![]() |
|||
![]() |
'Een ijverig dienaar in de wijngaard des Heren' | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
'Een ijverig dienaar in de wijngaard des Heren' |
|
Ondertitel: |
Jacobus van de Graeff |
|
Auteur: |
mr. John Boeren |
|
THR |
Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen |
|
Nummer: |
9 (1997) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
35-50 |
Inleiding
De rooms-katholieke samenleving kreeg in de zeventiende eeuw regelmatig grote tegenslagen te incasseren. Door de overheid werden de katholieken vaak tegengewerkt bij de beleving van hun religie, omdat deze niet overeenkwam met de door de regeerders aangehangen "ware religie". Desalniettemin waren er voldoende katholieke geestelijken, pastoors, kapelaans en kloosterlingen, die in deze tijd volhardden in de uitoefening van hun geloof en geestelijke werkzaamheden. De bekende leiders zijn al vaak genoeg genoemd in de literatuur, maar de "kleinere goden" worden nog wel eens vergeten. En dat terwijl er vaak meer dan voldoende redenen zijn om juist deze personen in de schijnwerpers te plaatsen.
Met deze bijdrage wil ik enige aandacht besteden aan Jacobus van de Graeff, in het Latijn Jacobus Gravius; een priester die in de eerste helft van de zeventiende eeuw voor de Tilburgse bevolking van groot belang is geweest, maar die in de geschiedschrijving nooit of slechts zijdelings genoemd wordt, omdat hij het moet afleggen tegen dé grote man in Tilburg in zijn tijd: pastoor Augustinus Wichmans, eerst pastoor te Tilburg, later abt van de abdij van
Tongerlo.(1)
Deze beknopte biografie beoogt niet een volledig beeld te schetsen van deze priester, daarvoor is veel meer onderzoek nodig. Met name zijn opleiding en zijn tijd in de Belgische parochie Zondereigen vergen nog veel tijd om nader onderzocht te worden. Daarom zullen deze periodes uit het leven van Van de Graeff minder belicht worden. De nadruk heb ik ook willen leggen op zijn werk in Tilburg, eerst als beneficiant en later als vicaris.
Familie en jeugdleven
Vanuit zijn familie bekeken had Jacobus van de Graeff alles mee om een rol binnen de geestelijkheid te kunnen vervullen. Van zijn vader erfde hij het nodige aanzien mee, van zijn grootmoeders familie de inkomsten die vereist waren om priester te kunnen worden.
Bij zijn geboorte op 20 november 1602 in een van de Tilburgse herdgangen, behoorde zijn vader tot de groep van kleine zelfstandigen die hoopten een wat meer vooraanstaande positie te kunnen gaan innemen.(2) Deze Claes Hendrickx van de Graeff, op zijn beurt weer een zoon van een kleermaker, moest voor zichzelf, zijn vrouw Marij Hendrickx van Buul, zijn eigen twee zoons en twee zoons uit het eerste huwelijk van zijn vrouw zorgen. Hij voorzag zijn gezin van het nodige levensonderhoud door als voerman het transport van goederen en personen op zich te nemen. In latere jaren hield hij zich vooral bezig met het vervoer van personen, liefst vooraanstaande lieden, zoals de schout, secretaris en schepenen.(3)
Een eerste - voorzichtige - stap in een bestuurlijke carrière was zijn aanstelling in 1605 als collecteur van de herdgang Kerk en Heuvel, ook toen al het centrum van Tilburg. Als collecteur was hij belast met het innen van de dorpsbelastingen en de daarbij behorende administratie. Twee jaren daarna, in 1607, werd hij borgemeester van Tilburg en als zodanig was hij samen met Cornelis Gielis Wagemaeckers verantwoordelijk voor de gehele financiële dorpsadministratie.(4)
Na deze functies op financieel gebied, kwam in 1616 de doorbraak in zijn loopbaan: voor het eerst werd hij schepen van Tilburg; hij maakte voor één jaar deel uit van het dorpsbestuur. Het jaar daarop had hij geen zitting in de schepenbank; de reden hiervoor is niet duidelijk. Dit is opmerkelijk, omdat hij vanaf 1618 tot aan zijn dood in 1637 onafgebroken deel uitmaakte van de schepenbank. Vele jaren was hij zelfs tweede schepen, in de hiërarchie direct na de president-schepen komende. Hoewel de functie van schepen van Tilburg in die tijd niet gezien moet worden als een topfunctie, leverde het de familie voldoende aanzien op. Dit werd nog versterkt toen de broer van Claes Hendricx van de Graeff, Loeff genaamd, in 1626 schepen van Loon op Zand werd. En een derde broer, Jan van de Graeff, wist een vooraanstaande positie te verwerven in Hilvarenbeek, waar hij zich als smid gevestigd had.
Ook van grootmoederszijde - om precies te zijn de moeder van zijn vader - kon Jacobus van de Graeff bogen op een familie met enig aanzien. De broer van zijn grootmoeder was immers Gerardus Alen, beneficiant van een drietal altaren in de kerk van Tilburg en plaatsvervanger van de pastoor. Deze Gerardus Alen zou een belangrijke rol spelen aan het begin van de geestelijke loopbaan van Jacobus van de Graeff. Als rector van de drie altaren van Onze Lieve Vrouw, de Heilige Geest en de martelaressen Catharina en Dymphna bewoonde hij een woning welke stond aan de doorgaande weg van Heusden naar het Land van Luik, aan het Ven, ongeveer waar nu het Piusplein ligt. Kennelijk was dit vanwege de vele passanten een gevaarlijke buurt om te wonen, wat ook blijkt uit de diefstal die bij hem tijdens een kerstnacht plaatsvond. Omdat het kleine huisje weinig aan huur zou opbrengen en Van de Graeff niet van plan was het te bewonen, vroeg hij juli 1632 aan de bisschop van 's-Hertogenbosch toestemming om dit huisje te mogen verkopen. Nadat de bisschop bij de pastoor, schout en schepenen van Tilburg advies had ingewonnen, ging deze hiermee akkoord, op voorwaarde dat de kooppenningen ten goede van de altaren zouden komen.(5)
Niet alleen voor de Tilburgse bevolking heeft deze Gerardus Alen als priester gezorgd, maar ook voor zijn familie en verwanten. In zijn testament van 1 september 1628 stichtte hij een beurs waaruit de opleiding tot priester voor zijn familieleden en verwanten betaald kon worden. Het kapitaal bedroeg 1130 gulden en moest gebruikt worden voor het betalen van een opleiding van twee jaar Latijnse school in Tilburg en zes jaar verdere studie bij de jezuïeten in 's-Hertogenbosch.(6) Gerardus Alen overleed te Tilburg op 1 oktober 1630 en werd, krachtens het voornoemde testament, begraven in de parochiekerk in de nabijheid van het altaar van Onze Lieve Vrouw of dat van de Heilige Geest.
Voor Jacobus van de Graeff, die in het testament nog genoemd werd als assistent van de executeurs-testamentair, kwam deze beurs te laat: hij had zijn opleiding inmiddels al voltooid. Hoe hij van Gerardus Alen toch nog een mooie erfenis kreeg, wordt in het vervolg duidelijk.
Opleiding en wijding
Over de opleiding van Van de Graeff is niet al te veel bekend. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij zijn eerste onderwijs genoten aan de dorpsschool, die gehuisvest was in de zuidwesttoren van de kerk. Deze school verzorgde het lager onderwijs, vaak de "Duytsche school" genaamd, en daarna bestond er een mogelijkheid om gedurende twee jaar klassen van de Latijnse school te volgen. Een echte Latijnse school heeft Tilburg nooit gekend. Dit was een opleiding bestaande uit zeven klassen, waarbij iedere klas werd aangeduid met een Romeins cijfer: septima was het eerste jaar, het zevende en laatste jaar werd de 'prima' genoemd. De leerstof van de klassen gaf aan in welk leerjaar de student zich bevond. Leerjaren en kalender- of schooljaren liepen niet parallel. Zo kon het zijn dat men in Tilburg tot aan de quarta kon komen, het derde leerjaar, terwijl men maar twee jaar lessen had gevolgd. Uiteraard hing het een en ander wel af van het tempo waarin de student zich ontwikkelde en de leerstof beheerste.(7)
Na de lagere school en de klassen aan de Latijnse school in Tilburg ging Van de Graeff naar het seminarie te 's-Hertogenbosch. Het seminarie kent een roerige geschiedenis in deze tijd. Nadat een eerste seminarie maar een kort leven beschoren was, werd het in oktober 1612 bij de tweede Bossche diocesane synode weer opgericht door Gijsbert Maes, beter bekend als bisschop Masius. Feitelijk bestond dit nieuwe seminarie pas weer vanaf 1615 onder bisschop Zoes. Deze vermeldt in in zijn verslag van 20 augustus 1625 de manier waarop de studenten aan het seminarie hun opleiding volgen. Er waren op dat moment veertig studenten die aan het Jezuïetencollege hun Latijnse studie maakten. Zij stonden op het seminarie onder leiding van de "praefectus", een priester-directeur die hun de gregoriaanse zang bijbracht. Van 1616 tot 1622 was Theodorus Ludovicus Le Mueau president van het seminarie, van 1622 tot 1629 was het Jan Gijsberts van Maren die de leiding op zich nam.(8)
Naast de studie theologie en letteren werden de studenten van het Bossche seminarie ook opgeleid voor de zielzorg waarmee een pastoor in zijn parochie te maken kreeg. Hiervoor waren twee priesters in dienst. Op deze wijze werden zowel de opleiding van het kleinseminarie als de opleiding van het grootseminarie met elkaar verenigd. Een van de docenten was Henricus van den Leemputte, die later kapittelvicaris van 's-Hertogenbosch zou worden en als zodanig verantwoordelijk was voor het bestuur in het vacante bisdom. De beste studenten werden na het afronden van de opleiding aan het seminarie naar Leuven gestuurd om daar aan de universiteit te promoveren. Aangezien Van de Graeff niet voorkomt in de matrikels van Leuven kunnen we aannemen dat hij niet tot deze uitverkoren studenten behoorde.(9)
Wanneer we de studie van Van de Graeff samenvatten, zal hij op achtjarige leeftijd, hetgeen in die tijd gebruikelijk was, naar de lagere school zijn gegaan. Na zes jaar lagere school en twee jaar Latijnse school, was hij gedurende zes jaar student aan het seminarie te 's-Hertogenbosch. Met een opleiding van veertien jaar achter de rug kon hij in 1625 op tweeëntwintigjarige leeftijd met zijn werkzaamheden als priester beginnen.(10)
Na jaren van harde studie aan het seminarie was Van de Graeff eindelijk gereed om priester te worden, maar om de wijding te ontvangen moest nog voldaan worden aan een vereiste: de toekomstige priester moest kunnen aantonen in de toekomst verzekerd te zijn van een inkomen. Hiertoe waren drie mogelijkheden: a. een bewijs dat de priester een beneficie had of zou krijgen, een wijdingstitel of titulus beneficii, b. een bewijs dat de priester zijn inkomsten zou halen uit de goederen van zijn ouders of andere familieleden (titulus patrimonii) of c. een bewijs van totale armoede (titulus paupertatis). Dit laatste bewijs was vooral bedoeld voor priesters in de zogenaamde bedelorden. Voor Van de Graeff zou een titulus beneficii, dan wel een titulus patrimonii overhandigd moeten worden. Uiteraard was de aantrekkelijkste manier het verkrijgen van inkomsten uit een beneficie. Een beneficie was een kerkelijk ambt waaraan door de stichters inkomsten waren verbonden voor een priester (beneficiant). Vaak werden er altaren opgericht door individuele burgers, families of gildes waaraan te hunner nagedachtenis missen opgedragen moesten worden. Omdat veel beneficies echter maar weinig inkomsten hadden, werden in de loop van de tijd twee of meerdere beneficies samengevoegd (unio benificiorum). In Tilburg gebeurde dit onder meer met de beneficies van Onze Lieve Vrouw, van de Heilige Geest en van de HH. Catharina en Dymphna. Het gevolg hiervan was wel dat er minder beneficies waren en het moeilijker was om in het bezit ervan te komen.
Bij dit probleem werd Van de Graeff echter geholpen door zijn oudoom Gerardus Alen. Deze was immers beneficiant van de altaren van Onze Lieve Vrouw, HH. Catharina en Dymphna, en was al redelijk op leeftijd aan het raken. Om zijn achterneef van een beneficie te voorzien, besloot Alen afstand te doen van zijn altaren in de kerk van Tilburg, zodat deze beneficies als titel konden dienen voor de priesterwijding van Van de Graeff. Op 15 mei 1625 verklaart Alen ten overstaan van pastoor Van Emmerick en de getuigen Thomas Cocx en Laurentius Leppens vrijwillig afstand te doen van zijn altaren "SS. Mariae Semp. Virg., Catharinae et Dijmpnae martyris in ecclesiae parochiali S. Dionijsij de
Tilborch".(11) Omdat de abt van Tongerlo de collator van de parochie Tilburg was - hij was degene die het recht had geestelijken aan te stellen - werden de altaren nu weer aan hem teruggegeven, opdat hij iemand anders kon aanstellen.

Petrus van Emmerick (ca. 1574-1625) was van 1616 tot aan zijn dood pastoor
van Tilburg. Over zijn pastorale leven in Tilburg hield hij het zogenaamde
'Manuale pastorum in Tilborch' bij. Anoniem portret 1623. (Coll. Abdij van
Tongerlo, foto RHC Tilburg).
Het vinden van een opvolger voor de afgetreden Alen was voor de abt van Tongerlo geen grote opgave. Hij werd namelijk een handje geholpen door pastoor Van Emmerick. Op diezelfde 15 mei 1625 schrijft deze aan de abt dat hij een 22-jarige student theologie aan het seminarie te 's-Hertogenbosch, zoon van een Tilburgse schepen, zou willen aanbevelen voor de opengevallen altaren.(12) Kennelijk heeft de abt de aanbeveling ter harte genomen, zodat Van de Graeff in het bezit kwam van een titulus beneficii. Niets stond nu zijn priesterwijding nog in de weg.
Eerste werkzaamheden in Tilburg
Na zijn priesterwijding keerde Van de Graeff terug naar zijn geboorteplaats. Zoals in alle parochies werd de zielzorg ook in Tilburg primair opgedragen aan de pastoor. Hij werd daarin bijgestaan door de vicaris.(13) Deze plaatsvervanger van de pastoor had een aantal verplichtingen: op voorgeschreven tijden de Heilige Mis opdragen aan de altaren die tot zijn beneficie behoorden, het lof op feestdagen verzorgen, een aantal keren per week preken, het toedienen van de sacramenten, het bezoeken van de zieken en het verzorgen van het godsdienstonderwijs. Vicaris in Tilburg was van 1628 tot 1635 Valerius Hessels en van 1635 tot 1637 Anthonius Verherent. Naast de pastoor en de vicaris kende Tilburg ook nog de beneficiant. Deze priester had eigenlijk geen taken op het gebied van de parochiale zielzorg, maar hoefde slechts zijn verplichtingen uit zijn beneficie na te komen. Deze verplichtingen bestonden uit het opdragen van de missen voor overledenen (zielenmissen) aan de altaren die tot zijn beneficie behoorden. In de praktijk echter fungeerde de beneficiant als de plaatsvervanger van de vicaris en werd hij daarom ook wel "ondercappellaen" genoemd. Van de Graeff was van 1625 tot 1658 onafgebroken de enige beneficiant in Tilburg.
Als rector van de al meer genoemde altaren van Onze Lieve Vrouw, Sint Catharina en Sint Dymphna had Van de Graeff dus de verplichtingen aan ieder altaar een bepaald aantal keren de Heilige Mis op te dragen. Ter compensatie ontving hij inkomsten, zowel in natura als in geld, die door de stichters van het altaar voor het voltrekken van zielenmissen waren gereserveerd. De drie altaren leverden omstreeks 1650 een bedrag van ruim 20 gulden op naast een opbrengst van ruim 275 lopense rogge.(14) Deze inkomsten waren ook de enige inkomsten voor de beneficiant. Hij moest rondkomen van de inkomsten van zijn beneficies. Een jaarlijkse bijdrage van de pastoor was alleen voor de vicaris weggelegd.
Van echte zielzorg was in de beginjaren van zijn ambt nog geen sprake. Hierin kwam echter verandering tijdens de periode waarin Adrianus Eynhoudts pastoor van Tilburg was (1625-1632). Reeds in Waalwijk had deze pastoor een slechte reputatie gekregen. Samen met een van zijn broers had hij het daar met een of enkele zusters Augustinessen aangelegd. Om die reden werd hij naar Tilburg overgeplaatst, maar ook hier was deze pastoor niet altijd even sterk bij de zielzorg van zijn parochie betrokken en liep hij er de kantjes behoorlijk van af. Hij liet het liefst zijn werkzaamheden over aan de vicaris. Niet alleen de inwoners van Tilburg, maar ook de bisschop van 's-Hertogenbosch, Michael Ophovius, stoorden zich hier mateloos aan. Het kwam de pastoor dan ook op een reprimande van de bisschop te staan. Op 26 oktober 1631 schrijft de bisschop een brief aan pastoor Eynhoudts, waarin hij hem het meedeelt dat hij weliswaar instemt met het verzoek om aan Van de Graeff de bevoegdheid te geven de biecht te horen, maar onder de voorwaarde dat deze bevoegdheid slechts gebruikt wordt in uiterste noodzaak. Vervolgens keurt bisschop Ophovius de onachtzaamheid van de pastoor af en zegt hij dat hij aanhoudende klachten van velerlei personen heeft gekregen. De pastoor verweert zich door te stellen dat de belasting van de grote parochie een aanslag op zijn krachten betekent en als antwoord hierop wordt hem door de bisschop dan ook aangeraden zijn lichamelijk welzijn niet verder op de proef te stellen. Het zou in de roerige tijden beter zijn als hij zou worden vervangen door een meer geschikte persoon. De bisschop maakt duidelijk dat hij weliswaar akkoord is met het aanstellen van een assistent, maar dat hij dit niet doet om Eynhoudts meer vrije tijd te geven of te ontlasten, maar uit pure noodzaak.(15)
Deze mededeling, waarin dus eigenlijk door de bisschop gezegd wordt dat Eynhoudts uit Tilburg weg moet, werd ook aan de abt van Tongerlo gedaan. De abt van Tongerlo had in 1232 van de hertog van Brabant het recht gekregen om een pastoor in Tilburg aan te stellen en kon dus ook nu over het lot van Eynhoudts beslissen. En dat deed abt Theodorus Verbraecken dan ook: hij nam onmiddellijk maatregelen. Eynhoudts werd als deservitor (assistent) naar Enschot gestuurd, toen nog een deel van de Tilburgse parochie, en in Tilburg werd Augustinus Wichmans als pastoor aangesteld. Op 29 november 1632 deed laatstgenoemde zijn intrede, waarbij onder meer Van de Graeff en Eynhoudts aanwezig waren.(16)
Van de Graeff kreeg dus in 1631 van de bisschop de "authoritas audiendi confessiones", de bevoegdheid om de biecht af te nemen. Maar in de praktijk kwam het op meer taken neer. Vanaf het moment dat de bisschop hem deze bevoegdheid toekende, werd Van de Graeff meer en meer ingeschakeld bij de werkzaamheden in de parochie die eigenlijk voor rekening van de pastoor en diens vicaris zouden behoren te komen. Maar omdat het moeilijk was een vicaris te vinden die bereid was een zo grote taak op zich te nemen, werd een aantal werkzaamheden gedelegeerd. Zo nam Van de Graeff het sluiten van huwelijken en het verrichten van dopen voor zijn rekening. Maar in 1638 nam zijn priesterloopbaan een wending, welke grote gevolgen had voor de werkzaamheden van Van de Graeff.
Promotie
Zoals hierboven beschreven was Van de Graeff de eerste jaren in dienst als beneficiant van de drie altaren in de Tilburgse kerk. Vanaf 1638 werd hij echter vicaris, plaatsvervanger van de pastoor. De reden hiervoor is duidelijk, zij het dat de omstandigheden nog vrij duister zijn. Vanaf 1635 was Anthonius Verherent als vicaris in dienst van pastoor Wichmans. Maar na 1637 wordt van deze vicaris in Tilburg niets meer vernomen. Kennelijk is hij naar Holland getrokken, want daar was hij tot aan zijn dood in 1672 pastoor van Heemskerk.(17)
Als enige priester in Tilburg - pastoor Wichmans verbleef bijna niet in zijn parochie - verenigde Van de Graeff tot 1643 enkele honderden echtparen in het huwelijk. In het huwelijksregister is duidelijk te zien dat het overgrote deel van de huwelijken door hem gesloten is. Bij de datum van het huwelijk staat dan "solemnisatum per me Gravium vicarium" vermeld, meestal afgekort tot "per
G.V."(18) Naast de huwelijken werden ook de dopen door Van de Graeff verzorgd. In tegenstelling tot het huwelijksregister bevat het doopregister geen aantekeningen over wie de doop toediende. Uit het handschrift is echter op te maken dat Van de Graeff dit in veel gevallen deed. Ook hierbij fungeerde hij in eerste instantie slechts als assistent van de vicaris, maar van 1637 tot 1642 zijn alle inschrijvingen van hem.(19) Een uitzondering vormen de nooddopen, welke door Guilielmus Theodori van Son, de koster, verricht werden.
Niet alleen het horen van de biecht, het sluiten van huwelijken en het verrichten van de dopen hoorden tot het dagelijkse werk van Van de Graeff. In de periode 1637 en 1638, een tijd waarin de pest in Tilburg vele slachtoffers maakte, nam Van de Graeff het bezoeken van de zieken en met pest besmette inwoners op zich. Zo vermeldt de borgemeestersrekening over de jaren 1637 en 1638 in een van de posten dat heer Jacob van de Graeff de zieken bezocht, "alsoo de sieckte der peste alhier regeerde".(20)
De functie van vicaris leverde Van de Graeff tevens een nieuwe bron van inkomsten op. Was hij als beneficiant aangewezen op slechts de opbrengst van renten en offers van zijn altaren, met het in dienst treden als vicaris kreeg hij een officiële toelage van de pastoor. Deze schrijft in zijn pastoorsboek dat de eerste kapelaan jaarlijks een bedrag van 200 gulden kreeg, verspreid over vier termijnen van elk 50 gulden.(21) Daarnaast kreeg Van de Graeff een schepel fijn tarwemeel en een aam goed bier. Voor ieder huwelijk dat binnen de parochie gesloten werd, kon hij nog eens rekenen op 2½ stuiver. En met Pasen gaf de pastoor hem vaak een deel van de opbrengsten van de offerschaal. Deze laatste inkomsten was de pastoor echter niet verplicht te geven, maar dat berustte op diens welwillendheid.(22)
Naast deze inkomsten die Van de Graeff dus van de pastoor kreeg, waren er ook, zoals bij alle andere beneficies, diverse rentes aan het vicarisschap verbonden. Deze rentes, die door de stichters van het beneficie waren verbonden aan onroerende goederen, vervielen ieder jaar op het feest van Maria Lichtmis, 2 februari. De vicaris daarentegen trad in dienst op Sint-Jansdag, 24 juni. Dat dit problemen opleverde, schreef Van de Graeff zelf in een brief, waarin hij aangeeft dat de vicaris vanaf Sint-Jansdag in dienst is, maar tot aan Maria Lichtmis van het daaropvolgende jaar moet wachten voordat hij pas inkomsten uit de rentes krijgt. De vicaris zat dus enkele maanden zonder inkomsten en moest dan zelfs geld van anderen lenen om rond te kunnen komen. Uiteraard paste dit niet bij een vicaris.(23)
Deze problematiek deed zich in 1643 nog eens gelden toen Van de Graeff reeds uit Tilburg weg was. Omdat hij van mening was dat de rentes dus altijd uitbetaald werden met terugwerkende kracht over het afgelopen jaar, meende hij aanspraak te kunnen maken op de betalingen die de erfgenamen van Nicolaas van Oeckel met Maria Lichtmis van het jaar 1643 zouden moeten verrichten. De erven Van Oeckel weigerden echter te betalen, omdat Van de Graeff niet meer in dienst was. Pastoor Wichmans werd ingeschakeld om de erfgenamen onder druk te zetten de rente alsnog te betalen.(24)
Het moge duidelijk zijn dat Van de Graeff zich ontwikkelde van beneficiant tot assistent-vicaris en zelfs tot vicaris, plaatsvervanger van de pastoor. Ook met het aftreden van pastoor Eynhoudts in 1632 en de komst van pastoor Augustinus Wichmans veranderde er niet veel in de positie en het werk van Van de Graeff. Hoewel Wichmans vooral de eerste jaren zelf de touwtjes in handen nam en samen met de vicaris en de deservitor van Enschot de parochiële werkzaamheden verrichtte, moest hij na verloop van tijd de zielzorg toch weer overdragen aan Van de Graeff. De belangrijkste redenen hiervoor waren de retorsiemaatregelen, die het voor de pastoor haast onmogelijk maakten zelf zijn parochie te bedienen.
Op de vlucht
Met de val van 's-Hertogenbosch op 14 september 1629 in handen van de Staatse legers onder leiding van prins Frederik Hendrik veranderde er veel voor met name de Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch. In 1631 werden de eerste retorsieplakkaten uitgevaardigd door de Staten-Generaal. Deze maatregelen hadden tot gevolg dat rooms-katholieke geestelijken niet langer hun werkzaamheden mochten voortzetten. Dit betekende echter niet dat iedere priester hieraan ook gehoor gaf. Integendeel: velen gingen door met het toedienen van de sacramenten, het opdragen van het misoffer en het afnemen van de biecht. Zeker de eerste jaren was de druk van de staatse overheid nog niet al te groot. Maar vooral de militaire ontwikkelingen, in het bijzonder de val van Breda, maakten het steeds moeilijker voor de rooms-katholieken om ongestoord de eredienst te verrichten.
Van de Graeff, die ondertussen de rol van vicaris geheel op zich genomen had, bleef ook gedurende de eerste jaren gewoon doorwerken. Het dopen van kinderen en het sluiten van huwelijken kon hij blijven doen, ook al had hij in 1633 - een chaotische periode vanwege de komst van de eerste predikant in Tilburg - problemen om de dopen in te schrijven.(25) Pas vanaf 1636 werd de druk van protestantse zijde groter en werd het moeilijker om goed te kunnen functioneren. Uiteindelijk moesten pastoor Wichmans en vicaris Van de Graeff in 1637 de benen nemen. De beste oplossing was de Meierij van 's-Hertogenbosch te verlaten en zich in de Baronie van Breda te vestigen. Immers, de Baronie was sinds 1625 voor het grootste deel weer Spaans en de retorsiemaatregelen in dit deel van Brabant waren niet zo streng. In de maanden april en mei verbleef Van de Graeff in Breda waar hij inwoners van Tilburg in het huwelijk verbond.(26) De 'ballingschap' van Van de Graeff was begonnen.
Zoals gezegd verbleef hij in 1637 in Breda, maar ook daarna vestigde hij zich niet meer in Tilburg. Als hij in 1638 de door de pest getroffen bevolking van Tilburg bezoekt, heeft hij daar geen woning tot zijn beschikking. Onderdak vond hij in deze periode bij mevrouw Verherent, moeder van zijn vroegere collega vicaris Anthonij Verherent. In de borgemeestersrekening over de jaren 1637 en 1638 staat te lezen: "Item alsoo de sieckte der peste alhier regeerde ende dat heer Jacob van de Graeff, de siecken besoeckende, egeen wooninge oft residentie alhier en hadde, heeft den rendant aen de moeder van heer Anthonij Verherent, gewesene capellaen alhier, daarbij den voorschreven Van Den Graeff opginck ten voorschreven tijde, ter saecke van dien bij order van den wethoudere gegeven de somme van 8 gulden en 10 stuijvers."
(27)Waarschijnlijk verbleef hij in deze periode reeds op de pastorie van Loon op Zand. Vanuit dit buurdorp bediende hij zijn parochie gedurende vijf à zes jaren. Het verblijf van Van de Graeff in Loon op Zand leidde ertoe dat veel Tilburgers hun kinderen door hem in de Loonse kerk lieten dopen.(28)
Wat was nu de reden voor Van de Graeff om van Tilburg naar Loon op Zand te gaan? Allereerst waren meerdere familieleden daarnaartoe getrokken. Zijn oom Loeff was er schepen geweest en zijn broer Hendrik trok erheen en stichtte er een gezin. Maar dit was zeker niet de belangrijkste reden. Van groot belang was de veiligheid die Van de Graeff in Loon op Zand zou genieten. Hoewel de retorsiemaatregelen in de Meierij alleen maar strenger waren geworden, had Loon op Zand een bijzondere positie weten te verwerven. De pastoor aldaar, Benedictus van Kessel, genoot namelijk bijzondere bescherming van prins Frederik Hendrik.
Begin jaren dertig van de 17de eeuw vonden er diverse malen onderhandelingen plaats over de positie van de Meierij tussen de Staatse en Spaanse afgezanten. Een deel was reeds in het bezit van de Staatse legers gekomen, maar een ander deel was nog in Spaanse handen. Na vijf mislukte vredesonderhandelingen tussen delegaties van beide kampen te Tilburg werd Benedictus van Kessel ingezet als mogelijk vredestichter. Vanwege zijn uitstekende diplomatieke kwaliteiten was hij de meest geschikte man hiervoor. Daar kwam nog eens bij dat hij over goede contacten met beide kampen kon beschikken: als rooms-katholieke priester stond hij aan de zijde van de Spaansen, maar als goede vriend van Constantijn Huygens, secretaris van de prins van Oranje, had Van Kessel ook bij de Staten-Generaal voldoende krediet. Ondanks verwoede pogingen om tot een goede regeling inzake de Meierij te komen, bleken alle plannen uiteindelijk tot niets te leiden.(29) Desalniettemin was de positie van Van Kessel vooral ook dankzij zijn vriendschappelijke contacten met Huygens en de prins haast onaantastbaar. In zijn parochie kon hij zich, ondanks de retorsieplakkaten, probleemloos handhaven en zijn parochianen bijstaan. Daarom was dit dé ideale schuilplaats voor Van de Graeff: veilig en toch dicht bij Tilburg.
Maar ook aan deze periode van betrekkelijke veiligheid kwam een einde en wel op zeer brute wijze. Op zondagochtend 27 oktober 1641, tijdens de Hoogmis waar veel schoolkinderen aan deelnamen, kwam een aantal ruiters onder leiding van Jan Willemse van Loon met veel geweld de kerk binnenstormen. Nadat zij eerst hardhandig enkele Loonse inwoners van zich afgeslagen hadden omdat die hun de toegang tot de kerk probeerden te versperren, baanden zij zich een weg door de kerk door de kinderen met hun geweren aan de kant te slaan. Onder groot gehuil en geroep van de kinderen, de vrouwen en andere aanwezigen betraden zij het altaar en namen de twee priesters, Van de Graeff en de Loonse vicaris Anthonij Arnoldi, gevangen. Terwijl Van de Graeff en Arnoldi onder dwang uit de kerk gevoerd werden, zou door de ruiters gezegd zijn: "Gaet voirts, ghij dieven en schelmen, wij sullen U lieden wel anders leeren."
Het voorval had voor de nodige onrust gezorgd en het is dan ook niet verwonderlijk dat pas buiten pogingen ondernomen werden om de twee gevangen genomen priesters te ontzetten. Schepen Thomas Thomasse Egmonts, secretaris Dirck Coomans, Engelbertus van Immerseel, heer van Loon op Zand en pastoor Benedictus van Kessel probeerden de ruiters te overtuigen de priesters vrij te laten. Daarbij liet de pastoor een origineel bezegeld paspoort van de prins van Oranje zien, waarin stond dat pastoor Van Kessel en zijn familie door niemand mishandeld, beroofd of lastiggevallen mochten worden, en dus eiste de pastoor dat de ruiters dit paspoort zouden eerbiedigen. Van Loon weigerde echter alles. Hij had opdracht gekregen van de hoogschout van 's-Hertogenbosch, Hendrick Bergaigne, en hield zich daaraan. In een ware woordenstrijd tussen Van Kessel en Van Loon, wilde de pastoor weten of Van Loon een opdracht van de hoogschout van groter belang achtte dan een paspoort van de prins. Van Loon antwoordde echter dat het hem niets kon schelen. Hij had opdracht van de hoogschout en daar bleef het bij. De pastoor stond machteloos en ook de heer van Loon kon ook niets doen, waarna de priesters werden meegevoerd naar 's-Hertogenbosch.(30)
Van Kessel probeerde het dan maar op een andere manier. Zijn connecties in 's-Gravenhage zouden wellicht uitkomst kunnen bieden. En zo geschiedde... Op 10 januari 1642 werd door de Staten-Generaal een verzoekschrift van de regeerders en inwoners van Loon op Zand doorgezonden aan de Raad van State. In dit rekest verzochten zij om de vrijlating van de door Bergaigne gevangen genomen inwoners. Op 14 januari ging de Raad van State hiermee akkoord.(31) Kort daarna werden Van de Graeff en Arnoldi ook daadwerkelijk vrijgelaten. Hoewel dit een succes leek voor Van Kessel en de schepenen van Loon op Zand, was het slechts een Pyrrusoverwinning. Het dorp werd namelijk wel veroordeeld tot het betalen van een boete van 3000 gulden omdat zij in strijd met het plakkaat van retorsie gehandeld hadden. Om dit bedrag af te dwingen, legde Bergaigne beslag op een aantal Loonse wagens die volgeladen met goederen naar de markt van 's-Hertogenbosch waren gereden.
Hiertegen kwamen de Loonsen wederom in opstand. Opnieuw schreven zij een rekest aan de Staten-Generaal waarin zij stelden dat zij gedurende drie jaren op voorspraak van de pastoor gebruik hadden gemaakt van de kerk, zonder dat zij daarbij ooit van overheidswege enige hinder hadden ondervonden. Nu waren zij echter door de Raad van State veroordeeld tot het betalen van de boete en werd deze door Bergaigne afgedwongen alsof zij kwaadwillig het plakkaat geschonden zouden hebben. Ook dit verzoekschrift speelden de Staten-Generaal door aan de Raad van State die op 8 maart 1642 een beslissing nam. Wederom veroordeelde de Raad van State het dorp tot het betalen van 3000 gulden aan de hoogschout en tevens werd ook Van de Graeff veroordeeld tot een boete van 1000 gulden. Pastoor Benedictus van Kessel bleef buiten deze zaak: de Raad van State vond dat hij niet hoefde meebetalen aan de boetes.(32)
Op 17 maart daaraanvolgende werd de veroordeling van Van de Graeff nog eens bevestigd door de Raad van State, dit vooral op verzoek van hoogschout Bergaigne die vooral wilde weten of hij Tilburg kon aanspreken voor de betaling van de boete van Van de Graeff. Door de Raad van State werd bepaald dat Tilburg inderdaad executabel zou zijn als Van de Graeff de boete niet zou kunnen betalen.(33) De zaak tussen Loon op Zand en hoogschout Bergaigne was daarmee nog lang niet afgedaan en zou nog jaren voortduren, maar Van de Graeff werd er niet meer in betrokken. Hij had zijn post in Tilburg inmiddels ingeruild voor het vicarisschap van de parochie Zondereigen.
Met het vertrek van Van de Graeff eind 1642 of begin 1643 werd het vicarisambt vacant. dit was een precaire situatie omdat de inkomsten van de vicaris zowel door de bisschop van 's-Hertogenbosch als door de Staten-Generaal geconfisceerd konden worden. De bisschop maakte gebruik van de canonieke regel dat beneficies aan de bisschop zouden terugvallen indien zij niet uitgegeven werden, terwijl de Staten-Generaal zich konden beroepen op hun plakkaat waarin verboden werd beneficies nog langer uit te geven aan rooms-katholieke priesters.(34) Om zowel het een als het ander te voorkomen werd het vicarisschap met de inkomsten hieruit door Van de Graeff aangehouden, evenals zijn beneficie van de drie altaren. Formeel bleef hij dus in dienst als vicaris en beneficiant van de parochie Tilburg en trok hij de inkomsten uit deze functies, maar feitelijk verbleef hij al lang niet meer in Tilburg, maar als vicaris in Zondereigen. Wellicht dat hij zijn verplichting om de H. Mis op te dragen nakwam in de schuilkerk die werd opgericht in het gehucht Aarle onder Poppel, niet al te ver van zijn nieuwe parochie
Zondereigen.(35)
Aan deze situatie kwam pas in 1658 een einde. Op 7 juni 1658 verleende Augustinus Wichmans, toen niet langer pastoor van Tilburg, maar abt van Tongerlo, goedkeuring aan de belening van Unico Philips van Boucholt met de beneficies, welke Van de Graeff in de kerk van Tilburg had bezeten. Hiertoe legde Van de Graeff 'vrijwillig' zijn functie neer.(36) Omdat de beneficies krachtens het plakkaat van de Staten-Generaal niet aan rooms-katholieke priesters gegeven mochten worden, werd Van Boucholt ermee begiftigd. Deze Van Boucholt, van protestantsen huize, was aangesteld als rentmeester van de kerkelijke goederen en woonde op de Moerenburg, voor die tijd het woonhuis van de pastoor van Tilburg. Ook de beneficies van andere parochies in de Meierij van 's-Hertogenbosch kwamen in zijn bezit.(37)
In de luwte
Na zijn succesvolle, maar vaak ook moeilijke jaren in Tilburg en de ballingschap in Loon op Zand, begon Van de Graeff in 1643 aan een nieuw avontuur. Wellicht had hij inmiddels genoeg van de vervolgingen gekregen en besloot hij daarom in een wat rustiger streek zijn werk voort te zetten. Hij koos er namelijk voor om vicaris te worden in Zondereigen, een parochie die behoorde en behoort tot Baarle-Hertog, tegenwoordig gelegen in België en toen nog Spaans-Brabant. Hier vond hij de rust terug en kon hij op een betrekkelijk eenvoudige manier de kleine parochie als priester bedienen.
Dat Van de Graeff het heel goed naar zijn zin had in Zondereigen, blijkt wel uit het feit dat hij hier niet meer weg is gegaan. Tot op hoge leeftijd, voor het laatst in 1687, wordt hij genoemd als vicaris te Zondereigen. Uiteindelijk vond hij hier vermoedelijk ook zijn laatste rustplaats. En zo kwam er een einde aan het leven van een Tilburger, die in een hele moeilijke tijd probeerde zijn leven in dienst te stellen van de kerk, zijn parochie en vooral zijn parochianen, soms zelfs met gevaar voor eigen leven. Met recht noemde pastoor Wichmans in het pastoorsboek zijn vicaris "een trouwe werker en een ijverig dienaar in de wijngaard des Heren".(38)
Noten
(1) Voor een levensbeschrijving van deze pastoor van Tilburg en abt van Tongerlo, zie F.J.M. Hoppenbrouwers, 'Franciscus Augustinus Wichmans (1596-1661). Kanunnik, zielzorger en abt van Tongerlo', in:
Analecta Praemonstratensia 70 (1994), blz. 226-293 en 71 (1995), blz. 96-149. Recent verscheen: F.J.M. Hoppenbrouwers, 'Augustinus Wichmans. Zielenherder te Tilburg in crisistijd (29 november 1632-11 januari 1643)', in:
Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 14 (1996), blz. 3-14.
(2) "Jacobus Nicolai Loeffs et Mariae van Buel, susceptores Jan Jan Greefven, Robbert Jan Tooten, Jenneken Wouter Joirdens uxor", Gemeentearchief Tilburg (= GAT), Collectie doop-, trouw en begraafboeken Tilburg (= Coll. DTB), no. 1.
(3) Regelmatig staan in de borgemeestersrekeningen over de periode 1604 tot 1633 posten vermeld waaruit dit blijkt. Zie hiervoor GAT, Oud-administratief Archief Tilburg (= OAT), inv.nrs. 410-428.
(4) Borgemeestersrekening over 1607 en 1608, OAT, inv.nr. 412.
(5) OAT, inv.nr. 34/2, 28 juli 1632 en 31 juli 1632.
(6) Zie A. van der Does de Willebois, Studiebeurzen. Beurzenstichtingen voor de stad en voormalige meijerij van
's-Hertogenbosch, deel IV, ('s-Hertogenbosch, 1906), blz. 461-464.
(7) Zie C.J. Weijters, Scholen en schoolmeesters in Tilburg 1532-1858, (Tilburg/Breda, 1981), blz. 17-18, maar ook fr. M.D. Simons, 'De Oudste Latijnse School', in:
Historische Bijdragen 1 (1970), blz. 46-52 en blz. 83-89.
(8) M.A. Nauwelaers, Latijnse school en onderwijs te 's-Hertogenbosch tot
1629, (Tilburg, 1974), blz. 278-289.
(9) Hij komt in ieder geval niet voor in: H. Bots, J. Matthey en M. Meyer,
Noordbrabandse studenten 1550-1750, Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland, deel 44, (Tilburg, 1979).
(10) Dit komt overeen met de genoemde leeftijd van 22 jaar in de aanbevelingsbrief van pastoor van Emmerick, Archief van de Abdij van Tongerlo (= AAT), IV 339, 120.
(11) AAT IV 340/1, 119.
(12) AAT IV 340/1, 120.
(13) Het ambt van vicaris is enigszins vergelijkbaar met dat van kapelaan, zij het dat een vicaris over meer aangelegenheden zelfstandig kon beslissen.
(14) AAT IV 339, 154.
(15) A.M. Frenken, 'Het dagboek van bisschop Michaël Ophovius 4 augustus 1629 - einde 1631', in:
Bossche Bijdragen, XV (1937-1938), blz. 252-253; 'Brieven en verordeningen van bisschop Ophovius, betreffende de geestelijkheid te 's-Hertogenbosch', in:
Bossche Bijdragen, XV (1937-1938), blz. 315.
(16) AAT II 878 Manuale pastorum in Tilburg (= Manuale pastorum), blz. 44.
(17) Zie Bots, Matthey en Meyer, Noordbrabandse studenten 1550-1750, blz. 717.
(18) Coll. DTB, no. 78.
(19) Idem, no. 2.
(20) OAT, inv.nr. 432, folio 25v.
(21) De vicaris werd eerste kapelaan genoemd in tegenstelling tot de beneficiant die men ook onderkapelaan noemde.
(22) Manuale pastorum, blz. 67v.
(23) AAT IV 339, 130.
(24) AAT IV 339, 130; Manuale pastorum, blz. 66.
(25) Coll. DTB, no. 1.
(26) Coll. DTB, no. 78.
(27) OAT, inv.nr. 432, blz. 25v.
(28) In het Gemeentearchief Tilburg is dan ook een aparte serie dopen van Tilburgse kinderen in Loon op Zand, waarvan de meesten in deze periode gedoopt zijn. Coll. DTB, no. 83.
(29) Voor de diplomatieke inspanningen van Van Kessel, zie V.A.M. Beermann,
Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1648. Een episode uit het laatste stadium van den tachtigjarigen
oorlog, (Nijmegen/Utrecht, 1940), blz. 64-78.
(30) GAT, Oud-rechterlijk archief Loon op Zand, inv.nr. 618.
(31) Algemeen Rijksarchief 's-Gravenhage, Raad van State, inv.nr. 60, blz. 40.
(32) Idem, blz. 231.
(33) Idem, blz. 261.
(34) Manuale pastorum, blz. 67v.
(35) AAT IV 339, 133 (1650), 139 (1658), 140 (1665). In 1644 was Van de Graeff aanwezig in de schuilkerk onder Aarle; zie hiervoor Manuale pastorum, blz. 16.
(36) AAT IV 339, 139.
(37) AAT IV 339, 139 en 140.
(38) Manuale pastorum, blz. 67v.










