![]() |
|||
![]() |
Een heiligenbeeld en een altaar | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Een heiligenbeeld en een altaar |
|
Ondertitel: |
Twee Turnhoutse objecten in de Tilburgse kerk van 't Heike. |
|
Auteur: |
drs. Joost van Hest |
|
THR |
Geworteld in Taxandria. Historische aspecten van de relatie Tilburg - Turnhout |
|
Nummer: |
1 (1992) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
175-182 |
De kerk van de H. Dionysius te Tilburg (Heike) bezit twee meubelen die met zekerheid toegeschreven kunnen worden aan Turnhoutse kunstenaars. In het ene geval gaat het om een beeld van de H. Vincentius a Paulo. Zoals blijkt uit het parochiële Grootboek werd dit eikehouten beeld in 1840 geleverd door de beeldhouwer 'H. Peters'. Aangenomen mag worden dat het hier gaat om Hendrik Peeters-Divoort (1815-1869), die in 1839 in Turnhout een atelier had opgericht. Het tweede object is een altaar waarvan de mensa (altaartafel) vervaardigd werd door Josephus Marijnen (1870-1942). Net als Peeters was hij Turnhoutenaar van geboorte en gedurende een bepaalde periode van zijn carrière actief in zijn geboortestad. De zandstenen altaarmensa (gesigneerd) werd in 1897 gemaakt. De erop geplaatste Calvariegroep is van de hand van de Tilburgse beeldhouwer Henricus van Tielraden.
Ateliers
Het feit dat men bij de aanschaf van deze kerkmeubelen een beroep gedaan heeft op twee Vlaamse kunstenaars, is binnen de praktijk van de 19de eeuw niet ongebruikelijk. Belgische artiesten golden als belangrijke leveranciers van kerkmeubilair voor Nederlandse kerken. Tot ca. 1850 zijn ze zelfs de belangrijkste vervaardigers. Dit hangt samen met de bijzondere omstandigheden waaronder de Nederlandse katholieken in de voorgaande eeuwen hadden moeten leven. In 1648 was door de Vrede van Munster een definitief einde gekomen aan de godsdienstvrijheid van het katholieke volksdeel in de Noordelijke Nederlanden. Zij konden hun religie nog wel belijden maar slechts onder vergaande beperkingen. Een van die beperkingen was dat ze hun kerkgebouwen moesten afstaan aan de protestanten en in plaats daarvan gebruik dienden te maken van zogenaamde schuilkerken. Deze kerken, in een schuur of op een zolder, mochten aan de buitenzijde niet als zodanig herkenbaar zijn. Ook mocht bijvoorbeeld het gezang tijdens de godsdienstoefeningen buiten niet te horen zijn. Het spreekt vanzelf dat men op deze manier verstoken bleef van de triomfantelijke beleving van de religie zoals die in landen waar het katholicisme de boventoon voerde gezien kon worden. Daar werd gedurende de 17de en 18de eeuw de periode doorgemaakt van de contra-reformatie, waarin men op trotse wijze de triomf van de katholieke kerk op het protestantisme benadrukte. Dit kwam onder andere tot uiting in de barokke kunst van de vele heringerichte of nieuwgebouwde kerken. Een leger van architecten, beeldhouwers en schilders was dagelijks in de weer om aan de vele opdrachten gevolg te kunnen geven. In Nederland was het katholieke mecenaat tot stilstand gebracht. Wel kon men in veel gevallen de sobere schuilkerken toch nog zoveel mogelijk van een rijke inventaris laten voorzien, echter een gunstig klimaat voor leveranciers van kerkelijke kunst was verloren gegaan. Bovendien beleefde Brabant in het bijzonder, door de status van generaliteitsland, een periode van economische achteruitgang, waardoor goede artistieke voorwaarden vrijwel volkomen verloren gingen. Beeldhouwers en schilders waren er slechts in beperkte mate werkzaam.

Bedrijvigheid in een Turnhouts beeldhouwersatelier
(Atelier Napoleon Daems), ca. 1890.
Coll. Stadsarchief Turnhout.
Geen wonder dat men na de herwonnen vrijheid van het katholicisme in de Franse tijd (plakkaat van religieuze gelijkschakeling 1796) bij de inrichting van herkregen of nieuwgebouwde kerken afhankelijk was van buitenlandse kunstenaars. Door de sterke affiniteit die de katholieken in de afgelopen eeuwen hadden gevoeld met hun Vlaamse geloofsgenoten plaatste men de opdrachten vooral bij Belgische ateliers. Steden als Antwerpen, Mechelen of Gent voerden de boventoon, maar ook een stad als Turnhout mocht zich verheugen in de belangstellende houding van Nederlandse geestelijken en kerkbesturen. Deze stad was zelfs van toonaangevende betekenis. De beeldhouwactiviteiten hadden hier in de eerste helft van de 19de eeuw een hoge vlucht genomen. De belangrijkste promotor was Hendrik Peeters-Divoort. Deze kunstenaar, die in Antwerpen gewerkt had bij de beeldhouwer Jacob van der Neer, legde de basis voor de grote bloei die Turnhout tussen 1839 en 1918 op het gebied van beeldhouw- en meubelkunst zou beleven. Zijn atelier leverde werk aan vele beeldhouwers. De gunstige voorwaarden oefenden een grote aantrekkingskracht uit op andere beeldhouwers, waardoor de stad op den duur talrijke ateliers kende.
Het werk dat men leverde was niet alleen bestemd voor Belgische opdrachtgevers maar vond zijn weg ook naar plaatsen buiten de landsgrenzen. Zo maakte Peeters-Divoort een kruisweg voor de wereldtentoonstelling van Parijs (1867) en heeft hij zelfs een aantal beelden geleverd voor Detroit in de Verenigde Staten. De grote reputatie van Turnhout werd bevorderd door de aanwezigheid van de Stedelijke Tekenschool waar toekomstige kunstenaars hun vorming en opleiding kregen. Hendrik Peeters is gedurende een korte periode als leraar aan deze school verbonden geweest. Concluderend is het niet verwonderlijk dat de in Turnhout gevestigde kunstenaars menige opdracht kregen uit Noord-Brabant. Peeters-Divoort leverde behalve voor de kerk van 't Heike onder andere werk voor de kerk van O.L. Vrouw Hemelvaart te Prinsenbeek, het klooster van de Zusters Franciscanessen te Etten en de kerk van O.L. Vrouw Hemelvaart te Bergen op Zoom. Bovendien heeft hij meegedaan aan de prijsvraag voor een hoogaltaar en zijaltaren voor de St.-Janskathedraal in Den Bosch.
De tweede Turnhoutenaar die werk leverde voor 't Heike, Josephus Marijnen, is een van die kunstenaars die de vruchten konden plukken van het gunstige artistieke klimaat dat met name door Peeters-Divoort geschapen was. Naast andere plaatsen had hij lessen gevolgd aan de Stedelijke Tekenschool van Turnhout waar hij later zelfs leraar is geweest. Net als bij Peeters waren zijn activiteiten niet gering. Ook hij leverde werk voor verschillende Noordbrabantse kerken, onder andere voor de kerk van Eersel. Marijnen is uiteindelijk terechtgekomen in Amerika, waar hij bekend werd als ontwerper van glasramen.
Vincentius
Het Vincentiusbeeld dat Peeters voor de Heikese kerk sneed is uitgevoerd in neobarokke stijl. De heilige, vooral bekend vanwege zijn toelegging op liefdadige werken, is weergegeven in priesterkleding en met een kalotje op het hoofd. In zijn armen draagt hij een naakt weeskind dat met de rechterhand naar boven reikt. Beide figuren richten hun gezichten naar elkaar toe. De neobarok blijkt uit de krachtige expressie van de kledingdraperie. Diep uitgesneden plooien accentueren het lichaam van de heilige en zorgen voor een sterke licht/donkerwerking binnen de lijnenvoering. De gebruikelijke wappering van gewaden en extatische uitzwaaiing van armen is achterwege gelaten. Het beeld blijft hierdoor een beheerst karakter houden en geeft een tamelijk massieve indruk. Door de neobarokke stijl sloot Peeters aan bij de heersende mode op het gebied van de kerkelijke kunst. In feite zou men kunnen spreken van een laatbarokke fase, doordat voortgeborduurd werd op de overdadige vormentaal van de 17de- en 18de-eeuwse barok. Vooral voor de Nederlandse katholieken had dit een extra betekenis. De neobarokke kunst stelde hen in de gelegenheid nog een graantje mee te pikken van de triomfantelijke periode van de contra-reformatie. De herwonnen vrijheid en sterke geloofstrots konden ermee benadrukt worden.

Beeld van de H. Vincentius a Paulo, H. Peeters-Divoort, 1840
(St.-Dionysiuskerk Heike, te Tilburg).
Bisdomsarchief 's-Hertogenbosch, Diocesane Comissie
Kerkelijk Kunstbezit.
Altaar
De door Josephus Marijnen vervaardigde altaarmensa van ruim een halve eeuw later, is uitgevoerd in neorenaissance-stijl. Centraal is een reliëf geplaatst dat aan weerskanten omkaderd wordt door zuiltjes en verticale banden met arabesken. Het reliëf stelt de Gelovige Zielen in het Vagevuur voor. De lijdende zielen, afgebeeld in menselijke gedaante, aanschouwen vanuit de vlammen een omstraald kruis en twee engelen. De engelen gieten uit kelken het bloed van Christus over de vlammen. De voorstelling is een symbolische weergave van de offerande tijdens de mis die aan dit altaar opgedragen werd ter verlossing van de zielen uit het vagevuur. Hiermee wordt de bijzondere functie van het altaar duidelijk, dat geplaatst is in de zogenaamde Allerzielenkapel. Van het meubel is de door Marijnen in 1895 gemaakte ontwerptekening (gemonografeerd en gedateerd) bewaard gebleven. Het blijkt dat het uiteindelijke resultaat in sterke mate afwijkt van het voorgestelde concept. Op de tekening is een neogotisch altaar te zien. De mensa heeft aan de voorzijde een reliëf dat net als het uiteindelijke resultaat een voorstelling toont van de zielen in het vagevuur. Het wordt nu echter niet geflankeerd door banden met arabesken, maar door twee engelen met banderol in een omlijsting die aan de bovenzijde afgesloten wordt door een driepas. Voor het bovendeel van het altaar had Marijnen een typisch neogotisch retabel in gedachten, bestaande uit een centrale tabernakelkast waarboven een baldakijnnis en aan
weerskanten reliëfs. In de nis wilde hij een Calvariegroep plaatsen.

Ontwerptekening Allerzielenaltaar, J. Marijnen 1895.
(RHC Tilburg).
De reliëfs (l. het Laatste Oordeel, r. Christus triumfans) omkaderde hij met hogels en kruisbloemen. Met dit ontwerp sloot de kunstenaar aan bij de kerkelijke stijl die vanaf het midden van de 19de eeuw de neobarok steeds meer naar de achtergrond had gedrongen. Om in hedendaagse termen te spreken, Marijnens ontwerp was volkomen up-to-date. Toch besliste men anders en werd de opdracht naast Marijnen toevertrouwd aan de Tilburger Van Tielraden. De Turnhoutenaar veranderde de neogotische mensa in een neorenaissance-tafel. Hierboven kwam een eenvoudige predella, eveneens in neorenaissance-stijl, waarop een Calvariegroep geplaatst werd van de hand van genoemde Tilburger (gesigneerd en gedateerd). Een lage neorenaissance-opstand met centraal een reliëf van de doden die uit hun graven opstaan, vormt de achtergrond van de beeldengroep. De beweegredenen voor de verandering zijn niet moeilijk verklaarbaar. De binnenzijde van de in 1894-1895 gebouwde kapel waarin het meubel moest komen te staan, sluit aan bij de neoclassicistische stijl van het Heikese kerkschip. In tegenstelling tot de neobarok of de neorenaissance vertegenwoordigt de neogotiek een vormentaal die daarmee moeilijk in samenhang te brengen is. Door de keuze voor een neorenaissance-altaar staat het uiteindelijke meubel in een harmonieuze verhouding tot de architectuur van de omringende ruimte.

Allerzielenaltaar, J. Marijnen (mensa) en H. van Tielraden
(Calvariegroep), 1897 (St.-Dionysiuskerk Heike, te Tilburg).
Bisdomsarchief 's-Hertogenbosch, Diocesane Comissie
Kerkelijk Kunstbezit.
Conclusie
Twee kerkelijke objecten met hun eigen achtergrondgeschiedenis. Twee meubelen in een Tilburgse kerk, die van Turnhoutse origine zijn. Alhoewel het werk van Turnhoutse ateliers voor Tilburg voor zover bekend, beperkt gebleven is tot de hier beschreven objecten (afgezien wellicht van het beeld van O.L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, eveneens in de Heikese kerk, waarvan het vermoeden bestaat dat het van Peeters-Divoort is) blijkt toch dat er op religieus-artistiek terrein een relatie bestaan heeft tussen beide plaatsen. In het geval van het Vincentiusbeeld sluit dit aan bij de algemene tendens van de periode 1800-1850. Zoals hierboven vermeld, waren Vlaamse ateliers in die tijd de belangrijkste leveranciers, en onder andere Turnhout genoot grote faam. De keuze voor het atelier van Peeters-Divoort was dan ook niet verwonderlijk. Wat het Allerzielenaltaar betreft, is de Turnhoutse keuze echter enigszins opvallend. Het feit dat men Marijnen verzocht een altaar te ontwerpen is weliswaar niet opzienbarend maar wijkt af van de algemene praktijk in de tweede helft van de 19de eeuw. Door de consolidatie van de katholieke vrijheid, het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853) en de in gang gezette restauratie van de St.-Janskathedraal in Den Bosch (ca. 1850) was er in Brabant een groot aantal ateliers ontstaan dat zich toelegde op de vervaardiging van kerkelijke kunst. Namen van kunstenaars als Goossens (Den Bosch), Van der Geld (Den Bosch) en Custers (Eindhoven) kunnen in verband gebracht worden met ontelbare altaren, beelden en andere objecten die zich in Brabantse kerken bevinden. Door deze situatie was het aandeel van de Belgische kunstenaars veel geringer geworden. Hun afzetgebied ging zich steeds meer beperken tot het eigen land. Dit neemt niet weg dat hun betekenis nog tot de vroege 20ste eeuw blijft voort leven. Tegen deze achtergrond moet de keuze voor Josephus Marijnen geplaatst worden. Waarschijnlijk had de opdrachtgever of een adviseur werk van zijn hand gezien en was dit in de smaak gevallen. Mogelijk had men zelfs een tentoonstelling bezocht in het atelier van de beeldhouwer waar reeds voltooide werken bezichtigd konden worden. Het bezoek aan zo'n tentoonstelling kan ertoe geleid hebben dat besloten werd de Turnhoutenaar Marijnen de eer te geven een altaar te maken voor de zojuist voltooide kapel van het Heike. Dit bevestigt in ieder geval het feit dat Turnhout nog steeds grote faam genoot op het gebied van de beeldende kunsten en zeker ook binnen het gezichtsveld lag van Tilburgse mecenen.
Gebruikte bronnen
Gemeentearchief Tilburg, Archief van de parochie H. Dionysius Heike (1794) 1797-1977
Inv. nr. 567 Kasboek van uitgaven (1897-1908).
Inv. nr. 388/822 Ontwerptekening altaar Allerzielenkapel, 1897.
Gebruikte literatuur
Hest, J. van, 'De huidige kerk van 't Heike'. Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en
cultuur, jrg. 8, nr. 3 (1990) 81-94.
Hest, J. van, 'Gids voor het gebouw en de inventaris van de Sint Dionysiuskerk, 't Heike te Tilburg'.
ibidem 77-80.
Kok, H. de, 'Twee negentiende eeuwse Turnhoutse beeldhouwers: Hendrik Peeters-Divoort en Josephus J.C. Marijnen'.
Brabants Heem, jrg. 33, nrs. 2-3 (1981) 126-132.
Kok, H. de, en Autenboer, E. van (red.), Turnhout groei van een stad.
Turnhout, 1983, 482-486.
Laarhoven, J. van, (red.), 'Naar gothieken kunstzin'. Kerkelijke Kunst en Cultuur in Noord-Brabant in de negentiende eeuw. Catalogus van de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch. 's-Hertogenbosch, 1979, 52 en 118.










