Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tilburgse Historische Reeks 1
Noordbrabantse aanwezigheid in het voortgezet onderwijs te Turnhout
 

Titel:   

Noordbrabantse aanwezigheid in het voortgezet onderwijs te Turnhout

Ondertitel:   

Auteur:   

drs. Guido Landuyt

THR 

Geworteld in Taxandria.
Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout

Nummer:   

1 (1992) Tilburgse Historische Reeks

Pagina’ s:   

183-198



Wie in het noorden van België belast is met het beheer van een middelbare school, wordt meer en meer geconfronteerd met de aanvragen van Nederlandse ouders om hun kinderen in hun instelling te laten studeren. Kan men nog niet spreken van een overrompeling, dan is de Nederlandse aanwezigheid in enkele scholen van het Technisch Secundair onderwijs in de grensstreek een belangrijke gegevenheid.(1) 
De vraag kan gesteld worden of dit een actueel verschijnsel is, of dat dit ook reeds een constante was in het verleden. Het toeval wil dat in het stadsarchief te Turnhout een lijst bewaard is van de leerlingen van het Turnhoutse Sint-Jozefcollege in de 19de eeuw, (2) zodat de mogelijkheid van de Noordbrabantse aanwezigheid makkelijk kan nagegaan worden. Aan de hand van enkele bewaarde palmaressen kan voor een aantal leerlingen een studieloopbaan uitgetekend worden. Op basis van enkele steekproeven wordt deze aanwezigheid ook uitgebreid naar de andere Turnhoutse instellingen voor middelbaar onderwijs, in casu het Heilig-Grafinstituut, de Rijksschool en het Instituut van Pieter De Nef, voorloper van het Sint-Jozefcollege.

Deze soms belangrijke aanwezigheid vindt haar voorlopers in de vele Latijnse scholen in de Kempen gedurende het Ancien Régime. Ook hiervan kunnen getuigenissen worden aangehaald.
Ook zal even worden ingegaan op de Tilburgers die te Turnhout school liepen, alhoewel dit voorlopig moet beperkt blijven tot een opsomming. Ten slotte blijft de vraag of er ook een dergelijke aanwezigheid was van Kempenaars in Noord-Brabant. Het zou interessant zijn indien collegae uit het Noorden dit zouden onderzoeken.


Het Ancien Régime

Onder de regering van de Aartshertogen Albrecht en Isabella werden vele Latijnse scholen opgericht of kwamen ze weer tot bloei.(3) Onder de opkomende invloed van het Romeinse recht en het humanisme werden deze een exclusieve opleiding voor jongens.(4) De Latijnse scholen waren uitsluitend gericht op de taalfunctie, op de eloquentia, de taalvaardigheid in lezen en schrijven. Men vergete niet dat de universiteiten een exclusieve Latijnse aangelegenheid waren. Deze taalvaardigheid was echter vernauwd tot de perfecte kennis van de klassieke talen en de daarin neergelegde ideeën. Het programma van de Latijnse scholen was doorheen de middeleeuwen beperkt tot de trivium van de zeven vrije kunsten, terwijl het quadrivium het prerogatief van de universiteiten was geworden. (5)De gemeentebesturen zagen in een bloeiende Latijnse school een dubbel voordeel: het bood de kinderen van de eigen ingezetenen de toegang tot de universiteit en daarnaast zou de aanwezigheid van vele vreemde leerlingen een welkome bron van inkomsten betekenen. Wanneer in het begin van de 17de eeuw de gedachte aan een Turnhoutse Latijnse school actueel werd, bestonden er reeds enkele bloeiende Latijnse scholen in de omgeving: te Herentals, mogelijk van in de 14de eeuw,(6) te Geel in het begin van de 15de eeuw(7) en te Hoogstraten, mogelijk vanaf 1422.(8) 

In de 15de en de 16de eeuw was de aanwezigheid van leerlingen uit wat nu Nederland is een logische zaak, immers de landstreken aan beide zijden van de huidige grens behoorden tot hetzelfde hertogdom Brabant. Na de scheiding bleef deze aanwezigheid van Noordbrabanders bestaan, werd mogelijk zelfs versterkt. Zo telde de Latijnse school in Turnhout meer dan 150 leerlingen waarvan het merendeel afkomstig was uit de Noordelijke gewesten.(9) In 1639 meldden de schepenen van de stad dat na de inname van Breda en 's-Hertogenbosch er heel wat leerlingen uit de Meierij van 's-Hertogenbosch en de Baronie van Breda in de stad waren komen wonen, en werden er zelfs leerlingen gemeld uit Friesland en Holland, die bij gebrek aan een gewapend escorte niet dierven komen.(10) 



Palmares (schoolresultaat) van 31 augustus 1791 van de Latijnse school van Turnhout. 
Ongeveer de helft van de leerlingen was afkomstig uit de Noordelijke Nederlanden, 
waaronder drie uit Tilburg.  Coll. Stadsarchief Turnhout.

Van de Turnhoutse Latijnse school is een palmares bewaard van 31 augustus 1791. Van de 62 vermelde leerlingen zijn er 32 afkomstig uit Noord-Brabant, waaronder drie Tilburgers, tegenover 30 uit de Zuidelijke Nederlanden, voor de helft Turnhouters.(11) 
Deze Nederlandse aanwezigheid zou aanhouden tot de afschaffing van de school door de Franse overheid in 1796 of 1797. Op 22 nivôse, jaar III van de Republikeinse Kalender (11 januari 1796) vroeg de Antwerpse stedelijke overheid nog om inlichtingen in verband met de Turnhoutse Latijnse school. Het Turnhoutse bestuur antwoordde dat er Quatre vingt Etudiants waren qui démeurent chez les bourgeois et la plupart sont des Hollandais, quelques uns d'ici et les autres de l'intérieur du pays.(12)

De aanwezigheid van Nederlandse leerlingen leidde soms tot geschillen tussen de verschillende Latijnse scholen van de Kempen. Zo was dit bijvoorbeeld het geval met de Latijnse school van Herentals betreffende Pieter Oosterbaan uit Leiden die in 1779 betrapt werd bij herbergbezoek in de stad. Deze trok vervolgens naar Herentals om zich daar aan te bieden in de Latijnse school van de Augustijnen aldaar. Zijn opname in de Herentalse instelling werd door de Turnhoutse rectoren betwist.(13) 
De aanwezigheid van Nederlanders was niet beperkt tot de Turnhoutse Latijnse school. Ook tussen de leerlingen van de Hoogstraatse Latijnse school treft men er velen aan, zowel op de bewaard gebleven leerlingenlijsten als in de programma's van de gespeelde toneelstukken.(14) 

De leerlingen verbleven bij burgers in de stad. Meer dan eens vinden we vermeldingen van studenten die in het kosthuis gestorven waren. De kanunniken van Korsendonk, die de Latijnse school bestuurden van 1645 tot 1761, bouwden in de Begijnenstraat tussen 1645 en 1648 een convict en een kosthuis voor vreemde leerlingen, met kamertjes, refter, warmkamer en kapel. Ook geestelijken hadden een kosthuis.(15) 
Mogelijk dient de talrijke aanwezigheid van deze Nederlandse leerlingen gezocht in de lokroep van de katholieke universiteit van Leuven. Voor de Nederlandse katholieken leek dit waarschijnlijk een veiliger weg. Dit blijkt uit het aantal primussen te Leuven. Van de zes primussen die de Latijnse school van Turnhout leverde, kwamen er vier uit Noord-Brabant: Antonius Simons uit Breda in 1771, Adrianus Oomen uit Teteringen, Antonius Van Gils uit Tilburg en Arnoldus Van Heumen uit Oirschot.(16) Het belang hierbij van Turnhout voor de Noordbrabantse regio in vergelijking met de andere Kempense Latijnse scholen blijkt wel uit het feit dat tussen de vijftien primussen van de Latijnse school van Geel slechts twee Noordnederlanders fungeren, en dan nog uit Nederlands Limburg en Amsterdam.(17) 



Antonius van Gils was in 1779 'primus' op de Latrijnse school te Turnhout.
Coll. Stadsarchief Turnhout.

Mogelijk speelde ook mee dat het voortgezet onderwijs in de Noorderkempen een iets betere kwaliteit en uitstraling bezat dan de Latijnse scholen van Noord-Brabant.(18) Het was trouwens zo dat zeker naar het einde van het Ancien Régime in het Zuiden met zijn opkomende burgerij een grotere belangstelling was voor het middelbaar onderwijs dan in het Noorden, belangstelling die ook in de 19de eeuw zich niet wijzigde.(19) 
Niet alleen aan de jongens uit Noord-Brabant ook aan de meisjes werd onderwijs verstrekt. In 1662 vroegen de Sepulcrinessen van Hasselt aan de schout, schepenen en bestuurders van de stad en vrijheid van Turnhout om in de stad een school te mogen oprichten omdat er tot Hasselt ... syn comen woonen van diversche quartieren, aensienelycke ende treffelyke dochters; oyck van dese, en die quartieren van die baronie van Bredae en 'S Hertogenbosch, ende van andere aengrensende landen, van Hollant, die welcke hunne dochters thuys ontfangen, bedancken hun van de ontfanghen oeffeningen, dan syn diversche reysen clachtig gevallen, over de veerheyt des weeghs; ende afgelegentheyt des slants.(20) Datzelfde jaar werd met onderwijs gestart door vier koorzusters en twee lekenzusters. In 1693 werd het 'Huis Metten Toren' betrokken. Dat ook hier verschillende Nederlandse kostleerlingen waren, wordt bevestigd door de gebeurtenissen tijdens de Brabantse Omwenteling in 1789, wanneer men de wijk neemt naar bevriende families in Nederland.(21) 
Ook op het Begijnhof waren er kostscholen voor jonge meisjes waar Frans onderwezen werd. Of ook daar Noordbrabantse leerlingen aanwezig waren, is onbekend maar mag niet worden uitgesloten.(22) 


De negentiende eeuw

Onder de Franse overheersing zouden de instellingen van middelbaar onderwijs gesloten worden. In 1796 of 1797 sloot de Latijnse school haar deuren, in 1797 de scholen op het Begijnhof en in 1798 het Heilig-Graf. Deze sluiting was slechts tijdelijk; onder Napoleon, in 1806, heropenden de Latijnse school en de school van het Heilig-Graf. De Latijnse school was echter vleugellam en zou in 1831 definitief ophouden te bestaan. Haar taak werd overgenomen door het instituut van Pieter De Nef die het stadscollege overnam. Pieter De Nef, tijkkoopman en wijnhandelaar, was in 1807 begonnen les te geven in Latijn. In 1817 vormde hij zijn kosthuis(23) om tot een Latijnse school. Ondanks de moeilijkheden die ontstonden na de decreten van 1825 in verband met het voortgezet onderwijs, wist hij zijn instelling staande te houden, mede omdat hij zijn oudste leerlingen de lessen liet volgen in de stedelijke instelling. Daarnaast kon hij rekenen op de steun van het gemeentebestuur en van de kerkelijke overheid.(24) 

Vraag is of na hun heroprichting in 1806 de scholen hun aantrekkingskracht op het Noorden behielden. De instellingen in het Zuiden konden enkele pluspunten voorleggen. Zoals reeds boven gezegd, was de belangstelling in het Zuiden eer op het voortgezet onderwijs, in het Noorden op het basisonderwijs gericht.(25) Verder waren er in het Zuiden door Jozef II een aantal pogingen ondernomen om de Latijnse scholen te moderniseren, terwijl in het Noorden men kon zeggen dat er in Latijnse scholen niets veranderd is sinds Alva.(26) Alhoewel de hervormingen in het Zuiden mislukten, waren er toch heel wat nieuwe handboeken, methodes en ideeën gecreëerd, waarvan men kon profiteren.(27) Daarnaast behoorden de reeds hoger genoemde Antoon Van Gils, president van het seminarie van 's-Hertogenbosch, en Antoon Van Dijck, professor aan het seminarie van Breda, tot de vriendenkring van Pieter De Nef. Beiden waren oud-leerling van de Latijnse school van Turnhout(28) en men kan dus aannemen dat zij het Turnhoutse onderwijs propageerden. 

In de studies, die een onderzoek instellen naar de missionering van Noord-Amerika, worden verschillende Noordbrabanders vernoemd die aan het instituut van De Nef studeerden.(29) Tijdens de hereniging van de Nederlanden kwam een kwart van de leerlingen uit Noord-Brabant in 1832 nog vijftien van de 83.(30) De volkstelling van 1836 meldt twaalf adressen met kostleerlingen. Daar verbleven 36 Belgische en 10 Nederlandse leerlingen; onder de laatsten: zeven Noordbrabanders.(31) 
Niet alleen waren de Noordbrabanders belangrijk voor de omvang van de schoolbevolking van Turnhout, ook andersom was Turnhout belangrijk voor de vorming van de priesters in Noord-Brabant. Zo intervenieerde De Nef voor 55 zendelingen voor de jezuïetenmissie in Noord-Amerika. Onder hen waren 15 oud-leerling van zijn school te Turnhout.(32) 
Ook in de kostschool van de sepulcrinessen in de Patersstraat verbleven in 1836 Nederlandse leerlingen. Van de zestien 'kostjuffers' waren er drie afkomstig uit Noord-Brabant en telkens één uit Utrecht en Amsterdam.(33) 

Het was de bedoeling van Pieter De Nef zijn college over te dragen aan de paters jezuïeten. Na zijn overlijden in 1844 zou zijn dochter zijn droom kunnen realiseren. In 1846 werd het beheer van de school onder het beheer van de congregatie gebracht.(34) De school telde in het schooljaar 1845-'46 117 leerlingen waaronder elf Noordbrabanders.(35) Die eerste jaren werd er gebouwd en verbouwd, zodat een school met een internaat ontstond. Het internaat werd gebouwd voor 80 internen, maar in 1880 waren er reeds 250.(36) Het leerlingenaantal steeg dank zij de toename van de internen. Ca. 1863 bereikte men de 200 leerlingen en na de oprichting van de Apostolische school in 1872 de 300 leerlingen.(37) 

Tabel 1: Enkele gegevens betreffende de aanwezigheid van Noordbrabanders in het Sint-Jozefcollege 

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12
45-46 117 11 9,40 2 1,70 11 9,40 14 11,96 14 11,96
46-50 121 15 12,39 7 5,78 16 13,22 19 15,70 13 10,74
50-55 178 17 9,55 4 2,27 26 14,60 28 15,73 24 13,48
55-60 213 10 4,69 6 2,81 45 21,12 47 22,06 36 16,90
60-65 269 13 4,83 4 1,48 66 24,53 68 25,27 32 11,89
65-70 337 26 7,71 1 0,29 74 21,95 88 26,11 45 13,35
70-75 429 36 9,39 9 2,09 63 14,68 76 17,71 53 12,39
75-80 543 28 5,15 15 2,76 103 18,96 125 23,02 75 13,81
80-85 602 23 3,82 18 2,99 132 21,92 162 26,91 96 15,94
85-90 703 31 4,40 14 1,99 142 20,19 160 22,75 70 9,95
90-95 688 26 3,92 16 2,18 129 18,75 144 20,93 86 12,50
95-99 539 16 2,96 10 2,96 107 19,85 121 22,44 77 14,28

1. Periode
2. Totaal aantal leerlingen of ingeschrevenen waarvan de woonplaats bekend is
3. Leerlingen uit Noord-Brabant
4. Procentueel aandeel van de leerlingen uit Noord-Brabant
5. Leerlingen uit de rest van Nederland
6. Procentueel aandeel van de leerlingen uit de rest van Nederland
7. Leerlingen uit de arrondissementen Antwerpen en Mechelen
8. Procentueel aandeel van de leerlingen uit de arrondissementen Antwerpen en Mechelen
9. Leerlingen uit de arrondissementen Antwerpen en Mechelen en uit Belgisch Limburg
10. Procentueel aandeel van de leerlingen uit arrondissementen Antwerpen en Mechelen en uit Belgisch Limburg
11. Leerlingen uit de arrondissementen Antwerpen en Mechelen en uit Belgisch Limburg zonder de leerlingen uit de stad Antwerpen
12. Procentueel aandeel van de leerlingen uit de arrondissementen Antwerpen en Mechelen en uit Belgisch Limburg zonder de leerlingen uit de stad Antwerpen
---------------------------------------------------------------------------------------------

Was de doorstroming van Noord-Brabant naar het Zuiden tot 1830 een gewone zaak, na de scheiding van de Nederlanden in 1830 zou Brabant meer en meer noordwaarts gericht worden.(38) Tot een vermindering van het aantal Noordbrabantse leerlingen leidde dit aanvankelijk niet (zie tabel I). Hun aantal is te vergelijken met het aantal leerlingen afkomstig uit de Belgische arrondissementen die aan het Turnhoutse grenzen. De relatieve vermindering is eer te wijten aan de toename van het aantal internen uit verder afgelegen gebieden in België en uit het buitenland. Vanaf het begin is het aantal Antwerpenaars uit de stad belangrijk voor de leerlingen uit het gelijknamige arrondissement, vanaf ca. 1860 gaat dit over grote groepen die inschrijven. Vanaf 1872 is er ook een sterke toename van leerlingen uit de andere provincies van België en uit het buitenland. Of dit iets te maken heeft met de oprichting van de Apostolische School is niet na te gaan, voor de buitenlandse leerlingen is dit waarschijnlijk, voor de Belgen niet. Na 1880 neemt het aandeel van de Noordbrabanders in de schoolpopulatie af tot onder de 5%.


Wat de herkomst van de Noordbrabantse leerlingen betreft, kan men stellen dat deze uit de hele regio komen (zie kaarten 1 tot 3 hierboven). Zoals te verwachten, kan men, wanneer men deze in kaart brengt, de grotere plaatsen merken door een grotere concentratie van jongens die naar Turnhout komen. Tilburg en 's-Hertogenbosch schijnen pas belangrijk te worden op het einde van de eeuw.
Door vergelijking van de bewaarde palmaressen met het inschrijvingsboek van het Sint-Jozefcollege kan men ook ongeveer de leeftijd bepalen of beter de klas waarin de Nederlandse leerlingen, en dan nog alleen van hen die vermeld werden(39), hun schoolloopbaan te Turnhout begonnen. Doorheen de 19de eeuw schijnen de jongelingen steeds op jongere leeftijd naar Turnhout te komen. In 1836 waren de Nederlandse leerlingen tussen 13 en 22 jaar, waarvan de helft 16 jaar of ouder.(40) De eerste jaren van het Sint-Jozefcollege begonnen de leerlingen hun studieloopbaan in het eerste (6de), tweede (5de) of derde jaar (4de) van de humaniora.(41) De meeste leerlingen die in 1867-'68 school liepen waren hun studies begonnen in het eerste jaar, terwijl op het einde van de eeuw de meeste Nederlanders begonnen in de section préparatoire (zie tabel II).

Tabel II: Klas waarin de Nederlanders ingeschreven werden op het Sint-Jozefcollege

Klas 1845-1850 1867-1868 1889-1899
Retorica 4 - -
2de 1 - -
3de 1 1 -
4de 8 1 1
5de 4 3 1
6de 7 6 6
1ste prép. - 1 7
2de prép. - - 9
3de prép. - - 9


Kan men met een grote graad van waarschijnlijkheid op basis van de palmaressen het startleerjaar van een leerling bepalen, voor het jaar waarin hij de school verliet is dit veel moeilijker. Het volstond dat een leerling enkele jaren matig of minder presteerde om hem uit de lijsten van de prix en de accessits, en dus ook uit de palmares, te laten verdwijnen. In de eerste periode treft men vijf Nederlanders aan die de retorica voleinden, van vijf vindt men een laatste spoor in de poësis en van nog twee in de derde. Dit kan erop wijzen dat velen de school reeds verlieten na twee of drie studiejaren. Van de 33 Nederlanders die op het einde van de eeuw op het college studeerden, zijn er maar tien gedurende vier of meer jaar vermeld in de palmares, en nog eens drie jaar. Het is duidelijk dat vele Noordbrabanders slechts enkele jaren op het college studeerden; slechts weinigen doorliepen een volledige schoolloopbaan, slechts vier voor de periode 1889-'99. Soms verlieten zeer goede leerlingen voortijdig het college. Zo was er een Pierre Willekens uit Reusel die in de laagste klas begonnen was in 1892, verschillende jaren achter zijn naam de vermelding kreeg: qui a remporté tous les prix de la classe, en na het voltooien van de poësis het college verliet in 1899.



De Apostolische school te Turnhout. Coll. Stadsarchief Turnhout.

Een afzonderlijk probleem vormen de leerlingen van de Apostolische school die de lessen volgden op het college. Vermits men van deze toekomstige missionarissen volstrekte nederigheid verlangde,hulde men hen in anonimiteit, en werden ze niet vermeld in de palmares. In de Compte rendu(42), die vanaf het ontstaan jaarlijks werd uitgegeven, staan hier en daar gegevens over de aanwezigheid van Nederlanders. In 1874 waren er vier Nederlanders op 51 apostolieken,(43) in 1888 zeven op 65.(44) Ook wordt de Nederlandse aanwezigheid vermeld in 1881 en 1883.(45) Over de schoolloopbanen van apostolieken vindt men enkele gegevens in de in-memoriams van enkele overleden leerlingen. Zij waren drie, vier en vijf jaar leerling van het college.(46) 

Ook in Tilburg was er een apostolische school, waarmee men goede contacten onderhield en die geleid werd door de paters van Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig-Hart. Men wees erop dat deze school een zelfstandige school was, die onafhankelijk fungeerde van deze van Turnhout.(47) 
Niet alleen in de instelling van de jezuïeten, ook in de rijksmiddelbareschool, opgericht in 1851(48), waren Noordbrabanders leerling. In de wedstrijd georganiseerd tussen de rijksscholen in 1864 waren twee van de geplaatste leerlingen Noordbrabanders.(49) Hoe belangrijk deze Noordbrabantse aanwezigheid in de 19de eeuw was, is voorlopig onbekend.
Over de Noordbrabantse kostschoolmeisjes te Turnhout is voorlopig weinig onderzocht en bekend. Van de pensionnaires op het Heilig-Graf in 1836 was de jongste 12, de oudste 17 jaar oud.(50) 


Lijst van de bekende Tilburgse leerlingen in de Turnhoutse instellingen

In de Latijnse school
1. Johannes van Dijck (1641)
2. Antonius Van Gils
3. Christiaan Janssens (1791)
4. Norbert Jozef Van Liemdt (1791)
5. Corneel Van Tulder (1791)

In de instelling van De Nef
6. Christiaan Hoecken
7. Adriaan Hoecken

In het Sint-Jozefcollege (51)
8. Willem Baarken (1845-1846)
9. Frans Teurlings (1845-1846)
10. Albert Van Gils (1845-1849)
11. Jozef Donders (1860-1861)
12. Alfons Mutsaers (1873-1874)
13. Lambert Mutsaers (1873-1874)
14. Bernard Ooms (1873-1875)
15. Adriaan Torremans (1879-1880)
16. Henri Van Dooren (1879-1880)
17. Everard Herculeyns (1880-1881)
18. Jan Marinus (1880-1881)
19. Piet Mommers (1885-1886)
20. August Van Helvoort (1888-1890)
21. Albert Duzée (1890-1892)
22. Jan Duzée (1891-1892)
23. Lucien Gimbrère (1891-1892)
24. Piet Scheefhals (1891-1892)
25. Gerard Barben (1892-1893)
26. Norbert Klep (1894-1895)
27. Piet Dudar (1896-1897)



Het Sint Jozefcollege te Turnhout begin deze eeuw.
Coll. Stadsarchief Turnhout.


Besluit 

De betekenis van de Latijnse school van Turnhout voor de vorming van de mannelijke jeugd van Noord-Brabant in de eloquentia is aanzienlijk. Vaak maakten zij meer dan de helft van het leerlingenaantal uit. Dit zou zo blijven tot het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk. De leerlingen verbleven in kosthuizen gehouden door burgers of door de paters van Korsendonk, en dit zou zo blijven tot de oprichting van een internaat in het midden van de 19de eeuw en van een Apostolische school in 1872 door de paters jezuïeten, waar de kostleerlingen, vanaf dan internen, een onderkomen vonden. Alhoewel de Noordbrabantse kolonie aanzienlijk was, werd ze na het midden van de 19de eeuw van minder substantieel belang voor de Turnhoutse schoolbevolking in het voortgezet onderwijs. Turnhout was voor Tilburg vooral belangrijk gedurende het Ancien Régime en op het einde van de 19de eeuw. In de 20ste eeuw is het aantal Noordbrabanders beperkt gebleven.(52) 

Turnhout oefende in de 19de eeuw een grotere aantrekkingskracht uit op Noord-Brabant dan de andere onderwijsinstellingen in de Kempen. Zo treft men op het Klein- Seminarie van Hoogstraten, in het verleden nochtans een belangrijk centrum, minder Noord-Brabanders aan.(53) 
Wat de aanwezigheid van de meisjes betreft, kunnen voorlopig weinig conclusies getrokken worden, alhoewel men ook hier kan vermoeden dat de Turnhoutse aantrekkingskracht aanzienlijk was.

Noten

(1) Men denke aan het Vrij Technisch Instituut Spijker (hotelschool) te Hoogstraten.
(2) Le Collège St-Joseph à Turnhout, 1845-1899, SAT, X5763.
(3) In de Antwerpse Kempen: Arendonk, Brecht, Dessel, Geel, Herentals, Hoogstraten, Hulshout, Kasterlee, Mol, Retie, Turnhout, Westerlo. 'Humanisme en Latijnse scholen in de Kempen', Oudheid en Kunst, (1924), 22.
(4) R. Pernoud, Afrekenen met de Middeleeuwen, (Beveren, Nijmegen, 1981), passim.
(5) Over het trivium en quadrivium zie: H.F.M. Peeters, Kind en jeugdige in het begin van de moderne tijd, ca 1500 - ca 1650, (Meppel, 1975), 145-147.(
(6)
'Humanisme en Latijnse scholen in de Kempen', A. w., 28.
(7) J. Cools, Geschiedenis van het college te Herentals, (Herentals, 1984), 38. J. Van Brabant, 'Tucht en wet in de oude Latijnse school van Geel', Miscellanea Gessleriana, (1948), 215. P. Jans, 'Geschiedenis van het onderwijs', in Geel van Gisteren tot morgen, (Geel), 67.
(8) H. Peeters, 'Latijnse school en Onderwijs vóór 1835', G. Landuyt, red. 150 jaar Klein Seminarie te Hoogstraten, (Hoogstraten, 1985), 22. E. Adriaensen, De Latijnsche School te Hoogstraten, Oudheid en Kunst, (1923), 33.
(9) L. Ceijssens, Het onderwijs te Turnhout vóór 1830, (Turnhout, 1934), 78.
(10) L. Ceijssens, 'Aangaande het Onderwijs te Turnhout', Taxandria, (1933, NR. V), 25. L. Ceijssens, A. w., 78.
(11) H. de Kok, 'Een palmares van de Turnhoutse Latijnse school uit 1791', Vlaamse Stam, (1986, XXII), 134. H de Kok en E. van Autenboer red. Turnhout, groei van een stad, (Turnhout, 1983), 393.
(12) Verslag over het bestuur en den toestand der zaken van de stad Turnhout, (Turnhout, 1905), 99-100.
(13) J. Cools, A. w., 74. J. Cools, 'De droeve geschiedenis van Piet Oosterbaan', En Toch, (1983, XXXVII 1), 2-4.
(14) E. Adriaensen, A. w., 34-35 en 40-43. P.B. De Meyer, 'Geschiedenis van het voormalig Klooster en de Latijnse School der Minderbroeders te Hoogstraten, (1690-1797)', HOK, Jaarboek van Koninklijke Hoogstraten's Oudheidkundige Kring, (1955, XXIII), 91-96.
(15) G. Landuyt, 'Het onderwijs te Turnhout in het Ancien Régime', in H. de Kok en E. Van Autenboer red., Turnhout, groei van een stad, (Turnhout, 1983), 391. H. de Kok, Gids voor Turnhout en omgeving, dl 1, (Amsterdam, Antwerpen, 1980), 45. E. van Autenboer, 'Het studentenkosthuis van Herman Bobaerts (+ 1641) te Turnhout', Gens Brabantica, (1988, XVIII) 82-86.
(16) T.I. Welvaarts, Geschiedenis van Corsendonck, deel 2, (Turnhout, 1881), 87 en 287. L. Ceijssens, A. w., 81. H. de Kok, A. w., 134.
(17) P. Jans, 'De Latijnse Scholen in de Zuiderkempen in de 18de-eeuwse 'Gazette van Antwerpen', Jaarboek van de Vrijheid en het Land van Geel, (1983, XX), 213-254. Het artikel vermeldt geen primussen voor de Latijnse scholen van Herentals, Mol en Westerlo en één Zuidnederlandse primus voor Meerhout.
(18) H. de Kok, A. w., 136. Latijnse scholen waren er te Bergen-op-Zoom, Breda, Boxmeer, Eindhoven, Gemert, Grave, Helmond, Megen, Oosterhout, Ravenstein, 's-Hertogenbosch, Uden. A.G.N., dl. 11, (Weesp, 1983), 45.
(19) E.H. Kossmann, De Lage Landen, 1780-1940, (Amsterdam, Brussel, 1976), 81-82.
(20) Verslag over het bestuur en den toestand der zaken van de stad Turnhout, (Turnhout, 1862), 64.
(21) M. Hereswitha, De Heilig-Grafpriorij te Turnhout, 1662-1962, (Antwerpen, 1962), 13 en 41. G. Landuyt, A. w., 392.
(22) G. Landuyt, A. w., 392.
(23) Bij De Nef verbleven 7 à 8 kostleerlingen. SAT, Volkstelling 1821, 3de wijk 31 en Volkstelling 1836, 3de wijk 35. In 1821 is de herkomst van de leerlingen niet weergegeven, in 1836 waren er geen Nederlanders. Latere volkstellingen nemen de kostleerlingen niet meer op.
(24) G. Landuyt, A. w., 398-400. K. Schoeters, P.-J. De Nef, 1774-1844, (Leuven, 1948), passim.
(25) E.H. Kossmann, A. w., 82.
(26) H.C. De Wolf, 'Onderwijs en opvoeding in de Noordelijke Nederlanden, 1795-1813', AGN, dl 11, (Weesp, 1983), 44.
(27) H. Peeters, A. w., 26-27. In de oude bibliotheek van het Klein seminarie van Hoogstraten bevinden zich een tiental boeken uitgegeven onder invloed van de hervormingen van Jozef II. Deze bibliotheek ontstond uit giften van priesters die hun studieboeken (uit hun Latijnse-school-tijd) afstonden.
(28) K. Schoeters, A. w., 138.
(29) Schoeters vermeldt: twee seminaristen te Hoeven, Peter Haevermans uit Baarle-Nassau, Jan Blox uit Bergeijk, Pieter Aernoudt uit Moere. K. Schoeters A. w., 94, 145, 217 en 230. van Stekelenburg vermeldt: Joannes Blox uit Bergeijk, Arnold Damen uit Leur, Christiaan en Adrianus Hoecken uit Tilburg. H.A.V.M. van Stekelenburg, Landverhuizing als regionaal verschijnsel. Van Noord-Brabant naar Noord-Amerika, 1820-1880, (Tilburg, 1991), 53, 55 en 59.
(30) K. Schoeters, A. w., 238.
(31) SAT, Volkstelling 1836.
(32) H.A.V.M. van Stekelenburg, A. w., 55.
(33) SAT, Volkstelling 1836, 1ste wijk 194.
(34) G. Landuyt, A. w., 402. St.-Jozefcollege Turnhout, 1845-1950, (niet gepagineerde brochure), verder aangeduid als SJT.
(35) In SJT vermeldt men 128 leerlingen. In deze bijdrage werd gebruik gemaakt van de lijst vermeld in Le collège St-Joseph à Turnhout, 1845-1899. Voor de gegevens i.v.m. met de leerlingen wordt verder in het artikel gebruik gemaakt van de gegevens uit de lijst en de palmaressen bewaard in SAT, Doos Sint-Jozefcollege, palmaressen.
(36) SJT.
(37) Statistiek. G. Landuyt, A. w., 416.
(38) A.F. Manning en M. de Vroede red., Onze lage landen, de bewoners vanaf de ijstijd tot heden, (Weert, 1982), 194-196.
(39) In de palmares worden enkel de eersten vermeld, zowel in de uitmuntendheid als voor de onderscheidene vakken. Wanneer een leerling nergens in de kop van de klas presteerde, bestaat de kans dat men zijn naam in de palmares niet terugvindt.
(40) 14 jaar: 3 leerlingen en telkens één leerling van 13, 15, 16, 17, 18, 19 en 22 jaar. SAT, Volkstelling 1836.
(41) Mogelijk studeerden een aantal leerlingen reeds voordien in het instituut van De Nef. Voor de leerlingen van de retorica is dit waarschijnlijk.
(42) Het tijdschrift verscheen onder verschillende namen zowel in het Nederlands als in het Frans. Soms is de Nederlandse uitgave een vertaling van de Franse, soms ook niet. In 1874 bijv. heette het: L'école Apostolique en Belgique, Fondée et dirigée par les pères de la compagnie de Jésus. 2e compte rendu de l'école de Turnhout. Verder in dit artikel worden de artikeln aangeduid met respectievelijk CRT of VHT voor de Frans- of Nederlandstalige uitgave.
(43) CRT, (1874), 52.
(44) VHT, (1888), 6.
(45) VHT, (1881), 3-4 en (1883), 33.
(46) VHT, (1883), 59. CRT, (1893), 28. VHT, (1891), 52.
(47) CRT, (1887), 20.
(48) D. Bergen, 'Het Rijksonderwijs' in H. de Kok en E. van Autenboer red., Turnhout groei van een stad, (Turnhot, 1835), 424-425.
(49) Verslag over het bestuur en den toestand der stad Turnhout, (Turnhout, 1864), 24.
(50) SAT, Volkstelling 1836.
(51) Tussen haakjes wordt de periode vermeld waarvoor aanduidingen werden gevonden.
(52) In de palmaressen na 1900 vindt men weinig Nederlanders terug.
(53) P.B. De Meyer, A. w., passim. H. Peeters, A. w., passim. J. Dufraing, 'De geografische herkomst van de leerlingen', in G. Landuyt red., 150 jaar Klein Seminarie te Hoogstraten, (Hoogstraten, 1985), 118. 
(54) Bij het totaal aantal leerlingen gaat het over de leerlingen waarvan de woonplaats bekend is. Voor 1845-'46: al de leerlingen, voor de andere jaren betreft het het aantal inschrijvingen.