Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tilburgse Historische Reeks 9
'Ter eeren Gods ende der sielen te laeffenis een bedevaert gaen...'
 

Titel:   

'Ter eeren Gods ende der sielen te laeffenis een bedevaert gaen...'

Ondertitel:   

Bedevaarten in en vanuit Tilburg

Auteur:   

Ronald Peeters 

THR 

Godsvrucht en deugdzaamheid.
Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen

Nummer:   

9 (1997) Tilburgse Historische Reeks

Pagina’ s:   

112-143

 

Een bedevaart of beevaart is volgens Van Dale 'een reis (meestal te voet) naar een heilige plaats, al biddende en om daar te bidden, met name om een gunst af te smeken of als boetedoening'. Het lijkt een begrip uit lang vervlogen tijden, maar niets is minder waar. Bedevaarten bestaan nog steeds en spreken tot de verbeelding. Het Brabants Dagblad van 7 mei 1997 heeft twee berichten over bedevaarten. Drie hardlopende pelgrims uit Hilvarenbeek, Diessen en Esbeek renden ruim 2.200 km van Hilvarenbeek naar het bekendste bedevaartsoord in Europa het Spaanse Santiago de Compostela. Als zij op 11 mei in Hilvarenbeek terugkeren (per vliegtuig), krijgen zij daar volgens dit dagblad 'een heldenontvangst'. Het tweede bericht meldt het uitvoerige programma voor de jaarlijks terugkerende Sint Jobviering in Berkel-Enschot. Het Stadsnieuws van 13 april 1997 doet de aankondiging van het vertrek (met bussen) van de 123e jaarlijkse bedevaart vanuit Tilburg en omstreken naar Scherpenheuvel.

In het verleden, en op beperkte schaal thans nog, werden vanuit Tilburg bedevaarten ondernomen naar plaatsen waar Maria was verschenen, een miraculeus beeld van haar stond of waar zich relikwieën van heiligen bevonden die als bijzondere 
beschermers tegen bepaalde ziekten konden worden aangeroepen. Bekend zijn de vanuit Tilburg ondernomen bedevaarten naar St. Job in Berkel-Enschot, St. Cornelius in Esbeek, of St. Blasius te Engelen. De Maria-bedevaartplaatsen zijn die van Scherpenheuvel, van Handel en Kevelaer, 's-Hertogenbosch en Lourdes en die van 't Zand te Roermond. Pelgrimstochten werden ook ondernomen naar het H. Bloed te Boxtel en Hoogstraten, naar de Goddelijke Zaligmaker te Hakendover en naar de Martelaren van Gorcum te Den Briel. 

Ook Tilburg kent nog drie bedevaartplaatsen. In de Hasseltse kapel wordt al eeuwenlang O.L. Vrouw vereerd en in het Fraterhuis Zwijsen aan de Gasthuisring trekken jaarlijks pelgrims naar het graf van frater Andreas van den Boer. Het meest bekend is het bedevaartsoord van de in 1982 zalig verklaarde Petrus Donders aan de Pater Dondersstraat. Aan deze laatste twee personen wordt in deze bijdrage geen aandacht besteed, omdat elders in deze bundel de auteurs Bijker en Westerburger daar al uitvoerig op in gaan.

In de volgende paragrafen zullen de oudst bekende Tilburgse gegevens over bedevaarten, vervolgens enige vanuit Tilburg en omgeving ondernomen bedevaarten en ten slotte de betekenis van de Hasseltse kapel als bedevaartplaats behandeld worden. Natuurlijk zullen Tilburgers ook naar andere niet genoemde bedevaartplaatsen zijn gegaan, maar alleen de meest bekende en jarenlang regelmatig in groepsverband georganiseerde tochten worden hier besproken.(1)


Zoenakten 

In het Rechterlijk Archief van Tilburg bevinden zich enkele zogenaamde 'zoenakten' of 'zoenbrieven' uit de zestiende eeuw. Het betreft hier de neerslag van het oude Germaanse zoenrecht of zoengeding, waarbij in het openbaar een buitengerechtelijk proces werd gevoerd tussen twee vijandige (private) partijen dat door middel van de zoen en genoegdoening tegenover het slachtoffer of diens familie, de vrede moest herstellen. Dit openbaar ritueel werd uitgevoerd tegenover volk en rechtbank. De schepenen van de schepenbank oefenden in feite alleen de functie uit van hoeders van de vrede binnen de gemeenschap. Die genoegdoeningen tegenover het slachtoffer of diens verwanten bestonden onder andere uit zielmissen, kaarsoffers, zoengeld, verbanning of bedevaartstraffen. Een en ander werd in een 'tractaet van peys' vastgelegd en in de schepenprotocollen opgenomen. In de schepenregisters van Turnhout bijvoorbeeld werden uit de eerste helft van de zestiende eeuw 59 zoenakten aangetroffen. Strafbedevaarten en zelfs meervoudige strafbedevaarten behoorden tot de zwaarste straffen en werden vaak bij doodslag opgelegd. Bekende bedevaartplaatsen die genoemd worden, zijn Rome (graven van St. Pieter en St. Paulus), Santiago de Compostela (St. Jakob), Wilsnack in Brandenburg (H. Bloed) en Keulen (H.H. Driekoningen).(2)

In de Noord-Brabantse archieven komen zestiende-eeuwse zoenakten slechts sporadisch voor.(3) Tilburg kent er ook enkele.(4) De oudste dateert uit 1509. Peter Pauwels werd gedaagd omdat hij in 1509 te Tilburg een 'manslach' of  'dootslach' had begaan op Embrecht Aert Smit. De vrienden en bloedverwanten van Embrecht waren aanklager. De straf werd bepaald: Peter Pauwels moest 'in sijn lende cleder blootshoefs' in de kerk van Tilburg verschijnen 'ende vallen ter aerden op sijn knijen ende bidden god van hemelrijck ende den vrienden vergiffenisse van sijne misdaet' smeken. Dat was blijkbaar nog niet voldoende. Na deze vernedering werd hem een boetebedevaart opgelegd naar Rome, waar hij de St. Petrus- en Pauluskerk moest bezoeken en waar hij vijftien keer de trappen zou moeten 'op cruijpen'. Vervolgens zou de 'misdadige ter eeren gods ende der sielen te laeffenis een bedevaert gaen te Coelen voer die heylige drie Conningen', dus naar de kerk van de H.H. Driekoningen te Keulen. Binnen een jaar moest hij van beide bedevaarten terug zijn, met bewijs.(5) Een tweede Tilburgs voorbeeld dateert van 1540. Het betreft eveneens een geval van doodslag, waarbij de dader een boetebedevaart werd opgelegd naar 'theylich bloet tot Boxtel'. Hij werd bovendien vier jaar uit Tilburg verbannen.(6)

Bedevaarten naar verre moeilijk bereikbare oorden waren destijds bijzonder zware ondernemingen. In de vijftiende en zestiende eeuw werden zelfs weddenschappen met de pelgrims afgesloten op het al dan niet volbrengen van zo'n vrijwillig ondernomen bedevaart. Zo'n weddenschap werd dan wel in een notariële of gerechtelijke akte vastgelegd. Voorbeelden hiervan zijn bekend uit Utrecht, 's-Hertogenbosch en Tilburg. In een Tilburgse akte van 3 februari 1566 verklaart Joost Willems van der Vloet uit Casteren bij Hogeloon, op verzoek van Mr. Hubert Cornelissen, dat deze met hem in Rome naar het graf van St. Pieter is geweest. Met deze verklaring werd de weddenschap gewonnen en ontving de pelgrim het beloofde geldbedrag, wat ter bekostiging van de bedevaart natuurlijk zeer welkom was. Een vastgelegde weddenschap kennen we uit een akte van 28 Bamis 1589. Jan Jan Thonissen de Bruyn de Jonge zal van enkele lieden 24 gulden ontvangen als hij 'tusschen dit ende den 1en decembris 1589 toecomende binnen die stadt van Roomen in Italien sal hebben geweest'.(7)

St. Quirijnstok, St. Nicolaasstok en de St. Odaput

In Tilburg hebben vanaf de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw twee minder bekende devotieplaatsen bestaan, althans veldkapelletjes waar heiligen werden vereerd, en in de vijftiende eeuw wordt melding gemaakt van een heilige put.
In de archieven vinden we vermeldingen van 'aen die Heijdsijde' een heideveld bij 'sunte Quirijnstock' (1518) en 'aen sinte Crijnstock' (1580).(8) De betekenis van 'stock' is in dit geval een paal of boomstam waarop of waarin een heiligenbeeld staat, een soort veldkapelletje dus. De Sint Quirijnstock stond waarschijnlijk aan het begin van de huidige Quirijnstokstraat aan de grens van Udenhout.(9) De devotie tot de volksheilige St. Quirinus verspreidde zich sinds de 12e eeuw vanuit Neuss a/d Rijn, waarheen zijn gebeente in 1050 was overgebracht, over de Keulse kerkprovincie, ook in Brabant. De volksheilige Quirinus (Quirijn of sinte Krijn) was een Romeinse tribuun, die door paus Alexander I werd bekeerd en omstreeks 130 de marteldood stierf. Hij werd de patroon van het Rijnland en beschermer tegen allerlei keel- en kropziekten, pokken, open zweren, en tegen een soort fistel, dat ook wel het Sint Quirinus-euvel werd genoemd. Schutjes meldt in 1876 de verering van de H. Quirinus in de St. Dionysiuskerk van het Goirke, alwaar ook thans nog een uit ca. 1700 daterend lindehouten beeld van St. Quirinus staat opgesteld. Daar werd destijds ook het Quirinuswater gehaald, vreemd genoeg tegen schurft. Een soortgelijk gebruik kennen we uit de overlevering dat er destijds uit de 'Witlox wouwer' nabij het Hazennest langs de weg naar de Zwaluwsebaan richting Udenhout water gehaald werd om slechte ogen mee te wassen.(10) 




Lindehouten beeld van de heilige Quirinus, vervaardigd 
omstreeks 1700-1750. (Coll. kerk 't Goirke; foto 
Frans van Ameijde, 2001, RHC Tilburg).


Van de Heikantse devotie was nog in 1650 sprake. Pastoor P. van Emmerick schrijft dan in zijn 'Manuale pastorum' dat de toezienders van St. Quirijnstock, Nicolaes Jansen van Gorp en Arend Lenaerts Peters een telling doen van 'den offer van St. Quirijnstock, beloopende ter somme van 79 gulden omme daer mede op te helpen maecken de kercke, die wij bouwen bij Steenvoirt onder Poppel'. Het is een behoorlijk hoog bedrag. Als we dit vergelijken met de 100 gulden die de kapelmeesters van de Hasseltse kapel in 1651 hadden bijeengebracht, dan blijkt de Quirijnstock als devotieplaats daarmee te kunnen wedijveren.(11)

Een tweede heilige die hier in de late Middeleeuwen werd vereerd, was Sint Nicolaas, de patroonheilige van de kinderen. In ca. 1398/9 en in 1430 is er sprake van een 'Sunten Clausstock' in Oerle 'neven gemeynt 't kerckven', ongeveer waar nu de Bisschop Zwijsenstraat is in de buurt van de Varkensmarkt en de Primus van Gilsstraat, daar waar later de schuurkerk stond. De laatste vermelding vinden we in een akte van 1540, waarin een huis aan de 'kerkstraet' gelegen is 'bij eenen scatkelder geheyten sinter clausstock'. Had het kapelletje een 'scatkelder' waarin geld werd bewaard?(12)

Zeer merkwaardig is het toponiem 'Sent Oeden put' dat in 1429 wordt genoemd aan het 'steenveken', dat bij Loven moet hebben gelegen. Dergelijke heiligenputjes werden in Noord-Brabant ook opgedragen aan St. Willibrordus en St. Quirinus. De St. Odaverering komt in deze streken niet zoveel voor (St. Oedenrode is de bekendste). St. Oda wordt aangeroepen tegen 'alle kwalen en ziekten der oogen'.(13)


H. Bloed te Boxtel en Hoogstraten

De verering van het Heilig Bloed te Boxtel stamt al uit 1380, toen de onhandige priester Eligius Aecker in de parochiekerk tijdens het opdragen van de mis een kelk gevuld met witte miswijn omstootte. De wijn kleurde donkerrood op het corporale (waarop kelk en ciborie werden geplaatst) en op het altaardoek, lijkend op het bloed van Christus. De priester heeft de bloeddoeken nog proberen te wassen in de rivier de Dommel of in een put, dat is uit de overlevering niet duidelijk; een onzekerheid die in de jaren twintig van deze eeuw blijkbaar de Tilburgse pelgrims nog parten speelde. Een groep nam het water uit de Dommel, en een andere groep gebruikte het water uit de put bij de molen als geneeskrachtige bron. 

Tijdens de Hervorming werden de bloeddoeken uit veiligheidsoverweging uit de parochiekerk van Boxtel verwijderd. Ze zijn uiteindelijk terechtgekomen in de St. Catharinakerk te Hoogstraten, waar ook Tilburgse pelgrims naartoe gingen. Slechts een der doeken, de 'Corporaaldoek' is in 1924 teruggekeerd naar Boxtel.(14) In mei 1880 gingen meer dan 1.500 personen uit Tilburg en omgeving met de Grand Central Belge ter bedevaart naar Hoogstraten om daar de viering van het vijfde eeuwfeest van de miraculeuze doek van het H. Bloed bij te wonen.(15) 

Bedevaarten van Tilburg naar Boxtel worden al vroeg in de archieven genoemd. Hierboven zagen we dat er al in 1540 een boetebedevaart naar Boxtel was opgelegd. Eind zestiende begin zeventiende eeuw heersten er in Tilburg diverse pestepidemieën. Nabestaanden of familie van de overledenen ondernamen in 1602, 1625, 1626 en 1628 bedevaarten naar Boxtel en in 1587 naar Chaam (St. Antonius Abt, een pestheilige) uit dankbaarheid dat zij de ziekte hadden overleefd.(16)

De 'Broederschap van het H. Bloed Onzes Heeren Jezus Christus en der Processie van Tilburg naar Boxtel' werd op 23 april 1887 officieel in de parochie het Goirke opgericht. Tilburg organiseerde in dat jaar de eerste processie naar Boxtel sinds het herstel van de kerkelijke hiërarchie in Nederland in 1853. Daardoor is er in Boxtel weer een bloeiende bedevaartplaats ontstaan.(17)


O.L. Vrouw van Handel en O.L. Vrouw van Kevelaer

Handel en Kevelaer worden vaak in één adem genoemd als genadeoorden waar Maria onder de titel 'Troosteres der bedrukten' sedert eeuwen wordt vereerd. Reeds vóór het jaar 1700 werden er vanuit Tilburg bedevaarten ondernomen. Het plaatsje Handel ligt in de gemeente Gemert, en oostelijk daarvan, ter hoogte van Overloon en Venray, over de Maas, in West-Duitsland, ligt Kevelaer. Een totaalafstand van ruim 120 km.

De geschiedenis van de bedevaartplaats Handel kan als volgt worden geschetst. Rond 1220 zou volgens de legende door een schaapherder bij Handel een Mariabeeld op een doornenstok zijn gevonden, dat spontaan een verering opwekte. De aldaar ontstane Mariabedevaartplaats is de oudste van Noord-Brabant. De oudste vermelding van de Mariakapel dateert van 1368.(18)

De massale verering van Maria in Kevelaer ontstond toen een zekere Heinrich Buschmann uit het West-Duitse plaatsje Geldern in 1641 een voetreis maakte en in de nabijheid van Kevelaer bij een kruisbeeld een stem hoorde die hem zei: 'Op deze plaats moet gij een kapelletje bouwen.' Tijdens de bouw kwam hij via een officier in het bezit van een prentje met daarop de afbeelding van O.L. Vrouw van Zeven Smarten, die in Luxemburg werd vereerd. Dit op een plankje bevestigd prentje werd vanaf 31 mei 1642 het middelpunt van de Mariaverering. Het prentje werd sedertdien in allerlei variaties gekopieerd en aan de pelgrims verkocht. In een pelgrimsboekje uit 1667 wordt vermeld dat er op één dag 20.000 pelgrims in Kevelaer waren geweest. Kevelaer groeide uit tot een van de belangrijkste Maria-oorden; in 1905 kwamen er alleen al per trein 280.000 pelgrims aan, om nog maar niet te spreken van de duizenden die te voet, per kar of rijwiel kwamen.



Bedevaartgangers Tilburg-Kevelaer in 1905. Paard en kar waren versierd omdat 
Klaas Smulders (midden) voor de 25e keer aan de processie deelnam. In de haam 
van het paard steken twee bedevaartvaantjes. (Coll. RHC Tilburg).

Reeds vóór 1700 trokken groepen Tilburgse pelgrims ter bedevaart naar Handel en Kevelaer. Pas vanaf 1737 is er sprake van een georganiseerde jaarlijkse bedetocht naar Kevelaer. Die processie liep dan voor een gedeelte via Handel. Men houdt dit jaar nog steeds aan als stichtingsjaar van de 'Broederschap van O.L. Vrouw en de Bedevaart van Tilburg naar Handel en Kevelaer'.(19)

Er zijn vele geregistreerde wonderen die op voorspraak van O.L. Vrouw van Handel zijn geschied. Van een drietal Tilburgers zijn van de verkregen gunsten nog getuigenissen of 
authentieke stukken bewaard, en wel uit 1720, 1898 en 1919. Bartholomeus Luyten, sinds 1718 rector van de kapel van Handel, bericht over een van de gevallen: 'Gertrudis Cornelisse van Haeren uit Tilburg, kwam in het jaar 1720 daags voor O.L.V. Hemelvaart te Handel. Deze vrouw was sedert tien jaren lam, lag veeltijds te bed en kon nauwelijks met krukken gaan. 
Omtrent middernacht geneest zij, zoodat zij zonder krukken gaan kon, doch niet ver, vermits zij zeer zwak was van gestel. Uit dankbaarheid bracht zij de krukken aan O.L.V. ten offer'.(20) 

Enige jaren na de eerste wonderbaarlijke genezing van een Tilburgse, werd op 13 augustus 1737, de eerste georganiseerde bedevaart naar Kevelaer ondernomen. Een jaar later, tegen het eind van 1738, werd Europa door de 'droevige pestilentiaale en besmettelijke siekte', de Aziatische pest geteisterd. Men vermoedde dat de besmetting vanuit Hongarije en omliggende landen in het zuidoosten van Europa hier te lande werd overgebracht door 'bedelaars, lantloopers en insonderheyt de packdragende jooden, mannen en vrouwen, haar geneerende met het coopen en vercoopen van oude cleederen en vodden'. De Staten-Generaal vaardigden in dat jaar een plakkaat uit waarbij deze lieden met geseling en brandmerk werden bedreigd; in onze ogen een uiting van sociale discriminatie. De Tilburgse katholieken wilden een bedevaart naar Kevelaer ondernemen om O.L. Vrouw aldaar te vereren als de 'Salus infirmorum', de 'Behoudenis der kranken'. Maar de aanhangers van de reformatie trachtten dit te voorkomen. Wat was het geval? Een viertal Tilburgers hield een collecte om de tocht naar Kevelaer te kunnen bekostigen, maar dat werd door het protestantse dorpsbestuur onmogelijk gemaakt. De dorpsbestuurders beriepen zich op een negentig jaar oud plakkaat uit 1649, waarin het verboden was geld in te zamelen voor het houden van dergelijke processies. Christoffel Vincken, een van de broedermeesters van de processie naar Kevelaer, Adriaan Horsten, Adriaen Bernards, Jan Cornelis Mutsaers en Stans van Beurden werden ervoor vervolgd en in voorarrest vier maanden lang 'in armoede en koude gevangen gehouden en aan hunne huisgezinnen ontrukt, voor een misdrijf, dat niet bestaan heeft'. Er was blijkbaar meer aan de hand geweest. Een anonieme dreigbrief aan het adres van drossaard Pieter van den Hoven deed de kwestie bij de Staten-Generaal belanden. Vijf collectanten kregen twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een geldboete van honderd gulden. De broederschap in oprichting werd daarmee de kop in gedrukt. Zo verging het de georganiseerde bedevaarten in de eerste 'lijdensjaren' van hun bestaan.(21)



Resolutie van 1739 uit het 'Groot Placaatboek ... van de Hoog. Mog. Heeren Staaten Generaal 
der Vereenigde Nederlanden...' ('s-Gravenhage, 1746, dl. I, p. 384). (Coll.  RHC Tilburg).

De heden ten dagen nog actieve 'Tilburgsche Broederschap O.L. Vrouw van Kevelaer' beschikt over een klein archief vanaf 1847 en over enige tientallen negentiende- en twintigste-eeuwse historische objecten zoals een houten staakmadonna, zilveren kroon-staakmadonna's, zilveren stafbekroningen, vaandels, medailles enzovoorts. Daarbij zijn ook de gedrukte statuten van de 'Onze Lieve Vrouwe Broederschap der jaarlijksche Bedevaart van Tilburg en onderhoorige plaatsen naar de heilige stede van Kevelaar en Handel', op 20 oktober 1847 vastgesteld door de bisschop van Den Bosch, mgr. H. den Dubbelden. De broederschap, vallend onder de parochie van St. Dionisius ('t Heike), houdt 1737 als jaar van oprichting aan.(22) Aanvankelijk stond de broederschap onder leiding van een leek. De eerste 'deken', in 1739 genoemd, was brouwer en herbergier Justien de Rooij, woonachtig op de Heuvel.(23) Tot 1895 werd het bestuur gevormd door leken: een opperregent, bijgestaan door broedermeesters en commissarissen. De laatste opperregent was H. van den Abeelen. Na 1895 was steeds de pastoor van de parochie 't Heike 'directeur'. Pastoor mgr. J.P. van Gennip was de eerste.

De voetprocessie duurde vijf dagen; de haltes en bidstonden waren precies bepaald: in Handel blijft men overnachten, de volgende dag bereikt men Kevelaer, en op 15 augustus blijft men de gehele dag daar. De volgende morgen begint men de terugreis na de H. Mis. Weldra zou de groep groter worden en gingen er ook huifkarren mee voor het vervoer van proviand en reservekleding. Erg vermoeide pelgrims konden de tocht gedeeltelijk rijdend als zogenaamde 'halve vracht' meemaken.(24) Maar er werd voor de oorlog ook massaal per trein naar Kevelaer gereisd. Het archief van de broederschap bevat nog een naamlijst van personen uit Tilburg en omgeving die zouden deelnemen aan de bedevaart Tilburg-Handel-Kevelaar op 15 en 16 augustus 1922. Op deze lijst staan 1117 namen vermeld. De burgemeester van Tilburg verklaart dat voorzover hem bekend 'de op deze lijsten onder de nummers 1 tot en met 1117 voorkomende personen, allen Nederlanders zijn'. Blijkbaar speelde deze lijst een rol bij de snelle afwikkeling van de douaneformaliteiten.(25)



Stafbekroning zilver/verguld met afbeelding van O.L.V. van Kevelaer, 
19e eeuw. (Coll. Tilb. Broederschap O.L.V. van kevelaer; foto Frans
 van Ameijde, RHC Tilburg).

In het begin van deze eeuw ging een kleine groep onder leiding van H. de Leeuw en later van P. Hosli, per fiets naar Kevelaer. In 1909 werd de 'Rijwielprocessie' als afdeling van de broederschap kerkelijk goedgekeurd. Het aantal leden bedroeg toen dertig, en vijftig jaar later in 1959, ruim tweehonderd. Vanaf 1939 stond de rijwielbedevaart, sinds 1959 'Koninklijk Erkende Rijwielbedevaart Tilburg Handel Kevelaer' genoemd, los van de broederschap.(26) Door oorlogsomstandigheden kon de rijwielbedevaart, onder bezielende leiding van Jac. van Ham, niet meer naar Kevelaer. Er werd in september 1940 bijvoorbeeld uitgeweken naar de kerk van de paters van de H. Familie te Nieuwkerk onder Goirle en later naar de H. Eik te Oirschot.(27)

In 1962 werd het 225-jarig bestaan gevierd met een grote bedevaart, te voet, met de fiets en met de bus.(28) De laatste voettocht vond in 1966 plaats. De broederschap en de jaarlijkse bedevaart bestaan nog steeds. Het is nu een busbedevaart geworden.


O.L. Vrouw van Scherpenheuvel

Reeds vanaf de dertiende eeuw was het Belgische Scherpenheuvel, gelegen aan de weg tussen Diest en Aarschot, een geliefd bedevaartsoord. Genezing van allerlei kwalen werd gevonden bij een heilige eik nabij een waterbron. In de vijftiende eeuw is er een Mariabeeld in geplaatst dat door roof verdween en in 1587 vervangen werd door een tweede beeld. De aartshertogen Albertus van Oostenrijk en Isabella van Castilië lieten er in 1603 een kapel bouwen en maakten in 1609 een begin met de bouw van de huidige basiliek.(29)

Vanuit Tilburg gingen er vele pelgrims in het verre verleden individueel naar de Lieve Vrouw van Scherpenheuvel. Rond het midden van de vorige eeuw schijnt er sprake te zijn van bedevaarten in groepsverband. Op initiatief van Lauke Lemmens (1841-1918) uit Tilburg ontstond er in 1865 een groep werklieden die jaarlijks met pinksteren naar Scherpenheuvel ging. In 1874 is de kerkelijk, door bisschop J. Zwijsen van 's-Hertogenbosch, goedgekeurde bedevaart van de parochie Heikant naar Scherpenheuvel opgericht. Acht jaar later ondernamen H. (Baord) Vaes en M. (Tinus) Raaymakers in navolging van hun vriend L. Lemmens een bedevaart naar Scherpenheuvel. In 1882 ontstond uit dit initiatief de 'O.L. Vrouwe Broederschap der jaarlijksche Bedevaart van Tilburg en zich aansluitende plaatsen naar O.L. Vrouw van Scherpenheuvel', die kerkelijk was opgericht in de parochiekerk van O.L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis (Heikant), zoals de conceptstatuten van dat jaar vermelden.(30) De definitieve kerkelijke goedkeuring liet echter lang op zich wachten. De bedevaarten werden aanvankelijk vergezeld door een pater kapucijn. Na de vorming van de nieuwe parochie St. Anna, beloofde pastoor Bernardus Janssens zijn medewerking te verlenen aan de kerkelijke goedkeuring van de statuten. Dat gebeurde pas in 1901 door de bisschop van 's-Hertogenbosch, mgr. W. van de Ven. Pastoor Janssens werd de eerste directeur van de 'Broederschap van de R.K. Werkliedenprocessie van Tilburg en omstreken naar O.L.Vr. van Scherpenheuvel'. In 1910 bestaan er twee Tilburgse broederschappen naar Scherpenheuvel: die van de parochies St. Anna en Heikant (met 1400 leden).(31)



'De Godzalige huiszegen' met afbeelding van O.L. Vrouw van Scherpenheuvel, 
werd ca. 1890 nog in menig werkmanshuis in de Kempen aangetroffen. De 
huiszegen werd gelezen bij gevaar zoals onweer. (Coll. Jef van Gils, Hilvarenbeek; 
foto RHC Tilburg).

Oorspronkelijk gingen de meeste pelgrims de zaterdag voor Pinksteren te voet, maar in latere tijd maakte men ook wel gebruik van de trein. Men liep dan van Tilburg naar Turnhout, waar zich een pater kapucijn uit Meerseldreef bij hen voegde, ging per trein verder naar Aerschot, vanwaar weer lopend, biddend en zingend naar Scherpenheuvel werd gegaan. Later ging men met de stoomtram en in 1927 voor het eerst met drie bussen.(32) De inmiddels in 1922 opgerichte 'Rijwielprocessie' was de tweede onderafdeling van de broederschap. De zangers 'St. Gregorius' vormden sinds 1893 de eerste onderafdeling.(33) De leden van de rijwielprocessie hadden een blauw uniform en opvallende blauwe uniformpetten en baretten met gele band met opschrift 'Tilburg-Scherpenheuvel'. Zij werden daarom ook wel 'blauwklakken of blauwrijders' genoemd. Het aantal deelnemers liep uiteen van 150 tot 200.(34) 1927 was een bijzonder jaar in de historie van de bedevaart. Toen werd de 'Tilburgse Kaarskens Processie naar O.L. Vrouw van Scherpenheuvel' opgericht.

Tijdens beide wereldoorlogen was het moeilijk de Belgische grens te passeren. In de periode 1914/1918 werd zelfs uitgeweken naar het bedevaartsoord te Elshout. In de Tweede Wereldoorlog werden er helemaal geen bedevaarten meer gehouden. Pas in 1946 kon de traditie hersteld worden. Op 22 april 1950 is een derde broederschap onder de naam 'Kaarskensprocessie van Tilburg en Omstreken naar Scherpenheuvel' als officiële bedevaart door mgr. W. Mutsaerts, bisschop van 's-Hertogenbosch, kerkelijk erkend en in de parochie Fatima gevestigd.(35) 



Op eerste Pinksterdag 1951 vierde de broederschap van de R.K. Werkliedenprocessie 
van Tilburg en omstreken naar Scherpenheuvel haar vijftigjarig bestaan. Vanaf de 
St. Annakerk aan de Capucijnenstraat gingen de leden van het feestcomité, het 
hoofdbestuur en de broedermeesters in optocht naar het kerkhof aan de Bredaseweg 
om daar kransen te leggen op de graven van de oprichters. (Coll. Archief 
Werkliedenprocessie, RHC Tilburg).

In 1965 was het eeuwfeest (de bedevaart van Lemmens in 1865 werd als beginjaar gehanteerd) van de sindsdien zich noemende 'Aartsbroederschap van de R.K. Werkliedenprocessie van Tilburg en omstreken naar O.L. Vrouw van Scherpenheuvel' nog een ongekend hoogtepunt. Beliep het aantal leden begin jaren vijftig nog ruim 1200 personen, eind jaren zestig is dit aantal zodanig geslonken, dat het bestuur in 1974 besloot de georganiseerde werkliedenbedevaart te beëindigen. Een jaar later werd de vereniging opgeheven, evenals de rijwielprocessie, die het ook als bromfietsprocessie niet zou halen.(36) Daarmee waren de georganiseerde bedevaarten vanuit Tilburg en omgeving naar Scherpenheuvel echter nog lang niet uit de tijd. In 1997 ging de 'kaarskensprocessie', nu per bus, voor de 123e keer!(37)


Bloeiperiode

In de eerste helft van deze eeuw werden vele georganiseerde bedevaarten gehouden. Voor 15 tot 30 cent per jaar kon men rond 1910 lid worden van een broederschap die onder leiding stond van een pastoor of kapelaan in een bepaalde parochie. Tilburg telde in 1910 ongeveer 51.000 inwoners, waarvan er toch vele duizenden lid moeten zijn geweest van zo'n broederschap. Zo waren er in die tijd bedevaartbroederschappen die onder andere naar het H. Bloed in Boxtel, Den Briel (Martelaren van Gorcum), O.L. Vrouw van Scherpenheuvel, Handel en Kevelaer, Hakendover en naar O.L. Vrouw in 't Zand te Roermond gingen. De parochies Heuvel, Goirke en Noordhoek waren in het begin van de eeuw de enige die geen bedevaartbroederschappen hadden, wel genootschappen als sacramentsvereniging.

Tilburgers bezochten in deze eeuw nog vele andere, hier niet verder uitvoerig te bespreken, bedevaartplaatsen zoals bijvoorbeeld Amsterdam (Stille Omgang), H. Cornelius te Bokhoven, H. Anthonius te Chaam, H. Markoen te Dorst, H. Blasius te Engelen, H. Anna te Koolwijk (Herpen), H. Gerlachus te Houthem (1910) H. Theresia te Waspik-Boven (sinds 1928), O.L. Vrouw ter Eik te Meerveldhoven, O.L. Vrouw H. Eik te Oirschot, O.L.V. ter Linde te Uden, enzovoort.(38)


St. Job in Enschot

De verering van St. Job stamt uit de veertiende eeuw, toen de Zuidelijke Nederlanden werden getroffen door pestepidemieën. De St. Job-verering in de schuurkerk van Enschot wordt pas in 1767 voor het eerst vermeld. De oudste vermeldingen die in het parochiearchief worden gevonden, staan op een lijst met opbrengsten van offers ter gelegenheid van St. Job in de periode 1860 tot en met 1890. Coppens schrijft in 1843 over Enschot: 'De H. oudvader Job wordt hier door de inwoners en door de katholijken der bijgelegene plaatsen bijzonderlijk geëerd'. In onze tijd wordt St. Job aangeroepen tegen zweren en andere huidziekten, waartegen indertijd gewijd Jobswater te krijgen was. In de Enschotse St. Caeciliakerk staat sinds 1870 een beeld van St. Job met een scherf in de hand: 'het enige wat hij had om zich te krabben'. Ook hangt hier nog een achttiende-eeuws schilderij van Job. 

Vanaf het begin van deze eeuw trokken vele tienduizenden Tilburgers op 10 mei te voet naar Enschot. In 1939 werd het aantal uit Tilburg afkomstige bedevaartgangers geschat op 20.000 tot 25.000 personen. Bekend was het van oorsprong Vlaamse bedevaartsliedje dat op heen- en terugweg gezongen werd:

En dan gaan we naar St. Job / Op eenen ezel, op eenen ezel
En dan gaan we naar St. Job / Op eenen ezel zonder kop!
En dan komen we weer terug / Op eenen ezel, op eenen ezel
En dan komen we weer terug / Op eenen ezel zonder rug.



Het houten beeld van de Heilige Man Job staat sinds 1870 in de Enschotse 
St. Caeciliakerk. Pastoor J. Smets kocht dit beeld voor 40 gulden van
 beeldhouwer J. Matthys Kluytmans uit Eindhoven. (Foto Frans van Ameijde, 
RHC Tilburg).

Er waren geen uitbundige processies en er was ook geen sprake van georganiseerde bedevaarten door broederschappen. De Tilburgse bedevaartgangers kwamen in groepjes via de Enschotsebaan. Onderweg maakten zij van wilgenhout een St. Jobsstok. Rond de Enschotse kerk stonden verschillende kraampjes met vis en kaneelstokken, en ooit zijn er flesjes Sint-Jobswater verkocht. In 1913 verpachtte de gemeente 32 kraampjes bij de kerk. 23 ondernemers waren afkomstig uit Tilburg. Traditioneel is het kopen van een bundeltje scharren die destijds aan de St. Jobsstok werden gebonden en over de schouder werden gedragen om deze thuis op te eten. De terugreis ging dan via de Bosscheweg. Nog steeds wordt op de eerste zondag van het octaaf (10 tot en met 17 mei) de bedevaart naar St. Job georganiseerd. Sinds 1991 maakt de Stichting St. Job te Berkel-Enschot zich sterk om de bedevaart weer nieuw leven in te blazen, en niet zonder succes.(39)



Bedevaartgangers naar St. Job bij de traditionele pleisterplaats café Kerkzicht in Berkel-Enschot, 1942. (Coll. Rinus 
van der Loo, Berkel-Enschot; foto RHC Tilburg).


St. Cornelius te Esbeek

De heilige Cornelius (paus van 251 tot 253), patroon van het hoornvee, ook wel een boerenheilige genoemd, wordt sinds 1898 in Esbeek vereerd. Op zijn voorspraak zouden ook zieken genezen van 'stuipen, vallende ziekten, beroerte en ander zenuwlijden'. Pastoor L. Jurgens plaatste een beeld van de H. Cornelius in de parochiekerk. Hij kwam ook in het bezit van enige relikwieën in de vorm van een stukje gebeente van de heilige. De bedevaart naar Esbeek ontstond spontaan. Zijn opvolger, pastoor Van Dijk, richtte op 8 september 1901 de 'Broederschap van den H. Cornelius paus en martelaar' op. Dat de vereerders van St. Cornelius vooral uit Tilburg afkomstig waren, vindt zijn oorsprong in het feit dat sinds de afscheiding van de parochie van Hilvarenbeek in datzelfde jaar, de bediening van de Esbeekse parochie van de H. Adrianus (een van de martelaren van Gorcum, die in het dorp was geboren) achtereenvolgens door vier uit Tilburg afkomstige pastoors geschiedde. 

In de jaren dertig werden jaarlijks op 16 september honderden Tilburgse pelgrims met de 'lange Goolse tram' naar Esbeek vervoerd. Tussen Hilvarenbeek en Esbeek stopte de tram omstreeks zeven uur in de ochtend. In processie liep men dan naar het rustaltaar op het schoolplein naast de kerk. De pelgrims kwamen overigens ook voor de gezelligheid en de sociale contacten. In de bedevaartweek van 'Sint Knillis' was er een soort kermis: er stonden vele kramen, onder andere met snoep en vis. De St. Cornelius-broederschap werd in 1972, nadat ze een kwijnend bestaan had geleden weliswaar opgeheven, maar in de bedevaartsweek, van zondag voor tot en met zondag na 16 september, komen er nog steeds vele honderden pelgrims naar deze bedevaartplaats.(40)


Goddelijke Zaligmaker te Hakendover

Op 19 november 1904 werd er in de parochie O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen (Heikant) de 'Broederschap van den Goddelijke Zaligmaker' opgericht, die zich ten doel stelde bedevaarten te organiseren naar het Belgische dorpje Hakendover, gelegen op ca. 20 km van Leuven op de weg van Tienen naar Sint-Truiden.



Uit 'Archief van de Broederschap ... Hakendover', RHC Tilburg, inv. nr. 100.

Op paasmaandag trekken jaarlijks duizenden pelgrims naar Hakendover. Ze putten er water uit de 'heilige' bron, kopen er twijgjes van de (originele?) bloeiende haagdoorn (waarnaar de plaats Hakendover is genoemd) en nemen er 'heilige' grond mee die ze in de stal zullen strooien tegen de muizen. Het hoogtepunt van de bedevaart is de zogenaamde paardenommegang, waarbij honderden ruiters dertienmaal rond het op een heuvel opgestelde altaar draven, dwars door de akkers met opwassende halmen. Nergens schiet het graan achteraf zo welig op als in de platgetrapte velden, die dertien dagen later, zo willen de verhalen, weer welig groen tieren. Bekend is ook de bedetocht 'de grote dertien', dertien dagen na Driekoningen in de nacht van 16 op 17 januari, wanneer men zich dertienmaal biddend heen en weer begeeft tussen de St. Salvatorkerk te Hakendover en het veertiende-eeuwse kapelletje van O.L. Vrouw ten Steen te Grimde in dezelfde gemeente. Dit ter ere van de Goddelijke Zaligmaker die volgens de legende als dertiende werkman aan de bouw van de kerk zou hebben meegeholpen. Hakendover is dé bedevaartplaats, ook wel de 'paardenbedevaart', van de agrarische bevolking. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Tilburgse broederschap (na die van Breda de oudste in Noord-Brabant) juist in de nog agrarische parochie Heikant is ontstaan. In 1910 telde deze broederschap, die onder leiding stond van de kapelaan van de parochie, al zo'n 1200 leden.(41)



Deelnemers uit Tilburg aan de bedevaart naar Hakendover in 1995 (foto Bert Janssen, 
Bussum, coll. RHC Tilburg).


De zestigste bedevaart vanuit Tilburg naar Hakendover was een bijzondere. Zes jongemannen, Dré Versteijnen, Tinus van Rijswijk, Harrie van Mensfoort, Noud van Vught, Ad Vromans en Tinus van Loon, ondernamen in maart 1964 de bedevaart te paard, een tocht van ongeveer 240 km. De kosten die die tocht met zich meebrachten werden bestreden uit de opbrengst van het eendaags rikconcours dat gehouden werd in het café Van Hommelen aan het Lijnsheike.(42)


De H. Martelaren van Gorcum te Den Briel

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog werden negentien geestelijken omwille van hun standvastigheid in het geloof, na zware martelingen op 9 juli 1572 ter dood gebracht. Onder hen waren twee Brabanders uit de omgeving van Tilburg: Joannis van Oosterwijk en Adrianus van Hilvarenbeek.(43) In de loop der jaren raakten zij in vergetelheid totdat in 1615 tijdens het Twaalfjarig Bestand na enig zoeken hun stoffelijke resten werden gevonden en uit piëteit werden meegenomen naar de Zuidelijke Nederlanden, waar ze met eerbied zouden worden vereerd. In 1675 werden zij zalig verklaard. De heiligverklaring volgde in 1867. Ze kregen bekendheid onder de naam 'Martelaren van Gorcum'. Hun relikwieën werden in 1937 overgebracht naar de 100 jaar oude r.-k. kerk aan de Haarstraat en later naar de kerk in de Wijnkoperstraat te Den Briel.(44)



Tilburgse pelgrims in processie te Den Briel in het begin van de eeuw. (Coll RHC
Tilburg).

De 'Broederschap Bedevaart van Tilburg en omstreken naar Brielle ter vereering van de H.H. Martelaren van Gorkum' stond in 1910 onder directie van pastoor J.P. van den Heuvel van de in 1901 gestichte parochie van de H. Martelaren van Gorcum (Besterd). Deze bedevaart werd sinds 1905 met de onderbreking door twee wereldoorlogen op 4 juli 1963 voor de acht-en-veertigste keer gehouden, nog traditioneel, als enige in Nederland, met de boot. Dezelfde route werd dan gevaren welke door de martelaren in 1572 ook werd afgelegd: van Gorcum naar Den Briel. In de beginjaren zestig beliep het aantal bedevaartgangers uit Tilburg en omgeving steeds rond de vijfhonderd.(45)


O.L. Vrouw in 't Zand te Roermond en O.L. Vrouw van 't H. Hart te Sittard

De in 1905 opgerichte 'Broederschap van O.L. Vrouw in 't Zand processie Tilburg naar Roermond' was verbonden aan de Paterskerk aan de Gasthuisstraat, van waaruit de bedevaart in processie naar het station en dan per trein naar Roermond werd ondernomen. In 1912 was pater Van der Hagen directeur van deze broederschap. Er waren toen ruim 1500 leden. De contributie bedroeg dertig cent per jaar. De mannen en vrouwen gingen midden juni 'onder het octaaf van de feestdag van St. Antonius naar O.L. Vrouw in 't Zand te Roermond', en de 'jongelingen' deden dat op de vrijdag en zaterdag in de kermisweek. Zij bezochten bovendien de bedevaartplaats van O.L. Vrouw van 't H. Hart te Sittard.(46) 

De bedevaartplaats ontstond volgens de legende omstreeks 1400 toen de schaapherder Wendelinus uit een waterput buiten Roermond een eikenhouten 34 cm hoog beeldje van Maria met een putemmer omhooghaalde. Hij gaf het beeld een plaats in een veldkapelletje aan een boom in de directe omgeving van de vindplaats. In 1418 werd er bij de waterput een eenvoudige kapel gebouwd. Vele zieken vonden sindsdien genezing na bezoek aan het wonderbeeld. In de jaren dertig van deze eeuw trokken jaarlijks zestig tot zeventig grote en honderden kleine bedevaarten naar dit genadeoord.(47) 



Deelneemsters aan de Tilburgse bedevaart naar O.L. Vrouw in 't Zand te Roermond in 1917. (Coll. Van 
den Brekel-van Dooren; foto RHC Tilburg).

Anders dan in de bewaard gebleven notulenboeken van andere Tilburgse bedevaartbroederschappen, bevat het notulenboek van de 'Broederschap van O.L. Vrouw in 't Zand, processie Tilburg naar Roermond' (1912-1919) vele aardige wetenswaardigheden uit de eerste bestaansjaren. Zo lezen we dat de broederschap drie keer per jaar vergaderde. In 1912 bedroeg het aantal betalende leden 710 en een jaar later al 898. Op de vergadering van 31 augustus 1913 spreekt secretaris Waltherus van Loon zijn ongenoegen uit over het gedrag van sommigen tijdens de laatste bedevaart en vooral op de terugweg, waarop directeur pater Van der Hagen stelt dat de proef om de broedermeesters tussen de pelgrims te plaatsen jammerlijk is mislukt en 'ook de groote meisjes die als maagden die processie volgen hebben in Roermond met duitsche heeren weesten schuitje varen en niet alle oefeningen bijgewoont. Onderweg heeft een pelgrim en broedermeester daden verricht die bij half dronken menschen op eene kermis wel eens plaats hebben maar zeker niet mogten gebeurd zijn op eene bedevaartreis'.

In 1917 werd de Paterskerk van de Gasthuistraat parochiekerk en dit had mede tot gevolg dat de bedevaart opnieuw werd opgericht en dat de statuten werden herzien. Op 6 januari 1918 vond de eerste vergadering plaats van de nieuwe broederschap, die voortkwam uit de vroegere processies naar O.L.V. in 't Zand te Roermond, O.L.V. van het H. Hart te Sittard en naar de H. Antonius te Roermond. Voorzitter en directeur van de nieuwe broederschap werd pastoor Alphons van Dijck van de parochie Gasthuisstraat. Bij het vijftigjarig bestaan van de broederschap in 1955, waren er nog 550 pelgrims lid.(48)


H. Gerardus Majella te Hulten en Wittem

Vereerders van de H. Gerardus Majella uit Tilburg organiseerden in 1915 voor het eerst een bedevaart naar de parochiekerk te Hulten onder Gilze. Ruim 1200 deelnemers vertrokken op 17 oktober 1915 vanaf het missiehuis aan de Bredaseweg te voet naar Hulten. Vijfentwintig jaar later was de bedevaart naar het genadeoord nog volop in bloei. Ruim 600 bedevaartgangers (van de ca. 1200 leden van de broederschap) ondernamen in 1938 de tocht. De kerk van de H. Gerardus Majella, in 1914 gebouwd, is door een bombardement op 15 augustus 1944 totaal vernield. Pas in 1952 is een nieuwe kerk in gebruik genomen. In het begin van de jaren zestig stopte de bedevaart vanuit Tilburg, maar deze is vanaf 1970 toch weer in de belangstelling gekomen. De grootste bedevaartplaats van de in 1904 heiligverklaarde Gerardus Majella bevindt zich in het Limburgse Wittem. Tilburgse Majellavereerders ondernemen sinds 1950 jaarlijks ook een bedevaart naar Wittem.(49)



Tegeltje als aandenken aan 25 jaar bedevaart van Tilburg 
naar de H. Gerardus Majella in Wittem, 1975. 
(Coll. Ronald Peeters; foto Frans van Ameijde, RHC Tilburg).


De Zoete Lieve Moeder van 's-Hertogenbosch

De verering van het beroemde wonderbeeld van de Zoete Lieve Moeder van 's-Hertogenbosch (te dateren tusssen 1280 en 1320) werd bij de inname van die stad door de Staatse troepen in 1629 verboden. In het geheim werd het beeld weggevoerd naar het veilige Brussel, dat toen in de Spaanse Zuidelijke Nederlanden lag. In 1853 werd het dankzij de inspanningen van mgr. Joannes Zwijsen na veel touwtrekken uiteindelijk weer teruggegeven aan de bisschopskerk. Van 16 tot 27 december van dat jaar verbleef het miraculeuze beeld tijdelijk, op de terugweg naar Den Bosch, in het klooster van de zusters van mgr. Zwijsen aan de Oude Dijk te Tilburg. Veel Tilburgers zijn het beeld komen vereren en offerden geld. Van de opbrengst liet men een gouden hart voor het beeld maken, waarop de volgende tekst werd gegraveerd: 'De Zusters van Liefde van Tilburg aan O.L. Vrouw van 's Bosch uit dankbaarheid voor het verblijf van haar miraculeuze beeld in de kapel van het moederhuis van 16-27 December 1853'. Precies honderd jaar later, op 17 december 1953, vierden de zusters dit eeuwfeest en werd het Mariabeeld speciaal voor die gelegenheid weer naar Tilburg gehaald. Daar werd het met groot ceremonieel ontvangen. Hierbij waren aanwezig mgr. W. Mutsaerts, bisschop van 's-Hertogenbosch, mgr. J. van Susante, plebaan van de kathedrale basiliek van St. Jan, het hoofdbestuur van de Zusters van Liefde, mgr. M.C. Nabuurs van Tilburg, pastoor J. van Dun van de parochie het Heike, en tal van andere hoge gasten. In plechtige processie werd het beeld naar de kapel gebracht, 'die overvol was met zusters, kwekelingen, wezenmeisjes en bruidjes'.(50)

De Zoete Lieve Moeder van 's-Hertogenbosch is de bekendste en drukst bezochte Mariabedevaartplaats van Noord-Brabant. In het bewaard gebleven 'Mirakelboek' zijn tussen 1382 en 1603 zo'n 481 'wonderen' opgetekend, waaronder een ongedateerde (zestiende eeuw) over een man uit Tilburg die op halfvasten gevangen zat te Dongen. Hij ontsnapte en beloofde een bedevaart naar Maria te 's-Hertogenbosch te maken: 'Wetet al diegeeyn, die dyt lesen of hoeren, dat een goet man van Tielborch waert gevangen ende in eenen stoeck geslagen te Dongel [in een gevangenis te Dongen was opgesloten] des sondach op Halfwasten ende hy geloefden syn bewart tot Onser Liever Vrouwen ten Bos ende Ons Lief Vrou verlenden hem gracij, dat den stock op [open] gynck ende hy wart verlost daeruyt tossen den dijnsdach ende deen goensdach yn der nacht ten 12 oeren ende quaem over eyn muyr ongequets van 20 of van 24 voeten hoech'.(51)



Het miraculeuze beeld van de Zoete Lieve Moeder van 's-Hertogenbosch 
in de kapel van de zusters van Liefde in Tilburg, 17 december 1953. 
(Coll. RHC Tilburg). 

De hernieuwde Mariadevotie met een jaarlijkse georganiseerde bedevaart naar de St. Jan, kreeg in de vorige eeuw een opleving tijdens de cholera-epidemie van 1866, die Nederland 
teisterde. Behalve de aantrekkingskracht had de middeleeuwse madonna nog steeds een genezingskracht. In 1908 zou een zieke man uit Tilburg na een bezoek aan de Mariakapel zijn genezen.
Nadat de jaarlijkse in juli gehouden plechtige ommegang in 1967 werd afgeschaft, kwam er steeds meer belangstelling voor de meidevotie, vooral door de jeugd. Nog in het geheugen liggen de vroeg in de ochtend ondernomen voettochten van Tilburg naar Den Bosch, voor de meesten een dagje uit. De jeugdbedevaart Pax-Christivoettocht was de bekendste.(52)


O.L. Vrouw van Lourdes

Lourdes in de Hautes-Pyrénées behoort tot de drukstbezochte Mariabedevaartplaatsen ter wereld. In 1858 is Maria hier achttien keer verschenen aan de 14-jarige Bernadette Soubirous in de grot van de rots Massabielle. In 1872 ontstond de eerste grote Franse bedevaart naar Lourdes en in 1883 de eerste vanuit Nederland. Directeur van het 'Nederlandsch Comité tot regeling van Bedevaarten' was de Tilburger Charles Kieckens (1862-1927), wonende aan de Bredaseweg 297. Volgens zijn bidprentje was hij ook nog lid van de 'Confraterie van het H. Sacrament', lid van de 'Broederschap van de H. Margarita Maria' en ere-kamerheer ('di Spada e Cappa') van de pausen Leo XIII, Pius X, Benedictus XV en Pius XI. Voorts was hij ridder in de Piusorde, advocaat van St. Pieter, werd hij begiftigd met het gouden erekruis 'Pro Ecclesia et Pontifice' en was hij 'gedecoreerd ijveraar van het Huisje van Loreto'. Al met al een behoorlijke staat van kerkelijke dienst. Hij was ook auteur en uitgever van enkele boekjes over Lourdes.(53)



Onder de klanken van een harmonie werden bedevaartgangers naar Lourdes in de 
jaren vijftig in Tilburg ingehaald. Links E.F. van Hoof (1869-1957) en rechts van hem 
zijn dochter Jana (1897-1980). (Coll. Van Hoof; foto RHC Tilburg).

De jaarlijkse bedevaart naar Lourdes in augustus 1929 trok ongeveer 68.000 pelgrims. Er vonden enkele wonderbaarlijke genezingen plaats, maar er waren ook enkele trieste voorvallen. Drie pelgrims overleden er. Een van hen was de aan tbc lijdende uit Tilburg afkomstige Elisabeth Helena Maria Melis (1907-1929), wonende in de Elleboogstraat, die op 27 augustus in Lourdes overleed. Onder grote belangstelling is zij aldaar begraven.(54)


O.L.V. van de Hasseltse kapel te Tilburg

De Hasseltse kapel is het oudste, nog steeds bestaande bedevaartsoord in Tilburg. Het stichtingsjaar van de kapel is niet bekend, maar dat moet volgens de gangbare opvattingen zo omstreeks 1500 geweest zijn. De oudste archivalische vermelding treffen we aan in een testament van 24 april 1540, waarbij Laureijs Peter Verschueren 10 stuivers vermaakt aan 'onser lijever vrouwen inder capellen aen die Hasselt'.(55) Het bronzen Mariaklokje dat in de toren hangt, werd in 1536 gemaakt door de Jasper Moer, telg uit het beroemde Bossche klokkengietersgeslacht Moer.(56) De tekst die in de klok is gegoten, geeft daarmee de vroegste datering van deze kapel ter eere van Onze Lieve Vrouw:

MARIA IS MYNEN NAEM
JASPER MOER MAECKTEN MIJ
INT JAER ONS HEEREN MCCCCCXXXVI



De fraaie, in 1972 gerestaureerde, kapel heeft een bewogen geschiedenis. Zij kwam ongeschonden de Tachtigjarige Oorlog door. Vermoedelijk heeft de kapel tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) een verbouwing ondergaan. Bij de Vrede van
Munster in 1648 brak in het noordelijk deel van het oude hertogdom Brabant, waaronder Tilburg behoorde, de Generaliteitsperiode aan, die tot de komst van de Fransen in 1794 zou 
voortduren. Katholieken mochten in dit Staatse Brabant hun erediensten niet meer vrijelijk uitoefenen. De Hasseltse kapel werd weliswaar aan haar kerkelijke bestemming onttrokken, maar vreemdgenoeg niet onteigend. Kapelmeesters behielden bepaalde bevoegdheden om de kapelgoederen te beheren. De verlaten kapel werd van 1743 tot 1794 nog als woning gebruikt.(57)



Bedevaartgangers voor en in de Hasseltse kapel. Boven: 1930. 

Onder: katholieke arbeidersjeugd St. Jozef uit Dongen 
(met bedevaartvaantjes in de hand), tijdens hun jaarlijkse bedevaart
op 23 mei 1943 (coll. RHC Tilburg).




Met de komst van de Fransen werd het allemaal weer anders: oude rechten werden hersteld. In 1796 werd aan de bewoners van de Hasselt toegestaan de kapel weer als in vroegere tijden in gebruik te nemen. In het bewaard gebleven kasboek staat genoteerd: 'Den 30 April is het Beeldt van De Alderheijligste Maget ende Moeder Godts Maria geheel Triumphant gebragt in de Hasseltsche Capel tot een algemeene blijtschap van de Rooms gesinde inwoonders tot Tilborg'.(58) Er is hier sprake van een nieuw beeld. Het oude beeld zou in de roerige periode tussen 1629 en 1648 uit de kapel verwijderd zijn en volgens De Wijs vermoedelijk in de abdij van Tongerlo terecht gekomen zijn. In de jaren twintig van deze eeuw is de pastoor van de parochie Broekhoven I, dr. H. Bertens, in het bezit gekomen van een houten Mariabeeld uit het begin van de zestiende eeuw. Hij ontving dit beeld van de abt van Tongerlo onder vermelding dat het voor 1648 in de Heikese kerk had gestaan, doch De Wijs suggereert dat dit ook wel het oude beeld uit de Hasseltse kapel zou kunnen zijn, maar een echt bewijs hiervoor gaf hij niet.(59)

O.L.V. van de Hasseltse kapel is al enkele eeuwen een belangrijke bedevaartplaats. De meidevotie is, naast de traditionele viering van het patronessenfeest van Maria Visitatie (2 juli), vanaf de jaren veertig van de vorige eeuw pas echt goed op gang gekomen. Nog steeds bezoeken Tilburgers in de meimaand massaal de kapel en natuurlijk de befaamde snoepkraampjes, overblijfsel van de vroegere Hasseltse kermis ter plaatse. Vanaf het begin van de eeuw vonden in mei de eerste geregelde Tilburgse processies plaats naar de kapel. In 1930 werd de 'Broederschap ter eere van Onze Lieve Vrouw die meer bijzonder vereerd wordt in de Hasseltsche Kapel te Tilburg' opgericht. Tot de eerste uitgaven van de broederschap behoorden de aanschaf van bedevaartvaantjes, 5000 aluminium medailles en steekspelden en een 25-tal brons-verzilverde draagmedailles. Reeds in 1933 telde de broederschap bijna zeshonderd leden.(60)

De journalist Uri Nooteboom verwoordt in zijn boek Jaren en jeugd in Brabant op een treffende wijze zijn jeugdherinneringen uit de jaren twintig aan de Hasseltse kapel: 'Het was er druk in vroeger jaren als ge er in den jongen Meidag binnen kwaamt. Ge stondt gedrongen in den smallen ingang en de zingende stem van de kwezel bad haar honderd-en-vijftig wees-gegroeten met de onze-vaders en de vijftien geheimen. Als de eene kwezel was uitgebeden begon de andere op een iets lageren toon. Men drong naar voren als een plaats vrijkwam in de ongemakkelijke banken. De zon zette strepen goud licht door de oostelijke vensters. Het altaar was één versiering van barokke krullen, pilaren en tierlantijnen. Het stond vol vazen met papieren bloemen, er naast in de hoeken stonden krukken en daarboven hingen ex voto's, ofschoon ge nooit vernomen had, dat daar ooit een wonder was gebeurd, of dat daar iemand was genezen. De Tilburgsche vroomheid prevelde hier haar ochtendlijk morgengebed in de benauwde sfeer van een overvolle ruimte.'(61)

Omstreeks 1954 houdt de broederschap op te bestaan, maar de bid- en kaarskensprocessies die vanouds werden gehouden, waren toen nog lang niet verdwenen. In het Mariajaar 1954 liet Tilburg zich niet onbetuigd. Ruim 25.000 mensen waren op zaterdagavond 11 september massaal aanwezig om een indrukwekkende Mariahulde te brengen bij de Hasseltse kapel. De organisatie was in handen van de Pax Christi-beweging, die ook al in mei 1950 15.000 mensen op de been had gekregen met de tocht van 'De Zingende Rozenkrans'. Uit alle parochies trokken grote groepen parochianen naar de kapel. Voor de ingang was een rustaltaar met het Mariabeeld opgesteld. Het beeld werd bedolven onder de bloemen. De volgende dag kon men nog een bezoek brengen aan het versierde rustaltaar.(62)

Eind jaren zestig was de kapel dusdanig in verval geraakt dat een restauratie van meer dan twee ton onvermijdelijk was. Op 8 oktober 1970 wordt door prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt de 'Stichting tot restauratie van de Hasseltse kapel' opgericht. Een spectaculaire verkoopactie van porseleinen bordjes door de Midden-Brabantse schooljeugd bracht ¦ 55.000 op. Na een ingrijpende restauratie kon de kapel in oktober 1972 weer geopend worden. De kapel werd door Van den Eerenbeemt op 13 oktober overgedragen aan de 'Stichting tot beheer van de Hasseltse kapel', waarvan mr. J. Bruinsma de voorzitter was. Daags erna werd het beeld van O.L.V. 's avonds met een 'kaarskensprocessie' van de Hasseltse kerk, waar het tijdelijk was ondergebracht, naar de kapel teruggebracht. Onder klokgelui uit de gerestaureerde toren en tromgeroffel van de drie Tilburgse gilden, werd het beeld de kapel binnengedragen en op zijn plaats gezet.(63)


Bedevaartvaantjes uit Tilburg

Als souvenir uit een bedevaartplaats werd vaak een bedevaartvaantje meegebracht. De vroegste vermelding stamt uit het eind van de vijftiende eeuw in Vlaanderen, terwijl de oudste bewaarde exemplaren uit de zeventiende eeuw zijn. De papieren vlaggetjes zaten aan een stokje. Uit Tilburg zijn twee exemplaren bekend: die van 'Onze Lieve Vrouw van de Hasseltse kapel' en die van de 'Eerbiedwaardige Petrus Donders'.(64)



Gelithografeerd bedevaartvaantje van de Hasseltse kapel, 1930. (Coll. Ronald Peeters, Tilburg).

Rechts: in 1922 werd de rijwielprocessie van de R.K. Werkliedenbond naar Onze Lieve Vrouw van
Scherpenheuvel opgericht. De leden droegen tijdens de fietstocht deze pet (coll. RHC Tilburg).

Kort na de oprichting van de Broederschap van de Hasseltse kapel in mei 1930 werden er bedevaartvaantjes aangeschaft. Het 29 cm hoge en 37 cm brede gelithografeerde bedevaartvaantje is ontworpen door de Tilburgse kunstenaar Victor van Beurden van Schoonhoven en het was gedrukt door drukkerij A. Reijnen in Tilburg. Een journalist van de Nieuwe Tilburgsche Courant was er blijkbaar niet zo erg lovend over toen hij het in de etalage van kunsthandel Van Erp-Broekhans in de Heuvelstraat zag hangen: 'Het vaantje volgt vrijwel de traditie van de schreeuwende kleuren en de markante lijnen. Toch vinden wij het jammer, dat niet gezocht is naar iets soepeler kleuren'.(65)

Het 25 cm hoge en 36 cm brede gelithografeerde driehoekige bedevaartvaantje van de 'Eerbiedwaardige Dienaar Gods Petrus Donders, Apostel der Melaatschen' is vermoedelijk ook omstreeks 1930 uitgegeven. Het heeft overigens dezelfde felle kleuren als dat van de Hasseltse kapel. Afgebeeld zijn het geboortehuis, kapel, standbeeld aan het Wilhelminapark en het portret van Petrus Donders.


Noten

(1) Algemene overzichtsliteratuur over Tilburgse bedevaarten: Ronald Peeters en Ed Schilders, Katholiek Tilburg in beeld (Tilburg, 1990), p. 147-165; Ronald Peeters, 'Tilburgse bedevaarten en resten van heiligen', in: Tilburg Magazine, 7, 1996, nr. 1, p. 14-18. De auteur heeft ook gebruikgemaakt van het door hem verricht onderzoek ten behoeve van de tentoonstelling 'Bedevaarten in en vanuit Tilburg' in het Gemeentearchief Tilburg (23 februari t/m 31 mei 1996). 
(2) Raymond Peeters, 'Kempense zoengedingen en strafbedevaarten tot aan de vooravond van de beeldenstorm', in: Taxandria. Tijdschrift van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van de Antwerpse Kempen, N.R. XXVIII, 1956, p. 21-105.
(3) W.H.Th. Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant (Oisterwijk, 1968), Kultuurhistorische Verkenningen in de Kempen III, p. 11-19.
(4) Zoals bijvoorbeeld: Gemeentearchief Tilburg (GAT), Oud-Rechterlijk Archief (ORA) inv. nr. 260, fol. 29v en 30r (1509); 284, fol. 11 (inliggend) en fol. 58 (1537); 287, fol. 11r en 11v (1540).
(5) GAT, ORA, inv. nr. 260, fol. 29v en 30r (1509); C. Robben, 'De soen-acte of soen-brief', in: Historische Bijdragen. Orgaan van de Heemkunde Kring Tilborch, 1, 1970, nr. 4, p. 90-94.
(6) GAT, ORA, inv. nr. 287, fol. 11r en 11v (1540).
(7) P.C. Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg vóór 1600', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van heidorp tot industriestad (Tilburg, 1955), p. 91; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 18-19; GAT, ORA, inv. nr. 18 (3 februari 1566); idem inv. nr. 391 (28 Bamis 1589).
(8) N.P. Sprenger de Rover, 'Enige Tilburgse toponiemen', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van heidorp tot industriestad (Tilburg, 1955), p. 107-108.
(9) L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch (St. Michiels-Gestel, 1876), V, p. 710-711; Ferd. Smulders, 'Zó was de Heikant. Een levendige bebouwde en bewoonde streek. Tilburg rond 1450 V', in: Actum Tilliburgis. Tijdschrift van de Tilburgse Heemkundekring, 4, 1973, nr. 1, p. 29-31 (herdruk uit Nieuwe Tilburgse Courant, 30-12-1950); J.R.O. Trommelen en M.P.E. Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw. Een tentatieve reconstructie en naamsverklaring (Tilburg, 1994). Tilburgse Bronnenreeks 1, p. 424-426; G.C.A. Juten, 'O.L. Vrouw Opt Stexken te Bergen op Zoom', in: De Ghulden Roos, 27, 1967, p. 120-123.
(10) W.H.Th. Knippenberg, 'Oude kapellen in Noord-Brabant (V)', in: Brabants Heem, 11, 1959, p. 115-121; 'Tilburg van vruuger', in: Roomsch Leven (RL) van 14-06-1947 en 29-05-1948; H. Mandos, 'Folkloristische verkenningen in Tilburgs verleden', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van heidorp tot industriestad (Tilburg, 1955), p. 230-231; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 30-33; Ronald Peeters, De straten van Tilburg (Tilburg, 1987), p. 131; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 187; Zie ook de bijdrage (met foto van het beeld van Quirinus) van J. van Hest in deze bundel.
(11) Lamb. G. de Wijs, De geschiedenis van de Hasseltsche kapel (Tilburg, 1939), p. 26-28; Mandos, 'Folkloristische verkenningen', p. 231.
(12) Smulders, 'Zó was de Heikant', p. 31; Sprenger de Rover, 'Enige Tilburgse toponiemen', p. 108; Mandos, 'Folkloristische verkenningen', p. 230; Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', p. 89; Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, p. 425-426.
(13) Sprenger de Rover, 'Enige Tilburgse toponiemen', p. 108; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 67-69.
(14) Handboek voor de leden der Broederschap van het H. Bloed Onzes Heeren Jesus Christus en der processie van Tilburg en omstreken naar Boxtel (Tilburg, 1934), p. 3-16 (N.B. de notulen van de vergadering van de broederschap in het parochiehuis van de Hasselt op 22 februari 1934, maken melding van het feit dat drukkerij A. Reijnen uit Tilburg de laagste inschrijver was voor het drukken van 1500 van deze bedevaartboekjes); P.J. Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant (Eindhoven, 1982), p. 72-79; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 156; Rien van Heeswijk en Peter Jan Margry, Bloedprocessie in Brabant. Fotodocumentaire van de bloedprocessies in Boxtel, Boxmeer en Hoogstraten (Breda, 1993), 42 blz.; Peeters, 'Tilburgse bedevaarten', p. 17.
(15) NTC van 30-5-1880.
(16) Luud de Brouwer, '"De Aenclevende sieckte". De pest in Tilburg voor 1630', in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 13, 1995, nr. 1, p. 7.
(17) GAT, 'Archief van de Broederschap van het Heilige Bloed O.H. Jesus Christus en de Processie van Tilburg en omstreken naar Boxtel, afd. Hasselt, 1881-1959'; De Almanak 1910. Gids voor het Katholieke Leven in Tilburg en Sobriëtas-Almanak (Tilburg, 1910), p. 9 noemt onder de parochie van de H. Rozenkrans (Hasselt) als broederschap de 'Processie van het H. Bloed naar Boxtel', blijkbaar een voortzetting van die van het Goirke.
(18) Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 136-142; P. Cyrillus en P. Canisius, O.L. Vrouw van Handel. Hare geschiedenis bij de viering van het zevende eeuwfeest 1220-1920 (Helmond, 1920), 104 blz.; P. Lathouwers, 'Handel, een Mariaoord', in: T. Thelen (red.), Commanderij Gemert. Beeldend verleden (Gemert, 1990), p. 87-103; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 149-152; Peeters, 'Tilburgse bedevaarten', p. 17-18.
(19) Handboekje ten gebruike der pelgrims van Tilburg en omliggende gemeenten naar Kevelaar (Tilburg, 1923), p. 7-11.
(20) Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch (1873), IV, p. 762; Fr. G.v.d.E. O.Praem, Handboekje bij eene bedevaart ter eere van Onze Lieve Vrouw naar Handel onder Gemert (Tilburg, 1887), p. 14; Cyrillus en Canisius, O.L. Vrouw van Handel, p. 95, 103 en 105; Marc Wingens, Over de grens. De bedevaart van katholieke Nederlanders in de zeventiende en achttiende eeuw (Nijmegen, 1994), p. 180.
(21) 'Resolutie weegens doen van een collecte tot een Processie van de L. Vrouw van Kevelaar, den 6 Augustus 1739', in: Groot Placaetboek, vervattende de placaeten, ordonnantien en edicten van de Hoog. Mog. Heeren Staaten Generaal der Vereenigde Nederlanden [...] ('s-Gravenhage, 1746), VI, p. 384; Edmond Meelis, 'De eerste lijdensjaren van Tilburg's processie naar Kevelaar', in: Uit Tilburg's verleden (Tilburg, z.j. [1900]), p. 48-70 (eerder onder pseudoniem E. van Lindeburg gepubliceerd onder de titel Verspreide stukken uit de Geschiedenis van Tilburg, z.p. en z.j., p. 1-31); B. Dijksterhuis, Bijdragen tot de geschiedenis der heerlijkheid Tilburg en Goirle (Tilburg, 1899), p. 189-190, refereert aan Meelis, die de zaak m.n. uit particuliere archieven schijnt te hebben opgetekend. In het GAT bevinden zich echter nog wel processtukken (ORA, inv. nrs. 151 en 630); Programma-Gedenkboekje 1737-1962 bedevaart Tilburg Handel Kevelaer, ter gelegenheid van het 225-jarig bestaan (Tilburg, 1962), p. 26-31; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 149-150; Wingens, Over de grens, p. 225-249, maakt uitvoerig gebruik van de bron GAT, ORA inv. nr. 630 en van stukken uit het archief van de Staten-Generaal die zich in het Algemeen Rijksarchief te 's-Gravenhage bevinden.
(22) F. van Zutphen, Inventaris van de archieven van de parochies Tilburg 1600-1797 (1810), H. Dionysius Goirke (ca. 1675) 1797-1982, H. Dionysius Heike (1794) 1797-1977 (Tilburg, 1991), p. 186-187: 'Gedeponeerd archief van de Broederschap van O.L. Vrouw Ter Bedevaart naar Handel & Kevelaar, 1847-1943' (aanwezig in het GAT). Latere stukken bevinden zich nog onder de secretaris van de broederschap, alsmede de statuten van 1847. De realia zijn ondergebracht in de Heikese kerk; vriendelijke mededeling door Frans van Berkel.
(23) Meelis, 'De eerste lijdensjaren', p. 62; Wingens, Over de grens, p. 231.
(24) Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) van 04-07-1959; Programma-Gedenkboekje 1737-1962, p. 9 en 31-33; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 150.
(25) Van Zutphen, Inventaris, nr. 720.
(26) Zie noot 24.
(27) NTC van 16-09-1940 en 14-10-1949; RL van 15-10-1949.
(28) RL van 10-08-1962; Het Nieuwsblad van 08-08-1987 en 17-08-1995.
(29) De pelgrim van Tilburg en omstreken ter bedevaart naar O.L.V. v. Scherpenheuvel [...] (Tilburg, 1906), p. 7-21; A. Boni, Scherpenheuvel, basiliek en gemeente in het kader van de vaderlandse geschiedenis (Antwerpen, 1953), 239 blz.
(30) GAT, 'Archief van de parochie Heikant, 1874-1964', inv. nr. 57, statuten 27 oktober 1874 goedgekeurd door aartsbisschop J. Zwijsen en een versie gedateerd 28 januari 1882; RL van 07-05-1949; Gedenkboek 1901-1951 R.K. Werklieden-processie Scherpenheuvel (Tilburg, 1951), p. 4-30; J.H.S.M. Veen, Inventaris van het archief van de R.K. Werkliedenprocessie Tilburg e.o. naar O.L. Vrouw van Scherpenheuvel, 1901-1978 (Tilburg, Gemeentearchief, 1981); Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 153-155; Peeters, 'Tilburgse bedevaarten', p. 18.
(31) Onze bedevaart of gebeden en gezangen van de R.K. Werkliedenprocessie van Tilburg en omstreken naar Scherpenheuvel (Tilburg, 1924), p. 5-11 (eerste druk is uit 1903); Almanak 1910, p. 2 en 8; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 76 noemt 'vele ex-voto's van bedevaarten' in de St. Annakerk te Tilburg. Deze kerk is in 1973 gesloopt. Waar de bedoelde ex-voto's zijn gebleven, is onduidelijk.
(32) RL van 07-05-1949.
(33) Het Museum voor Religieuze Kunst te Uden is in het bezit van twee processievaandels: dat van de zangersafdeling St. Gregorius, 1895/1896, inv. nr. MRK 152a en dat van de R.K. Werkliedenprocessie Scherpenheuvel uit 1902, inv. nr. MRK 152b; Volksdevotie. Beelden van religieuze volkscultuur in Noord-Brabant (Uden, Museum voor Religieuze Kunst, 1990), p. 149.
(34) Gedenkboek 1901-1951, p. 20; Uniformpet afgebeeld in: Ed Schilders, 'De boeiende historie van Tilburg, de Tilburgers en hun geloof', Ach Lieve Tijd Tilburg (Zwolle, 1993), afl. 3, p. 72.
(35) Gedenkboek 1901-1951, p. 24.
(36) Veen, Inventaris van het archief, p. 2; RL van 01-10-1949, 21-04-1951 en 22-10-1965; Tilburgse Courant van 07-11-1949; NTC van 14-04-1951; Het Nieuwsblad van het Zuiden (NvhZ) van 09-10-1951, 05-06-1965, 08-06-1965, 02-10-1965, 20-10-1965, 02-11-1965, 05-06-1971, 01-11-1975 en 24-05-1985.
(37) Tilburg Vrij Uit van 31-10-1990; Stadsnieuws van 13-04-1997.
(38) Almanak 1910, p. 1-11; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 147; NTC van 08-06-1910 en 04-05-1932.
(39) J.A. Coppens, Nieuwe beschrijving van het bisdom van 's Hertogenbosch, naar aanleiding van het Katholijk Meijerijsch Memorieboek van A. van Gils ('s-Hertogenbosch, 1843), dl. III, p. 101; Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch (1872), III, p. 598; NvhZ van 16-05-1939; Lamb. G. de Wijs, De geschiedenis van den toren van Enschot (Berkel-Enschot, 1935), p. 18-19; K.C. Peeters, Eigen aard. Grepen uit de Vlaamse folklore (Antwerpen, 1946), 2e druk, p. 215; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 33-36; Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 109-112; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 148; Job een eigen naam, onze naam (Berkel-Enschot, Stichting St. Job, 1991); Job Tijding (Berkel-Enschot, Stichting St. Job, 1993); Ad van den Oord en Wil van Oosterhout, Berkel-Enschot-Heukelom drie zielen en één bestuurlijk hart (Berkel-Enschot, 1996), p. 177-178: 'St. Job als kermisattractie'; Rinus van der Loo te Berkel-Enschot bezit een uitvoerige documentatie over St. Job, die hij mij belangeloos ter beschikking heeft gesteld, waarvoor dank.
(40) NvhZ van 16 en 20-09-1976; Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 112-116; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 147-148; Kees van Kemenade, 'Op bedevaart naar St. Cornelius', in: Esbeek niet van gisteren. Gedenkboek bij gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de R.K. parochie H. Adrianus Esbeek (Esbeek, 1989), p. 235-245; Jef van Gils en Ronald Peeters, Hilvarenbeek en zijn kerkdorpen (Hilvarenbeek, 1994), p. 108-114; Brabants Dagblad (BD) van 09-09-1996.
(41) De Katholieke encyclopedie (Amsterdam, 1935), dl. 12, p. 642; W.H.Th. Knippenberg, 'De ijzeren kronen bij St. Maurus te Hakendover', in: Brabants Heem, 18, 1966, p. 8-10; Knippenberg, Oude pelgrimages vanuit Noord-Brabant, p. 36-40; Almanak 1910, p. 8; Sint Jansklokken van 13-03-1953 en 29-04-1960; NTC van 02-04-1954; Bisdomblad van 13-04-1962 en 13-03-1964; Het archief van de Tilburgse broederschap bevindt zich in het GAT als gedeponeerd archief in het 'Archief van de parochie Heikant, 1874-1964' onder de naam 'Archief van de Broederschap van de Goddelijke Zaligmaker bedevaart Hakendover, 1905-1964', inv. nrs. 46, 100-105 en 196.
(42) NTC van 17-03-1964.
(43) Peeters, De straten van Tilburg, p. 119; Van Gils en Peeters, Hilvarenbeek en zijn kerkdorpen, p. VIII-1.
(44) D. de Lange, De Martelaren van Gorcum (Utrecht/Antwerpen, 1954), p. 261-262.
(45) Almanak 1910, p. 7; NTC van 20-6-1963; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 148.
(46) Almanak 1910, p. 11; NvhZ van 09-04-1955.
(47) H. van Krugten, 'Onze-Lieve-Vrouw in 't Zand te Roermond', in: Maria's heiligdommen in Nederland en België ('s-Hertogenbosch, z.j. [ca. 1881]), p. 34-41; Bij de Lieve Vrouw in 't Zand (Pelgrimsboekje Tilburgsche Bedevaart naar O.L.Vr. in 't Zand) (Roermond, 1938), 5e dr., p. 9-15.
(48) Notulenboek van de 'Broederschap van O.L. Vrouw in 't Zand, processie Tilburg naar Roermond', 1912-1919, in: GAT, coll. Lamb. G. de Wijs; NTC van 09-04-1955.
(49) NTC van 18-10-1915 en 18-10-1938; G.J. Rehm, Gilze en Rijen in oude ansichten (Zaltbommel, 1979), 3e dr., nr. 39; Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 180-183; BD van 28-05-1997.
(50) J.C.A. Hezenmans, 'Onze-Lieve-Vrouw van Den Bosch', in: Maria's heiligdommen in Nederland en België ('s-Hertogenbosch, z.j. [ca. 1881]), p. 1-26; NTC van 18-12-1953; RL van 19-12-1953; H. Hens, H. van Bavel, G.C.M. van Dijck en J.H.M. Frantzen, Mirakelen van Onze Lieve Vrouw te 's-Hertogenbosch 1381-1603 (Tilburg, 1978), p. 9; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 156; J.W.M. Peijnenburg, Joannes Zwijsen, bisschop 1794-1877 (Tilburg, 1996), p. 251-254.
(51) Hens e.a., Mirakelen, p. 671-672.
(52) Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 154-161.
(53) Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 147-149; Charles Kieckens, Lourdes in woord en beeld. Volksuitgave bij het Gouden Jubilé der Verschijning van O.L.Vr. te Lourdes 1858 11 februari 1908 (Tilburg, Charles Kieckens, 1908), 64 blz.; De Lourdes-Pelgrim. Kerkboekje voor de Bedevaart naar Lourdes met Novene en Gezangen (Tilburg, Charles Kieckens, z.j.), 3e druk, 246 blz. 
(54) NTC van 02-08-1929; GAT, collectie bidprentjes.
(55) GAT, ORA, inv. nr. 287, fol. 6r-7r (1540); J.A.J. Becx, 'Historische achtergrond tot 1794', in: F.J.M. van Puijenbroek (red.), Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel (Tilburg, 1972), p. 10; Trommelen en Trommelen, Tilburgse toponiemen in de 16e eeuw, p. 163-164; De door Edmond Meelis ('Iets over de Hasseltsche Kapel', in: Uit Tilburg's verleden (Tilburg, z.j. [1900]), p. 139) aangehaalde eerste vermelding uit 1524, die door L.G. de Wijs (De geschiedenis van de Hasseltsche kapel (Tilburg, 1939), p. 22-23), berust op een leesfout. Dit moet 1594 zijn. Zie daarover H. Boelaars CssR, 'Een document over de "Hasseltse kapel" te Tilburg', in: Bossche Bijdragen, deel XIX, afl. 2, mei 1948, p. 205-209.
(56) Becx, 'Historische achtergrond', p. 10-11; L.F.W. Adriaenssen, 'De Bossche klokkengietersfamilie Moer, 1450-1570', in: Noordbrabants Historisch Jaarboek ('s-Hertogenbosch/Zutphen, 1989), deel 6, p. 45-78.
(57) Becx, 'Historische achtergrond', p. 9-46.
(58) F.J.M. van Puijenbroek, 'Sinds 1796', in: F.J.M. van Puijenbroek (red.), Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel (Tilburg, 1972), p. 55-56; GAT, 'Archief van de Regenten van de Hasseltse Kapel, 1757-1954, 1972-1989', inv. nr. 1.
(59) De Wijs, De geschiedenis van de Hasseltse kapel, p. 38-39; Lambert G. de Wijs, 'Waar is het oorspronkelijke beeld uit de Hasseltse kapel?', in: RL van 01-05-1948; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 26.
(60) Nel van Puijenbroek-van Mierlo, De Hasseltse kapel te Tilburg troost en toeverlaat voor velen (Tilburg, 1987), p. 64-70; (Willem van Mook), Beknopte folkloristisch-historische beschrijving van het Tilburgsch genade-oord der 'Hasseltsche Kapel' of 'Kapelle van onze Lieve Vrouwe ter Hasselt' (Tilburg, 1930), 20 blz.; Van Puijenbroek, 'Sinds 1796' p. 80; Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 157-159. 
(61) Uri Nooteboom, Jaren en jeugd in Brabant (Amsterdam, 1944), in 1987 werd herdrukt onder de titel Jeugd in een fabrieksstad (Tilburg, De Schaduw), p. 41-42.
(62) Margry, Bedevaartplaatsen in Noord-Brabant, p. 259-263; RL van 30-05-1950, 04-09-1954, 11-09-1954 en 18-09-1954; NvhZ van 13-09-1954.
(63) Van Puijenbroek-van Mierlo, De Hasseltse kapel, p. 72-80; NvhZ van 25-01-1971, 04-05-1971, 05-05-1971, 07-05-1971, 28-05-1971, 12-04-1972, 14-09-1972, 22-09-1972, 14-10-1972; Bij die gelegenheid verscheen ook het boek Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel, onder redactie van F.J.M. van Puijenbroek (128 blz.); Ronald Peeters en Jef van Gils, Tilburgers in beeld (Tilburg, 1996), p. 149.
(64) Peeters en Schilders, Katholiek Tilburg in beeld, p. 159 en 162; Van Puijenbroek, Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel, p. 80 en achterzijde omslag; Renaat van der Linden, Maria bedevaartvaantjes. Volksdevotie op 1175 vaantjes (Brugge, 1988), p. 249-250 (afb. in kleur); Renaat van der Linden, Bedevaartvaantjes. Volksdevotie rond 200 heiligen op 1000 vaantjes (Brugge, 1986), p. 82; Op p. 207 van dit laatste boek noemt Van der Linden een driehoekig vaantje met de tekst 'Lidwinadag. Tilburg' en een afbeelding van de kerk. Deze parochiekerk (gebouwd in 1952) is geen bedevaartplaats. 
(65) NTC van 25-04-1931.



Speldje Hasseltse kapel
(Foto coll. RHC Tilburg).