![]() |
|||
![]() |
Een grens vraagt om smokkel | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Een grens vraagt om smokkel |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Paul Spapens |
|
THR |
Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout |
|
Nummer: |
1 (1992) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
43-65 |
In de loop der tijden zijn de rijksoverheden waarlijk geniaal gebleken in het bedenken van middelen om aan belastinggeld te komen. Zo liet men in Nederland van tijd tot tijd het begerig oog vallen op speelkaarten. In de jaren 1751-1753 was al sprake van een regionale speelkaartenbelasting in West-Friesland en Holland. Tijdens de Bataafse Republiek en onder Lodewijk Napoleon werd een landelijke heffing ingevoerd. Dat is hoogst waarschijnlijk ook de enige periode geweest waarin Belgische kaartliefhebbers werden aangeslagen.
De Fransen hadden goed en wel de hielen gelicht, of zowel in de Zuidelijke als in de Noordelijke Nederlanden werd in 1814 deze belasting afgeschaft. De Nederlanders maakten er op 1 mei 1920 weer kennis mee nadat de Speelkaartenwet van 1919 van kracht was geworden. Van de ene op de andere dag werd een spel met 32 kaarten of minder met een kwartje belast en een spel met meer dan 32 kaarten met twee kwartjes. Een aanpassing van de Speelkaartenwet volgde op 20 december 1924, toen er nog eens een kwartje invoerbelasting extra over een stok kaarten moest worden betaald. Het gevolg was dat in 1925 de prijs van een spel kaarten voor 87,2 procent uit belastingen bestond. In tegenstelling tot de Nederlanders zouden de Belgen na de Franse tijd nooit meer door een speelkaartenbelasting worden geplaagd. Het verschil in prijs werd dusdanig groot dat een smokkel van speelkaarten niet uit kon blijven. Deze smokkel concentreerde zich in het grensgebied tussen Turnhout en Tilburg, omdat in de 'hoofdstad van de Belgische Kempen' sinds 1826 een grote speelkaartenindustrie is gevestigd. Om de pakkans te verkleinen zoeken smokkelaars altijd de kortste weg over een grens en vandaar dat in de directe omgeving van de grensovergang Goirle-Poppel tussen 20 januari en 13 februari 1925 alleen al 3.451 kaartspellen door de douane in beslag werden genomen. Een veelvoud daarvan ontsnapte aan de lange arm van de douane. De smokkel was zo omvangrijk dat de geschatte belastingopbrengst van 200.000 gulden per jaar volkomen teniet werd gedaan. Op 1 april 1927 werd de speelkaartenbelasting dan ook afgeschaft.

Het maken van speelkaarten bij drukkerij A. van Genechten in Turnhout omstreeks 1930.
Coll. Nationaal Museum voor de Speelkaart Turnhout.
De speelkaartensmokkel en de smokkel van al die andere produkten die in de loop der tijd illegaal tussen België en Nederland (en omgekeerd) zijn getransporteerd, was nooit mogelijk geweest als tussen beide landen geen grens had gelegen. Het begrip smokkel veronderstelt namelijk het sluiks over de grens brengen van goederen (en soms ook personen) om er financieel voordeel bij te behalen. In die zin is de smokkelpraktijk zo oud als het staatsbegrip zelf. Ondanks alle Europese inspanningen, met Europa '92 als voorlopig hoogtepunt, zal de smokkel zo goed als zeker altijd blijven bestaan omdat de prijsverschillen en zeker de grenzen niet verdwijnen. Op 1 januari 1993 vervalt de controle aan de Europese binnengrenzen; de grens tussen België en Nederland blijft gewoon bestaan. De gietijzeren grenspalen en de arduinen hulpstenen behouden hun functie. Mocht het er ooit van komen dat deze historische symbolen van de Belgisch-Nederlandse scheiding als markeringen hebben afgedaan, dan mogen ze in ieder geval nooit verdwijnen, omdat ze een deel vertellen van de geschiedenis van de 450 kilometer lange grens tussen deze twee buurlanden.
Soorten grenzen
Er bestaan velerlei soorten grenzen: tussen waterschappen, provincies en gemeenten, tussen klimaatzones of tussen gebieden met verschillende religies en grenzen tussen staten die het grondgebied van een land afbakenen. Staatkundige grenzen zijn niet alleen aan de grenspalen af te lezen; ze lopen ook ondergronds, te weten verticaal ten opzichte van het aardoppervlak. De grens strekt zich in de zee uit tot een lijn waarvan elk punt is gelegen op een afstand van 12 internationale zeemijlen. De begrenzing in de lucht valt samen met de landsgrenzen. Wat de landsgrenzen betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen natuurlijke en kunstmatige grenzen. Tot de eerste categorie behoren moerassen, rivieren en beekjes zoals de Leij tussen Hilvarenbeek en Poppel en de Mark bij Baarle-Nassau en -Hertog. De langste natuurlijke grens tussen België en Nederland wordt gevormd door de Maas. Anders dan bij de onbeduidende onbevaarbare grensbeekjes was het vanwege de scheepvaart bij deze rivier van belang een regeling te treffen over de loop van de grens: het midden van de rivier is niet steeds de geul waar de schepen varen. In het internationale recht is daarvoor de term dalweg (van het Duitse
Thalweg) geïntroduceerd, de lijn tussen de punten waar, bij laag water, het peillood de grootste diepte aanwijst. In navolging van het traktaat van 1843 wordt door middel van deze meting iedere drie jaar de landsgrens in de Maas vastgesteld. De soevereiniteit van ieder oeverland loopt dus tot de dalweg: bij bruggen en bruggetjes over alle grenswateren ligt de grens exact in het midden van de brug. In het grensgebied tussen Turnhout en Tilburg komen grenswegen het meest voor: zowel verhard als onverhard worden ze op topografische kaarten vermeld. De belangrijkste voor deze regio is de weg van Tilburg, over Goirle, Poppel, Weelde en Ravels naar Turnhout. De 'straatweg' kwam in 1855 gereed. Datzelfde jaar werd de douanepost langs de oude handelsweg tussen Poppel en Hilvarenbeek verplaatst naar de huidige locatie Goirle-Poppel. Een grensovergang wordt altijd genoemd naar de plaats op wier grondgebied het gebouw van de douane is gelegen.
Grenspalen
Het grootste gedeelte van de grens tussen België en Nederland is een kunstmatige grens. Deze grenssoort heeft nooit de voorkeur van staatslieden en legeraanvoerders genoten, omdat ze moeilijk te verdedigen is en omdat de loop niet vastligt in het landschap. Dat laatste probleem werd ondervangen door de grens met palen te markeren. Na de Vrede van Munster werd het verloop van de grens tussen de Spaanse en de Noordelijke Nederlanden met houten palen aangegeven. In 1713 werd in Utrecht de vrede gesloten die een einde maakte aan de Spaanse Successieoorlog. Een van de bepalingen was dat Oostenrijk de Zuidelijke Nederlanden kreeg. De houten palen werden vervangen door stenen exemplaren in twee uitvoeringen. Op de grote palen stond aan een kant de tweekoppige Oostenrijkse adelaar met het opschrift Oostenrijk. Aan de andere zijde was de Nederlandse leeuw ingekapt en de benaming Haar
Hoog Mogende, als aanduiding van de Staten-Generaal. Op de kleinere palen stonden alleen twee opschriften. Het Oostenrijkse gebied werd aangeduid met
's KEY.E. CONIN Bodem, een afkorting van des keizers en konings
bodem. De Oostenrijkse keizer was ook koning van Hongarije. Aan de kant van de Republiek stond kortweg
STAET BODEM.

Grenspaal op de grens bij de Rovertse brug aan de weg
Hilvarenbeek - Poppel. Foto: Frans van Ameijde (coll. RHC Tilburg).
Op 19 april 1839 werd in Londen het scheidingstraktaat tussen België en Nederland getekend. De loop van de grens werd op 8 augustus 1843 bepaald bij de Conventie van Maastricht. Besloten werd 388 gietijzeren en 356 hardstenen grenspalen te plaatsen. De ijzeren palen met een gewicht van 372 kilo rusten in een gemetselde bakstenen fundering. Ze steken ongeveer 1.30 meter boven het fundament uit. Op de afgeronde punt is een knop van 17 centimeter geschroefd. Aan de Belgische zijde is het wapenschild van het land aangebracht; de Nederlandse leeuw aan de andere kant. De arduinen hulppalen hebben een hoogte van 75 centimeter; ze gaan nog eens 50 centimeter de grond in. Opschrift of jaartal ontbreekt. Bijna alle gietijzeren palen dragen het jaartal van de markering. Bij de plaatsing werd een doorlopende nummering gehanteerd. Een echt vast stramien in de plaatsing is er niet. Op de meeste knikpunten in de grens kwam wel een paal, maar niet op alle. Telkens als de landsgrens aan de grens van een gemeente raakte, werd in ieder geval een grenspaal geplaatst. Het precieze vastleggen van de plaats van de palen en hun hoge gewicht moesten onenigheid in de toekomst voorkomen. Ten overvloede werd in 1847 een reglement voor onderhoud en instandhouding van de grenspalen vastgesteld. Artikel I bepaalt:
De plaatselijke besturen der aangrenzende gemeenten zullen in de gemeente elk jaar de op de grens geplaatste palen doen nagaan, ten einde zich te verzekeren dat ze in goeden staat
zijn. Het 'schouwen' van de grenspalen wordt nog elk jaar getrouw uitgevoerd. Tussen de besturen van de Belgische gemeente Ravels en de Nederlandse aangrenzende gemeenten Hooge en Lage Mierde, Hilvarenbeek, Goirle, Alphen en Riel en Baarte-Nassau bestaat al jaren het gebruik er gezamenlijk op uit te trekken, en na afloop tijdens een etentje het glas te heffen. Deze bijeenkomsten hebben geleid tot goede contacten en daaruit voortspruitend de eerste vormen van grensoverschrijdende samenwerking.
De 'Paal van Baal'
Blijkens de grensovereenkomst van 1843 was het de bedoeling de gemeentegrenzen tussen Zuid en Noord tot rijksgrens te verheffen. Vanwege de enclave-situatie bleek het echter onmogelijk tussen de gemeenten Baarle-Nassau en Baarle-Hertog de grens
op eene doorloopende wijze daar te stellen. Tot 26 april 1974 bestond dus eennegende deel van de totale Belgisch-Nederlandse grens uit de gemeentegrens van Baarle-Nassau, die over een afstand van 50 kilometer liep tussen de grenspalen 214 en 215. Tussen beide punten zijn in 1844 geen grenspalen geplaatst, omdat er gewoon geen grens was. Pas op 27 februari 1967 werd een Belgisch-Nederlandse commissie ingesteld die daar verandering in moest brengen. Het duurde tot 22 december 1972 alvorens de opdracht dusdanig was omschreven dat ook rekening gehouden kon worden met de enclave-situatie. Een ploeg Nederlandse landmeters heeft 90 dagen in het terrein gewerkt. Een medewerker van het kadaster in Breda heeft 200 dagen getekend. In België werden dezelfde werkzaamheden verricht.
Op 26 april 1974 was het dan toch zover en kon de Gazet van Antwerpen schrijven:
Meer grenzen, betere buren. Juicht Belgen, juicht. Op 4 april 1976 kreeg de definitieve vaststelling van de rijksgrenzen tussen de grenspalen 214 en 215 een ludiek vervolg met de plaatsing van een van de merkwaardigste grenspalen. Deze paal staat in het plantsoentje voor de St.-Remegiuskerk van Baarle-Hertog, ongeveer op de plaats waar tot in de 18de eeuw een grenslinde heeft gestaan. De 'Paal van Baal', een officieuze en goed geslaagde replica van de officiële metalen grenskolommen, was een initiatief van de plaatselijke VVV, die op deze manier tot uitdrukking wilde brengen dat ook na de definitieve grensvaststelling de beide Baarles de meeste (enclave-)grenzen ter wereld tellen. In de door een Tilburgse ijzergieterij vervaardigde kopie staat 'Anno
1198' te lezen, ter herinnering aan het jaar waarin de grondslag voor de dubbele nationaliteit van de twee dorpen werd gelegd. De latere ontwikkeling is terug te vinden in de wapens van de twee koninkrijken van na 1830. En opdat het iedereen duidelijk is dat het hier gaat om een imitatie, is de paal genummerd met 214 en 215.
Hertogdom Brabant
Aan al deze perikelen is een lange voorgeschiedenis van de wording van de rijksgrens tussen België en Nederland voorafgegaan. Mede ten gevolge van feodale oorlogen ligt de oorsprong van deze grens in de middeleeuwen. Na de Tachtigjarige Oorlog kreeg ze ongeveer de vorm zoals we die nu kennen.
Het feodale stelsel was min of meer uit nood geboren. Grote gebieden, zoals dat van de Franken, waren moeilijk vanuit een centraal punt te besturen. Leenmannen voelden er steeds minder voor de hun toegewezen gebieden weer af te staan Ze kregen dynastieke aspiraties en voelden zich heer en meester. Op deze manier viel het eens zo machtige imperium van Karel de Grote uiteen in talloze graafschappen, hertogdommen, vrije steden en kerkelijke gebieden. Uit de groep van feodale heersers traden ambitieuze figuren naar voren zoals Godfried, graaf van Leuven. In de strijd om het keizerschap van het Duitse Rijk (1106) verwierf hij Antwerpen en een groot deel van het huidige Noord-Brabant. Zijn opvolgers wisten het gebied nog verder uit te breiden. Het hertogdom Brabant groeide uit tot een van de machtigste gewesten van de Nederlanden.
Begin vijftiende eeuw werd Brabant een Bourgondisch gewest. Via Maria van Bourgondië kwam het onder de invloedssfeer van de Habsburgers. In 1555 trad Karel V in de toenmalige Brabantse hoofdstad Brussel af als hertog van Brabant en werd hij opgevolgd door zijn zoon Filips II. De opstand tegen deze despoot zou zich voornamelijk in Brabant afspelen. Toen Spaanse troepen in 1576 de stad Antwerpen plunderden, keerden alle gewesten zich tegen hem. Toen drie jaar later de Unie van Utrecht werd gesloten, raakte Brabant verdeeld in twee kampen. Steden als Antwerpen, Bergen op Zoom en Breda kozen de kant van Willem van Oranje, terwijl Brussel en 's-Hertogenbosch zich achter Filips II schaarden. Het feit dat Brabant zich niet eensgezind achter de opstand schaarde, zou het in een later stadium nog lelijk opbreken.
Tachtigjarige Oorlog
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) vormde Brabant het toneel van de heftige strijd waarbij het steeds ging om het bezit van de belangrijke steden. Dat betekende namelijk automatisch de macht over de hele regio. De kansen wisselden telkens, wat tot gevolg had dat de loop van de grens voortdurend veranderde. De Spanjaarden probeerden tevergeefs om Bergen op Zoom, de hoofdstad van het westelijke deel van Brabant, in hun bezit te krijgen, terwijl de Baronie van Breda en de Meierij van 's-Hertogenbosch voortdurend in handen van een andere 'eigenaar' overgingen. Bij de Vrede van Münster in 1648 werd de grens definitief vastgelegd: wat Tilburg en omgeving betreft, werd de grens van de Meijerij van Den Bosch de Nederlandse landsgrens met de Zuidelijke Nederlanden. Dat leverde nog tal van moeilijkheden en misverstanden op. Zo was het niet in alle gevallen even duidelijk bij welk gebied een bepaald dorp behoorde. Na veel onenigheid en een regen van protesten kwamen dorpen als Reusel en Bladel bij het Noorden en de rijke abdij van Postel bij het Zuiden. De gevolgen die dit voor de Reuselse samenleving heeft gehad, zijn door de Heemkundige Werkgroep Reusel in 1983 onderzocht. De bevindingen zijn daarom zo interessant, omdat veel van de gevolgen in feite voor alle plaatsen langs de grens gelden. Door de grensvaststelling is het oorspronkelijk tamelijk centraal gelegen Reusel geografisch in een uithoek van Nederland komen te liggen, met veel nadelige gevolgen op economisch terrein: weinig (gevarieerde) industrie, weinig dienstverlenende instellingen en als gevolg daarvan weinig werkgelegenheid. Het door de grens veroorzaakte isolement betekende aanvankelijk het verstoken blijven van goede verkeersverbindingen. Pas met de aanleg van de tramverbinding met België aan het eind van de vorige eeuw zou daarin verbetering komen.
Franse Revolutie
Op 14 juli 1789 brak de Franse Revolutie uit. De revolutionairen keerden zich met name tegen koning, adel en clerus. Gaandeweg verlegden ze hun aandacht naar het buitenland, zo ook naar het noorden. Op 1 februari 1793 verklaarden ze de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden de oorlog. Alhoewel de eerste pogingen mislukten, slaagden de Fransen er in 1794 in om het zuiden in te palmen, waarna in januari 1795 de rest volgde. In oktober 1813 leed keizer Napoleon Bonaparte een nederlaag bij Leipzig. De Franse soldaten trokken zich daarop uit de Nederlanden terug om het moederland te beschermen. Nog voordat de strijd tegen de Franse overheersing was beslist, bogen de geallieerden zich over de toekomst van de Nederlanden. Met name Engeland was beducht voor hernieuwde Franse agressie en opperde het idee tot de vorming van een bufferstaat aan de noordgrens van Frankrijk. Deze mocht echter niet al te machtig zijn, want ook dat werd als een bedreiging ervaren. Noord en Zuid waren uit elkaar gegroeid, waarbij de godsdienst een belangrijk rol speelde. De Belgen koesterden wantrouwen tegen de Hollanders, die immers de Schelde hadden afgesloten. De economische banden met Frankrijk waren mede daardoor nauwer. Bovendien had de Franse taal een overheersende invloed gekregen. Toch zette Engeland, gesteund door Rusland, door en op 21 juni 1814 werd bij de VIII Artikelen van Londen de vereniging van Noord en Zuid een feit.
Afscheiding
Willem I stond erop dat de historische namen zouden herleven en dat de namen van de voormalige Franse departementen werden afgeschaft. In de Zuidelijke Nederlanden was hij bepaald niet geliefd. Het was dan ook niet verwonderlijk dat men tegen hem in opstand kwam. Dat gebeurde in 1830. Voorstanders van de algehele afscheiding gingen niet akkoord met slechts een bestuurlijke scheiding, en op 4 oktober 1830 riep het Voorlopig Bewind de onafhankelijkheid van België uit. Willem I deed nog een vergeefse poging om de hulp van de grote mogendheden Engeland, Frankrijk en Rusland in te roepen. Echter, de drie landen verklaarden in december van dat zelfde jaar het Koninkrijk der Nederlanden voor ontbonden.
In juni 1831 proclameerden de grote mogendheden de XVIII Artikelen, waarbij de grenzen zoals die in 1790 bestonden, werden vastgelegd. België kreeg al het grondgebied dat in het Koninkrijk der Nederlanden niet had behoord tot de Republiek. Het Belgische parlement stemde daarmee in, maar Willem I niet. Hij trok op 2 augustus 1831 met een leger België binnen.
Opnieuw werd de regeling, nu ten gunste van Nederland, vastgelegd in de XXIV Artikelen. Hierbij kreeg België de helft van Luxemburg en Nederland een zodanig deel van Limburg dat steden als Maastricht en Venlo met de overige delen één aaneengesloten gebied zouden vormen. Na langdurige discussies in het parlement accepteerden de Belgen deze nieuwe regeling. Maar Willem I lag weer dwars. Hij eiste geheel Luxemburg voor zich op, dat hij als schadeloosstelling voor verloren gegane Duitse gebieden had verworven en niet zonder meer wilde prijsgeven.

De huidige grens ontstond feitelijk omstreeks 1830. Pas in 1843 zou hij definitief worden vastgesteld.
Coll. RHC Tilburg.
Er werd lang, maar vruchteloos onderhandeld. Op 21 mei 1833 werd een voorlopige conventie gesloten. Toen Willem I in maart 1838 akkoord ging met de XXIV Artikelen, deden de Belgen moeilijk en wilden zij grote delen van Limburg en Luxemburg behouden. Er dreigde opnieuw een oorlog, maar tot een hernieuwd gewapend treffen kwam het niet.
Uiteindelijk werd de kwestie in 1839 definitief geregeld. Op 5 november 1842 ondertekenden beide landen een traktaat van het eindverdrag van 1839 en op 8 augustus 1843 de
Overeenkomst omtrent de grensscheiding. Zéér gedetailleerd was het proces-verbaal waarbij de grens op een kaart met een schaal van 1:10.000 werd ingetekend. Nauwkeurig werd aangegeven waar de gietijzeren hoofdgrenspalen en de arduinen hulppalen moesten worden geplaatst. Om de loop aan te geven van de onzichtbare lijn die een kunstmatige grens nu eenmaal is, maakte men gebruik van oneffenheden in de bodem, toponiemen, wegen en paadjes. Met behulp van kadastrale nummers werd minutieus aangegeven tussen welke percelen de grens nu precies liep. In alle grensgemeenten van beide landen wordt dat deel van het proces-verbaal in het archief bewaard dat betrekking heeft op dat gebied. Bij eventuele geschillen of het verdwijnen of het verplaatsen van een grenspaal worden de documenten meteen voor de dag gehaald.
Burenruzies
Tussen beide landen boterde het niet echt. De onmin kwam tot een climax na het einde van de Eerste Wereldoorlog, waarbij het neutrale België ongewild betrokken raakte. Op 4 augustus 1914 vielen de Duitsers het land binnen, maar het Belgische leger verweerde zich buitengewoon dapper en capituleerde niet. Ongeveer één miljoen Belgen ontsnapten aan de oorlogshandelingen in hun vaderland door naar het neutrale Nederland te vluchten. Daar vonden zij een warm onthaal. Om de vlucht over de grens in te dammen, legden de Duitsers langsheen de Belgische-Nederlandse grens een elektrische versperring aan. Dit 'electrisch gordijn', dat destijds 'de Dodendraad' werd genoemd, eiste tientallen slachtoffers. Na de oorlog keerden de meeste vluchtelingen weer terug naar hun eigen land. In Tilburg en alle omliggende dorpen wonen nog de nazaten van Belgen die het om uiteenlopende redenen verkozen in Nederland te blijven. Soms worden deze families in de volksmond met 'Den Bels' aangeduid.

Grensovergang Poppel - Goirle in Wereldoorlog I.
Coll. J. van Gils, Hilvarenbeek.
België had internationaal aanzien verworven door het hardnekkige verzet tegen de Duitse agressor. De opgelegde neutraliteit uit 1839 kon niet langer meer worden aanvaard; België wilde zijn grenzen voortaan zelf verdedigen. Met dit doel werd het Comité van Nationale Politiek ingesteld, dat concludeerde dat grenscorrecties daarvoor noodzakelijk waren. Van Nederland eiste men Zeeuws-Vlaanderen om volledige zeggenschap over de Schelde-monding te verkrijgen. Ook een groot deel van Limburg werd opgeëist. De Belgen maakten bij hun aanspraken op Nederlands grondgebied dankbaar gebruik van hun verworven prestige bij de geallieerden. Het feit dat Nederland aan de Duitse keizer Wilhelm II politiek asiel had verleend en bovendien had toegestaan dat het zich uit België terugtrekkende Duitse leger over haar grondgebied had kunnen ontsnappen, speelde de Belgen ook in de kaart. In januari 1919 werd aan de grote mogendheden Rusland, Engeland, Frankrijk en de Verenigde Staten een memorandum overhandigd met de eisen omtrent annexatie van Nederlands grondgebied. De Nederlandse minister Van Karnebeek wist de onderhandelaars er echter van te overtuigen dat Nederland onder geen enkel beding met de dreigende annexaties akkoord kon gaan. Op 16 mei 1919 werd het Belgische memorandum verworpen.
Benelux
Tussen België en Luxemburg boterde het heel wat beter. In 1921 besloten de twee landen tot opheffing van de douanebarrières, het hanteren van gelijke douanerechten en accijnzen ten aanzien van derde landen, het gezamenlijk afsluiten van economische akkoorden, alsmede vrij personenverkeer en vrije vestiging. Een en ander was geregeld in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie (Bleu). Nog voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog resulteerde de samenwerking in een monetaire unie. De Bleu zou model komen te staan voor de Benelux.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevonden de regeringen van België, Nederland en Luxemburg zich in Londen in ballingschap. Tussen België en Nederland broeiden onderhuids nog heel wat grieven tegen elkaar. Het gemeenschappelijk gedragen leed van de Duitse bezetting leidde echter tot een toenadering. In 1943 vond in Londen overleg plaats tussen de ministers Spaak (België), Van Kleffens (Nederland) en Bech (Luxemburg). Dat resulteerde in een douane-overeenkomst tussen de drie landen, die na de bevrijding in werking zou moeten treden. Op 5 september 1944 werd de douane-unie gesloten, die in 1947 door de parlementen werd goedgekeurd en op 1 januari 1948 in werking trad. Op 1 februari 1960 werd het Benelux Economisch Unieverdrag van kracht en op 1 februari 1971 de Overeenkomst inzake eenmaking van het Benelux douanegebied. Tot de talloze verworvenheden van deze innige samenwerking behoorden onder meer een vrij verkeer van personen en goederen, vermindering van de administratieve rompslomp en het verdwijnen van de slagbomen op 1 juli 1960. Een verregaande vereenvouding van de administratieve bescheiden aan de grens gold als richtsnoer voor de EG, waar een dergelijke ontwikkeling enkele jaren later zou volgen.
De verhouding tussen België en Nederland is in het verleden niet altijd rooskleurig geweest. Door samen te werken en elkaar te respecteren zijn deze landen elkaars beste buur geworden. Helaas vindt die samenwerking nog steeds voor het grootste deel plaats op regeringsniveau. Het idee achter
Europa '92 biedt een mogelijkheid op lokaal niveau de handen ineen te slaan. Het zou jammer zijn als deze gelegenheid niet wordt benut. Uiteraard bestaat er al enige samenwerking tussen gemeenten en tussen regio's aan weerskanten van de grens. De burger merkt er alleen nog zo weinig van, vooral vergeleken met de samenwerking aan de Nederlandse oostgrens, die veel verder gevorderd is. Hoewel er oorspronkelijk sprake is van eenzelfde cultuur, taal en dergelijke, heeft de grens tussen België en Nederland een barrière opgeworpen die blijkbaar veel hoger is dan tussen Nederland en Duitsland of zelfs tussen het Nederlandstalige West-Vlaanderen en Frankrijk.
Zoutsmokkel
De samenwerking in de grensregio Tilburg-Turnhout is wel zichtbaar in het fraaie grensoverschrijdende fietspad 'Bels Lijntje' en in de 'Smokkelaarsroute', een fietsroute die door de Streek VVV West-Brabant en de Streek VVV Noorderkempen samen is uitgestippeld. In de 'Smokkelaarsroute' wordt als het ware recht gedaan aan een fenomeen waarvan zowel Belgische als Nederlandse grensbewoners zich juist dank zij de grens tussen beide landen met verve hebben gekweten: de smokkel, in deze contreien met name aangewakkerd door de armoede. Gewoon een kwestie van geld bijverdienen als de nood aan de man was.
Gesmokkeld is er altijd al, maar contrabande illegaal over de grens brengen greep pas goed om zich heen na de scheiding van België en Nederland. Toen kon een bijzondere invulling worden gegeven aan het spreekwoord 'de gelegenheid maakt de dief'. Zodra de scheiding was uitgesproken, kwam er niet alleen een grens, maar kwamen er ook verschillen in belastingtarieven. De teerling was geworpen. In de vorige eeuw varieerde de smokkelwaar van brandhout en lompen voor de fabrikage van papier, tot sigaren, dure stukken kant en kerkboeken. Na 1870 werd hoofdzakelijk zout gesmokkeld, een voor de toenmalige huishoudens belangrijk produkt waarover met ingang van dat jaar door de Belgen geen accijns meer werd geheven. Een kilo zout kostte daar 3 tot 3,5 cent, terwijl in Nederland boven op de zoutprijs een accijns van 9 cent werd gevorderd en bij invoer uit het buitenland nog eens drie cent extra moest worden betaald. Op 5 oktober 1871 berichtte de Tilburgsche Courant: Uit Goirle meldt men ons: dat de sluikhandel nog niet geheel geweken is, heeft zich dezer dagen weder bevestigd. In den nacht van 1 october, circa 2 ure, hebben de ambtenaren Wienands, Looijens, Wildenberg en Henkelman eene aanhaling gedaan op vijf smokkelaars, welke gezamentlijk meevoerden 158 kilogrammen Belgisch
zout.
In 1873 werd nog over 800.000 kilo zout accijns geheven. Hoewel de zoutconsumptie als gevolg van de groei van de bevolking toenam, werd een jaar later 794.000 kilo veraccijnsd en in 1875 nog slechts 776.200 kilo. In februari 1892 beklaagde de Nederlandse minister van Financiën zich erover dat gesmokkeld zout een handelsartikel was geworden dat voor zes tot acht cent per kilo 'vrachtvrij' aan huis werd bezorgd. In dat jaar werd de accijns verlaagd tot 3 cent per kilo. Grootscheepse smokkel was daarna niet meer lonend. Opvallend veel smokkelaars bleken afkomstig uit Tilburg. Ze trokken 's nachts naar Poppel en keerden via Hilvarenbeek terug naar huis. De smokkelaars waren mensen van eenvoudige komaf. Meestal gaven ze bij een bekeuring als beroep 'arbeider' op. Temidden van een leger van gelegenheidssmokkelaars opereerden ook professionals, zoals Andries van Oirschot, alias Driekske Tod uit Hilvarenbeek. De in die plaats gestationeerde kommies Roelofs beschreef zijn aanhouding op 6 januari 1882 als volgt:
Er lag 15 centimeter sneeuw. De achtervolging duurde van kwart voor zes tot half acht na de middag. Ik greep tenslotte Andries van Oirschot die meer dan 20 jaar smokkelde en nooit gegrepen was. Een knoopafdruk daags tevoren had deze bekeuring tot gevolg. Als de smokkelaars dwars over een grindweg liepen, dan legden ze vooraf hunnen jassen daarop, stapten erop en lieten geen afdruk na.
'Electrisch gordijn'
Hoewel na 1892 nog geraffineerde suiker, granen en kinabast werd gesmokkeld, bleef het in vergelijking tot de zouttijd rustig aan de grens. Daar kwam verandering in met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het neutrale Nederland kon naar omstandigheden redelijk in de eigen behoefte voorzien; de Duitse bezetter kleedde België uit tot op het bot. Logisch dat een smokkel van met name eerste levensbehoeften van Nederland op België op gang kwam, die zo omvangrijk was dat de Nederlandse neutraliteit er een paar keer door in gevaar is gebracht. In februari 1916 pareerde het ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag de kritiek van de Geallieerden met de opmerking: Dat bij velen de onjuiste voorstelling post vatte, als zou Nederlands' onzijdigheid bij den smokkelhandel in het gedrang komen, vindt zijn natuurlijke oorzaak in de geografische ligging van ons land. Met andere woorden: hij kon het ook niet helpen (of wilde niet!) dat in Nederland goud-geld werd verdiend aan de smokkel naar zowel België als Duitsland. Naar Duitsland ging onder meer rubber en koper, nodig voor de oorlogsindustrie.
In de Belgisch-Nederlandse grensstreek probeerden duizenden grensbewoners, maar ook Nederlandse militairen en de Duitse bezetters zich te verrijken aan de nood onder de Belgen. Nederlandse soldaten verleenden zeer vaak hand- en spandiensten aan smokkelaars of ontplooiden zelf smokkelinitiatieven.
Negentig procent fraudeerde zelf of hielp tegen beloning de smokkelaars, aldus de douanier J. Lutje die in die dagen aan de grens bij Rucphen werkzaam was. Ook officieren waren er niet vies van en zelfs werden militaire voertuigen ingezet, waarmee op een typische manier geschiedenis werd geschreven: voor het eerst in de smokkelhistorie werden auto's ingezet. Op 20 maart 1915 werden nabij de grensovergang Goirle-Poppel vier met kaas, graan en petroleum geladen auto's in beslag genomen. Petroleum, nodig voor lampen en kacheltjes, was overigens een zeer groot illegaal 'exportartikel'. Zo werden eind december 1914 in de bossen tussen Hilvarenbeek en Goirle in de grond gegraven opslagtanks ontdekt. 's Nachts kwamen de smokkelaars met hun kannetjes, flessen en zelfs varkensblazen. Onder de smokkelaars bevonden zich ook veel Belgen. Smokkelploegen van 30 tot 40 mensen waren geen uitzondering. Vrouwen en meisjes liepen mee, gestoken in mannenkleding. Een opmerkelijk smokkelartikel was de door de Duitsers verboden 'Anti-Germaansche' dagbladen als La Libre Belgique, De Vrije Stem, De Telegraaf en De Nieuwe Tilburgsche Courant. Volgens het oorlogsdagboek van de Turnhouter Eug. Waterschoot werd de Tilburgse krant in zijn stad algemeen gelezen.
300 à 400 nummers worden dagelijks binnengesmokkeld. Men mag ze evenwel niet in huis hebben. Wie betrapt wordt dit dagblad in zijn bezit te hebben, loopt eene geldboete op van 20 Mark.

Het 'electrisch gordijn' tijdens Wereldoorlog I.
Coll. RHC Tilburg.
Een belangrijk deel van de smokkel was in handen van de Duitsers. Zij lieten tegen betaling grensbewoners het vuile werk opknappen. Al met al is de Eerste Wereldoorlog bepaald geen fraaie episode in de smokkelgeschiedenis geweest, te meer ook omdat toen veruit de meeste doden zijn gevallen. Menig smokkelaar is in onder meer Hilvarenbeek en Goirle neergeschoten, maar de hoogste tol eiste de elektrische versperring, het in Nederland vrijwel onbekende 'electrische gordijn', dat door de Duitsers was aangelegd. Geheel naar hun traditie wisten de smokkelaars allerlei methoden te bedenken om deze gevaarlijke barrière te nemen. Er werden tunnels gegraven, beddingen van riviertjes uitgediept en er werden vliegers opgelaten waarmee brieven van Vlaamse ouders aan hun zonen aan het front zonder al te veel problemen over de meet konden worden 'gevlogen'. De meest gebruikte methode was het 'vouwraam', waarvan in het Taxandriamuseum in Turnhout nog een authentiek exemplaar te zien is. Het eenvoudige, maar effectieve hulpmiddel bestond uit een stel scharnierende houten latten die met rubber waren bekleed. Het vouwraam werd voorzichtig tussen de elektrische draden geschoven en vervolgens opengeklapt waarna het een uiterst nauwe doorgang verleende aan de smokkelaar.
Crisisjaren
De oorlog was nauwelijks afgelopen of de klad kwam in de smokkel om na de Beurskrach van Wall Street op 24 oktober 1929 weer in alle hevigheid om zich heen te grijpen. De talloze werklozen tijdens de Crisisjaren moesten zich in alle mogelijke bochten wringen om rond te komen. In de grensstreek tussen Turnhout en Tilburg wist men wel hoe:
Mijn vader had nog geluk dat hij werk had bij Van Besouw, aldus een hoogbejaarde inwoner van Goirle. 's Avonds naaiden we met zijn allen jute zakken om wat bij te verdienen. Toen we zonder dat thuiswerk kwamen te zitten, kwam ik met werklozen in contact. Van hen hoorde ik dat smokkelen een goede manier was om aan geld te komen. Mijn ouders hadden er geen enkel probleem mee, want ik bracht tenminste flink wat geld binnen. Vaak gaf de door de economische malaise gedreven smokkelaar zijn
'bijverdienste' op als er weer werk beschikbaar was. Van de zijde van de douane bestond opmerkelijk veel begrip voor de omstandigheden die de smokkelaar tot zijn daden aanzette. De toenmalige Inspecteur Invoerrechten en Accijnzen in Tilburg, J. Reijntjes, verklaarde in oktober 1936:
De meeste smokkelaars worden voornamelijk gerecruteerd uit de kringen der werkloozen. En dit is best te begrijpen, want als zij een beetje geluk hebben bij hun smokkelarij, varen ze er financieel allicht beter bij dan bij den steun. Dat begrip van de zijde van de douane wilde niet zeggen dat de smokkelaars hun gang konden gaan. Menigeen heeft een illegale grensoverschrijding tijdens de crisisjaren zelfs met de dood moeten bekopen, zoals een 30-jarige Tilburger wiens lijk op 21 maart 1935 op de Regte Heide tussen Riel en Goirle werd gevonden. Een verdwaalde douane-kogel was hem noodlotting geworden.
Uit deze tijd stammen de meeste sterke verhalen over nachtelijke treffen tussen smokkelaars en douaniers. Het was een tijd waarin de sportiviteit hoogtij vierde. Tussen douane en smokkelaars bestond een soort erecode. Wanneer het de smokkelaars bij voorbeeld duidelijk was dat ze de contrabande kwijt waren, hielpen ze de pungels bij elkaar leggen zodat de douaniers ook op tijd naar huis konden. De meeste kleine smokkelaars liepen, omdat ze zelf geen smokkelwaar konden kopen, in opdracht van financiers achter de schermen. Zij die wel zelf konden investeren, zorgden zelf voor de afzet. Een Tilburgse smokkelaar ventte zijn goederen uit langs de huizen in Gilze, Dongen en Hulten. Anderen werden in Tilburg, in het bijzonder in de Koningswei, opgewacht door opkopers uit de Randstad Holland.

Smokkelaars in de Oude Kerkstraat te Tilburg omstreeks 1928.
Coll. RHC Tilburg.
De smokkelaars vulden alle mogelijke gaatjes in de markt, als er maar sprake was van een gering prijsverschil. Zo kwam eind 1934 een stroom gloeilampen op gang. Dat jaar was het Antwerpse elektriciteitsnet overgeschakeld op 220 Volt zodat de goedkopere Belgische lampen geschikt werden voor de Nederlandse fittingen. Franse parfums en lotions waren geliefde smokkelwaar, sterke drank, suiker en wapens voor geheime opslagplaatsen van de NSB, maar de belangrijkste smokkel betrof die van vee, margarine en sigarettenpapier. Een doos met 50 boekjes vloeitjes kostte in Nederland ruim dubbel zoveel als in België. Met de invoering van het menggebod in 1932 werd de grondslag gelegd voor de margarinesmokkel. In iedere hoeveelheid Nederlandse margarine moest eerst 25 procent en later zelfs 40 procent roomboter worden gemengd, dit om de landbouwcrisis het hoofd te kunnen bieden. In België gold dat gebod niet, waardoor de margarine daar veel goedkoper was. De winst op een naar België gesmokkeld varken bedroeg een paar tientjes; de opbrengst van een koe lag wat hoger.
In de Eerste Wereldoorlog is de auto ontdekt als een ideaal transportmiddel voor grotere hoeveelheden smokkelgoederen. De smokkelperiode van na de Tweede Wereldoorlog leeft terecht in de herinnering als de tijd van de doldrieste avonturen met gepantserde wagens. De opkomst van de smokkelauto, gepantserd en wel, en met tegenmaatregelen in de vorm van spijkerplanken, wegblokkades en met scherp schietende douaniers ligt in de crisisjaren. De eerste gepantserde auto's verschenen in de tweede helft van de dertiger jaren op de weg. Nadere inspectie van een in het Belgische Moerbeke tot stoppen gedwongen Nederlandse smokkelauto bracht de douane tot de verzuchting dat het was alsof ze met een tank van doen hadden. Naast een dikke stalen bepantsering waren de ruiten voorzien van centimeters dik glas. De vrachtwagen stond op acht centimeter dikke banden, die nog eens werden beschut door zes centimeter dikke stalen platen. Saillant detail: aan de auto was een aanhangwagen bevestigd die in tijd van nood met behulp van een speciale hendel in de cabine onder het rijden kon worden losgekoppeld. De voordelen voor de chauffeur waren evident: de achtervolging door de douane werd een stuk moeilijker doordat hij een grotere snelheid kon maken en de losgekoppelde aanhanger kwam mogelijk dwars over de weg tot stilstand. Na een bezoek aan de grens vaardigde de Nederlandse minister van Financiën Oud in mei 1934 een wet uit die het de douane makkelijker maakte tegen de smokkel per auto op te treden. De voornaamste bepaling was dat op de wegen naar de grens wegversperringen mochten worden opgericht. Een bekende Tilburgse smokkelaar liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Hij oefende bij de versperring nabij de grensovergang Goirle-Poppel net zo lang met een lege wagen, totdat hij een met smokkelgoederen beladen auto zonder mankeren voorbij het obstakel kon sturen.
Fantasie-tabak
De smokkel tijdens de crisisjaren ging vrijwel zonder terugval in de activiteiten over in de smokkel gedurende de Tweede Wereldoorlog, toen van het begin tot het eind ontzaglijk veel illegaal de grens over is gegaan: voedingsmiddelen naar België en tabak naar Nederland.
Ik had net mijn vrachtje margarine binnen, toen de Moffen voor het eerst met hun vliegtuigen
overkwamen, aldus een Tilburgse smokkelaar. De Belgen zaten om etenswaar verlegen omdat de aanvoer van graan uit de Verenigde Staten en Latijns-Amerika als gevolg van de oorlogshandelingen was opgedroogd. De Belgische boeren produceerden onvoldoende om alle monden van de landgenoten te vullen. In Nederland wisten de boeren op allerlei slinkse manieren de controle op de produktie van graan te ontlopen om dat vervolgens aan de smokkelaars te leveren. De Nederlanders op hun beurt hadden te kampen met een stilgevallen aanvoer van tabak. Dus werd er druk eigen tabak geteeld, maar echte tabak was niet te versmaden. Daar wilden de rokers grof geld voor neertellen. De smokkelaars voorzagen in die behoefte door in West-Vlaanderen, een gebied met een traditionele tabakscultuur, tabak te halen en over de Nederlandse grens te brengen.
Via de stations van Eindhoven, Tilburg, Breda en Roosendaal ging de meeste tabak verder richting de Randstad, waar de roker er in april 1944 25 gulden voor betaalde, terwijl de officiële prijs van een pakje sigaretten 90 cent bedroeg.
Tienduizenden personen zijn met den smokkelhandel in tabak gemoeid, schreef een Tilburgse krant op 27 januari 1944.
Daardoor is het ook te verklaren dat vrijwel heel Nederland van Belgische tabak is
voorzien. Dat was lichtelijk overdreven want de vraag in Nederland was veel groter dan ooit in West-Vlaanderen kon worden vergaard. Als gevolg daarvan werd op een ongekende manier geknoeid. Om te beginnen was het eerder regel dan uitzondering dat de eenmaal in Brabant gearriveerde tabak met water werd doordrenkt. Een Tilburgse smokkelaar vertelde:
De tabak werd bij ons thuis in de keuken over de vloer uitgespreid. Dan werd een handveger en een emmer water gepakt. Op de manier zoals een pastoor met wijwater zegende, maakten wij een vrachtje van 20 kilo wel één kilo
zwaarder. Talloze andere smokkelaars bedachten hun eigen melange van 100 procent mos, of bieten- en rabarberbladeren. Zelfs werden de originele Belgische verpakkingen en banderollen vervalst.
Geallieerde smokkelaars
Na de oorlog koos Nederland voor een politiek die bekend is geworden als de 'Wederopbouw': hard werken, weinig verdienen en nauwelijks aanbod van
consumptiegoederen en huishoudelijke artikelen. In het liberale België daarentegen kon alles vrijelijk worden geïmporteerd en geproduceerd. Daar kwamen de Nederlanders, met in hun portemonnee al of niet zwart geld, op af als vliegen op een suikerpot. Er stond een enorme schare gelegenheidssmokkelaars op en uiteraard beleefden ook de echte smokkelaars gouden tijden. Op het smokkelboodschappenlijstje van de Nederlander stonden in de eerste jaren na de oorlog uiteenlopende produkten als rookartikelen, kauwgom, dames- en herenboven- en onderkleding, tapijten, deurmatten, kinderwagens, waspoeder, zeep, horloges en radiotoestellen. Een Belg was geïnteresseerd in Nederlandse smokkelwaar als vee en kleinvee, granen, aardappelen, appels, vlas, stro, oesters, garnalen en - toen al - roomboter. De meest ingenieuze trucs werden bedacht om de streng controlerende douane bij de neus te nemen: benzinetanks met schotten erin, dubbele autobodems, in autobanden, in machines, zelfs in lijkkisten en in de buizen van fietsenframes, in kruikjes van grensarbeiders, en postduiven werden ingezet om het geld waarmee de contrabande was gekocht over de grens te vliegen. Nooit eerder en nooit later is zoveel creativiteit aan de dag gelegd, ook in de smokkel van vee, die toen door zijn grootschaligheid nogal de aandacht trok. Koeien kregen bijvoorbeeld groene zeep aan de bek gesmeerd opdat ze al likkend het loeien zouden laten. Het grootste veesmokkelcomplot uit die tijd werd in november 1946 in Hilvarenbeek opgerold. Met een winstmarge van gemiddeld 45 procent waren ruim duizend koeien door 134 betrokkenen, zeg maar 'cowboys', naar België gedreven.
In een paar jaar tijd groeide de smokkel uit tot big business. De aloude pungelaar, die voortleeft in de romantische verhalen, legde uiteindelijk het loodje tegen een vorm van georganiseerde smokkel zoals de Belgische-Nederlandse grensstreek die nog nooit had gezien: de botersmokkel per pantserwagen. Deze smokkelaars hadden het 'goede' voorbeeld gekregen van wel zeer onverwachte zijde, de geallieerde militairen die in kolonnes de grens overstormden met in hun vrachtwagens een zeer gevarieerd aanbod van vulpennen, nylonkousen, veiligheidsspelden, lippenstiften, fietsbanden en dergelijke. Vooral in het begin konden ze ongestoord hun gang gaan, omdat alles wat het Nederlandse gezag vertegenwoordigde, zoals politie en douane, niet tegen de Amerikaanse, Canadese, Engelse en Poolse smokkelaars op mocht treden. Ook Nederlandse soldaten lieten zich niet onbetuigd. Op 21 november 1946 raakte een militair uit Cuijk in de bossen bij Esbeek dodelijk gewond tijdens een schietpartij. In dezelfde periode werden twee Rode-Kruisauto's aangehouden. De ene was beladen met cognac, katoen en tabak en werd in Baarle-Nassau tot stoppen gedwongen; de tweede was met enige duizenden pakjes shag aan boord van Tilburg op weg naar Bussum.
De botertijd
Vanaf eind 1945 konden in Belgische legerdumps door de geallieerden afgedankte voertuigen worden gekocht. De inzet van originele pantservoertuigen gaf een nieuwe dimensie aan de smokkel. De smokkelaars in het grensgebied tussen Turnhout en Tilburg hadden hun leermeesters gevonden in de bevrijders, zoals onder meer bleek uit de 'Moergestelse pantsersmokkel', die eind mei 1948 als eerste na-oorlogse pantserzaak diende voor de Bredase Bijzondere Politierechter. De pantserauto, die na een wilde achtervolging in Moergestel door de douane werd geramd, was geladen met zeven koeien voor België. Als retourvracht was in een boerderij in Oirschot al een partij van 4.400 knotten katoen en 36 tapijten uitgeladen.
Al snel werd overgestapt op de ombouw van Amerikaanse luxe wagens van roemruchte merken als Chrysler, Oldsmobile en De Soto tot pantserauto's. Door specialisten, die overal in de grensstreek waren te vinden, werden stalen platen aangebracht in de portieren, achter de rugleuningen, in de wielkasten, onder het dashboard en langs de radiateur. De smokkelauto's stonden op speciale banden waardoor na een kogelinslag nog meer dan 100 kilometer kon worden doorgereden. Ook vrachtwagens werden op deze manier beveiligd. Met de snelle personenauto's en de vrachtauto's zijn miljoenen kilo's Nederlandse roomboter naar België gesmokkeld. De situatie was als volgt: de Nederlandse boeren produceerden zoveel boter dat die in het margarine-minnende Nederland in geen jaren te slijten was. In het Bourgondische België was de situatie precies tegenovergesteld: veel vraag, veel te weinig aanbod, en daarom duur. In 1961 moest de Belgische consument rond de zes gulden betalen voor een kilo boter, tegen drie gulden in Nederland. Om de Belgische boeren voor het Nederlandse agrarische geweld te sparen, kwamen beide regeringen met elkaar overeen dat Nederlandse boter in België even duur moest zijn als in het produktieland. Op de voor België bestemde boter werd een exportheffing gelegd, die de illegale uitvoer zo aantrekkelijk maakte: de smokkelaar spaarde dat bedrag uit. De Belgische minister van Landbouw berekende in juli 1961 dat minstens tien procent van de Nederlandse produktie, die toen de 100 miljoen kilo naderde, naar België werd gesmokkeld.

Gecamoufleerde smokkelaars met 'pungel' eind jaren veertig. Reconstructie door douaniers.
Coll. Belastingmuseum Prof. dr. Van der Poel, Rotterdam
Door de Nederlandse overheid is deze smokkel onvoldoende bestreden, vermoedelijk omdat men op een goedkope manier van de boter afkwam. De Belgische overheid echter was er veel aan gelegen de smokkel te stoppen, omdat de zuivelnijverheid er volledig door werd ondermijnd. Van het begin af aan was de Belgische douane veel beter uitgerust dan hun Nederlandse collega's. Terwijl de Nederlanders er nog met hun armetierige dienstfiets op uit moesten trekken en min of meer maar moesten zien hoe ze het stelden, hadden de Belgen van de Belgische Boerenbond al een aantal Amerikaanse 'Highway patrolcars' ter beschikking gesteld gekregen. De Belgen konden bovendien op een vangstpremie rekenen van tien procent. Het kwam veelvuldig tot wilde achtervolgingen. Op de Ringbaan-West in Tilburg schoot een douanier in de nacht van 26 op 27 januari 1955 twee kogelhouders leeg op een smokkelauto. Desondanks wist deze te ontkomen doordat een andere bij het complot betrokken chauffeur de douane-auto ramde. In 1966
leek de douane fortuinlijker. Een Mercedes werd in beslag genomen en op de afgesloten binnenplaats van het belastingkantoor neergezet. Tijdens de viering van carnaval
echter wisten de smokkelaars het voertuig uit de hol van de leeuw te ontvreemden.
Om zich de jagende en met scherp schieten de douane van het lijf te kunnen houden, werden pantserwagens ingezet, voorzien van smokkelaarswapens als de beruchte kraaiepoot, rookbommen en molotovcocktails. In bochten werd olie op de weg gegooid, zodat een douane-auto in een slip raakte. Aan de voorkant van vrachtauto's werden een soort sneeuwschuivers bevestigd om daarmee auto's van de douane van de weg af te kunnen duwen. In de buurt van Turnhout werd een smokkelauto aangehouden die was uitgerust met een vliegtuigmotor. Het zijn slechts een paar voorbeeld van wat zoal werd bedacht om de uiterst lucratieve botersmokkel voort te kunnen zetten. Feitelijk liep deze smokkel volledig uit de hand. Men vraagt zich onwillekeurig af waar dit had moeten eindigen als met de invoering van de EG-landbouwpolitiek geen einde was gekomen aan de botersmokkel.
Toen deze doldrieste episode uit de Belgisch-Nederlandse smokkelgeschiedenis ten einde was, beschikten de smokkelaars over een uitgebreide infrastructuur, afzetkanalen en het nodige zwarte geld. Vaak wordt gesuggereerd dat ze op de smokkel van drugs zijn overgestapt. Op slechts een paar uitzonderingen na is dat echter niet het geval geweest. De smokkelaars kozen voor een andere, zeer tot de verbeelding sprekende vorm van belastingontduiking: illegaal alcoholstoken, dat bijna volledig in handen was van voormalige Brabantse smokkelaars. Zij hadden het 'vak' geleerd van hun Belgische kornuiten, voorwaar een merkwaardig voorbeeld van grensoverschrijdende samenwerking.
Literatuur
Horsten, Piet en Spapens, Paul, Tappen uit een geheim vaatje. Hapert, 1990.
Kemenade, Kees van en Spapens, Paul, De grens gemarkeerd. Grenspalen en grenskantoren aan de
landzijde. Hapert, 1991.
Oirschot, Anton van en Spapens, Paul, Smokkelen in Brabant. Een grensgeschiedenis
1830-1970. Hapert, 1988.










