschriften en met behulp van steekpenningen gunstige beslissingen probeerde te verkrijgen. Tegenwoordig zouden we zo iemand een lobbyist noemen. In dit geval was dat de Haagse notaris Peter
Diert.(34)
De Staten-Generaal verwezen de zaak door naar de Raad van State, die op 13 februari 1637 oordeelde dat de Tilburgers
als sijnde ingesetenen ende onderdanen van desen staet niet onder het plakkaat van 3 april 1635 vielen. Van Lintzenich liet het hier niet bij zitten en vond steun bij de lakenproducenten in de Hollandse steden en Den Bosch. Elders hoop ik de gang van zaken, die niet onvermakelijk was, nog eens in details uiteen te zetten. Hier volsta ik met te vermelden dat de Tilburgers op 23 december 1638 een niet ongunstige beschikking verkregen. De regeling hield in dat halve lakens vrij van licent binnen de Republiek mochten worden gebracht; dat zij moesten worden gelood door iemand die door henzelf daartoe was aangesteld. Het loodje zou aan de ene zijde het opschrift
Tilburch dragen en aan de andere zijde Vrij van licent. In de stad Den Bosch zouden de Tilburgse lakens niet aan het zogeheten recht van consumptie worden
onderworpen.(35) Wél moesten de Tilburgse producenten voortaan hun zogenaamde noptekens in de lakens borduren om de herkomst ervan te kunnen vaststellen. Een lijst van deze tekens uit 1646 is bewaard gebleven in het stadsarchief van Leiden.(36) Zij bevat de merken van 152
wollewevers. In werkelijkheid ging het hierbij om zogeheten 'kooplieden van wol en wollen lakens' of 'lakenkopers' en om 'drapiers', dit wil zeggen grotere en kleinere
textielondernemers.(37) Al op de eerste pagina treffen we de lakenkoper Adriaan Jan Soffaerts aan, die in 1665 een vermogen van 12.000 gulden had en daarmee de rijkste textielondernemer van Tilburg
was.(38)

Eerste bladzijde van een lijst met noptekens van Tilburgse 'wolwevers' uit 1646.
In werkelijkheid gaat het hier om grotere en kleinere textielondernemers.
Gemeentearchief Leiden, Secretariearchief na 1574, nr. 2388.
Het duurde tot 1647 voor er in Holland nieuwe pogingen in het werk werden gesteld om de lakenimport vanuit Tilburg weer in te
dammen.(39) Deze pogingen werden echter doorkruist door de Vrede van Munster die een geheel nieuwe situatie schiep.
Twee dingen zijn in het geheel opmerkelijk: in de eerste plaats de handigheid die de Tilburgers aan de dag legden om de importwerende maatregelen te bestrijden en in de tweede plaats de steun die zij ondervonden van de Hollandse
groothandel.(40) Hier manifesteerde zich de eeuwige tegenstelling tussen groothandelaren en producenten. Terwijl de eersten ernaar streven tegen een zo laag mogelijke prijs een zo goed mogelijk produkt te kopen, om het even waar dat gemaakt wordt, willen de laatsten bescherming van hun produktie door belasting van buitenlandse concurrentie. De Tilburgse textielondernemers hadden het voordeel dat zij goedkoper konden produceren dan de Hollandse steden, waar het leven duurder
en de lakenproduktie door de gilden of neringen aan allerlei beperkende bepalingen gebonden was.
De gevolgen van nieuwe staatsgrens
In 1648 werd er eindelijk vrede gesloten tussen Spanje en de Republiek. Bij de Vrede van Munster kwam het noordelijk deel van het oude hertogdom Brabant definitief onder de Republiek te behoren. Het kreeg geen autonomie, maar werd voortaan vanuit Den Haag door de Staten-Generaal als zogeheten Generaliteitsland bestuurd. Aan deze vernederende stituatie is pas in 1795, met de komst van de Fransen, een eind gekomen.
Door de aansluiting van Staats-Brabant bij de Republiek kwam voor Tilburg de staatsgrens, die zich eeuwenlang in het noorden had bevonden, nu ten zuiden van het dorp te liggen. Omdat het beschermen van de eigen produktie in die tijd niet ongebruikelijk was, viel te verwachten dat de Spaanse regering de invoer van de nu buitenlands geworden Tilburgse lakens zou bemoeilijken. Inderdaad verscheen er al in 1650 een plakkaat dat
het innecomen van de laeckenen, baeyen, carsyen, stametten, saeyen ende andere hant-wercken van wolle in de landen ende steden van herrewaerts overe
verbood.(41) Toch zal, zoals gewoonlijk, het verbod niet totaal of althans niet van lange duur zijn geweest. Bovendien was het soms mogelijk om tegen fikse betalingen vrijstellingen van het verbod te verkrijgen.
In de Tilburgse dorpsrekening van 1651 komen al posten voor betreffende het affcrijgen der licenten op de laeckenen gaende naer
Brabant.(42) Op 6 november 1652 protesteerden 14 Tilburgse lakenkopers bij notariële akte tegen een aantal collega's die mede namens hen hadden besloten voortaan van ieder laken twaalf stuivers te heffen voor de kosten die voor het solliciteren gemaakt moesten
worden.(43) Vier jaar later lijkt een dergelijk initiatief geen protest meer opgeroepen te hebben. Bij notariële akte werd door acht lakenkopers, die zeiden namens al hun collega's te spreken, vastgesteld dat van ieder half laken zes stuivers zouden worden betaald
omme daermede te lichten soodanige acte van vrijdom der gemelte laeckenen als tot Brussel bij den coninck van Hispangiën in sijnen Edelen Rade is
verleent.(44) Omdat zes stuivers toen een bedrag vertegenwoordigden van één schelling,
noemde men de rekeningen die van de heffing en de daaruit gedane uitgaven gedaan werden de 'Rekeningen van de schellingen'. Enkele daarvan zijn in het
gemeentearchief van Tilburg bewaard gebleven.(45)
Om vrijstellingen te verkrijgen, had het dorp in die tijd net als in Den Haag ook in Brussel een solliciteur in de persoon van P. Martinez. Van deze zaakwaarnemer is uit 1660 enige correspondentie in het Tilburgs gemeentearchief bewaard gebleven.(46) Op 3 maart van dat jaar was namelijk opnieuw een plakkaat uitgegeven dat de invoer van lakens
verbood.(47) Op 29 november van hetzelfde jaar verscheen daarop een verzachting voor lakens uit het Land van Luik, dat toen als prins-bisdom nog zelfstandigheid bezat, wanneer deze minder dan 3 gulden per el waard
waren.(48) Ook Tilburg zal wel een vergunning gekregen hebben, wanneer men dat tenminste uit het zwijgen van de bronnen in het Tilburgs gemeentearchief mag afleiden.
Op 14 maart 1664 werd er opnieuw een algeheel verbod afgekondigd, dat zich zelfs uitstrekte over lakens die in de Spaanse Nederlanden waren gemaakt, maar naar het buitenland waren gestuurd om te worden
geverfd.(49)
Het zal duidelijk zijn dat dergelijke regelingen de uitvoer van Tilburgse lakens naar het Zuiden niet bepaald bevorderden. Toch bewijzen gegevens uit later jaren dat er nog handelscontacten met de Spaanse Nederlanden bleven
bestaan.(50) In een schellingenrekening van 1668-1669 is sprake van sollicitatiën soo van te obtineren dat de Tilborghse laeckenen onder behoorlyck licent vrij souden gebracht mogen worden in den Lande van Brabant onder de gehoorsaemheyt van Sijne Konincklycke Majesteyt resorterende, mitsgaders oock tot de oncosten van de
sollicitatiën dat minder licent van de laeckens mochte betaelt werden, dat oock geverruwde laeckens mochten incomen ende dat de wolle in het Lant van Antwerpen gevallen mede onder betalinge van licent mochte vuyt denselven Lande binnen Tilborgh ingebrocht worden.(51) Maar hier staat tegenover dat de afzet van Tilburgse textielprodukten zich al eeuwenlang hoofdzakelijk in noordelijke richting bewoog.
Douane-enclave voor het Noorden
Toch bleef ook hier de invoer niet onbelemmerd. Wanneer de Tilburgers gedacht mochten hebben dat zij na de Vrede van Munster wel behandeld zouden worden als volwaardige ingezetenen van de Republiek, dan zijn ze snel uit de droom geholpen. Het platteland van Noord-Brabant werd op het gebied van de in- en uitgaande rechten als buitenland beschouwd. Er moest dus licent worden betaald. Maar op 20 december 1651 wisten de Tilburgers gedaan te krijgen dat zij hun produkten vrij binnen Den Bosch, Breda en Heusden mochten brengen en vandaaruit naar Holland. Ook mochten zij hun grond- en hulpstoffen voor de vervaardiging van wollen lakens uit de Republiek via die steden vrij naar Tilburg
vervoeren.(52) Aldus werd het dorp een douane-enclave op het platteland, zoals ook de Noordbrabantse steden dat waren. De vrijstelling moest echter elke drie jaar opnieuw worden aangevraagd, hetgeen gepaard ging met grote kosten aan steekpenningen, waartoe onder meer de hierboven genoemde schellingenrekeningen dienden. Daarnaast werden echter ook bedragen uit de dorpskas betaald, die waren opgebracht door alle dorpelingen, ook degenen die niet in de lakennijverheid werkzaam
waren.(53) De textielproduktie en -handel werd dus als een algemeen belang voor het hele dorp gezien. Pas in 1687 wist Tilburg de tijdelijke regeling om te zetten in een definitieve en kwam er aan het voortdurend solliciteren een
eind.(54)
Groeien aan de grens
Ik heb in het bovenstaande proberen aan te tonen dat de Opstand grote gevolgen heeft gehad voor de ligging van Tilburg. De staatsgrens, die eeuwenlang in het noorden had gelegen, werd erdoor verplaatst naar het
zuiden.
De Tachtigjarige Oorlog van 1568 tot 1648, die tot de Scheiding tussen Noord en Zuid geleid heeft, bracht vele moeilijkheden met zich mee. Desondanks wist de Tilburgse lakennijverheid zich in de eerste helft van de zeventiende eeuw geweldig te
ontwikkelen.(55) Het aantal inwoners steeg explosief van waarschijnlijk ongeveer 4000 in 1565, 6000 in 1615 tot circa 9000 in
1665.(56) Voor een dorp was dit een spectaculair bevolkingsaantal. De meeste Nederlandse steden haalden dit getal bij lange na niet.
De oorlog heeft de groei van de Tilburgse lakennijverheid misschien vertraagd, hij heeft haar in ieder geval niet kunnen stoppen. Waarschijnlijk heeft ook de verovering door het Noorden, waarlangs al sinds lange tijd de belangrijkste export van Tilburgse textielprodukten plaatsvond, op den duur een gunstig effect gehad, omdat de Republiek toen als handelsnatie haar Gouden Eeuw beleefde.
Contacten met het Zuiden zijn er echter ook na de Scheiding blijven bestaan, als het niet legaal was dan in ieder geval door middel van smokkel, herkomstvervalsing en betaling van steekpenningen. Want dat zal uit het bovenstaande ook wel duidelijk zijn geworden: de Tilburgse textielondernemers hebben in die periode weinig grenzen in acht genomen bij de bevordering van hun zakelijke belangen.
Noten
(1) Gemeentelijke Archiefdienst Tilburg [GAT], Rechterlijk archief [R.], nr. 613,
ongefolieerd.
(2) Zie hierover A.C.M. Kappelhof, De belastingheffing in de Meierij van Den Bosch gedurende de Generaliteitsperiode (1648-1730) (Tilburg, 1986), 133-137.
(3) Voor de algemene gegevens, met name over de staatkundige ontwikkelingen, wil ik verwijzen naar de artikelen in de
(Nieuwe) Algemene Geschiedenis der Nederlanden en de daar aangehaalde literatuur. Een bruikbaar en zeer leesbaar overzicht geeft L.J. Rogier,
Eenheid en scheiding. Geschiedenis der Nederlanden 1477-1813 (Aula 367).
(4) Zie b.v. W. van Ham en J. Vriens (red.), Historische kaart van Noord-Brabant 1795 ('s-Hertogenbosch, 1980), krt. 2 bij blz. 38.
(5) P.C. Boeren, 'De Tilburgse wolnijverheid tot het begin der 17e eeuw', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.),
Van heidorp tot industriestad. Verkenningen in het verleden van Tilburg (Tilburg, 1955), 120-136, ald. 129-130.
(6) H.J. Smit, Bronnen tot de geschiedenis van den handel met Engeland, Schotland en
Ierland, I ('s-Gravenhage, 1928), nrs. 574 en 576.
(7) N.W. Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie, I ('s-Gravenhage, 1908), 315.
(8) M. de Bruijn, 'De opkomst en de oriëntatie van de Tilburgse lakennijverheid in de 16de en 17de eeuw',
Bijdragen tot de Geschiedenis, 73 (1990), 165-178, ald. 173-174.
(9) Overigens zijn de bronnen daarover schaars. Vergelijk bijvoorbeeld de gegevens over contacten met het Zuiden bij Boeren, 'De Tilburgse wolnijverheid', 121-122, met die over contacten met Holland, t.a.p., 122-126 en 131-134.
(10) V.A.M. Beermann, Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1648
(z.pl. ['s-Hertogenbosch] 1940), 1.
(11) A. Kappelhof, 'Minder baas in eigen huis. 's-Hertogenbosch en Breda 1566-1680',
Bijdragen tot de Geschiedenis, 73 (1990), 315-334, ald. 320.
(12) B. Dijksterhuis, Bijdragen tot de geschiedenis der heerlijkheid Tilburg en Goirle (Tilburg,1899), 75.
(13) J.H. van Mosselveld, 'Twee merkwaardige tekeningen en hun historische achtergrond', in:
Van heidorp tot industriestad, 115-119, ald. 118.
(14) GAT, R. 341, fol. 18v.; R. 392, fol. 7 (15 april 1595).
(15) Van Mosselveld, 'Twee merkwaardige tekeningen', 119.
(16) P.C. Boeren, Het hart van Brabant. Schets eener economische geschiedenis van Tilburg (Tilburg, 1942), 22.
(17) E.H. Korvezee, 'Belastingen in Noord-Brabant vóór 1648', Varia Historica
Brabantica, IV ('s-Hertogenbosch, 1975), 97-163, ald. 127-163. Zie ook Kappelhof,
Belastingheffing in de Meierij, 128-133.
(18) Eindhoven wisselde zeer vaak van bezetting: zie Beermann, Stad en Meierij, 1. Voor Helmond zie H.Th.M. Roosenboom, 'Economische
heroriëntatie in Helmond na de Opstand', Bijdragen tot de Geschiedenis, 73 (1990), 179-186, ald. 180.
(19) Zie Beermann, Stad en Meierij, 112.
(20) C. Cau e.a., (uitg.), Groot Placaetboeck, I ('s-Gravenhage, 1658), kol. 2415 (5 april 1603).
(21) T.a.p., kol. 2388 (13 oktober 1609).
(22) Groot Placaetboeck, I, kol. 1174.
(23) Deze steden werden in 1635 aangewezen (Groot Placaetboeck, I, kol. 1174-1175).
(24) Afgedrukt bij Dijksterhuis, Bijdragen, 225-226.
(25) Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie, II ('s-Gravenhage, 1939), 379-382.
(26) Zoals blijkt uit een apostillaire beschikking van de Raad van State van 5 april 1634 op een Tilburgs rekest, waarin verwezen wordt naar een vonnis van de Raad van 21 augustus 1626 (GAT, Oud administratief archief [O.a.a.], 108bis), en uit een resolutie van de Raad van 2 juni 1634 (Algemeen Rijksarchief [ARA] 's-Gravenhage, Raad van State, 51).
(27) Een afschrift is aanwezig in GAT, O.a.a., 108bis.
(28) Beermann, Stad en Meierij, 1-104.
(29) GAT, O.a.a. 426 (1631)-443 (1648).
(30) Men zie vooralsnog Boeren, Het hart van Brabant, 28-32.
(31) GAT, O.a.a. 108bis (apostillaire beschikking van 5 april 1634).
(32) ARA 's-Gravenhage, Staten-Generaal, 3194; Groot Placaetboeck, I, kol. 1174-1175.
(33) Deze waren echter niet te traceren. De afbeelding is naar een
exemplaar uit het Gemeentearchief Leiden.
(34) GAT, R. 619 (15 januari 1637), 52v. Ook op de rug van diverse rekesten uit 1638 (ARA 's-Gravenhage, Staten-Generaal, 12548-222).
(35) GAT, O.a.a. 108bis. Het stuk is afgedrukt bij Posthumus, Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie, II, 1211.
(36) Gemeentelijke Archiefdienst Leiden, Secretariearchief na 1574, 2388.
(37) Zie Boeren, 'De Tilburgse wolnijverheid', 132-133; en De Bruijn, 'De opkomst en de oriëntatie', 170-173.
(38) GAT, O.a.a., 379.
(39) Boeren, Het hart van Brabant, 31.
(40) Posthumus, Geschiedenis der Leidsche lakenindustrie, II, 433.
(41) A. Anselmo e.a. (uitg.), Placcaeten van Brabant, IV (Brussel, 1677), 109-111.
(42) GAT, O.a.a., 446, ongef., hoofdstuk Specificaties, en in de narekening. Dergelijke posten ook in de narekening van 1652 (GAT, O.a.a., 447) en in de volgende rekeningen.
(43) GAT, Notarieel archief [Not.], 13-2, fol. 499-499v.
(44) GAT, Not. 18, nr. 56 (7 november 1656).
(45) Zie b.v. GAT, O.a.a., 109. In deze rekening, afgehoord op 3 januari 1657, werden uitgaven verantwoord die tussen 1650 en 1655 waren gedaan. De totale uitgaven bedroegen 591 gulden en 7½ stuiver. Verder GAT, O.a.a., 111 (1660-1661 en 1668-1669) en 113 (1674).
(46) GAT, O.a.a., 34-4 (18 september 1660 en 6 november 1660) en 34-6 (30 september 1660).
(47) Placcaeten van Brabant, IV, 113-116.
(48) T.a.p., 116-118.
(49) T.a.p., 359.
(50) Voor de invoer van wol zie b.v. GAT, Not. 15, fol. 238-238v. (12 juli 1667) en Not. 25, fol. 111 (2 maart 1667); voor de uitvoer van lakens: GAT, R. 615 (6 april 1673) en 616 (28 oktober 1679 en 27 maart 1680).
(51) GAT, O.a.a., 111.
(52) GAT, O.a.a. 110bis.
(53) GAT, O.a.a., 426 e.v., passim.
(54) Zie Boeren, Het hart van Brabant, 37.
(55) Zie De Bruijn, De opkomst en de oriëntatie', 168-170.
(56) Zie P.M.M. Klep, 'Het Brabantse stedensysteem en de Scheiding der Nederlanden',
Bijdragen tot de Geschiedenis, 73 (1990), 101-129, ald. 102, tabel 1.










