Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tilburgse Historische Reeks 9
De heilige van de Heikant
 

Titel:   

De heilige van de Heikant

Ondertitel:   

Tilburg en de zalige Petrus Donders *

Auteur:   

drs. Karin Bijker

THR 

Godsvrucht en deugdzaamheid.
Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen

Nummer:   

9 (1997) Tilburgse Historische Reeks

Pagina’ s:   

144-169

 

Een heilig man (1)

Petrus Donders werd op 27 oktober 1809 geboren in een klein huisje aan de Moerstraat, Heikant, een min of meer aparte gemeenschap met een landelijk karakter aan de noordelijke rand van Tilburg. Zijn vader, Arnold Donders, was net als vele andere Heikantse mannen, huiswever voor een Tilburgse textielfabrikant. De Tilburgse wolindustrie zorgde in die tijd voor werk voor een groot deel van de Tilburgse bevolking. In 1800 waren bijvoorbeeld op een inwonertal van bijna 8500 ongeveer 4500 mensen werkzaam als wever, verdeeld over veertig fabrieken.(2) De huiswevers kregen garen en andere benodigdheden van de fabrikant, weefden thuis de lakens en leverden die af bij de fabriek. De Heikanters verdienden met deze arbeid vaak nauwelijks genoeg om voedsel en kleding voor hun gezinnen te kunnen bekostigen. Een bescheiden aanvulling leverde het kleine stukje grond dat de meeste families bezaten, soms met een geit. Deze landjes werden doorgaans bewerkt door de vrouwen. Ook het verkopen van opgespaarde urine, vanwege de ammoniak nuttig voor de wolbewerking, leverde wat extra inkomsten op. Maar al met al leidden de Heikanters een armoedig bestaan onder slechte hygiënische omstandigheden. De meeste mensen werden niet oud en kindersterfte kwam veel voor. Dat bleek bijvoorbeeld ook uit het feit dat Arnold Donders reeds twee echtgenotes en drie jonge kinderen had verloren voordat hij trouwde met Petronella van den Brekel, Petrus' moeder. Twee jaar na de geboorte van Peerke, zoals Petrus werd genoemd, kregen zij nog een zoon, Martin. Martin leed aan een vergroeiing van zijn ruggegraat, waardoor hij niet zo sterk was. Dit was een extra belasting voor het gezin. Ook Petronella van den Brekel stierf jong, toen Peerke zes jaar oud was. Ruim een jaar later hertrouwde Arnold Donders met Johanna Maria van de Pas, die volgens de overlevering een goede stiefmoeder was voor de beide jongens. 

Peerke schijnt al van jongsaf aan een vroom kereltje te zijn geweest, dat vanuit een wastobbe preekjes hield voor de kinderen uit de buurt. Later gaf hij hun godsdienstlessen. Na het doorlopen van de lagere school moest Peerke op twaalfjarige leeftijd gaan bijdragen aan het onderhoud van het gezin. Hij leerde eerst om te spinnen, daarna hielp hij zijn vader achter het weefgetouw. Peerke en zijn vader maakten lange dagen; bij grote drukte werkten zij zelfs op zaterdagavond tot twaalf uur en begonnen ze weer op zondagavond om twaalf uur. Deze noeste arbeid weerhield Peerke Donders er niet van om veelvuldig naar de kerk te gaan. Behalve op de zondagen ging hij dagelijks in alle vroegte ter kerke om te bidden. Hij bad ook graag in de Hasseltse kapel, waar tegenwoordig een gedenksteen herinnert aan zijn bezoeken.



Petrus Donders (1809-1887), gefotografeerd door de Surinaamse fotograaf Eugen 
Klein. (Vm. coll. p. J. Dankelman C.ss.R., Nijmegen; foto RHC Tilburg). 

De opleiding tot priester was in die tijd voorbehouden aan jongens uit gegoede Brabantse families. Desondanks was het Peerke's hartewens om priester te worden. Deze wens uitte hij bij zijn biechtvader van 't Goirke, W. van de Ven. Pastoor Van de Ven moet een priesterlijke aanleg in Peerke hebben opgemerkt, want hij ging op zoek naar enige weldoeners die bereid waren Peerke's studie te bekostigen. Toen hij die had gevonden, ging hij met de regent van het kleinseminarie Beekvliet in Sint-Michielsgestel praten. De regent bleek met een tekort aan huisknechten te kampen omdat veel jongemannen in het leger dienden vanwege de Belgische Opstand van 1830. Deze omstandigheid bleek te combineren met het ongebruikelijke verzoek van pastoor Van de Ven om een jongen uit een weversgezin toe te laten op het kleinseminarie. 

Peerke Donders werd op 22-jarige leeftijd als knecht op Beekvliet aangenomen. In zijn vrije tijd mocht hij studeren. Volgens de overlevering deed hij zijn werk zo vol overgave dat de regent hem na een half jaar toestond overdag de lessen te volgen, zodat hij alleen nog 's avonds als knecht behoefde te werken. Met de constructie van knecht/student kozen pastoor Van de Ven en de regent eigenlijk voor een tussenoplossing voor Peerke Donders. Een echte roeping werd niet tegengehouden maar tegelijkertijd werd een mogelijke mislukking ingecalculeerd. Het aannemen van een weverszoon bracht voor de regent namelijk een zeker risico met zich mee. Misschien zou Donders niet kunnen aarden in hogere kringen of zou hij onvoldoende verstand en tact blijken te hebben. Naar verluidt bleek dat allemaal mee te vallen. Peerke Donders behaalde matige cijfers maar blonk uit in de godsdienstige vakken. Omdat hij niet echt tot de studenten en ook niet echt tot de knechten behoorde, zou Peerke veel zijn geplaagd door de andere seminaristen, wat hij goedmoedig verdroeg.

Toen hij zijn studie op Beekvliet had doorlopen, kreeg Peerke Donders van de president van Nieuw-Herlaar, het grootseminarie indertijd, het advies zich aan te melden bij een kloosterorde. De president vreesde dat Donders' weldoeners hun geldelijke steun niet langer vol zouden houden. In een orde zou Peerke in ieder geval een sterke financiële basis hebben van de gemeenschap. In Nederland was het door koning Willem I verboden nieuwe kloosters te bouwen of novicen aan te nemen. Peerke week daarom uit naar Vlaanderen en bood zich aan bij drie ordes, die hem alledrie afwezen vanwege een te hoge leeftijd en een gebrek aan kennis. Vervolgens werd hij toch aangenomen op Nieuw-Herlaar. Hij studeerde daar hard en behaalde betere resultaten dan voorheen. Uiteindelijk ging Peerke Donders' wens op 5 juni 1841 in vervulling: op die dag werd hij tot priester gewijd. In de loop van zijn studie was Donders' interesse gewekt voor de missie van Suriname. Zijn weldoeners moedigden deze belangstelling aan. Missionaris worden was namelijk een elegante oplossing voor de arme weverszoon die, toch al op ongebruikelijke wijze tot het ambt opgeklommen, eigenlijk niet thuishoorde in de kringen van de Bossche clerus. Peerke Donders volgde het advies van zijn weldoeners op en koos voor de missie. 

Op 22 mei 1842 hield Peerke Donders onder grote belangstelling zijn afscheidspreek in de kerk van 't Goirke. In hun Tilburgse Cronique vermeldden Lelie en De Beer deze "afscheidsSermoon" met de toevoeging: "Gemelde P. Donders is Tilburger van geboorte en van zeer minvermogende ouders"(3), waarmee zij wederom onderstreepten hoe bijzonder het was dat Peerke Donders het tot priester had gebracht. Wegens slecht weer duurde het toch nog tot 1 augustus voordat Peerke Donders afreisde naar Suriname. Hij zou nooit meer voet op Nederlandse bodem zetten. De eerste 24 jaren die hij in Suriname doorbracht, werkte Peerke Donders als seculiere priester in Paramaribo en in Batavia, een ver van de stad gelegen melaatsenetablissement aan de Coppenamerivier. Vooral met zijn werk in Batavia dwong hij respect af. Hij hield zich niet alleen intensief bezig met de bekering van de ruim vierhonderd zieken maar verpleegde ze ook eigenhandig. In 1866 werd de Surinaamse missie door Rome opgedragen aan de congregatie der Redemptoristen. Peerke Donders vroeg en verkreeg opname in deze congregatie; hij legde op 24 juni 1867 zijn kloostergeloften af. Sindsdien verbleef hij op Batavia in het gezelschap van een confrater, wat hem in de gelegenheid stelde als eerste priester missiereizen te ondernemen naar de in het oerwoud woonachtige indianen en bosnegers. Hij bleef deze taken vervullen totdat hij op 14 januari 1887 aan een nierontsteking stierf. 

Peerke Donders had zich bij zijn missiewerk steeds gedragen volgens het ideaalbeeld van een priester van zijn tijd. Hij was nederig, ijverig, gehoorzaam, en leidde een sober en arbeidzaam leven. Hij vastte drie dagen per week en nuttigde verder alleen het hoogstnodige. Dagelijks geselde hij zichzelf. Hij sliep per nacht slechts enkele uren op de houten vloer; de rest van de nacht bracht bij biddend voor het altaar van de kerk door. Al tijdens zijn leven deden verhalen over wonderen de ronde. Zo zou Peerke Donders bijvoorbeeld voorspellingen hebben gedaan die bewaarheid werden, een giftige slangenbeet door middel van wijwater hebben genezen en zelfs een storm het zwijgen hebben opgelegd. Of deze dingen werkelijk zo zijn gebeurd, is niet meer te achterhalen. Donders' leven is inmiddels door vele hagiografen beschreven. Een ieder van hen had met die levensbeschrijving tot doel een bijdrage te leveren aan Donders' (blijvende) reputatie en zal daarom geneigd zijn geweest Donders' handel en wandel zo gunstig mogelijk te portretteren.(4) Dat neemt niet weg dat alle tekenen erop wijzen dat Peerke Donders daadwerkelijk `in geur van heiligheid' stierf. 


Een nieuwe Redemptoristen-heilige

Peerke Donders' confraters was zijn verstorven manier van leven niet ontgaan, ook al had hij geprobeerd geen openlijke uitzondering in de kloostergemeenschap te zijn: "Vleesch at hij niet, voorgevend dat het `te taai' was; geen soep, omdat ze `te zout' heette; wijn gebruikte hij niet, omdat `hij liever water dronk'; de fel stekende muskieten sloeg hij niet af, omdat hij zeide, hun beten niet te voelen; de walgelijke lucht der leprozenhutten ademde hij zonder teekenen van weerzin in, omdat hij `er aan gewoon was'. (...) Als men hem voorhield, dat de hitte der tropen een siësta in het middaguur noodzakelijk maakte, antwoordde hij, dat hij over vermoeidheid niet te klagen had en `gewoon' was zoo maar stilletjes door te werken".(5) 

Desondanks moeten zijn oversten in Peerke Donders een potentile heilige hebben herkend. Nieuwe heiligen nu waren zeer gewenst in de relatief jonge congregatie van Redemptoristen, die in 1732 in Italië was opgericht. De congregatie had pas sinds 1855 een Nederlandse provincie, waartoe ook de missies van Suriname en Noordoost-Brazilië behoorden. Zij vonden in het sinds 1853 gerestaureerde clericale bestel een plaats als rondtrekkende volksmissionarissen. Ten tijde van Donders' dood hadden de Redemptoristen in Nederland zes kloosters, vanwaaruit zij opereerden. Groei van de Nederlandse afdeling was zeer gewenst omdat met name de buitenlandse missies veel mankracht vroegen. Een Nederlandse Redemptoristen-heilige zou tot de verbeelding van Nederlandse rooms-katholieke jongemannen spreken en hen ertoe kunnen aanzetten zich aan te melden als novice. Verder zou zo'n heilige een stichtende invloed kunnen uitoefenen op de gelovigen en aan hen ten voorbeeld kunnen worden gesteld. Al met al zou een heilige de congregatie de mogelijkheid bieden haar positie in de Nederlandse kerkelijke constellatie te verstevigen.
Nog tijdens Peerke Donders' leven troffen zijn superieuren al maatregelen om zijn heilige reputatie vast te leggen. In 1882 kreeg zijn confrater te Batavia bijvoorbeeld de opdracht Donders' gedrag op schrift bij te houden. Zijn overste in Suriname bleek in 1886 "enige haren van den Eerbiedwaardigen man" te bewaren, "al sinds jaren in mijn bureau bij soortgelijke heiligdommetjes". Zijn provinciale overste hield Donders' brieven zorgvuldig apart.(6) 

Klaarblijkelijk had Peerke Donders dus tijdens zijn leven al stille vereerders. Maar dat was niet voldoende om als heuse Redemptoristen-heilige te kunnen fungeren. Daarvoor was kerkelijke erkenning van zijn heilige levenswandel vereist. Na Donders' dood wezen vooronderzoeken uit dat zijn faam als heilig man inderdaad onbesproken was. Dat maakte voor de Redemptoristen de weg vrij tot het aanspannen van een kerkelijk proces voor de zalig- en heiligverklaring van Peerke Donders. 



In 1900 gingen de diocesane processen van start. Aan de hand van 183 
stellingen en artikelen werden in Paramaribo 46 getuigen en in Den 
Bosch 73 getuigen gehoord. Dit alles werd door Petrus van Bergen 
C.ss.R., 'De Postulator der Zaak', vastgelegd. (Coll. RHC Tilburg). 

In 1900 gingen de zogenaamde diocesane processen van start in Paramaribo en 's-Hertogenbosch, de bisdommen waartoe Peerke Donders had behoord. Aan de hand van 183 stellingen en artikelen werden in Paramaribo 46 getuigen en in Den Bosch 73 getuigen gehoord. Dit was het begin van een langdurige procedure waarvan het eerste gedeelte in 1913 werd afgesloten met de goedkeuring van de gevoerde diocesane processen door het verantwoordelijke orgaan te Rome, de Ritencongregatie. Dit bracht met zich mee dat Peerke Donders voortaan met het predikaat `Eerbiedwaardige Dienaar Gods' aangeduid mocht worden. Na de diocesane processen volgden nog uitgebreide apostolische processen in 1914, 1915, 1919, 1931 en 1936. In 1938 vaardigde paus Pius XI het decreet uit dat de geldigheid van de tot dan toe gevoerde processen bekrachtigde.(7) 


Tilburg: voedingsbodem voor de Dondersverering 

Tijdens Peerke Donders' leven was zijn Brabantse achterland op de hoogte gebleven van zijn doen en laten via correspondentie en via artikelen in dag- en weekbladen van rooms-katholieke signatuur. Dat de band tussen Tilburg en Peerke Donders ook na ruim veertig jaar na zijn vertrek nog levendig was, bewijst pater C. van Coll in Donders' necrologie in `De Volksmissionaris': "Bij zijn vertrek uit het vaderland liet hij zulk een indruk achter, dat tot den dag van heden toe men niet heeft opgehouden giften voor de Missie op te zenden onder uitdrukkelijk beding, dat Pater Donders voor de weldoeners eenige Heilige Missen lezen of ten minste voor hen bidden zou."(8) 

Ook na zijn dood bleef Tilburg in Peerke Donders geïnteresseerd. De Tilburgse kranten besteedden uitgebreid aandacht aan zijn overlijden en ook aan (de voorbereidingen op) het diocesane proces in Den Bosch. Bij het verschijnen van de eerste levensbeschrijving van Peerke Donders in 1893 zijn delen hieruit in rooms-katholieke dag- en weekbladen afgedrukt; ook later werd meerdere malen Donders' levensverhaal gedaan. Deze artikelen zijn regelmatig overgenomen door de Tilburgsche Courant. De nadruk in de berichten over Peerke Donders in de Tilburgse kranten lag steeds op Peerke Donders als stadgenoot `van minvermogende ouders', die het desalniettemin tot priester had weten te brengen, en wat voor een priester! Regelmatig werd Donders triomfantelijk aangeduid als `De glorie van Tilburg'. 

Dergelijke taal was een kenmerk van het rooms-katholicisme sinds het herstel van de kerkelijke hiërarchie in 1853. Tilburg was er misschien wel bij uitstek geschikt en gevoelig voor omdat in 1899 maar liefst 97,1% van de bevolking te boek stond als rooms-katholiek.(9) Peerke Donders werd op die manier tot symbool van het katholieke Tilburg gemaakt. Zijn afkomst maakte hem ook nog eens een aansprekend voorbeeld voor de vele fabrieksarbeiders en huiswevers in de stad, die het nog steeds niet breed hadden. Voor de Tilburgse clerus en fabrikanten was Donders ook nog eens een nuttig voorbeeld om de invloed van het socialisme, dat in andere fabriekssteden voet aan de grond begon te krijgen, te bezweren; Peerke Donders was immers altijd gehoorzaam geweest aan zijn meerderen.

In Tilburg was dus duidelijk een voedingsbodem voor de verering van Peerke Donders. Bovendien vormden devoties toentertijd een vast onderdeel van de rooms-katholieke godsdienstbeleving. Het waren zijn gewezen buurtgenoten van de Heikant die daadwerkelijk een begin maakten met de Dondersdevotie op een vaste plek. Na de dood van hun vader in 1834 hadden Peerke en zijn broer Martin de grond verkocht en hun huisje was inmiddels afgebroken. Er restte slechts een oude put, die al snel `Pater Dondersput' werd gedoopt. Pelgrims haalden water uit deze put in de veronderstelling dat het miraculeuze kracht bezat. In 1900 is de bovenrand van de put gerepareerd en met een eikenhouten schutsel omgeven. Later kreeg de put een deksel en werd het water naar een pomp geleid. Ook is een bord geplaatst met de tekst: "Het water van dezen Pater Dondersput was duizenden vromen pelgrims reeds tot nut; niet in 't water was de kracht gelegen maar het vroom gebruiken bracht den zegen." 



In de nabijheid van de houten 'Pater Dondersput' (rechts) op de geboortegrond van Peerke Donders 
ontstond in het begin van deze eeuw een bescheiden bedevaartsplaats. De gedenksteen bevindt zich 
thans in het 'geboortehuisje'. (Vm. coll. p. J. Dankelman C.ss.R., Nijmegen; foto RHC Tilburg).

Met deze tekst zal zeker ook zijn ingestemd door de Redemptorist pater L.B. Luykx. Hij ontdekte namelijk dat de put helemaal niet door Peerke Donders gebruikt kon zijn geweest. Hij schreef in 1904 aan L.E.G.A. Moonen, kapelaan van de Heikantse parochie O.L.V. Onbevlekt Ontvangen: "Ik wil natuurlijk O.L.H. geen wetten voorschrijven. Hij kan wonderen doen met elk water dat Hij verkiest. Maar U, den Custor van het H. Landje, wilde ik er oplettend op maken. Wat is het geval? De put waaruit het z.g. miraculeus water getapt wordt ligt niet op het terrein dat aan de familie Donders heeft toebehoord. (...) Men zou echter nog ter vergoelijking kunnen aanvoeren `maar Peerke heeft er water gehaald'. Dit betwijfel ik ten sterkste, want als ik mij niet vergis hebben de gebroeders Bernards (die oude luidjes waar wij samen geweest zijn) mij verzekerd dat die put veel later is gegraven geworden. Om dus valsche devoties, die den critiek niet kunnen doorstaan en later een oorzaak van bespotting zullen worden, was het goed dat U het punt in quaestie eens onderzocht."(10)


Wereldwijde devotie voor Peerke Donders

De laatste zin uit het bovenstaande citaat uit de brief van pater Luykx is tekenend voor de opstelling van de Redemptoristen inzake de devotie voor hun confrater. Hun eerste prioriteit lag bij de zalig- en heiligverklaring van Peerke Donders. Het gebruik van het water uit de put aan de Heikant borg vanuit dit oogpunt het gevaar in zich dat een smet op de kandidaat-zalige geworpen zou worden. Openbare verering van iemand die nog niet zalig is verklaard, is volgens het kerkelijk wetboek namelijk verboden. Bovendien zouden vereerders het `vroom gebruiken' van het water wel eens te licht op kunnen vatten en het gebruik van het wonderdadige water als doel op zich in plaats van als goddelijk voertuig kunnen beschouwen.

Voorzichtigheid was dus geboden. Maar voor de Redemptoristen was het eenvoudigweg niet mogelijk om toezicht bij de put te houden, omdat zij geen klooster in Tilburg hadden. Vandaar de vraag van pater Luykx aan kapelaan Moonen om een oogje in het zeil te houden. Dat nam niet weg dat de congregatie plannen had met de geboortegrond van Peerke Donders. Zij kocht vanaf 1902 verschillende percelen die tot het terrein van vader Donders hadden behoord aan en deed dat ook met de aangrenzende percelen. Deze aankopen hadden tot doel: "Mocht dus, naar wij hopen, het Proces van den Dienaar Gods Petrus Donders, tot zijne zalig- en heiligverklaring leiden, dan zou het terrein zeer geschikt wezen, om er eene beevaartskapel te bouwen."(11)



Pater Dondersput bij de ingang van het bedevaartsoord aan de Pater Dondersstraat in de jaren 
veertig. Bij deze put hing toen een bord met het opschrift: 'Het water van dezen Pater Dondersput 
was duizenden vromen pelgrims reeds tot nut; niet in 't water was de kracht gelegen, maar het 
vroom gebruiken bracht den zegen.' (Vm. coll. p. J. Dankelman C.ss.R., Nijmegen; foto RHC Tilburg).

Voor de Redemptoristen was het inrichten van een bedevaartplaats op de geboortegrond van Peerke Donders dus een langetermijnplan. Maar meer bekendheid van hun confrater was wel noodzakelijk. Voor een zaligverklaring zijn namelijk twee wonderen vereist. De kans op een wonder zou natuurlijk vergroten wanneer meer gelovigen om Donders' voorspraak zouden vragen. Het stimuleren van de `algemene'(12), dat wil zeggen niet-plaatsgebonden, devotie voor Peerke Donders viel wel degelijk binnen de kerkrechtelijke regels en was te organiseren zonder een vaste standplaats in Tilburg. 
Het was in eerste instantie dan ook deze algemene devotie waar de Redemptoristen zich op toelegden. Zij lieten relikwieën van de grafkist van Peerke Donders uit Suriname overkomen, vervaardigden medailles en prentjes met zijn beeltenis en gaven gebedenboekjes en levensbeschrijvingen uit. De verspreiding van deze devotionele artikelen verliep met name via hun kloosters en via hun volksmissies, waarmee zij vele parochies aandeden. Hun bereik besloeg ook nog eens de eigen missiegebieden Suriname en Noordoost-Brazilië. Bovendien kon Peerke Donders in principe in alle landen ter wereld waar leden van de congregatie werkzaam waren, geïntroduceerd worden. Om die reden maakten de Redemptoristen ook devotionalia en levensbeschrijvingen met teksten in onder andere het Portugees, Frans, Engels en Italiaans aan. Deze werden verspreid en aanbevolen door confraters uit andere Redemptoristen-provincies.

Opmerkelijk in het bevorderen van de verering van Peerke Donders in Nederland was dat de Redemptoristen de Dondersdevotie koppelden aan het steunen van de Surinaamse missie. Hun missietijdschrift `Het Hofbauer-Liefdewerk' kreeg in 1924 de nieuwe titel `Petrus Donders'. Het blad werd zowel gevuld door missionarissen met stukken over de stand van zaken op de verschillende Surinaamse missieposten, als door de zogenaamde vice-postulator, de pater Redemptorist die als afgevaardigde van de algemene postulator in Rome zorg droeg voor de bewijsvoering voor het proces van zaligverklaring voor Peerke Donders. Van 1899 tot 1912 werd de taak van vice-postulator in Nederland vervuld door pater P. van Bergen en van 1914 tot 1936 door pater H. Mosmans. 

Andere belangrijke bijdragen voor het tijdschrift werden geleverd door de Redemptorist pater M. van Grinsven, die nauw betrokken was bij het bevorderen van de devotie voor Peerke Donders. Pater Van Grinsven schreef in 1921 bijvoorbeeld ook een noveenboekje ter ere van Peerke Donders(13) en in 1924 het Pater Donders Kerkboekje(14). Na de oorlog verschenen van zijn hand de twintig deeltjes van de Peerke Dondersreeks.


Een heiligdom aan de Heikant

De talrijke opties die de Redemptoristen ter beschikking stonden om hun aspirant-zalige wereldwijd onder de aandacht te brengen, namen echter niet weg dat Peerke Donders afkomstig was van de Heikant. Zijn geboortegrond was uniek, want het was hier waar hij het eerste deel van zijn leven had gelopen, gebeden, gepraat en gewerkt. Dat bracht hem dicht bij de Heikanters, die hem dan ook nog steeds beschouwden als een van hen. Ook al waren de levensomstandigheden ten opzichte van Peerke's jeugd wel verbeterd, toch waren armoede en gebrek allerminst verleden tijd. De Heikanters waren ervan overtuigd dat Peerke Donders, nu in de hemel, bij uitstek een geschikte bemiddelaar bij God was voor hun noden en verlangens, omdat hij de situatie waarin zij verkeerden aan den lijve had ondervonden.

Ongetwijfeld heeft de Heikantse clerus dit gevoelen onder een groot deel van zijn parochianen al in een vroeg stadium erkend en aangewakkerd. Een eigen, Heikantse heilige bood immers het voordeel van een aansprekend voorbeeld voor de Heikantse bevolking van vooral keuterboeren en huiswevers. Wellicht heeft ook een rol gespeeld dat een heilige van eigen bodem de Heikant de gelegenheid bood zich te profileren ten opzichte van de rijkere en meer gevestigde parochies van Tilburg. Heikant was pas sinds 1873 een zelfstandige parochie en stond als buurt niet zo hoog aangeschreven. Het was toch maar mooi deze parochie die Tilburgs eerste heilige voortbracht. Hoe het ook zij, pastoor en kapelaan hebben de Donders-verering mettertijd opgenomen in het geestelijk leven van de parochie Heikant. Ook onderhielden zij contact met de Redemptoristen van Den Bosch over Donders' geboortegrond, zoals uit de bovenstaande correspondentie tussen kapelaan Moonen en pater Luykx al bleek. 

Op 20 mei 1923 lieten de Redemptoristen op de plek waar het huisje had gestaan waarin Peerke Donders was geboren, een marmeren gedenksteen plaatsen met het opschrift: "Op deze plaats werd 27 Oct. 1809 geboren de Eerbiedwaardige Petus Donders." Maar een gedenksteen was voor de toenmalige pastoor van de Heikant, H. van de Veerdonk, naar verluidt zelf een vurig vereerder van Peerke Donders, niet voldoende. Hij was van mening dat op de geboortegrond een kapel gebouwd moest worden en was ervan overtuigd dat zo'n beschutte plaats meer pelgrims aan zou trekken. In de kapel zou geen altaar geplaatst kunnen worden, omdat Peerke Donders nog niet de status van zalige had. Dat betekende dat liturgische vieringen altijd nog in de parochiekerk gehouden zouden moeten worden; een kapel zou daarom een goede aanvulling zijn op het religieuze aanbod in de parochie.
Pastoor Van de Veerdonk wendde zich tot de Redemptoristen. Beide partijen kwamen overeen dat op de geboortegrond van Peerke Donders een noodkapel zou worden opgetrokken. Daarbij golden de volgende voorwaarden: de kapel werd eigendom van de congregatie, terwijl de onkosten voor de bouw ten laste zouden komen van de pastoor, die op zijn beurt uit het offergeld schadeloos zou worden gesteld. De pastoor werd tevens belast met de zorg voor "de zindelijkheid der Kapel en voor de goede orde in de Kapel en op het terrein".(15) Ter compensatie zou hij een derde deel ontvangen van de inhoud van de offerbus in de kapel. De Redemptoristen waren verantwoordelijk voor het onderhoud van de kapel. Eventuele geschillen over het nakomen van de overeenkomst moesten worden voorgelegd aan de bisschop van Den Bosch. 



Gelithografeerde bedevaartvaantje van de 'Eerbiedwaardige Dienaar Gods Petrus Donders, Apostel der Melaatschen', ca.  1930. 
Afgebeeld zijn het geboortehuis, kapel, standbeeld aan het Wilhelminapark en het portret van Petrus Donders. (Coll. Ronald 
Peeters; foto RHC Tilburg).

De houten noodkapel werd op 28 oktober 1923 ingezegend en toegewijd aan de Allerheiligste Drievuldigheid. In de kapel hing een groot schilderij van Peerke Donders. De bouw van de kapel had het door de pastoor gewenste effect: er kwamen steeds meer pelgrims, nu ook in georganiseerd verband. In een theehuis op de geboortegrond werden versnaperingen en devotionalia verkocht. Jaarlijks kwamen er processies uit Tilburg en plaatsen uit de buurt. De aantrekkingskracht van de kandidaat-zalige beperkte zich dus niet tot de Heikant of Tilburg. Het feit dat Peerke Donders een Brabander van arme komaf was, sprak kennelijk gelovigen uit een wijdere omgeving aan. Bovendien zal tot de groei hebben bijgedragen dat een bedevaart toentertijd een van de weinige manieren was om er een dagje uit te zijn. De Brabantse clerus mobiliseerde de gelovigen massaal om Peerke Donders' geboortegrond te bezoeken. Broederschappen, afdelingen van de Heilige Familie, parochieraden, seminaristen, missiegenootschappen en andere rooms-katholieke verenigingen trokken met hun vaandels en banieren op naar de kapel. 



Inzegening op 14 januari 1931 van het op basis van een beschrijving van Maria van Diessen-
Matijsen gereconstrueerde geboortehuisje van Peerke Donders. (Coll. RHC Tilburg).

De bouw van de kapel had een onomkeerbaar proces in gang gezet, waarbij de Redemptoristen het zich niet langer konden veroorloven zich vooral op de algemene devotie voor Peerke Donders te richten. Er als het ware ingezogen door het initiatief van pastoor Van de Veerdonk was meer betrokkenheid bij de ontwikkelingen aan de Heikant geboden. Toen de congregatie in 1926 elders afgedankte kruiswegstaties kreeg aangeboden, liet ze deze dan ook opstellen in een bij de kapel aangelegd kruiswegpark. In 1931 is naast de kapel het geboortehuisje van Peerke Donders nagebouwd naar een idee van en bekostigd door een bemiddelde confrater. De in 1923 opgerichte marmeren gedenksteen werd tussen de twee bedsteden in het woonvertrek gemetseld. Dezelfde confrater ijverde voor de vervaardiging van een monument waarop verschillende taferelen uit Peerke Donders' leven staan afgebeeld. Dit monument is op 10 september 1933 onthuld. In tien jaar tijd was op de geboortegrond van Peerke Donders een compleet bedevaartoord verrezen.(16)


Tilburgse bijdragen

De gemeente Tilburg leverde ook zo haar bijdragen aan de bloei van het kersverse bedevaartoord aan de Heikant. Zo besloten Burgemeester en Wethouders in 1924 al het zuidelijke deel van de Moerstraat, waaraan Peerke Donders' geboorteterrein was gelegen, te vernoemen naar de toekomstige zalige. Dit gedeelte heette voortaan Pater Dondersstraat. Ook zorgden zij voor extra bussen op zon- en feestdagen en op de woensdagmiddag wanneer het zogenaamde smeekuur in de kapel werd gehouden. Dit smeekuur was, vermoedelijk in 1924, ingesteld door J.L. Weesie, een leraar aan de Tilburgse ambachtsschool. Het werd druk bezocht: "'s Woensdagsmiddags werd er meerdere malen een dubbele stadsbusregeling ingelast, want het was er dikwijls (vooral met gunstig weer) eivol!"(17)

Ook zijn in Tilburg andere initiatieven ter bevordering van de verering van Peerke Donders ontplooid. Zo is in 1921 bijvoorbeeld het Petrus Dondersfonds opgericht, een missiestudiefonds dat beurzen voor het seminarie verschafte aan Tilburgse jongens uit arme gezinnen. Ook zijn de patronaten van 't Goirke en de Heikant, een fraterhuis, een EHBO-vereniging en een school voor moeilijk opvoedbare meisjes naar de aspirant-zalige vernoemd. Op de eerste Tilburgsche Missieweek in 1923 was een stand ingericht met Peerke Dondersartikelen en informatie over de Surinaamse missie. In 1928 werd in de fabriek N.V. Janssens van Buren, waarvoor Peerke Donders van 1821 tot 1831 als huiswever had gewerkt, een borstbeeld van hem geïntroniseerd. In 1937 is ter gelegenheid van Donders' vijftigste sterfdag het `historisch openluchtspel Peerke Donders' opgevoerd. 
Maar de grootste hulde die de stad Peerke Donders bracht, was het Petrus Dondersmonument, dat op 1 augustus 1926 aan de ingang van het Wilhelminapark werd onthuld. De aanzet voor de oprichting van dit standbeeld gaf de vereniging Noorderbelang, die zich bezighield met de belangen van het noorden van de stad. In 1922 werd een uitvoerend comité ingesteld, waarin Tilburgse geestelijken en notabelen zitting hadden en pater Van Grinsven namens de Redemptoristen. Later zijn in de rest van het land subcomités opgericht. De Tilburgse bladen publiceerden eensgezind over de inzamelingsactie voor het monument. Na een jaar was er reeds ruim vijfduizend gulden bijeengebracht; in 1926 was dat ruim tienduizend gulden.(18) Het was dan ook mogelijk om een groot standbeeld te laten vervaardigen.

Van de onthulling van het monument werd in Tilburg een hele gebeurtenis gemaakt. 's Ochtends droeg de bisschop van Den Bosch, mgr. A.F. Diepen, een pontificale mis op in de parochiekerk van 't Goirke. 's Middags werd het beeld onder grote belangstelling daadwerkelijk onthuld. Er zijn kransen bij het beeld gelegd en er is langs gedefileerd door een honderdtal plaatselijke verenigingen. 's Avonds was het beeld verlicht en werd het bewonderd door duizenden mensen. In het grasperk stond met lichtende letters te lezen: "Hulde aan Petrus Donders" en "Steunt het Petrus Dondersfonds".(19)

De Pater Donders Vereniging

De lokale devotie in Tilburg en de enorme toeloop op de geboortegrond van Peerke Donders dwongen de Redemptoristen er bijna toe hun strategie van het vooral stimuleren van de algemene devotie wat aan te scherpen. In dit licht kan de oprichting van de Pater Donders Vereniging worden gezien. Deze vereniging werd op 30 maart 1934 met bisschoppelijke goedkeuring in het Redemptoristenklooster van Den Bosch opgericht. Het doel van de vereniging was het stimuleren van de verering van Peerke Donders volgens de wetten en in de geest der kerk. Een vereniging bood de Redemptoristen de gelegenheid intenties, giften, processies en gebedsverhoringen in één orgaan te cordineren. Dat was ook wel nodig, want behalve in Tilburg en wijde omgeving begon Peerke Donders ook in de rest van Nederland bekendheid te verwerven, met name in plaatsen waar Redemptoristenkloosters waren, zoals Amsterdam, Roosendaal, Rotterdam en Nijmegen. 
De vice-postulator van het proces tot zalig- en heiligverklaring van Peerke Donders was tevens directeur van de Pater Donders Vereniging. Verder kreeg de Pater Donders Vereniging haar eigen spreekbuis doordat de redactie van het missietijdschrift `Petrus Donders' besloot tot uitbreiding van het blad. De titel veranderde in `Het Petrus Donders Tijdschrift' met als ondertitel: "gewijd aan de Vereering en de Missie van den Eerbiedwaardige, tevens orgaan der `Pater Donders-vereeniging' en van het `Hofbauer-Liefdewerk'". Het vernieuwde blad was dus nog steeds deels missietijdschrift en deels devotietijdschrift. Het verscheen maandelijks tegen een contributie van 25 cent per jaar. Die contributie werd grotendeels ingezameld door zelatricen en een enkele zelateur, die tevens nieuwe abonnees wierven. 

In het tijdschrift kwamen missie, devotie en zaligverklaring aan bod. In beschouwende artikelen kwamen gebeurtenissen uit het leven of bepaalde karaktertrekken van Peerke Donders aan de orde. Er werd een serie geplaatst over de stamboom van Peerke Donders en er werden geschriften van de toekomstige zalige zelf gepubliceerd. Onder het kopje `Petrus Donders' Missieland Suriname' verschenen wetenswaardigheden over de missionarissen die in Suriname werkzaam waren. Daarnaast werd aandacht besteed aan de geschiedenis van de missie en de melaatsenverzorging in Suriname, en werden verhalen van missionarissen over hun werk en hun devotie voor Peerke Donders geplaatst. 
De rubriek `Pater Donders' Kroniek' leverde verslagen van de vieringen die in de kapel aan de Heikant hadden plaatsgehad. In aparte oproepen werden de lezers aangespoord het smeekuur te bezoeken en deel te nemen aan de jaarlijkse bedevaarten. Die werden behalve vanuit Tilburg georganiseerd vanuit onder andere Berkel, Udenhout, Enschot, Loon op Zand, Den Bosch, Kaatsheuvel, Gilze, Goirle, Oosterhout, Rijen, Den Dungen, Moergestel, Etten-Leur, Roosendaal, Nijmegen, Oisterwijk, Sint-Michielsgestel, Eindhoven, Vught, Rotterdam, Breda en Oirschot.(20) Bovendien werden liederen gepubliceerd die tijdens de processies gezongen konden worden. 

De rubriek `Gevraagd en Verkregen' vermeldde gebedsverhoringen op voorspraak van Peerke Donders. De vice-postulator verzocht onder hetzelfde kopje, gebedsverhoringen zo spoedig en volledig mogelijk aan hem te laten weten. In 1938, toen pater Mosmans als vice-postulator inmiddels was opgevolgd door pater Van Grinsven, verscheen in het Tilburgse weekblad Roomsch Leven een beschouwing over de gebedsverhoringen, die door Het Petrus Donders Tijdschrift werd overgenomen.(21) Het bleek dat in vier jaar tijd 244 gebedsverhoringen in Het Petrus Donders Tijdschrift waren gepubliceerd, afkomstig uit alle delen van het land, maar vooral uit Tilburg en omgeving. De meeste verhoringen hadden betrekking op genezing van ziekte, andere op hulp in tijden van geestelijke nood. Het Petrus Donders Tijdschrift bevatte tot slot eveneens berichten over het verloop van het zaligverklaringsproces. Er werden regelmatig getuigenissen uit de gevoerde diocesane en apostolische processen gepubliceerd. 

Dank aan de beschermheer van Tilburg

Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog had uiteraard ook gevolgen voor de verering van Peerke Donders. De algemene devotie stagneerde doordat de abonnees van de Pater Donders Vereniging niet meer konden worden bereikt, omdat de uitgave van Het Petrus Donders Tijdschrift, formeel wegens papiergebrek, moest worden gestaakt. Maar ook de lokale devotie werd bemoeilijkt toen de Duitse autoriteiten in 1940 een collecteverbod afkondigden en twee jaar later ook een processieverbod. De Donders-devotie kon dus niet langer openlijk op zijn geboortegrond worden geuit. Dat betekende allerminst dat Peerke Donders aan heiligheid inboette: in Tilburg kwamen prentjes in omloop waarop hij stond afgebeeld als beschermheer van de stad. In oktober 1944 riepen de Tilburgse bladen op om niet alleen tot Maria maar ook tot Peerke Donders te bidden voor een spoedig einde van de bezetting. Volgens de overlevering bleven de gevolgen niet uit: op de geboortedag van Peerke Donders, 27 oktober, 1944 werd Tilburg bevrijd.

Deze weergave van de gebeurtenissen speelt de clerus die bij de Dondersdevotie betrokken was, welwat in de kaart. Tijdens de oorlog had de Tilburgse katholieke moraal het namelijk zwaar te verduren gehad en de geestelijkheid had helemaal niet meer zoveel grip op de leken. De bevrijding bracht in dat opzicht ook een gevaar met zich mee: de zedeloze omgang van Tilburgse meisjes en vrouwen met geallieerde soldaten.(22) Om dit gevaar en de meer algemene normvervaging te bestrijden en tegelijkertijd de godsdienstige situatie van voor de oorlog te herstellen, startte de Brabantse clerus een offensief om zijn parochianen op te wekken tot het leiden van een katholiek deugdelijk leven. In dit kader kan ook de oprichting van de Tilburgse stichting "Dank aan Petrus Donders" worden gezien. Deze stichting dateert van 27 september 1945 en bestond uit gegoede Tilburgers met de deken van de stad als erevoorzitter.

Artikel twee van de statuten verwoordde het doel van de stichting: "De Stichting, welke uitsluitend een idieëel geestelijk doel beoogt en als instelling van algemeen geestelijk nut werkzaam zal zijn, heeft ten doel de bevordering van de devotie voor en de heiligverklaring van den Eerbiedwaardigen pater Petrus Donders."(23) Vanaf 1945 organiseerde de stichting op Peerke Donders' geboortedag jaarlijkse dank- en bedetochten naar zijn geboortegrond. Het voltallige Tilburgse gemeentebestuur, alle rooms-katholieke verenigingen en alle Tilburgse parochies onder leiding van hun pastoors liepen onder begeleiding van muziekkorpsen mee in de stoet. De eerste vijf jaren dat de tocht is gehouden, namen ongeveer tienduizend mensen eraan deel. Als vanouds kondigden de Tilburgse bladen de dank- en bedetochten lang van tevoren aan. Ieder jaar waren bepaalde intenties aan de tocht verbonden. In 1946 waren dat bijvoorbeeld: "de bevestiging van de ware vrede in Nederland", "zegen over de huisgezinnen" en "een spoedige en behouden terugkeer van de jongens uit Indië".(24)

De stichting "Dank aan Petrus Donders" deed in 1946 ook een verzoek aan de Redemptoristen om, na het overlijden van de heer Weesie, die de smeekuren vanaf de oprichting van de kapel had geleid, opnieuw een wekelijks smeekuur in te stellen. De congregatie ging daar graag op in en voortaan kwam pater Van Grinsven iedere woensdagmiddag uit het klooster in Den Bosch naar de Heikant om daar het smeekuur te leiden. Een van de redenen waarom de congregatie het verzoek van de Tilburgse stichting waarschijnlijk inwilligde, was dat het zaligverklaringsproces van Peerke Donders in Rome inmiddels in een beslissend stadium terechtgekomen was. In de oorlogsjaren 1941, 1942 en 1943 waren in Rome de drie vergaderingen over het deugdenleven van Peerke Donders gehouden waarin de `advocaat van de duivel' had getracht bepaalde daden van Donders in een kwaad daglicht te stellen. Deze beschuldigingen konden echter allemaal worden ontkracht. Op 25 maart 1945 had paus Pius XII dan ook het decreet over `de heldhaftigheid van de deugden' van Peerke Donders afgekondigd.(25) 

Dat betekende dat er geen enkel bezwaar was gevonden in de persoon en de levenswijze van de kandidaat om hem uit te kunnen roepen tot zalige, en later tot heilige. Volgens de procedure was het nu wachten op de twee voor de zaligverklaring vereiste wonderen. Voor de Redemptoristen was het daarom zaak de inspanningen nog meer te richten op het stimuleren van de Dondersverering en er vooral voor te zorgen dat vice-postulator Van Grinsven op de hoogte werd gesteld van eventuele wonderbaarlijke gebedsverhoringen. Tot dusver waren dan wel vele gebedsverhoringen opgetekend, maar er had er nog geen één tussen gezeten die aan de kerkrechtelijke criteria voor wonderbaarlijkheid had kunnen voldoen. De massale belangstelling voor de dank- en bedetochten en de smeekuren in Tilburg bood een aanknopingspunt om de Dondersverering tot vooroorlogse proporties terug te brengen. Daarnaast bliezen de Redemptoristen de Pater Donders Vereniging en Het Petrus Donders Tijdschrift, die tijdens de oorlogsjaren slechts gebrekkig het contact met de vereerders hadden kunnen behouden, nieuw leven in. Op deze manier werden zoveel mogelijk mensen bereikt en aangespoord hun gebeden tot de voorspreker Peerke Donders te richten.


Veranderingen in kerk en stad

In de jaren vijftig bleef de verering voor Peerke Donders ongeveer op dezelfde wijze beleefd en beleden worden. De dank- en bedetochten trokken langzamerhand wat minder deelnemers dan in de eerste naoorlogse jaren, maar er was toch nog steeds sprake van enige duizenden mensen. Verder zijn de gebruikelijke jaarlijkse processies en bedevaarten naar de kapel op de geboortegrond gehouden en bleef het wekelijkse smeekuur goed bezocht. Na het overlijden van pater Van Grinsven in 1950 werd pater F. de Witte vice-postulator, directeur van de Pater Donders Vereniging en voorbidder tijdens de smeekuren. De nationale en de Brabantse rooms-katholieke bladen verleenden als vanouds hun medewerking aan het afkondigen van nationale novenen voor de spoedige zaligverklaring van Peerke Donders, nieuwe levensbeschrijvingen of andere vermeldenswaardige Dondersgebeurtenissen. Enigszins verbazingwekkend in dit verband is een bericht in het blad Brabantia uit 1956: "In Tilburg kwijnt de devotie voor Peerke Donders zeer bedroevend."(26) Bij lezing blijkt het bericht te slaan op het aanvankelijk tegenvallende bezoekersaantal van het openluchtspel `D'n beste wever van Tilburg' dat van 24 augustus tot en met 2 september 1956 in de tuin van het Missiehuis aan de Bredaseweg werd opgevoerd. Het is echter maar de vraag of dit bezoekersaantal als graadmeter voor het al dan niet "kwijnen" van de devotie beschouwd kan worden.



Laatste dank- en bedetocht van de stad Tilburg naar het geboortehuis van Peerke 
Donders in 1964. (Coll. RHC Tilburg).

Van een tanende belangstelling voor Peerke Donders was eigenlijk pas sprake vanaf ongeveer 1965. De laatste dank- en bedetocht van de stad Tilburg werd in 1964 gehouden. Ook het aantal deelnemers aan jaarlijkse bedevaarten en processies en aan het wekelijkse smeekuur nam vanaf die tijd af. Deze teruggang was gedeeltelijk te wijten aan veranderingen in kerk en maatschappij. Die veranderingen werden als het ware geïllustreerd doordat het voorheen geïsoleerd gelegen heiligdom van Peerke Donders inmiddels aan de rand lag van een ruime nieuwbouwwijk met flats. Deze wijk, Heikant-Quirijnstok, kende vele nieuwe inwoners. Voor hen werd in 1964 een andere parochiestructuur ingevoerd met drie kerken in plaats van de ene O.L.V. Onbevlekt Ontvangenkerk. De bisschop droeg de zielzorg voor de nieuwe parochie op aan de paters Norbertijnen van de abdij van Berne te Heeswijk-Dinther. Een aantal Norbertijnen kwam op de pastorie wonen en ging als team van pastores aan de slag op basis van de inzichten en opvattingen van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). 

Tijdens het Concilie was een idee, dat al langere tijd in de kerk leefde, geformaliseerd. Het ging om het idee dat de rooms-katholieke kerk er voor iedereen is, dat wil zeggen voor priesters én voor leken. Deze opvatting zette een aantal veranderingen in gang, zoals bijvoorbeeld dat de liturgie voortaan in de volkstaal werd gevoerd in plaats van in het Latijn. Vele gelovigen verwelkomden de modernisering van de kerkelijke praktijk. Maar er waren ook gelovigen die de veranderingen zagen als ongewenste versobering. Alles wat hun tot dan toe in het geloof had geraakt: de rituelen, de heiligenverering, de afstand tot pastoor en kapelaan, enzovoorts, werd nu bestempeld als `ouderwets' en verdween in de parochiekerk naar de achtergrond. 

Zo niet in de kapel op de geboortegrond van Peerke Donders, want daar bleef alles bij het oude. Het waren dan ook vooral de meer behoudend ingestelde gelovigen die de kapel in de jaren zeventig bleven bezoeken. In die tijd raakte ook de Tilburgse textielindustrie steeds meer in verval. Uiteindelijk sloten zo goed als alle textielfabrieken hun deuren, en vele arbeiders, die van vader op zoon in de textiel werkzaam waren geweest, verloren hun baan. Sommigen van hen werden door hun verering van juist de arme wever Peerke Donders gesterkt in hun lot. Voor al deze vereerders gold dat zij de vroeger vanzelfsprekende waarden van saamhorigheid, warmte en onopgelegdheid van groot belang achtten. Die waarden vonden zij meer in de kapel dan in de parochiekerk. Ook tegenwoordig zijn deze waarden in combinatie met de traditionele geloofspraktijken nog steeds de voornaamste redenen waarom pelgrims naar Peerke Donders gaan. Voor sommigen is het kapelbezoek de kerkgang gaan vervangen, al bezoeken de meeste vereerders zowel kerk als kapel.


Zaligverklaring

In 1976 werd, na het overlijden van pater De Witte, pater J.L.F. Dankelman aangesteld als directeur van de Pater Donders Vereniging, vice-postulator, leider van het smeekuur en hoofdredacteur van de opvolger van Het Petrus Donders Tijdschrift: `Petrus Donders. Contactblad voor zijn vereerders'. Pater Dankelman moest voor het verzorgen van de smeekuren inmiddels vanuit het klooster in Nijmegen komen omdat het klooster in Den Bosch in 1971 was opgeheven. De Pater Donders Vereniging was hierdoor ook naar Nijmegen verhuisd. Toen pater Dankelman zich in de stukken over Peerke Donders ging verdiepen, deed hij een ontdekking.(27) In 1931 had een medische commissie in Rome een gebedsverhoring op voorspraak van Peerke Donders afgewezen als niet-wonderbaarlijk. De gebedsverhoring had zich al in 1929 voorgedaan bij de toen anderhalf jaar oude Louis Westland. Het jongetje leed aan beenmergontsteking aan zijn knie. Zijn familie had een noveen gehouden en zijn verband gedrenkt in water uit de Pater Dondersput. Lowieke was vervolgens binnen één nacht genezen, zelfs zonder dat er een korst op zijn knietje zat. Uit de stukken bleek nu dat de commissie er abusievelijk van uitgegaan was dat de genezing niet één, maar drie nachten in beslag had genomen. Na overleg met zijn superieuren stuurde pater Dankelman zijn bevindingen naar Rome, waar de genezing nogmaals door een medische commissie werd bekeken. Ditmaal luidde het oordeel dat het wel degelijk om een wonderbaarlijke gebedsverhoring ging. Paus Johannes Paulus II verleende na de erkenning van dit eerste wonder dispensatie voor het tweede voor de zaligverklaring vereiste wonder vanwege de `constante faam van tekenen' op voorspraak van Peerke Donders. Op 23 mei 1982 kondigde de paus op het Sint Pietersplein te Rome de zaligverklaring van Peerke Donders af.

De zaligverklaring ging gepaard met de verschijning van een nieuwe levensbeschrijving van Peerke Donders van de hand van pater Dankelman: "Peerke Donders. Schering en inslag van zijn leven" (zie ook noot 1). Verder werden feestelijke eucharistievieringen en andere activiteiten bij de kapel, in de parochie Heikant-Quirijnstok en elders in Tilburg gehouden. Steeds was de belangstelling overweldigend, niet alleen van Tilburgers maar van mensen overal uit het land. Onder invloed van de vele publiciteit over Peerke Donders laaide het Tilburgs chauvinisme weer op. Zo is ter gelegenheid van de zaligverklaring het `Tilburgs slokje' `Peerke's nat' geïntroduceerd. Het gemeentearchief organiseerde een tentoonstelling over Peerke Donders en Tilburg. Bij de zaligverklaring in Rome waren Burgemeester en Wethouders van de stad aanwezig en bij de festiviteiten zong het speciaal voor deze gebeurtenis samengestelde Groot Tilburgs Mannenkoor. Er zijn ansichtkaarten van de bedevaartplaats en beeldjes van de zalige vervaardigd, die ook nu nog bij de VVV van Tilburg te verkrijgen zijn.

Op deze manier werd de zaligverklaring toch ook een beetje tot een attractie gemaakt, maar het werkte. Vele duizenden mensen trokken naar Tilburg en naar de geboortegrond van Peerke Donders. Ook na de festiviteiten bleef de stroom bezoekers nog enige tijd aanhouden. Onder deze bezoekers waren ongetwijfeld veel nieuwsgierigen of mensen die uit nostalgie nog eens een echt bedevaartoord wilden bezoeken. Maar ook werd een nieuwe groep pelgrims bereikt. Met een zaligverklaring is het volgens het kerkelijk wetboek namelijk toegestaan een altaar in de kapel van de zalige te plaatsen en een altaar betekent de mogelijkheid tot het houden van eucharistievieringen. In 1982 lieten de Redemptoristen de houten kapel bij Peerke Donders uitbreiden en er een altaar plaatsen. Bovendien verrees in het kruiswegpark een halfoverdekte openluchtkapel. Sindsdien wordt er op de dinsdagmiddag drie keer per maand een smeekuur, tegenwoordig ook wel gebedsuur genoemd, gehouden en één keer per maand een eucharistieviering. 


Inzegeningsplechtigheid van de semi-openluchtkapel in het kruiswegpark achter het 
geboortehuisje van Peerke Donders, kort na zijn zaligverklaring, op 31 mei 1982. 
Onder de beeltenis van Peterus Donders die tijdens de zaligverklaring over het balkon
van de Sint Pieter in Rome heeft gehangen (Foto's Ronald Peeters).



Verder heeft de zaligverklaring ertoe geleid dat Peerke Donders ook bekend(er) is geworden bij gelovigen elders in het land. Het heiligdom aan de Heikant blijkt een geschikt doel voor een bedevaart per bus vanuit verschillende plaatsen in het land. Vanaf 1984 organiseert de Stichting Bedevaarten Nederlandse Heiligdommen een jaarlijkse bedevaart naar Peerke Donders. Jaarlijkse bedevaarten worden ook ondernomen door pastoors en parochianen van enkele parochies specifiek voor Surinamers, die in de loop van de jaren tachtig met name in de grote steden zijn ontstaan. Voor de Surinamers in Nederland is het niet zo van belang dat Peerke Donders een Tilburger was; hen herinnert hij aan hun geboorteland, waar hij immers als missionaris werkzaam was.(28) Al met al zorgde de zaligverklaring voor een groter bereik van de verering van Peerke Donders, hoewel de meeste vereerders nog steeds woonachtig zijn in Noord-Brabant, met Tilburg in het bijzonder. 


De Dondersdevotie anno 1997

Tegenwoordig is het heiligdom aan de Heikant vooral het centrum van een lokale devotie. De kern van de pelgrims die de kapel iedere dinsdagmiddag bezoeken voor het gebedsuur of de eucharistieviering is namelijk afkomstig uit Tilburg en directe omgeving. Vooral de eucharistieviering trekt een volle kapel, maar ook de gebedsuren worden trouw bezocht door gemiddeld zo'n zestig mensen. Vanaf 1989 werden deze bijeenkomsten verzorgd door pater J. Tyndall, die tegelijkertijd hoofdredacteur van het Contactblad Petrus Donders en directeur van de Pater Donders Vereniging in Nijmegen was. Vanwege problemen met zijn gezondheid nam pater P. Meinders het leiden van de vieringen aan de Heikant in 1993 van pater Tyndall over. Pater Tyndall bleef wel de Pater Donders Vereniging en het Contactblad doen. Pater Meinders komt tot op de dag van vandaag wekelijks vanuit het Redemptoristenklooster in Roosendaal naar Tilburg. De zaligverklaring heeft namelijk geen verandering gebracht in de afstand waarop de Redemptoristen van hun heiligdom wonen. 
Toen de Redemptoristen in 1902 begonnen met de aankoop van de percelen van en grenzend aan de geboortegrond van Peerke Donders, hadden zij niet kunnen vermoeden dat zij, wanneer de zaligverklaring een feit zou zijn, in Nederland geen leden meer zouden hebben die jonger dan vijftig jaar waren. De vergrijzing van de congregatie bracht sluiting van een aantal kloosters en een afnemend ledental met zich mee. Deze omstandigheden en de afstand van de dichtstbijzijnde kloosters in Roosendaal en Nijmegen tot Tilburg maken het de congregatie onmogelijk om meer liturgische diensten als uitvaarten of huwelijken op de bedevaartplaats in Tilburg te organiseren. 

Daar komt nog eens bij dat de aanvankelijke doelen van de congregatie met de zalig- en heiligverklaring van Peerke Donders: het werven van meer novicen en een aansprekend voorbeeld bieden aan de gelovigen, achterhaald waren toen de zaligverklaring eenmaal afkwam. Heiligenverering maakte aan het einde van de vorige en het begin van deze eeuw zo vanzelfsprekend deel uit van de rooms-katholieke godsdienstbeleving en -beoefening. Na Vaticanum II is heiligenverering hierin marginaal geworden. Maar ook in de congregatie zelf zijn logischerwijs de opvattingen over zaligen en heiligen veranderd. Opvallend in dit kader is dat Redemptoristen die naar aanleiding van de zaligverklaring van Peerke Donders door journalisten werden geïnterviewd, benadrukten dat hij kan worden gezien als de eerste ontwikkelingswerker en dat in hem als het ware de duizenden onbekende missionarissen en zusters zijn geëerd die zich in de missie op eenzelfde onbaatzuchtige manier als Peerke Donders hebben gewijd aan de zwakken en de zieken. Deze opvattingen staan heel ver van die van hun confraters die het zalig- en heiligverklaringsproces voor Peerke Donders van start deden gaan. Maar de laatsten hadden waarschijnlijk nooit gedacht dat het ruim tachtig jaar zou duren voordat Peerke Donders daadwerkelijk zalig zou worden verklaard.
In ieder geval zagen de Redemptoristen zich genoodzaakt in juni 1996 de Pater Donders Vereniging te verplaatsen van Nijmegen naar Tilburg. Het bestuur van de vereniging bestaat sindsdien ook niet langer alleen uit Redemptoristen. Ook de deken van Tilburg, H. van Doorn, en de Norbertijn pater W. Manders van de parochie Heikant-Quirijnstok maken er deel van uit. Tevens is het secretariaat van de vereniging overgedragen van pater Tyndall in Nijmegen aan de Norbertijn pater F. Boom in Tilburg. Het secretariaat houdt ook het verzorgen van de uitgave van het Contactblad Petrus Donders in. De organisatorische basis van de Dondersdevotie is dus breder en daarmee stabieler geworden. Wellicht maakt deze overgang de verering van Peerke Donders nog meer tot een Tilburgse aangelegenheid. Intussen wordt in Rome gewerkt aan de heiligverklaring van Peerke Donders, maar het is onbekend of die nog dit millennium valt te verwachten.

Maar uiteindelijk zal het bestaan van het heiligdom aan de Heikant vooral afhankelijk zijn van de blijvende toestroom van pelgrims. Momenteel is er zeker nog belangstelling voor de jaarlijkse bedevaarten, de gebedsuren en de maandelijkse eucharistieviering. Ook buiten deze bijeenkomsten om wordt de kapel bezocht door mensen die er willen bidden of die op zoek zijn naar rust om tot zichzelf te komen. Maar het merendeel van deze bezoekers is ouder dan vijftig jaar, en wanneer er geen jeugdige aanwas wordt gekweekt of anderszins een nieuwe groep vereerders (Surinamers misschien?) bij de devotie wordt betrokken, is het de vraag hoeveel tijd deze nu zo levendige devotie nog beschoren is. 

De aantrekkingskracht van de plaats is voor de vereerders nog steeds gelegen in de persoon van Peerke Donders. Hij is voor hen bij uitstek een geschikte bemiddelaar bij God omdat hij tijdens zijn leven in Tilburg woonde en van nederige komaf was, "zodat hij zich niet te goed voelt voor ons"(29). Een vereerder zei, opgelucht nadat tijdens het smeekuur zijn gebedsintentie was voorgelezen: "Zo, ik ben blij dat dat gebeurd is. Ik durfde 't God niet te vragen, maar ons Peerke wel."(30) Maar de verering blijft niet beperkt tot het vragen van gunsten aan de zalige. Pelgrims ervaren in de kapel troost, kracht en saamhorigheid. De traditionele liturgie en rituelen die in de bijeenkomsten in de kapel worden uitgevoerd, spreken de meer behoudende gelovigen aan, maar ook degenen die op zoek zijn naar een zekere spiritualiteit. Allemaal zijn ze het over één ding eens: voor hen is Peerke Donders al heilig.

  

Gedachtenisprentjes uit 1923 en 1942 (coll. Ronald Peeters, Tilburg).

Noten

* Gedeelten van dit artikel zijn bewerkingen van: Bijker, Karin, "Een heiligdom aan de Heikant. De sacralisering van de geboortegrond van Petrus Donders te Tilburg" Antropologische Verkenningen 1994, nr. 1, pp. 1-17.

(1) Voor de beschrijving van het leven van Peerke Donders heb ik me gebaseerd op verschillende boeken, die voor een groot deel overlappende informatie bevatten. De belangrijkste Nederlandstalige levensbeschrijvingen zijn: A. Beukers C.ss.R. & F. Schweigman C.ss.R., Twee Missionarissen onder de Melaatschen en Indianen van Suriname. Roermond 1894; Door een Priester van dezelfde Congregatie, Leven van den Dienaar Gods Petrus Donders, Priester der Congregatie van den Allerh. Verlosser. 's-Hertogenbosch 1900; J. Kronenburg C.ss.R., De Eerbiedw. Dienaar Gods Petrus Donders C.ss.R. Nieuwe Levensbeschrijving. Tilburg 1925; Jozef Boon C.ss.R., Het leven van Peerke Donders in twaalf kapittelkens verteld. Hilversum 1930; N. Govers C.ss.R. Oud-Missionaris van Suriname, 45 Jaren onder de Tropenzon. Leven van den Eerbiedwaardigen Petrus Donders C.ss.R. Apostel der Indianen en Melaatsen in Suriname. Heerlen 1946; H. Helmer C.ss.R., Een groot Nederlander in Suriname. Leven en werken van den Eerbiedw. Dienaar Gods Petrus Donders. Tilburg 1946; Ben Rademaker C.ss.R., Petrus Donders. Pelgrimage naar een melaatsendorp. Bussum 1956; Bas Mulder C.ss.R., Petrus Donders. Apostel van de melaatsen. z.p. 1979; J.L.F. Dankelman C.ss.R., Peerke Donders. Schering en inslag van zijn leven. Hilversum 1982; J. Verhees, Peerke Donders. Apostel van de melaatsen en de indianen. Brugge 1984. 
(2) Delft, A.J.A.C. van, Tilburg hoe het groeide. Uitgegeven ter gelegenheid van de geboorte van de 100.000ste inwoner van Tilburg. Tilburg 1941, p. 30. 
(3) Lelie, L. & J.B. de Beer, Uit het dagboek van een Tilburger. Cronique in en omtrent Tilburg. Tilburg 1918, p. 111.
(4) Het voert in dit verband te ver in te gaan op de totale theorievorming in de culturele antropologie over heiligheid in verschillende culturen en religies. Onder andere via de bestudering van volksdevotie kwamen antropologen in de jaren zeventig terecht bij het verschijnsel van de christelijke bedevaart, ook al was dat aanvankelijk vooral in de verre oorden waar antropologen van oudsher hun onderzoek verrichtten. Vanaf begin jaren tachtig kwam er tevens aandacht voor dit verschijsel binnen Europa. In de inleiding van hun bundel Contesting the Sacred. The Anthropology of Christian Pilgrimage (London & New York 1991) maken John Eade en Michael J. Sallnow de balans op van antropologische studies naar pelgrimage. Eade en Sallnow delen hierin de tot dan toe gehanteerde modellen in in twee categorieën, te weten de Durkheimiaanse en de Eliadiaanse modellen (p.4-6), vernoemd naar hun bedenkers Emile Durkheim en Mircea Eliade. In de Durkheimiaanse modellen ligt de nadruk op de pelgrimage als tocht waarin groepscohesie tot uiting wordt gebracht; pelgrimage dient zodoende als een stimulans om de eenheid van de groep te bewaren. In de Eliadiaanse modellen staat niet zozeer de reis naar het bedevaartoord centraal maar het bedevaartoord zelf, dat als sacraal centrum intrinsiek verschilt van het profane domein. Op beide soorten modellen is inmiddels zoveel kritiek geformuleerd dat ze voor de antropologische studie van pelgrimage als achterhaald kunnen worden beschouwd. Eade en Sallnow bepleiten daarom een andere benadering, namelijk het opvatten van pelgrimage naar een bepaalde heilige plaats als een proces waarin verschillende mensen met verschillende intenties aan hun trekken kunnen komen ("a realm of competing discourses", p. 5). Het is dus de taak van de antropoloog de vertogen van de bij een pelgrimage betrokken mensen aan de orde te stellen, te identificeren en te duiden. Duidelijk is en blijft in ieder geval dat antropologen ervan uitgaan dat heiligheid niet zomaar uit de lucht komt vallen. Integendeel, een blijvende heilige reputatie is een menselijke constructie, waaraan voortdurend gewerkt moet worden. In het verband van mijn onderzoek naar de zalig- en heiligverklaring van Peerke Donders vind ik het begrip `sacralisering' van de Nederlandse antropoloog Mart Bax bijzonder relevant. Bax definieert sacralisering in zijn artikel "Hoe de berg heilig werd. De politiek van sacralisering in een Joegoslavische gemeenschap" als: "het in religieuze termen definiëren van een voorwerp, een verschijnsel of een onderdeel van het landschap, en het onderbouwen van die definiëring met behulp van rituele activiteiten" (Amsterdams Sociologisch Tijdschrift 1992 nr. 4, jrg. 18, p. 4/5). Ik pleit ervoor deze definitie aan te vullen. Bij sacralisering kan het mijns inziens behalve om een voorwerp, een verschijnsel of een onderdeel van het landschap namelijk ook gaan om een persoon of een model van die persoon. Bij Peerke Donders zijn duidelijk twee sporen van sacralisering te onderscheiden: ten eerste de (kerkelijke) heiliging van zijn persoon en ten tweede de ontwikkeling van een heiligdom op zijn geboortegrond in Tilburg. Het tweede spoor is daarbij afhankelijk van het eerste, maar heeft zich dusdanig autonoom ontwikkeld dat het een dominante factor ten opzichte van het eerste spoor is geworden. Eigenlijk is er zelfs sprake van een derde spoor van sacralisering: een `seculier' spoor dat Peerke Donders presenteert als lokale Tilburgse held. De specifieke claim op de figuur van Peerke Donders, die dit derde spoor met zich mee brengt, is steeds van invloed (geweest) op de beide andere sporen.
(5) Geurts, P., "De Eerbiedwaardige Petrus Donders" In: Gestalten en gedachten. Eerste deel. Amsterdam 1928, pp. 77-108, p. 101.
(6) Govers, N. C.ss.R., Vijf en veertig jaren onder de tropenzon. Leven van den Eerbiedwaardigen Petrus Donders C.ss.R. Apostel der Indianen en Melaatsen in Suriname. Heerlen 1946, pp. 340-341.
(7) Grinsven M. van, C.ss.R., Nieuw Pauselijk Decreet over Petrus Donders (de heldhaftigheid zijner deugden) met een kort overzicht van het proces zijner zalig- en heiligverklaring. Peerke Dondersreeks nr. 1. Tilburg 1945, pp. 19-29.
(8) Coll, C. van, "Pater Donders" De Volksmissionaris 1887, maart-aflevering, p. 152.
(9) Statistisch jaarboek Tilburg 1982. Tilburg 1983, 25ste en laatste druk. 
(10) Pater L.B. Luykx in een brief aan L.E.G.A. Moonen gedateerd 1904. Provincialaatsarchief van de Nederlandse Redemptoristen Wittem.
(11). Akte "Het Erf Donders". Amsterdam 20 januari 1903. Provincialaatsarchief van de Nederlandse Redemptoristen Wittem.
(12) Het begrippenpaar algemene-lokale devotie ontleen ik aan William A. Christian Jr. Deze antropoloog maakte in zijn in 1972 verschenen studie Person and God in a Spanish Valley een onderscheid tussen de zogenaamde generalized devotion, die in zijn algemeenheid in de parochiekerk wordt gepropageerd zonder dat er sprake is van een band met een specifieke plaats, en de zogenaamde shrine devotion, die duidt op een cultus die verbonden is aan een specifieke plaats buiten de parochiekerk.
(13) Grinsven, M. van, Redemptorist, Korte Novene ter eere van den Eerbiedwaardigen Dienaar Gods Petrus Donders den Apostel der Melaatschen van Suriname. Tilburg 1921.
(14) Grinsven, M. van, Redemptorist, Pater Donders Kerkboekje. Tilburg 1924.
(15) Overeenkomst omtrent kapel en erf "Petrus Donders" Tilburg tusschen het Kerkbestuur der Parochie van Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen te Tilburg (Heikant) eenerzijds en de Nederlandsche Provincie der Congregatie van den Allerheiligsten Verlosser anderzijds. Gezien en goedgekeurd door A.F. Diepen, Bisschop van 's-Bosch op 2 Mei 1926. Eerdere versies van de overeenkomst zijn ongedateerd. Provincialaatsarchief van de Nederlandse Redemptoristen Wittem.
(16) Grinsven, M. van C.ss.R., Op Peerke Donders' geboortegrond aan den Heikant te Tilburg. (Ontwikkeling van een bedevaartplaats). Peerke Dondersreeks nr. 2. Tilburg 1945.
(17) De Witte, F. C.ss.R., "Het ontstaan van het wekelijkse smeekuur" Petrus Donders. Contactblad voor zijn vereerders 1974 nr. 2, jrg. 24, pp. 1-2.
(18) Mannaerts, H., "De geschiedenis van het Petrus-Donders Monument" In: M. van Grinsven C.ss.R., Het Petrus Donders Monument aan het Wilhelminapark te Tilburg (geschiedenis van een Monument). Peerke Dondersreeks nr. 3. Tilburg 1946, pp. 29-31, p. 30.
(19) "Het Petrus Donders Monument Onthuld" Tilburgsche Courant 2 augustus 1926.
(20) Margry, P.J., Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant. Eindhoven 1982, p. 266 en "Pater Donders Kroniek" Het Petrus Donders Tijdschrift 1939 nr. 4, 20ste jaargang, p. 67.
(21) "Een beschouwing over Pater Donders' gebedsverhooringen", Het Petrus Donders Tijdschrift 1938 nr. 2, 19e jaargang, p. 32-33.
(22) De Beer, A., Zo maar een stad. Tilburg 1940-1945. Tilburgse Historische Reeks 3. Tilburg 1994, pp. 232, 234-236.
(23) Grinsven, M. van C.ss.R., Stichting "Dank aan Petrus Donders" met een kort overzicht van alles wat onder Petrus Donders' naam of bescherming staat. (Geschiedenis van een Stichting en van een massalen bedetocht). Peerke Dondersreeks nr. 4. Tilburg 1946, pp. 8-9.
(24) "Pater Donders Kroniek" Petrus Donders Tijdschrift 1946 nr. 4, jaargang 23, pp. 59-62.
(25) Grinsven M. van, C.ss.R., Nieuw Pauselijk Decreet over Petrus Donders (de heldhaftigheid zijner deugden) met een kort overzicht van het proces zijner zalig- en heiligverklaring. Peerke Dondersreeks nr. 1. Tilburg 1945, p. 30. 
(26) Brabantia. 1956, jrg. 5, p. 304.
(27) De hier beschreven gang van zaken is mij geschetst door pater J.L.F. Dankelman in verschillende gesprekken in januari, februari en maart 1987. 
(28) Ook in Suriname is sprake van verering van Peerke Donders sinds zijn overlijden in 1887, maar in veel minder georganiseerde mate dan in Tilburg. Deze Surinaamse devotie blijft in dit artikel echter buiten beschouwing.
(29) Vereerster in een gesprek d.d. 24-3-1987.
(30) Vereerder in een gesprek d.d. 11-3-1987.