![]() |
|||
![]() |
Adriaenken Marcelissen uit Tilburg (1627-1666) en het begin van de derde orde der norbertijnen | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Adriaenken Marcelissen uit Tilburg (1627-1666) en het begin van de derde orde der norbertijnen |
|
|
N.B. Herziene versie (2004) |
|
Auteur: |
drs. Frans Hoppenbrouwers |
|
THR |
Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen |
|
Nummer: |
9 (1997) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
8-34 |
Bij werkzaamheden in het archief van de norbertijnse abdij van Onze Lieve Vrouwe te Tongerlo in 1992-1993 stootte ik op een pakketje brieven. Deze stukken hadden waarschijnlijk tot 1695 deel uitgemaakt van het persoonlijke archief van abt Rhoznata Crils en werden op een later tijdstip aan het oude parochiearchief van Tilburg toegevoegd. Omdat mijn verblijf in de abdij ten einde liep, heb ik ze gefotokopieerd. Pas in 1996 was er tijd om serieuze aandacht aan dit stukje vergeten geschiedenis te wijden. Het opschrift ‘...Belangrijk voor de kerkelijke geschiedenis van Tilburg...’ bleek zeer verhullend. De titel deed niet vermoeden, dat de inhoud ervan zo vreemd en zo interessant was. Het gaat om 41 brieven die tussen november 1663 en december 1666 zijn geschreven aan Rhoznata Crils, sinds 1663 prior en van 1664 tot 1695 abt van de abdij van Tongerlo. Ook bevat dit dossier een vragenlijst van de hand van Crils uit 1665.(1)
De stukken hebben betrekking op de Tilburgse vrouw Adriaenken Marcelissen (1627-1666). Zij was een zogenaamde ‘vrome maagd’, een lekenvrouw die zich wijdde aan een meer dan doorsnee godsdienstig leven. In die hoedanigheid groeide zij uit tot een opmerkelijk religieus fenomeen, visionaire, hongerkunstenares, wonderdoenster en voorspraak bij de heiligen. In de ogen van de norbertijnse zielzorgers te Tilburg was zij een zeer bijzondere, zo niet heilige vrouw. Adriaenken Marcelissen was trouwens niet de enige uitzonderlijke vrome vrouw, die Tilburg rijk was.(2) Over het leven van vrome, religieuze vrouwen en het norbertijnse derde-ordewezen bestaat enige literatuur.(3)
Adriaenken leefde in een tijd,
waarin de norbertijnse zielzorgers te Tilburg aan de inrichting van een derde
orde werkten. Deze derde orde was vooral bedoeld voor leken, mannen en
vrouwen, die hun godsdienstige leven op basis van een vastgestelde regel wilden
vorm geven. Dit gebeurde zowel op individuele als op gemeenschappelijke basis.
Daarbij oriënteerden zij zich op de spiritualiteit van een bepaalde
kloosterorde. De leden legden tijdelijke geloften af (kuisheid en armoede), maar
bleven in hun beroep werkzaam in de wereld. Zij stonden onder leiding van een
geestelijk leidsman of biechtvader. Deze bijzondere zorg voor leken in de
rooms-katholieke kerk kwam voort uit de kerkelijke ontwikkelingen ten tijde van
de zogenaamde tegenreformatie (vanaf circa 1550), die in haar strijd tegen de
protestantse reformatie de gelovigen tot een dieper geloofsleven wilde voeren.
De derde orde der norbertijnen
kende een zeer lange aanloop en werd pas in 1751 door paus Benedictus XIV
officieel goedgekeurd. Ideematig echter had de derde orde een middeleeuwse
oorsprong. Een verbinding tussen de middeleeuwen en de goedkeuring in 1751 vormt
onder andere de hoofdpersoon van dit artikel. Het precieze verband tussen die
twee tijdsmomenten wordt niet nader uitgewerkt, want hier staat het leven en de
historische context van Adriaenken Marcelissen centraal. In een moeilijk te
ontrafelen samenspel tussen Adriaenken en haar Tilburgse leidsmannen,
zielzorgers van de abdij van Tongerlo, zochten zij samen naar middelen om de
derde orde van de grond te tillen. Omdat de vrouw, bijvoorbeeld vanwege
vermeende grotere natuurlijke seksuele drift, in de traditionele christelijke
scheppingstheologie een lagere plaats innam dan de man, is het opmerkelijk dat
juist Adriaenken Marcelissen zich tegen het decor van de geschiedenis
profileerde. Haar buitengewone geloofsleven in relatie tot het streven naar een
norbertijnse derde orde was daar debet aan
De norbertijnen van Tongerlo
hadden sinds de middeleeuwen nauwe relaties met de parochie Tilburg. Deze banden
waren zowel van economische als van godsdienstige aard. De abdij bezat er
belangrijke bezittingen, tienden, pachten en renten, en de zielzorg werd van
oudsher door een norbertijnse pastoor gedaan. In verband met de zielzorg bestond
evenwel een complicerende factor. De 17de eeuw was een moeilijke tijd voor de
norbertijnen in Tilburg. Bij de vrede van Westfalen in 1648 was het gezag van de
Spanjaarden overgegaan op de Republiek der Zeven Provinciën. De gevolgen waren
legio. Het nieuwe gezag verbood de openbare geloofsuitoefening, onteigende de
pastorie en ander norbertijns bezit, renten, tienden en onroerend goed.
Ook legde het de hand op burgerlijk-kerkelijke bezit, als kerken en kapellen. De
armenkas werd gereformeerd en premiejagers waren actief om achtergehouden
bezittingen op te sporen. De norbertijnse zielzorgers moesten bij tijd en wijle
ondergronds hun taken uitoefenen. Ook mochten zij hun habijt niet langer dragen.
Tot slot moesten zij de concurrentie aangaan met een nederduits-gereformeerde
predikant, die in Tilburg een kleine gemeente van gelovigen onder zijn hoede
nam.
Vroomheid te Tilburg na het concilie van Trente (1545-1563)
De devotie tot Maria vormde
een belangrijk aandachtspunt van het rooms-katholieke pastoraat na het concilie
van Trente, maar kreeg binnen de norbertijnse orde al van oudsher een bijzondere
zorg. In de pastorale praktijk en in de religieuze kunst werd de Mariaverering
door de norbertijnse zielzorgers onder de aandacht van de gelovigen gebracht. In
de eerste helft van de 17de eeuw waren enkele uitgesproken mariadevote pastoors
in Tilburg werkzaam, bijvoorbeeld Petrus van Emmerick (1616-1625) en Augustinus
Wichmans (1632-1641).(4) Van Emmerick had in 1620 de dominicanen uit
Antwerpen uitgenodigd om een rozenkransbroederschap te Tilburg op te richten.
Wichmans had zich hard gemaakt voor het rozenkransgebed en de Loretaanse
litanie. Vicaris(5) Fulgentius van Meerwijck (1658-1664)(6)
bijvoorbeeld had door preken en bij de catechismusles zeer voor het
rozenkransgebed gepleit. Zo gaf hij rozenkransen weg als prijzen voor leerlingen
die zijn lessen bezochten. In de Tilburgse noodkerk te Poppel (België), die van
1650 tot 1668 in gebruik was, stond de rozenkrans op een glas-in-loodraam
afgebeeld.(7)
In dit verband is het niet
zonder belang de aanwezigheid van een wonderdadig mariabeeld te vermelden, want
zo’n beeld zal zeker hebben bijgedragen tot de plaatselijke mariadevotie.
Daarbij komt nog, dat de eerste berichten over dit beeld zijn afkomstig van onze
hoofdpersoon Adriaenken Marcelissen. Haar verhaal gaat als volgt. Vanaf haar
tiende jaar ging Adriaenken met vrienden en vriendinnen naar de herbergen om
daar te dansen, soms ook onder zekere dwang van haar leeftijdgenoten. Nadat zij
zich met hulp van de voorzienigheid bevrijd had van de aandrang tot dit vermaak,
bezocht zij voortaan, in ieder geval vanaf 1642, een miraculeus mariabeeld in
plaats van danspartijen. Uit de notities van abt Crils van Tongerlo uit 1665
blijkt dat het hier Onze Lieve Vrouwe van de Hasselt betrof en dat haar beeld
als wonderdadig bekend stond.(8)

Titelpagina
van een boek van de Tongerlose norbertijn G. van Herdegom
door Wenzeslaus Hollar.
In: ‘Diva virgo candida’ (Brussel, 1650). Hier
worden twee allegorische figuren afgebeeld. Midden links staat het actieve
leven (zielzorg, werk, zorg voor de naasten) en midden rechts het
beschouwende leven (gebed, studie, meditatie). Beide aspecten waren
wezenlijke bestanddelen van de norbertijnse levensstijl, zowel van de
mannelijke ordeleden als van de leden van de derde orde in oprichting.
(Foto H.C.M. Hoppenbrouwers).
Pas met Adriaenken kwam het bestaan
van een wonderbeeld van Maria aan het licht. Dit devotiebeeld was niet vóór en
zeker niet tijdens de zogenaamde ‘retorsietijd’ (1636-1648) bekend geraakt,
zoals dit wel met andere beelden in norbertijnse parochies was gebeurd. Het
ontbreken van een vermelding in Wichmans’ Brabantia Mariana Tripartita
(1632) en Van Herdegoms Diva Virgo Candida (1650) bevestigt dit. Hier
ligt een verklaring waarom in Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel
tevergeefs naar sporen vóór 1650 werd gezocht.(9)
Naast de bevordering van de
mariadevotie ging ook aandacht uit naar het idee van de verlossende boetedoening
en gebeden van de levende gelovigen voor de dode zielen in het vagevuur. Naar de
overtuiging van de rooms-katholieke kerk zaten de overleden gelovigen daar de
straf uit voor hun zonden, voordat zij tot de hemel werden toegelaten. Op
voorspraak van de levenden, dat wil zeggen door hun plaatsvervangende gebeden en
vrome werken ten gunste van de doden, konden de overledenen eerder dan God dit
aanvankelijk had voorgenomen uit het vagevuur worden bevrijd. Deze
bovennatuurlijke gebedsband was naast de mariadevotie een van de aandachtspunten
van de rozenkransbroederschap, die in veel norbertijnse parochies in de 17de
eeuw zijn opgericht. Ook had een erudiete norbertijn van Tongerlo een boekje
gewijd aan een wonderbare verschijning van een dode uit het vagevuur in de
norbertijnse parochie Duffel (België) in 1653.(10) Overigens werd in de
rooms-katholieke theologie het hele leven beschouwd als een aards vagevuur,
waarin de mens zijn eeuwige heil, lijdend en strijdend, moest verdienen. Dit was
een theologische visie die sinds de 15de eeuw opgang had gemaakt.
De norbertijnse derde orde
Het ijveren voor een norbertijnse derde orde was niet zonder gronden. Deze ijver
hing ook samen met, wat men zou kunnen noemen, het godsdienstige elan van ná
het concilie van Trente (1545-1563). In die periode richtte de rooms-katholieke
kerk zich meer uitdrukkelijk op de gewone gelovigen. In zoverre de
doelstellingen van pastorale hervormingen een dieper geloofsleven beoogden,
werden de gelovigen geconfronteerd met idealen die voordien alleen of veeleer
aan religieuzen waren voorbehouden (bijvoorbeeld de regelmatige biecht en
communie, het systematisch leren van de catechismus op een zondagsschool,
eventueel het lezen van vrome boeken en de bijbel en het lidmaatschap van een
religieuze broederschap). Hiermee wilde de rooms-katholieke kerk haar gelovigen
ook beschermen tegen beïnvloeding door het protestantisme. Daarbij benadrukten
theologen en geestelijke schrijvers, dat het geloofsleven in overeenstemming
diende te zijn met de roeping en de praktische mogelijkheden van de individuele
gelovige. Juist deze aandacht voor de individuele component maakte het mogelijk
om een derde orde als alternatieve levensvorm voor leken te introduceren. Binnen
een aantal gegeven randvoorwaarden kon de gelovige het religieuze leven zelf
vormgeven, zonder werk en zorgtaken in de wereld op te geven.(11)
Een andere, specifiek op de norbertijnen van toepassing zijnde reden vormde de
vooral binnen de Brabantse tak van de orde gangbare visie op de dubbele roeping
van haar mannelijke leden (vita mixta). Aan de ene kant waren de
norbertijnen vooral geroepen tot persoonlijke levensheiliging door studie,
gebed, meditatie en verstervingen. Aan de andere kant echter moesten zij als
zielzorgers werkzaam zijn voor het zielenheil van de hun toebedeelde gelovigen.(12)
Deze levensvisie was zeer wel vergelijkbaar met die van de leken die hun
religieuze roeping sowieso in de wereld vorm moesten geven. Zodra de
doelstellingen van de derde orde aan bod komen, dringt zich de vergelijking op.
De leden van de derde orde streefden naar zelfheiliging door een verdiept
religieus leven, maar probeerden door hun voorbeeldig leven en werken in de
wereld anderen, in woord en daad, tot een vroom en godsdienstig leven te
verleiden.(13) Dit kan de affiniteit van de norbertijnen met de derde
orde verklaren.
Nog een
bijzondere reden was de bijdrage die de derde orde kon leveren tot de
‘norbertinisering’ van de vroomheid van de parochianen die aan de Tongerlose
zielzorgers waren toevertrouwd. De verering van ordestichter Norbertus als
heilige was al in 1582 door Rome toegestaan aan de norbertijnen en
norbertinessen, maar pas in 1644 aan de gehele rooms-katholieke kerk, dus ook
aan de gelovigen in de norbertijnse parochies. Naar hun eigen overtuiging kregen
de leden van de ‘norbertijnse familie’ met de H. Norbertus als ‘hemelse
vader’ een bijzondere voorspreker, die bij God voor zijn kinderen kon
optreden. Ook eerder genoemde devoties, die binnen de norbertijnse orde veel
aandacht kregen, konden op die manier worden verspreid: de mariaverering, in het
bijzonder het rozenkransgebed, én de zorg voor de zielen in het vagevuur.(14)
Er bestond ook nog een meer
algemene, materiële reden waarom de derde orde voor de intensievere
geloofsbeleving van leken van belang kon zijn. Langzamerhand verdween namelijk
het aantal mogelijkheden om in een kloosterorde in te treden. In 1629 viel
’s-Hertogenbosch in handen van de ‘stedendwinger’ prins Frederik Hendrik,
in 1637 werd Breda op de Spanjaarden veroverd en bij de vrede van Westfalen in
1648 kwamen de Meierij van ’s-Hertogenbosch, de Baronie van Breda en het
Markizaat van Bergen op Zoom onder de Republiek der Zeven Provinciën. Steeds
werd de openbare uitoefening van het rooms-katholieke geloof verboden. Abdijen,
kloosters en begijnhoven moesten de deuren sluiten, of mochten geen nieuwe leden
aannemen en werden zo gedwongen om langzaam uit te sterven. De toeloop naar
Zuid-Nederlandse religieuze instituten bleef bestaan, maar was beperkt door de
bepaling dat deze instellingen niet méér leden mochten aannemen dan zij konden
voeden. De instroom vanuit Staats-Brabant na 1648 blijkt bijvoorbeeld uit de
doodsboeken met overleden leden van religieuze gemeenschappen en stukken in
Noord-Brabantse parochie- en gemeentearchieven.
Norbertinisering en de derde orde te Tilburg
De norbertinisering van de
parochie Tilburg had op verschillende manieren plaats. Allereerst werd de
verering van de H. Norbertus bevorderd door bij het doopsel of het vormsel de
ouders de doop- of vormselnaam Norbertus of Norberta te suggereren. Blijkens een
brief uit 1663/1664 van vicaris Van Meerwijck aan zijn prior, waarin hij dit als
een na te volgen praktijk voor alle norbertijnse zielzorgers van Tongerlo
voorstelde, was dit te Tilburg reeds gangbaar. De doopboeken van de parochie
Tilburg bevestigen dit, in het bijzonder voor het jaar 1663. Ook konden de
norbertusdevoten door gebed en verering pauselijke aflaten verdienen. (Een
aflaat was een strafvermindering op het verblijf in het vagevuur. Voorwaarde was
wel dat de gelovige bij een priester zijn zonden opbiechtte.)(15) in dit
verband namen Tongerlose norbertijnen die in Rome studeerden norbertusmedailles
met aflaten mee terug, die vervolgens te Tilburg werden verspreid.(16)
Een bijzondere verering betrof de naamsheilige van de prior, later abt van
Tongerlo Rhoznata Crils (1663-1695)(17), maar hieraan namen vooral, zo
niet alleen, de vrome maagden van Tilburg deel.(18)
Het
meest vérstrekkende middel tot norbertinisering te Tilburg was wel het streven
naar een eigen derde orde. De allereerste aanzetten daartoe zijn niet meer te
achterhalen, maar moeten zeker niet zo vroeg worden geplaatst als J.A. Coppens
in 1843 deed, namelijk ten tijde van het pastoraat van pastoor Van Emmerick
(†1625). In het stadsarchief van Tilburg noch in het abdijarchief van Tongerlo
is iets voorhanden dat wijst op een derde-ordestreven rond zijn persoon.(19)
Een register met de namen van derde-ordeleden en hun leidsmannen in het
stadsarchief van Tilburg doet dat evenmin. Dit register geeft veelmeer
aanleiding om het eerste streven naar de derde orde in ieder geval rond 1660 te
plaatsen. De eerste ingeschreven namen zijn die van vicaris Evermodus van
Berlicum (1653-1656)(20) en vicaris Fulgentius van Meerwijck. Bovendien
meldt het register, dat de instelling van een leefregel plaats vond op last van
abt Wichmans (1644-1661) en prior, later abt Crils. (Een derde orde in strikte
zin bestond toen nog niet!) De naam van Adriaenken Marcelissen ontbreekt.(21)
De Norbertusdevoten leefden volgens een regel die door Evermodus van Berlicum ná
zijn vertrek uit Tilburg werd vervaardigd. Deze leefregel was zeer eenvoudig en
geïnspireerd op die van Joannes le Paige, een Franse norbertijn.(22) Van
Berlicums Regel voor godtvruchtige sielen (1660) kan in verband worden
gebracht met de hoofdpersoon van dit artikel, die deze regel in praktijk bracht.
Zij bestond uit vijf punten: 1. Het zeggen van bepaalde gebeden. 2. Het gebruik
van het biecht- en communiesacrament. 3. Vasten en onthoudingen. 4. De dracht
van een wit schouderkleed (scapulier). 5. De inschrijving in een
Norbertusbroederschap.(23) Punt vijf maakt duidelijk dat deze regel een
nieuwe vorm van religieus leven beoogde en het lidmaatschap van een eenvoudige
broederschap overtrof. Het was immers slechts één van de vijf voorschriften.
Hierbij gaat het om een
lidmaatschap op afstand bij de ‘Broederschap ter ere van het Allerheiligste
Sacrament en de H. Norbertus’ van de abdij van Onze Lieve Vrouwe te Tongerlo.
De broederschap kwam mede op initiatief van hulpabt Wichmans in 1643 tot stand.(24)
Overigens bestond er in 1663 of 1664 reeds een gedrukte leefregel.(25)

Augustinus
Wichmans (1596-1661), pastoor te Tilburg (1632-1643) en abt van Tongerlo
(1644-1661). Op initiatief van abt Wichmans en zijn opvolger abt Crils
(1664-1695), werd een
leefregel voor leken opgesteld. (Coll. Abdij van Tongerlo; foto RHC Tilburg).
Een beeld van de derde orde in
wording rijst op uit de brieven die vicaris Fulgentius van Meerwijck schreef
tussen 1 november 1663 en 27 mei 1664. De
derde orde moest fungeren als een plaats, waar mannen en vrouwen door het
beoefenen van vrome werken konden deelnemen aan de spirituele rijkdommen van de
abdij van Tongerlo. Zo schreef Van Meerwijck eens aan zijn prior: ‘Moge de
hoogwaardige heer de broeders en zusters deelgenoot maken van alle geestelijke
goederen van ons klooster.’ Met hun vroomheidsoefeningen en hun genegenheid
tot de norbertijnse orde en haar heiligen en zaligen waren de leden elkaar, maar
vooral hun doden in het vagevuur tot steun. De verering van de heilige Norbertus
vormde het centrale aandachtspunt: ‘...opdat onze heilige vader Norbertus
bekend wordt in de gehele wereld, zoals eens God in Judea.’(26)
De abdij van Tongerlo vormde de draaispil
van de solidariteitsband tussen alle Norbertusdevoten. Abt Crils noemde in 1666
de wereldse leden van deze band ‘leken-norbertijnen’.(27) Met
betrekking tot zijn band met Adriaenken Marcelissen sprak vicaris Didacus
Roijmans(28) over een ‘geestelijke vriendschap’.(29)
Als
uitwerking van de leefregel waren eenvoudige gebedsoefeningen voorzien
(rozenkransgebed, onzevader), die iedereen naar gelang zijn of haar
mogelijkheden meer of minder uitgebreid kon doen. Hetzelfde gold voor de
communie- en biechtfrequentie. De norbertusdevoten stonden onder leiding van een
biechtvader of leidsman die, naarmate hun geloofsleven zich verdiepte, de
intensiteit van te verrichten godsdienstoefeningen vaststelde. Zo werd ook
rekening gehouden met het feit dat sommige vrome maagden zich in het eigen
levensonderhoud moesten voorzien. In dit verband stelde Van Meerwijck met
vreugde vast, ‘dat velen van de ochtend tot de avond hun handwerk verrichten
en tegelijkertijd bidden.’ De bedoeling was om één algemene regel samen te
stellen, die afhankelijk van plaats en omstandigheden kon worden aangepast.
Hiertoe werkten de Tilburgers samen met andere norbertijnse zielzorgers, zoals
Lambertus de Leeuw, pastoor van Retie (België).(30)
Veranderingen
werden in de praktijk door Adriaenken Marcelissen en anderen uitgeprobeerd. De
vrome maagden droegen op hoogtijdagen in de kerk een lang schouderkleed
(scapulier) over de kleren, dat ondanks het kloosterlijke voorkomen was
toegestaan. Volgens Van Meerwijck behoorden ook alle norbertijnse zielzorgers in
Generaliteits-Brabant, die hun witte habijt niet openlijk konden dragen, het
scapulier onder hun burgerkleding dragen. Dit moest op vrijwillige basis
gebeuren en op een later tijdstip een verplichting worden.(31)
Adriaenken Marcelissen: ‘...een overtreetster van de geboden Gods, een
ondanckbaer mensch...’ (32)
Hoewel een rijk dossier rond
Adriaenken Marcelissen voorhanden ligt, bleef haar levensloop min of meer
onbekend. De voornaamste bronnen beslaan immers alleen de periode van 1663 tot
1666. Adriaenken werd geboren te Tilburg op 3 oktober 1627 in een arme familie.
Haar ouders waren Marcellus Adriaenssen uit Enschot (†24-10-1665) en Elizabeth
van Aelst uit Tilburg (†ná 1627), beiden vrome lieden.(33) Slechts
enkele andere familieleden zijn bekend. Zo had zij een broer en een nichtje,
Petronella (?), die niet bepaald goed bekendstonden, en een oom van vaderszijde.(34)
Het is niet mogelijk om na te gaan hoe lang zij door haar leidsmannen werd
begeleid. Tot zijn dood op 5 mei 1664 was dit vicaris Fulgentius van Meerwijck
en nadien zijn oud-studiegenoot uit Leuven en collega-vicaris Didacus Roijmans.
De eerste contacten moeten in 1663 of eerder plaats hebben gehad. De vroegste
brief uit het dossier is namelijk geadresseerd aan Rhoznata Crils als prior van
Tongerlo die op 1 november 1663 deze functie op zich nam. Nadat Adriaenken haar
leven tot dan toe in Tilburg had doorgebracht, ging zij op aanraden van abt
Crils in augustus 1665 in Duffel bij Antwerpen wonen. Eind 1666, ernstig ziek,
vertrok zij naar ’s-Hertogenbosch, waar zij vermoedelijk bij een zuster van
wijlen vicaris Van Meerwijck woonde. Daar stierf zij op 24 december tussen 4 en
5 uur ’s ochtends, 39 jaar oud. Haar lichaam werd naar Tongerlo gebracht, waar
het op 30 december in de abdijkerk nabij de relieken van de zalige Siardus werd
bijgezet.(35)

De norbertijnse abdij van Tongerlo in België
door Wenzeslaus Hollar. In: P. le Roy, ‘Notitia
Marchionatus Sacri
Romani
Imperii’ (1650). Links het wapen van abt
Wichmans, in het midden zijn portret en rechts het wapen van de
abdij. De zielzorg in de parochie Tilburg
werd sedert de Middeleeuwen verzorgd vanuit deze abdij. (Part. coll.;
foto RHC Tilburg).
In de tijd dat
zij onder de hoede van haar leidsmannen stond, heeft Adriaenken haar bijdrage
geleverd tot de inrichting van de derde orde. Zij sterkte haar leidsmannen in de
overtuiging, dat hun streven naar een derde orde de hemelse goedkeuring had en
aardse steun verdiende. Ook bracht zij verbeteringen van de leefregel in de
praktijk. Daarbij profileerde zij zich in de ogen van haar norbertijnse
leidsmannen als een bijzondere religieuze, zelfs heilige persoon. De
samenwerking tussen Adriaenken en haar biechtvaders bleek weinig alledaags,
sterker nog, die was even uitzonderlijk als dubbelzinnig, voor de toeschouwer nu
én voor de buitenstaanders toen. Haar leven wordt hier onder een aantal
aspecten besproken: 1. Hemelse uitverkiezing. 2. Niet aflatende visioenen. 3.
Plaatsvervangend lijden. 4. Strijd tussen goed en kwaad. 5. Geloof, ongeloof en
geheimhouding. Dit artikel besluit met enkele gedachten over de wondere
wereld van Adriaenken.
Uitverkorene onder de vrouwen: hemelse uitverkiezing
De
organisatie van een derde orde was zeker in een voor rooms-katholieken vijandige
omgeving geen eenvoudige zaak. Ofschoon er allerlei mogelijkheden bestonden om
zich van een zekere mate van geloofsvrijheid te verzekeren (bijvoorbeeld door
middel van smeergelden), bevonden de rooms-katholieke zielzorgers en hun kudde
zich in de verdrukking. In de brieven van de Tilburgse zielenherders keert dit
thema vaker terug. Juist in deze setting werd gezocht naar een vorm van geregeld
godsdienstig leven voor leken. Dit leidde ongetwijfeld tot onzekerheid over de
wenselijkheid en de vormgeving hiervan. Immers, zodra de rooms-katholieken,
vooral de zielzorgers, bijzondere aandacht op zich vestigden, konden zij
voorwerp van vervolging worden. Hier kwam Adriaenken haar norbertijnse
leidsmannen te hulp door goedkeuringen van ‘hogerhand’ te bemiddelen. De
brieven van vicaris Van Meerwijck, die uit zijn ‘geheime geschriften’
citeerde, maken enigszins duidelijk hoe zij hem van haar middelaarsrol had weten
te overtuigen. Adriaenken beriep zich onder andere op verschijningen van de
heilige Norbertus en, of Maria (met het kind Jezus en de heilige Jozef).
Uit de
visioenen van de heilige Norbertus, die Adriaenken aan vicaris Van Meerwijck
meedeelde, bleek hoe zij werd ‘geroepen’. In haar jeugd had zij vermoedelijk
in de norbertijnse orde willen intreden, maar dit verlangen was - naar aardse
maten gemeten - onmogelijk gebleken. Redenen als een ongeschikt karakter,
ziekelijkheid of armoede (onvermogen een bruidsschat te betalen bij intrede)
zijn niet bekend, maar de laatste twee motieven zijn niet onaannemelijk.
Adriaenkens onvervulde streven vond blijkens haar visioenen bijval in de hemelse
sferen. Samen met Maria besliste Norbertus dat zij moest werken voor de
verspreiding van de leefregel (van oud-vicaris Van Berlicum) en dat zij een wit
scapulier moest maken en dragen. Als zij dit deed en daarin volhardde, zou
Norbertus haar tot zijn bruid nemen, maar zij moest dan wel in de wereld
blijven. En zo gebeurde het. Norbertus
velde een positief besluit:
‘Ick had u al langer moeten naer loopen. Ick had u al soo lanck gevrijt eer
gij den scapulier wou aendoen, evenwel ick sien dat den iever ende liefde soo
groot is, daerom soo trouwe ick u nu terstont.’ Adriaenken werd dus geen bruid
van Christus (een meer gangbare metafoor voor het toetreden tot een religieuze
staat), maar van Norbertus. Dit alles zou tussen haar 29ste en 31ste levensjaar
(1656/1657-1658) zijn gebeurd. Overigens bleek zij tussen 1659 en 1661 ook nog
geestelijk gehuwd met verschillende andere heiligen, als de heilige Jozef en de
zalige norbertijn Herman-Jozef van Steinfeld. Op een van haar ziekbedden en in
een brief noemde Adriaenken Christus en Jezus de bruid van haar ziel.(36)
Een treffende illustratie van
haar uitverkiezing biedt nog een ander visioen, dat in 1665 door abt Crils in
een vragenlijst voor Adriaenken werd opgetekend. Al in de hemel was vastgesteld,
dat zij haar leven en werken voor de norbertijnse derde orde moest inzetten. Dit
gebeurde na een hemelse discussie tussen de heilige Norbertus aan een kant en de
heiligen Dominicus en Franciscus aan de andere. Immers, die laatste twee bezaten
reeds een eigen, goedgekeurde derde orde, waarmee Norbertus’ nieuwe religieuze
instituut de concurrentie aanging. De heilige Norbertus won het pleit en
Adriaenken was voor hem.(37) Na haar uitverkiezing (1656/1657-1658) moest
ook zij van haar roeping worden overtuigd. In haar brieven noemt zij zich
namelijk een onnuttige en onwaardige persoon. Bovendien wilden de mensen om haar
heen haar niet altijd geloven, wat kennelijk tot teleurstelling leidde. Aan abt
Crils gaf zij dit als reden op, waarom Norbertus en Maria haar de ene keer
vermanend toespraken (als ze onwillig of niet actief genoeg was) en een andere
keer bemoedigend (als zij zich nutteloos voelde). Zo zou zij 1000 à 2000 keer
door Maria zijn gemaand om het rozenkransgebed te verspreiden en ongeveer 100
maal voor de geringste onachtzaamheid of zwakheid berispt.(38)
Adriaenkens eigen geringschatting was trouwens ook in de 17de eeuw noodzakelijk
om onder theologen betrouwbaar te kunnen zijn. Zo’n houding vonden zij
passender voor een religieuze vrouw.
Uit Crils’
vragenlijst blijkt, dat de graad van Adriaenkens uitverkiezing ongekende vormen
had aangenomen. Toen zij 35½ jaar oud was (1663) beloofde Maria aan Adriaenken,
dat zij nooit meer doodzonden kon begaan. (Deze zonden leidden tot de eeuwige
verdoemenis in de hel.) En vanaf 1658 of 1659 bleef zij gevrijwaard van de
zonden van onkuisheid, onzedelijke gedachten en gevoelens. In visioenen zou haar
zo’n 1000 keer een lauwerkrans zijn getoond als teken van haar heiligheid en
toekomstige heil. Ook toonde Norbertus Adriaenken ongeveer 300 maal de plaats
aan zijn zijde, die in de hemel voor haar bestemd was. Een ander teken van haar
uitverkiezing waren
de stigma’s (de kruiswonden van Jezus Christus), waarmee zij vanaf haar 32ste
levensjaar kennelijk op bovennatuurlijke wijze was getekend: de wonden in de
handen, de voeten en de zijde. Zonder enige zichtbare reserve noteerde abt Crils
in zijn vragenlijst: ‘Nooit heeft zij doodzonden begaan.’(39)
Al deze
wonderlijke, wonderdadige gebeurtenissen droegen ongetwijfeld tot de overtuiging
bij, dat Adriaenken een geschikt medium was om de hemelse én de aardse
goedkeuring bij de inrichting van de derde orde te verkrijgen. Haar leidsmannen
vroegen haar namelijk om hun vragen rond de derde orde aan Maria en Norbertus
voor te leggen en daarop kwamen blijkbaar plausibele antwoorden. Dit was
bijvoorbeeld het geval met de vervaardiging van de leefregel voor leken, de
kerkelijke goedkeuring daarvan en het verzoek om aflaten voor gelovigen die
volgens de regel leefden. Ook de zichtbare dracht van een lang scapulier op
hoogtijdagen in de kerk werd op bevel van Van Meerwijck aan Maria voorgelegd. Op
de feestdag van onnozele kinderen (28 december 1663) kwam het antwoord. Het was
toegestaan en bovendien had de leidsman met dit vrome verzoek een aantal zielen
van norbertijnse zielzorgers uit het vagevuur bevrijd. Aldus nam zij twijfels
rond de vormgeving van de derde orde weg. De leidsmannen op hun beurt gebruikten
deze antwoorden en Adriaenkens visioenen om prior Crils van de bovennatuurlijke
goedkeuring van het streven naar een derde orde te overtuigen en zich zo van
zijn steun te voorzien.(40)
Een andere
keer vroeg Adriaenken op verzoek van haar leidsman Van Meerwijck Maria om raad,
omdat zij overal op haar weg voortekens tegenkwam in de vorm van kruisen van
stro en takken. Na veel aandringen antwoordde Maria dat dit de kruisen waren die
Adriaenken en haar leidsman te wachten stonden, maar een precieze invulling gaf
het vrome maagdje niet. Dat deed Van Meerwijck zelf, zodra tegenspoed opdoemde.
Na diens dood schreef Adriaenken dat zijn overlijden een van de kruisen was, die
Maria had voorspeld. Later waarschuwde zij ook abt Crils voor ‘cruijskens die
U eerwaarde boven het hooft hangen’.(41)
Niet aflatende visioenen
De heiligheid
en de goddelijke bijstand die Adriaenken ten deel waren gevallen, werden nog
eens kracht bijgezet door haar relaas van een menigte visioenen die zij vanaf
haar jeugd zou hebben gehad. Uit haar brieven, die van haar leidsmannen en de
vragenlijst van abt Crils blijkt dat zij bijna dagelijks bijzondere
verschijningen of mededelingen gewaar werd. Dit gebeurde meestal overdag. ’s
Nachts wijdde zij zich immers aan gebed en berouw. Zodra Maria aan haar
verscheen of zelfs wanneer zij slechts de namen van Maria, Jezus of Norbertus
hoorde, raakte zij bijna altijd buiten zichzelf.(42)
Haar tweede leidsman Roijmans sprak in het bijzonder van ‘extase’.(43)
In zijn vragenlijst geeft abt Crils een korte beschrijving van wat hij zelf had
meegemaakt bij Adriaenkens bezoek aan Tongerlo: ‘Op 10 augustus 1665 was zij
gedurende drie uur in de kerk (...) [en] zag zij zich in het voortdurende
gezelschap van Jezus, de heilige maagd, de allerheiligste vader Norbertus en de
zalige Siardus. Zij was geheel vol van inwendige vreugde, waarvan de tranen op
haar wangen, een vochtige zakdoek (die ik zelf heb gezien), alsook de zoete geur
die ik waarnam, getuigden.’ Deze zoete geur was niets anders dan de geur van
de heiligheid, die rond Adriaenken hing. Volgens Crils werd die geur doorgaans
door vele omstanders waargenomen, die zich daarover zeer verwonderden.(44)
Ook meldde
Adriaenken aan Crils verschijningen van Jezus Christus zelf, de ene keer als het
kind Jezus - meestal in de armen van zijn moeder Maria - en de andere keer als
de lijdende gekruisigde. Meer dan 100 maal zou zij het kind de gehele nacht of
voor een kortere tijd omhelsd en gekust hebben. Zij ontving dan het kind uit de
handen van Maria, koesterde het met intense vreugde en na afloop gaf zij het
terug, soms aan haar patroonheilige Adriana die ook aanwezig was. Kerstmis 1665
bijvoorbeeld was Adriaenken, die toen in Duffel woonde, aan het bidden in de
kapel van Onze Lieve Vrouwe. Haar verlangen om het Kerstkind te zien was zo
groot, dat een stem haar zei naar huis te gaan. Toen zij thuiskwam verscheen
Maria met het kind op de arm en legde het in Adriaenkens schoot. Haar blijdschap
was zo groot, dat zij het kind gedurende een half uur omhelsde en kuste. Ook zou
zij tot driemaal toe het kind Jezus in het uitgestelde altaarsacrament hebben
gezien en weer een andere keer, toen zij tijdens de mis de passie van Jezus
Christus overdacht, met zijn wonden en met bloed besprenkelde lichaam aan het
kruis.(45) Maria
manifesteerde zich eenmaal met de zeven zwaarden, die haar verdriet om de passie
(geseling, doornenkroning en de vijf kruiswonden) van haar zoon symboliseerden.(46)
Naast Jezus en Maria verschenen nog vele edellieden uit de hemelse hofhouding
aan Adriaenken, die haar blijkbaar bekend waren of zich bekend maakten. Zij
noemt een aantal norbertijnse ‘groten’, zoals de heilige Norbertus en de
zaligen Siardus, Herman-Jozef van Steinfeld en Godefridus van Kappenberg. En
verder een groot aantal oud-christelijke gelukzaligen, bijvoorbeeld de heiligen
Petrus en Paulus, Jozef, Maria Magdalena, Apollonia, Agatha, Fulgentius,
Adrianus en menig ander. Daarnaast meldt zij de verschijning van meerdere
kerkvaders en -leraren, bijvoorbeeld de heiligen Hiëronymus, Gregorius,
Bernardus, Dominicus en Franciscus. Wanneer Adriaenken een bezoek aan een
klooster of een kerk bracht, dan kwamen de patroon- en schutsheiligen haar
tegemoet om haar te begroeten. Dit gebeurde naar haar eigen zeggen ongeveer 30
keer. Vanaf de leeftijd van 16 à 17 jaar zag zij op de heiligendagen, maar ook
daarbuiten, de triomferende heiligen in de hemel.(47) Adriaenken kreeg
trouwens niet alleen een zicht geboden op de hemelse gelukzaligheid. Zo’n 1000
maal werd zij door engelen naar het vagevuur geleid om de straffen te zien die
concrete gelovigen in afwachting van hun toelating tot de hemel ondergingen.
Vijf à zes keer aanschouwde zij specifieke verdoemden in de hel, die er de
eeuwige straf voor hun doodzonden ondergingen. Zo’n 20 maal zag Adriaenken
haar vroegere leidsman Fulgentius van Meerwijck en minstens 10 à 12 keer haar
moeder, die vanuit het vagevuur aan haar verschenen. Zij
bedankten haar voor haar aansporingen om een deugdzaam leven te leiden en wezen
haar op hun gelukzalige staat.(48)

De verblydende, de lydende en de
strydende Kercke. Het rooms-katholieke
wereldbeeld. God troont in de hemel met naast hem een schatkist. Daarin
bevinden zich de verdiensten van Christus, die hij met zijn plaatsvervangende
offer voor de gelovigen heeft verdiend. In het vagevuur boeten de dode zielen
voor hun zonden en zo nu en dan wordt er een daaruit verlost. Onder het gezag
van de christenvorst en de paus, die een aflaat in de hand heeft, strijden de
gelovigen om hun zieleheil. Met het doopsel treden zij in de kerk binnen, waar
zij met het communiesacrament worden bijgestaan. Rechtsonder worden een
duivel en een protestantse ‘dwaalleraar’ met een kruis afgeweerd. In: G.J.
Steegius,
‘De christelycke leeringhe verstaenlycker uyt-geleyt door eene
beeld-sprake’
(Antwerpen, 1647). (Foto H.C.M. Hoppenbrouwers).
Ook noteerde abt
Crils bijzondere vormen van bovennatuurlijke kennisoverdracht. Zo bleek
Adriaenken in staat de mis te horen op een afstand van twee uur gaans.
(Vermoedelijk waren dit de missen die in de noodkerk van Tilburg te Poppel
werden opgedragen.) Dit zou minstens 100 maal zijn gebeurd, vooral wanneer zij
ziek was. Wanneer een rondtrekkende priester geen preek had gehouden en eenmaal
toen zij de communie had genoten van zo’n priester, bezorgde de heilige
Norbertus alsnog een preek. Verder zag of hoorde zij hoe haar leidsman Van
Meerwijck eens zijn voet bezeerd had of van zijn paard viel. Ook hoorde zij zijn
preken en gebeden, maar deze gewaarwordingen konden worden verduisterd. Zo
leidde een onmatig drinken tot een radiostilte van 14 dagen.(49)
Eens vertelde
de zalige Siardus haar de miraculeuze gebeurtenissen, die zich rond haar graf
zouden voordoen: de verschijning van een duif, van geneeskrachtige
‘spijkers’ (?) en van drie frisse lelies,
een symbool van haar zuiverheid,
in Adriaenkens handen. Ook zou dan de angelusklok klinken. Toen zij bij het
bezoek aan de abdij op 4 augustus 1665 nabij de relikwieën van Siardus bad, zou
hij tot haar hebben gesproken: ‘Willecom mijn vriendinne, daer ick soo langh
naer verlanght heb; sied hier de plaets van uw begraefenisse, daer gij naer
tracht.’(50)
Plaatsvervanging: ‘Strijdend en lijdend gaat onze zuster ten onder’(51)
In
rooms-katholiek perspectief werd het leven vaak voorgesteld als een aards
vagevuur. Op aarde moest de mens zijn persoonlijke zonden uitboeten die hij
beging op basis van zijn natuurlijke neiging tot het kwade. Die neiging was een
gevolg van de zondeval van Adam en Eva in het aardse paradijs en werd sindsdien
van geslacht op geslacht overgeërfd. Boete deed men door zogenaamde oefeningen
van berouw of boetewerken die de gelovige met ijver en geduld moest volbrengen.
Zij konden verschillende vormen aannemen en waren zowel geestelijk (gebeden) als
lichamelijk van karakter. Deze vrome werken konden ook plaatsvervangend van aard
zijn, zodat de zondenvergevende werking op andere mensen, doden of levenden,
werd toegepast. Iemand deed dan een goed werk voor iemand anders. Met deze
boetewerken volgde de gelovige het voorbeeld van Jezus Christus die met zijn
leven en lijden, plaatsvervangend voor de gehele mensheid, de straf voor (maar
niet de oorzaak van) de erfzonde had weggenomen.
De levenden én de doden kwam Adriaenken te hulp. Haar gebeden en
lichaamskastijdingen waren blijkbaar
zo verdienstelijk dat zij gehele groepen, zo
niet duizenden zielen uit het vagevuur zou hebben bevrijd. Onder hen waren vele
norbertijnse zielenherders.(52) Ook haar ziekten werden door haar
leidsmannen als bijzondere verdiensten beschouwd. Al deze godsvrucht gaf
leidsman Roijmans aanleiding tot een vergelijking van Adriaenken met de
middeleeuwse heilige Lidwina van Schiedam die, na een val op het ijs, haar leven
lang ziek te bed lag: ‘De maagd van Christus ondergaat alles met geduld en is
bereid als een tweede heilige Lidwina meer te lijden tot eer van God.’ Adriaenken
zelf vergeleek zich met de Spaanse mystica Theresia van Avila (†1582). ‘Vaak
heb ik haar in grote pijnen en in extase horen zeggen met de heilige Theresia te
willen lijden of sterven,’ schrijft Roijmans in een brief.(53)
Lichamelijke kastijdingen - zo blijkt uit
brieven van Roijmans en aantekeningen van abt Crils - vormden een belangrijk
onderdeel van de boetewerken die Adriaenken zichzelf oplegde. Zij hielden
verband met het dagelijkse leven of namen meer uitzonderlijke vormen aan.
Adriaenken had zich vanaf de jaren des onderscheid strenge vasten opgelegd. Zo
at zij bijvoorbeeld niets tussen carnaval en Pasen (veertigdagentijd) en kon zij
hele maanden vasten en slechts enkele kruimels brood eten. Dan was de communie
het enige regelmatige voedsel dat zij tot zich nam. Op een ziekbed toen zij al
was opgegeven, weigerde zij te drinken, zodat zij nuchter kon communiceren.(54)
Vaak bleef zij een maand lang wakker en dit mateloze waken zou zij enkel hebben
onderbroken voor een kwartiertje slaap per nacht. In strijd met de slaap hield
zij bij het bidden de armen voor zich uitgestrekt of hing zij haar armen op in
lussen. Op het matras had zij dikwijls een houten plank liggen. De vermelding
dat zij nooit linnen beddegoed gebruikte, lijkt in dit verband van minder
belang. Het bed zag zij immers maar zelden, tenzij bij ziekte. Ook deed zij
scherp zaad in haar schoenen en liet zij zich steken door muggen, zonder er ooit
een dood te slaan.(55) Dit laatste was natuurlijk een vorm van
zelftuchtiging en geen bijzondere blijk van dierenliefde.
Daarnaast
vermeldt abt Crils’ vragenlijst meer uitzonderlijke kastijdingen, die
Adriaenken ondanks haar slechte gezondheid beoefende. Daarbij had zij
verschillende hulpmiddelen tot haar beschikking staan. Zo sliep zij ’s nachts
op een bed met scherpe houten punten of zat zij op een schommel met pinnen. Ook
nam zij haar toevlucht tot een pijnbank die op het kasteel van Tilburg stond -
‘voor de quaetdoenders’. (Adriaenken woonde immers bij de norbertijnse
zielzorgers op het voorhof van het kasteel.) Verder gebruikte zij een zweep met
ijzeren punten, die tot op het vlees gingen. Het gebruik van een ijzeren vlaskam
zou door Maria zijn verboden. Adriaenken droeg regelmatig ijzeren kettingen, een
keer gedurende een periode van één jaar en vijf maanden. Wanneer zij zichzelf
te zwaar had uitgeput, werd zij naar eigen zeggen zes à zeven keer door engelen
in haar kracht hersteld. Andere, niet zelf toegebrachte kastijdingen zouden van
engelen afkomstig zijn, die haar meer dan 1000 keer zouden hebben verwond. Zo
tuchtigden engelen haar tijdens een bezoek aan de abdij van Tongerlo in de nacht
van 6 op 7 en van 8 op 9 augustus 1665, eenmaal gedurende drie kwartier. Naar
sporen zou men tevergeefs hebben gezocht, want de engelen genazen terstond de
toegebrachte verwondingen! Wel bleef zij gewoonlijk zwak en ziekelijk achter.
Adriaenken vertelde abt Crils ook, dat zij aan het lijden van Jezus Christus
deelnam, te weten aan de pijn van de wonden (meer dan 25 keer) en het lijden aan
het kruis op Goede Vrijdag (zes à zeven jaar achtereen). Ook zei zij, dat al
haar ledematen door de pijnen van martelaars als Petrus en Paulus, Andreas,
Laurentius, Adrianus en Crispinus werden gekweld.(56)
Ziekte
beheerste Adriaenkens laatste levensjaren. Zij was zo vaak, soms tot de dood toe
ziek, dat een in 1664 voorgenomen bezoek aan de abdij van Tongerlo pas een vol
jaar later plaats kon hebben. Kort voor augustus 1665 verbeterde haar toestand,
maar na haar verblijf in de abdij lag zij opnieuw doodziek in haar nieuwe
woonplaats Duffel te bed. Een te hulp geroepen arts adviseerde het sacrament der
stervenden toe te laten dienen. Leidsman Roijmans stelde zijn abt voor om haar
in geval van overlijden in een speciaal geprepareerde doodskist naar Tongerlo te
brengen. Dit plan was iets te voorbarig, want Adriaenken kwam er weer bovenop.
(In stervensnood zou zij in totaal zo’n 100 maal zijn genezen.) De aard van
haar ziekten werd meestal vaag aangeduid, bijvoorbeeld als ‘voortdurende’ of
‘interne koortsen’ of ‘onverdraagbare inwendige pijnen tengevolge van een
gevaarlijke en verborgen inwerking’. Eens te ’s-Hertogenbosch werd iets van
een officiële diagnose gesteld. Een arts stelde onder andere waterzucht vast,
wat kan wijzen op een hartfeilen. Na een verblijf van een jaar in Duffel reisde
Adriaenken vermoedelijk op 13 november 1666 naar ’s-Hertogenbosch. Daar stierf
zij op 24 december. Wellicht leed zij aan een vorm van kanker, want abt Crils
meldt dat haar zijde geïnfecteerd was en overmatig zweerde (eenmaal zelfs 18
pond pus).(57)
Met haar
gebed stond Adriaenken de mensen rond haar bij, vooral Rhoznata Crils. Deze
bijzondere bijstand blijkt uit verschillende brieven van haar en haar
leidsmannen aan Crils, waarin zij de boekhouding van Adriaenkens vrome werken en
die van andere geestelijke dochters opmaakten. Meestal ging het om de aantallen
gebeden rozenkransen en onzevaders en geestelijke en feitelijke communies. Deze
vrome oefeningen werden aan de abt opgedragen en Adriaenken droeg soms ook haar
lichaamskastijdingen aan hem op.(58) Crils
op zijn beurt zei gebeden en las missen voor haar.(59) Verder
kwam Adriaenken haar medemensen ook op een andere bovennatuurlijke wijze te
hulp. Door haar profetische gaven raakte zij bekend met allerlei verborgen
zonden van haar medeparochianen en wist zij een onbekend aantal van hen te
bekeren. Ook genas zij mensen van koortsen, magische beïnvloeding of
vloeiingen. Daarnaast werden Tilburgers door bijvoorbeeld Adriaenkens rozenkrans
en zweet- of zakdoeken genezen. Dit gebeurde vermoedelijk na aanraking van die
voorwerpen.(60)
Tussen goed en kwaad: belaagd door de duivel, geholpen door engelen
Het christelijke geloof stelt de
ziel voor als een strijdperk tussen goed en kwaad, waar de mens zijn religieuze
roeping oprecht moet bewaren. Het geloof en de goede zeden moeten worden
nagevolgd en alle verzoekingen van de duivel met kracht weerstaan. Op goddelijke
bijstand mag de gelovige hopen en een vroom en godsdienstig leven maakt die
goddelijke hulp effectiever. Het gevecht om het eigen zielenheil - tussen
hemelse glorie en eeuwige verdoemenis - nam in het geval van Adriaenken
Marcelissen wel zeer concrete vormen aan. De brieven van haar leidsmannen en de
vragenlijst van abt Crils maken er regelmatig gewag van.
Rond haar
twaalfde of dertiende levensjaar (1640) begon Maria met het kind Jezus aan haar
te verschijnen. Tegelijkertijd ontstonden ook de aanvechtingen van de duivel,
van demonen. In die tijd verschenen zij in de vorm van een gruwelijke man, die
steeds van vorm veranderde, haar toesprak en omarmde. En
eens kon zij de weg naar huis niet meer vinden en kwam steeds weer op dezelfde,
verkeerde weg uit. Op
verschillende manieren achtervolgden deze kwaaddoeners haar haar hele verdere
leven. Vele malen verhinderden zij Adriaenken om op pad te gaan, omdat een
muilezel of een paard, de rozenkrans, schoeisel en kleding zoek raakten. Ook
zorgde een duivelsstreek ervoor, dat zij verdwaalde, of dat de voerman met wie
zij meereisde de weg kwijtraakte. Daarnaast verhinderde de demon vele vrome
werken, misbezoek en gebeden. Allerlei lichamelijke kwellingen en ziekten zouden
eveneens aan de duivel te wijten zijn. Verder werd Adriaenken meermalen met
stomheid, doofheid of blindheid geslagen en verhinderde ziekte haar naar de
abdij van Tongerlo te gaan. Een keer trok een duivel haar aan haar haren door de
slaapkamer en voorkwam dat zij zich bekruiste. Deze diabolische plaagstoten
vonden meestal te Tilburg plaats.
De duivel die haar kwelde, kon dus allerlei gestaltes aannemen. De ene keer
verscheen hij als een raaf, een hond of een kat, de andere keer als een knappe
jongeling of een ‘Ethiopiër’, dat wil zeggen: als een neger. Deze
manifestaties hadden volgens Adriaenken een duidelijke functie. Zij probeerden
haar namelijk van haar geloof, devotie en goede werken af te brengen. De
verschijning tot twee of drie keer toe van een raaf die haar kamer binnenvloog
en eenmaal op haar knie neerstreek, wekte haar wellust op en wilde haar tot
ontucht aanzetten. Hetzelfde beoogde de verschijning van de knappe jongeling.
Adequate remedies waren onder andere het maken van het kruisteken, berispingen
en gebeden. In enkele van haar brieven maakte Adriaenken gewag van de niet
aflatende strijd met de duivel. Hij wilde haar zelfmoord laten plegen door haar
tot té strenge zelfkastijdingen te verleiden. Ook wilde hij haar aanzetten tot
ijdele zelfzucht of ongeloof. Zo zou de duivel om haar ijdelheid te prikkelen
eens gesproken hebben: ‘Ist mogelijck dat ghij maer een dochter en
sijdt, sonder cracht of sterckte, meer doot als levende door uw strengigheden
ende sickte?’(61)
Dit alles zal de norbertijnse zielzorgers niet vreemd in de oren hebben
geklonken. In de brieven van haar leidsmannen komen immers regelmatig
verwijzingen naar de demon voor, die met zijn duivels werk de norbertijnse
zielzorgers belaagde en het werk voor de derde orde bedreigde en hinderde. Zij
voerden ‘de duivel en zijn ledematen’ op, wanneer het werk voor de derde
orde in gevaar kwam, hetzij door een aanstaande verplaatsing van een vicaris van
Tilburg naar een andere standplaats, hetzij door scepsis of tegenwerking van de
pastoor. Overigens verwoordden de norbertijnse zielenherders, en ook Adriaenken,
de christelijk-theologische visie, dat de duivel alleen met de toestemming van
God kon optreden. Met de duivelse intriges werd de mens op de proef gesteld:
‘De demon beproeft reeds alles en verhindert het goede.’(62) Leidsman
Didacus Roijmans was zeer wel overtuigd van manifeste duivelse invloeden in
Tilburg. In een brief aan
prior Crils vroeg hij om Delrio’s boek ‘Magische onderzoekingen in zes
delen’ uit het sterfhuis van vicaris Van Meerwijck, dat ‘vanwege de
verschillende dagelijkse voorvallen zeer noodzakelijk’ was.(63)
Naast alle
verzoekingen van de duivel beweerde Adriaenken, dat zij ook door de hemelse
krachten werd bijgestaan. Zo waren er ‘goede engelen’ (in tegenstelling tot
duivels en demonen: de gevallen engelen), die haar tuchtigden en kwelden, maar
ook weer genazen. Toen zij zwak was en een bezwijming nabij hadden de goede
engelen haar zo’n 200 maal ondersteund. Zij hielpen haar ook bij haar
dagelijkse beslommeringen. Zij veegden bijvoorbeeld voor haar de haard uit,
deden naaiwerk en verrichtten veel voorkomend huishoudelijk werk. Dit alles zou
minstens 1500 keer zijn gebeurd. Nu eens waren het zes engelen, dan weer minder
en dan weer meer. Van het naaiwerk kreeg prior Crils witte misgewaden, die hij
persoonlijk gebruikte. Naast acht à tien keer eten uit de hemel brachten de
engelen ook bloemen mee. Eenmaal, ’s winters, brachten zij rozen.(64)
Geloof, ongeloof en geheimhouding
De tijdgenoten van Adriaenken
waren zeer verdeeld over haar status. De vicarissen Van Meerwijck en Roijmans,
abt Rhoznata Crils en enkele andere norbertijnen die bij de inrichting van de
derde orde betrokken waren, zo Lambertus de Leeuw, bleken overtuigd van de
bijzondere bovennatuurlijke gaven en gebeurtenissen die haar ten deel zouden
zijn gevallen. Crils bijvoorbeeld had zelf toegezien toen zij een visioen had.
Ook Didacus Roijmans maakte van zoiets melding: ‘vele wonderlijke en
bovennatuurlijke dingen heb ik deze veertigdagentijd in haar gezien en
ervaren.’ Hij meende zelfs dat juist zij Gods zegen op het woonhuis van de
Tilburgse zielzorgers garandeerde. Hij achtte haar de meest betrouwbare persoon
‘op de gehele wereld’.(65)
Niet iedereen
deelde deze heilige overtuiging. De pastoors van Tilburg, eerst Augustinus van
Dijck maar vooral zijn opvolger Antonius van Waeyenbergh (1664-1674),(66)
waren in het geheel niet met Adriaenken ingenomen. Van
Dijck bleek wel bereid zich in te spannen voor een Romeinse, apostolische
goedkeuring van de leefregel, maar hij vond tegelijkertijd ‘dat de kwezels
ofwel devote dochters zijn kerk corrumpe[e]r[d]en.’ En, hoe ziek Adriaenken
ook werd, pastoor Van Waeyenberghs houding bleef er een van distantie en
afkeuring. ‘Harder dan steen,’ omschreef vicaris Roijmans zijn pastoor.(67)
Ook de zeer
ijverige en in Tilburg geliefde vicaris Gualbertus Baelemans(68)
achtte haar niet waardig om er een woord mee te wisselen.
De precieze, onderliggende motieven van de zielzorgers zijn onbekend, maar een
dosis vrouwenangst en de vrees voor bevoordeling, voor een ongelijke behandeling
van de leken en voor godsdienstige bigotterie zullen zeker een rol hebben
meegespeeld. Verder waren het huispersoneel van de norbertijnse zielzorgers en
de dorpsgenoten Adriaenken niet altijd even goed gezind. Misschien juist vanwege
de uitzonderlijke rol die zij had aangenomen. Zowel in Tilburg als in Duffel was
zij het onderwerp van laster, spot, beledigingen en pesterijen.(69) In
het najaar van 1665 ontstond bovendien grote opspraak te Tilburg. Ondanks de
geheimhouding die de verschillende briefschrijvers wilden nastreven, kregen de
correspondentie tussen Adriaenken en abt Crils en de voorvallen rond haar bezoek
aan Tongerlo bekendheid.(70) Deze
geheimhouding hangt ongetwijfeld samen met de benauwde situatie waarin de
rooms-katholieken zich bevonden en de scepsis onder de Tilburgse bevolking.
Adriaenken
die op een niet nader te bepalen ogenblik bij de norbertijnse zielzorgers ging
inwonen legde een zwaar beslag op de huisvrede. Totdat zij in mei 1665 te ziek
werd om daarmee verder te gaan, bestierde zij immers, voorzien van bijzondere
privileges, het huishouden. Vanwege haar bijzondere relatie met leidsman Van
Meerwijck kreeg zij - met toestemming van prior Crils - bijvoorbeeld de sleutel
van een kast, waarin zijn geschriften waren opgeborgen.(71)
Daarnaast was
zij na zijn dood verantwoordelijk voor de afwikkeling van diens nalatenschap. Er
bestond echter nog andere conflictstof. Adriaenken stond onder de verdenking
huisbezit aan haar broer te hebben gegeven. Daarnaast had zij van alles van wat
er binnenshuis werd besproken aan een nichtje doorverteld, die het op haar beurt
aan haar vader doorbriefde. Ook vond de bijzonder vriendschappelijke relatie
tussen Adriaenken en vicaris Roijmans geen genade in de ogen van pastoor Van
Waeyenbergh. (In dit verband blijkt dat buiten Roijmans de andere norbertijnse
zielzorgers niet goed op de hoogte waren van Adriaenkens bijzondere rol.) De
pastoor wilde haar zelfs het huis uit hebben en Adriaenken nam zich voor, als
het echt niet anders kon, om bij een zuster van wijlen vicaris Van Meerwijck in
’s-Hertogenbosch te gaan wonen. Prior Crils verhinderd dit. Nu zij niet meer
als huishoudster kon functioneren, kon zij voortaan als tafelgenoot tegen
betaling aanblijven. De onderlinge spanningen werden daarmee natuurlijk niet
weggenomen en Adriaenkens verhuizing naar Duffel in augustus 1665 moet in dit
licht worden bezien. Te Duffel hield zij het iets meer dan een jaar uit. In
november 1666 vertrok zij naar ’s-Hertogenbosch, waar zij spoedig zou sterven.(72)
De driehoeksverhouding tussen Adriaenken, haar leidsmannen en prior, later abt
Crils is niet eenvoudig te duiden. Wel geven de bronnen enige aanleiding te
veronderstellen, dat er een soort lotsverbondenheid bestond tussen de
leidsmannen en hun vrome dochter. In verband met het reilen en zeilen in de
parochie Tilburg voorzagen zij de abt soms in dezelfde bewoordingen van
informatie. Het ging daarbij vaker om personele kwesties rond de parochie
Tilburg of klachten over de pastoor.(73) Ook
coachte Adriaenken haar leidsmannen bij hun correspondentie met hun abt door hen
bepaalde dingen niet te laten vertellen.(74)
Ieder op een
eigen manier benadrukte de noodzaak van Crils’ bijstand voor de goede zaak,
hetzij voor de derde orde, hetzij voor Adriaenken. Was er sprake van emotionele
chantage? Hierboven werd al gewag gemaakt van de ‘kruisen’ die de abt te
wachten stonden. Bovendien werden het welslagen van het werk voor de derde orde
en de zorg voor Adriaenken afhankelijk gemaakt van zijn steun. Deze hulp stelden
de Tilburgers voor als hetgeen God van hem verlangde. Een wat pathetisch
voorbeeld stamt uit een brief van vicaris Van Meerwijck uit begin 1664. Pastoor
Van Dijck had zich voorgenomen om een nieuwe vicaris te vragen en wilde Van
Meerwijck uit Tilburg wegsturen. De vicaris schreef toen: ‘Wat God verbonden
heeft, zal geen mens scheiden.’(75)
Vele brieven sluiten met de toezegging en hoop voor elkaars geestelijk welzijn
te zullen bidden en werken.
Nog afgezien
van de religieuze aspecten kan de verhouding tussen de leidsmannen en Crils aan
een kant en Adriaenken aan de andere als goedgelovig worden gekarakteriseerd.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit de verdwijning van de ‘geheime geschriften’ van
vicaris Van Meerwijck na zijn dood op 5 mei 1664. Omdat Adriaenken de sleutel
bewaarde van de kast, waarin hij zijn aantekeningen bewaarde, waren alle ogen op
haar gericht. Er kwamen verschillende verklaringen op tafel. Volgens vicaris
Roijmans had zij op verzoek van de overledene een groot aantal papieren
verbrand, maar desgevraagd zei Adriaenken dat de geschriften na de dood van Van
Meerwijck nog aanwezig waren. In november beschuldigde zij pastoor Van Dijck,
die op 12 augustus aan de pest was bezweken. Hij zou tijdens haar ziekte, kort
na de dood van Van Meerwijck, de notities hebben weggenomen. Abt Crils besloot
dan maar in de mysterieuze verdwijning te berusten en die aan de duivel toe te
schrijven. Verwondering wekt de angst van vicaris Roijmans om aan Adriaenken te
vragen waar de aantekeningen waren gebleven.(76)
Besluit
Wat te denken van
de wondere wereld rond Adriaenken Marcelissen? Een antwoord op deze vraag is
niet eenvoudige, want de wereld waarin zij leefde verschilt heel sterk van de
onze. Toch zijn er in heden en verleden zeker soortgelijke vormen van
‘barok’ geloof aanwijsbaar. De boeken van zeventiende-eeuwse Tongerlose
norbertijnen als Van Herdegom, Van Hoeswinckel en Wichmans bijvoorbeeld
beschrijven de meest merkwaardige wonderen en bovennatuurlijke fenomenen. In de
slotfase van de tachtigjarige oorlog (1636/1637) deden zich in enkele
norbertijnse parochies mariawonderen voor, die als bijzondere heilstekens in
tijden van verdrukking werden begrepen. In de 18de eeuw in Frankrijk trokken
zogenaamde ‘jansenisten’ in een vervolgingssituatie op bijzondere wijze de
aandacht. In de 19de en 20ste eeuw, toen de rooms-katholieke kerk zich sterk
verzette tegen de moderne wereld, raakten enkele grote mariawonderen bekend. New
Age, Jomanda en ‘channeling’ zijn de postchristelijke varianten van vandaag
de dag. Zonder een voorschot te willen nemen op de waarheidsvraag kan men in
Oude Pekela en alle verwikkelingen rond het satanisme bepaalde
vergelijkingspunten vinden.
In verband met
Adriaenken Marcelissen kunnen de volgende vragen worden gesteld. Was er bij haar
optreden sprake van bedrog, van zelfbedrog of van suggestie al dan niet
gecombineerd met een soort massapsychose? Heeft Adriaenken haar leidsmannen en,
op afstand, Rhoznata Crils willens en wetens bedrogen? Had zij een ziekelijke
natuur en was zij de gevangene van godsdienstige wanen? Of versterkten
Adriaenken en haar leidsmannen elkaar vanuit een al te naïef wondergeloof in
steeds toenemende mate in allerhande bijzondere tekens, mededelingen en
praktijken?
Dat
Adriaenken haar norbertijnse vrienden met plat bedrog voor zich zou hebben
gewonnen, kan niet de enige verklaring zijn. Dat zou namelijk betekenen dat het
om een zeer subtiele vorm van bedrog ging, want het conflicteerde overduidelijk
niet met de religieuze overtuigingen van de theologisch
geschoolde norbertijnse
zielzorgers zelf. Hierbij moet worden opgemerkt dat Adriaenken een goede pen had
en dus waarschijnlijk ook een goede leesvaardigheid bezat. Daarom is het niet
onmogelijk, dat zij veel van wat zij aan derden meedeelde in boeken had gelezen,
bijvoorbeeld in Van Hoeswinckels boekje over een terugkerende dode uit het
vagevuur uit 1654. Om dezelfde reden vormt godsdienstwaan niet de enige
zaligmakende verklaringsgrond. Dit zou namelijk betekenen dat zij niet té ziek
was, maar precies ziek genoeg om haar leidsmannen te interesseren en te
overtuigen. Eender is het met eventueel zelfbedrog. Het aangehaalde voorbeeld
van de kruisen van stro en takken lijkt een argument vóór autosuggestie, maar
kruisvormen komt men in het dagelijkse leven meer tegen zonder daar meteen een
bijzondere voorspellende waarde aan toe te kennen.
Daarom moet er een bepaalde, ‘redelijke’ motivatie bestaan om de dingen te zien, zoals Adriaenken én haar sympathisanten dat deden. Suggestie (en misschien ook wat bedrog en zelfbedrog en misschien zelfs waan) lijkt een meer voor de hand liggende uitleg. Het is bijvoorbeeld goed voorstelbaar dat Adriaenkens leidsmannen en abt Crils haar met bepaalde vragen gepaste antwoorden ontlokten of dat zij haar die woorden in de mond legden die zij graag wilden horen. Adriaenken op haar beurt stemde haar verhalen op hun verlangens af. En zo ging het van kwaad tot erger.
Het is bovendien duidelijk geworden dat er grote wederzijdse afhankelijkheid bestond tussen de verschillende hoofdrolspelers. De norbertijnen wilden in de lijn van het concilie van Trente een bijzondere vorm van religieus leven voor leken inrichten, maar dit gebeurde uitgerekend in een problematische context, namelijk te Tilburg ná 1648. In deze onzekere situatie was de persoon van Adriaenken Marcelissen steun en toeverlaat voor dit norbertijnse initiatief. Ook voor Adriaenken stond er iets op het spel, maar wat dat was, kan enkel worden vermoed. Als alleenstaande vrouw wist zij zich op bijzondere wijze gesteund door enkele norbertijnse zielzorgers te Tilburg en hun abt. Zij won respect, kreeg aandacht en verwierf op zeker moment als huishoudster een bepaalde status. Ofschoon haar positie niet onbesproken bleef, genoot zij groot vertrouwen van haar leidsmannen en hun overste. Misschien bleef Crils’ geloof in Adriaenken wel zijn leven lang ongebroken. Adriaenken werd in de abdijkerk bij de relikwieën van de zalige Siardus begraven en haar brieven, die van andere betrokkenen en Crils’ vragenlijst bleven bewaard. Dat de hoofdrolspelers rond de derde orde én Adriaenken uit Noord-Brabant afkomstig en generatiegenoten waren, kan duiden op een gemeenschappelijke zorg voor, zo niet vrees om de continuïteit van het rooms-katholieke geloof (massapsychose). Deze vrees kan goedgelovigheid en naïviteit sterk in de hand hebben gewerkt. De sceptische pastoors en vicaris Baelemans op hun beurt waren allen uit de Zuidelijke Nederlanden afkomstig.(77)
Noten
(1) Abdijarchief Tongerlo (= AAT)
IV 342 Tilburg 01-11-1663-29-12-1666 en 1727. Het dossier bevat naast de
brieven nog een omvangrijk overzicht met de belangrijkste levensfeiten van
Adriaenken, dat door abt Crils werd samengevat. Dit overzicht bestaat uit twee
levenslopen en een vragenlijst met antwoorden van Adriaenken zelf. Citaten uit
het Latijn worden alleen in vertaling weergegeven.
(2) Ch.M.A. Caspers en M.A.M.E. Gielis, ‘Anna Maria Eeltiens uit
Tilburg ontmaskerd te Antwerpen als schijnheilige, 1735-1736. Een bijdrage tot
de geschiedenis van de “heilige anorexia”’. In Ziel en zaligheid in
Noord-Brabant. Vijfde verzameling bijdragen van de Vereniging voor de
Nederlandse kerkgeschiedenis, Delft 1993, 276-294.
(3) Een goede inleiding geeft M. Monteiro, Geestelijke maagden. Leven
tussen klooster en wereld in Noord-Nederland gedurende de 17de eeuw,
Hilversum 1996. Zie bovendien N.J. Weyns, ‘L’origine du
tiers-ordre prémontré’. In Analecta Praemonstratensia (= APraem)
60(1984)163-184 (= Weyns, ‘L’origine du tiers-ordre’).
(4) Petrus
van Emmerick
(’s-Hertogenbosch 1575-Tilburg 01-09-1625). Van 1599-1601: pastoor te Tongerlo;
16-07-1599: tuchtmeester; 20-06-1601-1616: pastoor te Diest; 05-07-1616: pastoor
te Tilburg. Zie W. van Spilbeeck, Necrologium Ecclesiae B.M.V. de Tongerloo,
Tongerlo 1902 (= Necrologium Ecclesiae B.M.V.), 35 en hs. Tilburg,
Bibliotheek der Theologische Faculteit, no. 47 Necrologium Tongerloense,
[Tongerlo einde 18de eeuw] (= Necrologium Tongerloense), 93 (zie J. van
de Ven, Handschriften en handschriftfragmenten in het bezit van de
Theologische faculteit Tilburg, Tilburg 1990). Augustinus (Franciscus)
Wichmans (Antwerpen 07-01-1596-Tongerlo 11-02-1661). Op 22-09-1613:
professie; 24-09-1613-09-1615: artesstudent; 1620/1622-1624: theologiestudie,
baccalaureaat; 23-04-1628: novicenmeester; 22-07-1629: tuchtmeester; 1630-1632:
pastoor te Mierlo; 1632-1642 pastoor te Tilburg; 1642: hulpabt van de abdij van
Tongerlo; 1644: abt. Zie F.J.M. Hoppenbrouwers, ‘Franciscus Augustinus
Wichmans (1596-1661). Kanunnik, zielzorger en abt van de norbertijnse abdij van
Tongerlo ten tijde van de vroege Katholieke Reformatie’. In APraem
70(1994) 226-293 en 71(1995) 96-149 (= Hoppenbrouwers, ‘Franciscus Augustinus
Wichmans’ 1 en 2).
(5) Letterlijk ‘plaatsvervanger’. Overeenkomstig een vast
arbeidscontract verrichtte hij bepaalde taken in plaats van de pastoor. Sinds de
tweede helft van de 17de eeuw waren dit altijd norbertijnen.
(6) Fulgentius
(Joannes) van Meerwijck
(’s-Hertogenbosch 11-01-1628-Tilburg 27-05-1664). Op 11-01-1646 artesstudent
van de pedagogie Het Varken te Leuven, dives, minderjarig; 13-11-1647:
licentiaat van de artesfaculteit (88ste van 172 studenten); 28-05-1651:
professie; 12-06-1658: vicaris te Tilburg. Zie H. Bots, J. Matthey en M. Meyer, Noordbrabantse
studenten 1550-1750, Tilburg 1979 (= Bots e.a., Noordbrabantse studenten),
505, Necrologium Ecclesiae B.M.V., 58 en Necrologium Tongerloense,
127.
(7) AAT
IV 342 Tilburg 02-06-1664 (D. Roijmans), Hoppenbrouwers, ‘Franciscus
Augustinus Wichmans’ 1 269-271 en 276 en Hoppenbrouwers, ‘Franciscus
Augustinus Wichmans’ 2, 122-126, i.h.b. 123-124 en 141-144. W. van Spilbeeck, Petrus
van Emmerick, Turnhout z.j., 29-30, noot 1. Buiten Van Emmerick en een
mededeling uit 1650 is van het rozenkransbroederschap niets bekend.
(8) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 1v ‘Hoe noemde men dat beeld van de heilige maagd? Onze Lieve
Vrouwe van de Hasselt’ en 2r ‘Zij bezocht een of ander voor wonderbaar
gehouden beeld van de heilige maagd.’
(9) G. van Herdegom, Diva Virgo Candida, Mechelen 1650 en A.
Wichmans, Brabantia Mariana Tripartita, Antwerpen 1632. Eeuwen en uren
in de Hasseltse kapel, red. F.J.M. van Puijenbroek, Tilburg 1972, 30.
(10) P. van Hoeswinckel, Wonderliicke openbaringhe van de gheest van
Elizabeth de Vos geschiedt in de capelle van Onse Lieve Vrouwe van Goeden Wille
tot Duffel, Antwerpen 1654. Hoppenbrouwers, ‘Franciscus Augustinus
Wichmans’ 1, 269-271 en 276 en ‘Franciscus Augustinus Wichmans’ 2,
121-126.
(11) Zie bijv. F.J.M. Hoppenbrouwers, Oefening in volmaaktheid. De
zeventiende-eeuwse rooms-katholieke spiritualiteit in de Republiek, Den Haag
1996, i.h.b. hoofdstuk 5.
(12) Hoppenbrouwers, ‘Franciscus Augustinus Wichmans’ 1, 229-236.
(13) Vgl. Gemeentearchief
Tilburg (= GAT), Parochie H. Dionysius Goirke (= PHDG),
no. 120: ‘Register houdende “den Regel die den H. vader Norbertus...gaff aen
die in de werelt Geestelijck leven” alsmede teksten van ceremonies en
ledenlijst, later register van geprofesten. ca. 1675-1890. 1 deel’. Op 7r-8r
blijkt dat deze regel mét uitleg is (af-)geschreven door pastoor Walterus Colen
1707-1715.
(14) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 (F. van
Meerwijck) en Hoppenbrouwers, ‘Franciscus Augustinus Wichmans’ 1, 229-236.
(15) Vgl. W. Nolet en P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de
middeleeuwen, Amsterdam 1950, 285vv.
(16) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 (F. van
Meerwijck).
(17) Rhoznata (Jacobus)
Crils (Bergen op Zoom
21-04-1625-Tongerlo 01-01-1695). Op 28-04-1647: professie; 13-10-1660: subprior
en novicenmeester; 01-11-1663/13-09-1664: prior; 13-09-1664: abt; na 13-09-1664:
vicaris-generaal van de norbertijnse provincie Brabant en Friesland. Zie Necrologium
Ecclesiae B.M.V., 1, Necrologium Tongerloense, 128-132 en W. van
Spilbeeck, De abdij van Tongerloo. Geschiedkundige navorschingen,
Tongerlo 1883, 501-502.
(18) AAT IV 342 Tilburg 02-06-1664 en 11-06-1664 (D.
Roijmans) en 13-06-1665 (A. Marcelissen).
(19) J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom
‘sHertogenbosch 3.2, ’s-Hertogenbosch 1843, 182-184.
(20) Evermodus (Joannes) van Berlicum (’s-Hertogenbosch
15-12-1622-Diest 11-04-1670). Op 12/13-01-1645: professie; baccalaureaat in de
theologie; 1653: vicaris te Tilburg; 19-11-1656: te Tongerlo en lector in de
theologie; 17-06-1658: licentiaat in de theologie;14-12-1663: pastoor te Diessen;
01-1667: landdeken van Hilvarenbeek; 13/23-11-1668: deken van de H. Sulpitius te
Diest. Zie Bots e.a., Noordbrabantse studenten, 186-187, Necrologium
Ecclesiae B.M.V., 70 en Necrologium Tongerloense, 137.
(21) GAT, PHDG, no.
120, ‘Register houdende “den Regel die den H. vader Norbertus...gaff”’,
4r-5r. Het bevorderen van deze regel door Wichmans en Crils zou kunnen blijken
uit de vraag in AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 1v. ‘Wat heeft zij vernomen van mijn prelaatschap? Wat over
Wichmans?’
(22) J. Corthouts, Inventaris van de handschriften in het abdijarchief
te Tongerlo, Tongerlo 1990, 15 noemt onder no. 24 van de hand van Van
Berlicum: Regel voor godtvruchtige sielen om wel te leven en den dach
profijtelijck over te brenghen ter eeren Godts en van den H. Vader Norbertus,
[Tongerlo] 1660. Dit werk werd niet door mij geraadpleegd. J. le
Paige, Bibliotheca Praemonstratensis ordinis, Parijs 1633, 311-312.
(23) GAT,
PHDG, no. 120, ‘Register houdende “den Regel die den H. vader
Norbertus...gaff”’, 60r-e.v. Deze vijf aspecten keren terug in het afschrift
van de regel mét uitleg van pastoor Walterus Colen (1707-1715).
(24) Hoppenbrouwers, ‘Franciscus
Augustinus Wichmans’ 2, 110-111 en Weyns, ‘L’origine du tiers-ordre’,
177-178.
(25) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 (F.
van Meerwijck). Weyns, ‘L’origine du tiers-ordre’, 178 (noot 61) noemt een
gebedenboek uit 1663 waarin deze regel werd opgenomen. Dit boekje werd
waarschijnlijk vanuit de abdij van Tongerlo in druk gegeven.
(26) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 en 05-01-1664
(vooravond van Driekoningen) (F. van Meerwijck).
(27) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2v. AAT
IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 2v. ‘De H.
Norbertus beval haar meer dan honderd keer, dat zij zou zorgen voor de Regel
voor de leken-norbertijn.’
(28) Didacus (Petrus) Roijmans (Boxtel 11/13-05-1626-Tongerlo
11-01-1673). Op 11-01-1646 artesstudent van de pedagogie Het Varken te Leuven,
dives, minderjarig; 25-03-1653: professie; 1658: vicaris te Orp; 1660: vicaris
te Wijnegem; 09-12-1662: vicaris te Tilburg; 07-09-1667: pastoor te Oostelbeers.
Zie Bots e.a., Noordbrabantse studenten, 606, Necrologium Ecclesiae
B.M.V., 185-186 en Necrologium Tongerloense, 187.
(29) AAT IV 342 Tilburg 11-06-1664 (D. Roijmans).
(30) Lambertus de
Leeuw (’s-Hertogenbosch
20-03-1616-Retie 20-02-1689). Op 22-02-1637: professie; 10-05-1642: tuchtmeester
en novicenmeester; 17-09-1642: subprior - door Wichmans berispt vanwege te zware
zelfkastijdingen; 10-12-1658: prior; 03-10-1663: pastoor te Retie. Zie Necrologium
Ecclesiae B.M.V., 36 en Necrologium Tongerloense, 149.
(31) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664, 01-1664,
05-01-1664 (vooravond van Driekoningen), 31-03-1664 en 03/04-1664 (rond Pasen) (F.
van Meerwijck).
(32) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1664 (A. Marcelissen).
(33) AAT IV 342 Tilburg ná 13-09-1664 (H. Crils,
Adriaenkens levensloop 1 en 2).
(34) AAT IV 342 Tilburg 18-04-1665 (D. Roijmans) en
09-01-1666 (A. Marcelissen).
(35) AAT IV 342 Tilburg kort na 01-11-1664 en 16-09-1665
(A. Marcelissen), 18-04-1665 en 28-08-1665 (D. Roijmans), 09-11-1666 (H. van
Steensel, o.praem.), 24-12-1666 (J. van Bilsen) en 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 5r.
(36) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 (F. van
Meerwijck), kort na 01-11-1664 (A. Marcelissen), 31-08-1665 (D. Roijmans) en
10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 3r.
(37) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3v.‘De allerheiligste vader Norbertus, de heilige Dominicus en
de heilige Franciscus debatteerden op vrome wijze in de hemel over wie haar als
dochter zou krijgen en de heilige Norbertus behaalde de overwinning...’
(38) Vgl. AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/13-09-1664, vóór
27-05-1663, 27-05/02-06-1664, 12-08/13-09-1664, ná 13-09-1664 en kort na
01-11-1664 (A. Marcelissen) en 10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 1v, 2v,
3r, 3v en 4v.
(39) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2v, 3r, 3v en 4r.
(40) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 ‘Ziet de
wens en de instemming van de heilige Maagd en de heilige Norbertus, waarop wij
voortbouwen.’, 01-1664, 05-01-1664 (vooravond van Driekoningen), 31-03-1664,
03/04-1664 (rond Pasen) (F. van Meerwijck) en 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3r.
(41) AAT IV 342 Tilburg 03/04-1664 (rond Pasen) en
31-03-1664 (F. van Meerwijck) en 27-05/02-06-1664 en 13-06-1665 (A. Marcelissen).
(42) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3r.
(43) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 (F.
van Meerwijck) en 01-07-1665 (D. Roijmans).
(44) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3r en 3v.
(45) AAT IV 342 Tilburg ná 12-01-1666 (A. Marcelissen) en
10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 4r.
(46) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 4r.
(47) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3v en 4r.
(48) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3r en ná 13-09-1664 (H. Crils, Adriaenkens levensloop 1 en 2).
Vgl. P. van Hoeswinckel, Wonderliicke openbaringhe van de gheest van
Elizabeth de Vos.
(49) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3r en 3v en ná 13-09-1664 (H. Crils, Adriaenkens levensloop 2).
(50) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 1v, 2r en 3v.
(51) AAT IV 342 Tilburg 01-1664 (F. van Meerwijck).
(52) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2r, 2v en 4r.
(53) AAT IV 342 Tilburg 01-07-1665 (D. Roijmans).
(54) AAT IV 342 Tilburg 31-08-1665 (D. Roijmans) en
10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 2v en 4r.
(55) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2r, 2v, 3r, 3v en 4r.
(56) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2r, 2v en 4r.
(57) AAT IV 342 Tilburg 05-07-1664, 11-08-1664,
25/28-09-1664, 18-04-1665, 01-07-1665, 26-07-1665, 28-08-1665, 31-08-1665,
30-10-1665 en 13-11-1665 (D. Roijmans), 12-08/13-09-1664, ná 13-09-1664, ná
01-11-1664, 13-06-1665 (A. Marcelissen), 09-11-1666 (H. van Steensel, o.praem.)
en 10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 2v.
(58) Zie bijv. AAT IV 342 Tilburg 13-06-1665 (A.
Marcelissen).
(59) AAT IV 342 Tilburg rond Pasen 1665 en
09-01-1666 (A. Marcelissen).
(60) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 3v en 4r.
(61) AAT IV 342 Tilburg ná 25/28-09-1664 (D. Roijmans),
27-05/13-08-1664, 01-11-1664, 13-06-1665, 09-01-1666 en ná 12-01-1666 (A.
Marcelissen) en 10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 2r, 2v, 3r, 3v en 4r.
(62) AAT IV 342 Tilburg 01-1664 en 31-03-1664 (F. van
Meerwijck), 05-07-1664 en ná 25/28-09-1664 (D. Roijmans) en kort na 01-11-1664
(A. Marcelissen).
(63) AAT IV 342 Tilburg 05-07-1664 (D. Roijmans). M.A.
Delrio, Disquisitionum magicarum libri VI, Leuven 1599-1600.
(64) AAT IV 342 Tilburg 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 2v, 3r 3v en 4r.
(65) AAT IV 342 Tilburg 18-04-1665 (D. Roijmans).
(66) Augustinus
van Dijck (Duffel
1604-Tilburg 12-08-1664). Op 01-02-1625: professie; vicaris van H. Maria te
Diest; te Duffel; te Lommel; 08-1636: pastoor te Mierlo; 10-01-1643: te Tilburg;
10-10/11-1643: landdeken van Hilvarenbeek. Zie AAT II 878 Manuale
pastorum in Tilburg, f. 45r, Necrologium Ecclesiae B.M.V., 157, Necrologium
Tongerloense, 128. Antonius van Waeyenbergh (Neereijssche
30-06-1619-Tongerlo 27-12-1691). Op 14-12-1642: professie; 1644:van het
norbertijnse college te Rome teruggekeerd; baccalaureaat in de theologie;
04-04-1652: vicaris van de H. Sulpitius te Diest; 25/28-09-1664: pastoor te
Tilburg; 15-08-1674/1688: te Roosendaal. Zie Necrologium Ecclesiae B.M.V.,
261, Necrologium Tongerloense, 153.
(67) AAT IV 342 Tilburg 01-07-1665 (D. Roijmans).
(68) Gualbertus (Adrianus) Baelemans (Ravels 21-06-1636-Tilburg?
21-03/05-1673). Op 13-12-1660: professie; 04-1665: vicaris te Tilburg. Zie Necrologium
Ecclesiae B.M.V., 54-55, Necrologium Tongerloense, 138.
(69) AAT IV 342 Tilburg 31-03-1664 (F. van Meerwijck), ná
25/28-09-1664, 18-04-1665, 01-07-1665 en 13-11-1665 (D. Roijmans), 01-11-1664
(A. Marcelissen) en 10-08-1665/1666 (H. Crils, vragenlijst), 3v en 5r.
(70) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1663/27-05-1664 en 01-1664 (F.
van Meerwijck) en 11-06-1664, vóór Pasen 1665 en 13-11-1665 (D. Roijmans).
(71) AAT IV 342 Tilburg vóór 27-05-1664 en
27-05/02-06-1664 (A. Marcelissen).
(72) Zie noot 69.
(73) AAT IV 342 Tilburg 31-03-1664 en 03/04-1664 (rond
Pasen) (F. van Meerwijck), 22-01-1664, 11-09-1664, ná 25/28-09-1664, vóór
Pasen 1665 en 01-07-1665 (D. Roijmans), 12-08/13-09-1665, rond Pasen 1665 en
09-01-1666 (A. Marcelissen).
(74) AAT IV 342 Tilburg 03/04-1664 (rond Pasen) (F. van
Meerwijck) en 01-07-1665 (D. Roijmans).
(75) AAT IV 342 Tilburg 01-1664 (F. van Meerwijck).
(76) AAT IV 342 Tilburg 01-11-1664 (A. Marcelissen), ná
11-06-1664 en 13-10-1664 (D. Roijmans) en 10-08-1665/1666 (H. Crils,
vragenlijst), 4v.
(77) Van Berlicum, De
Leeuw en Van Meerwijck kwamen uit ’s-Hertogenbosch, Crils kwam uit Bergen op
Zoom en Roijmans uit Boxtel.










