Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tilburgse Historische Reeks 9
Over roomse deugdzaamheid en burgerlijke beschaving
 

Titel:   

Over roomse deugdzaamheid en burgerlijke beschaving

Ondertitel:   

Auteur:   

dr. Ton Thelen

THR 

Godsvrucht en deugdzaamheid.
Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen

Nummer:   

9 (1997) Tilburgse Historische Reeks

Pagina’ s:   

70-111

 

Spaarzaam zijn de eigentijdse getuigenissen die vertellen over het leven van alledag en de gebruiken en feesten die daaraan regelmaat en kleur en fleur gaven. Weinig is er ook bekend over de praktijk van de geloofsbeleving. Er zijn wel talloze voorwerpen van volksdevotie bewaard, maar naar de context van hun gebruik en functie is het vaak raden, omdat over de alledaagse werkelijkheid maar weinig berichten tot ons gekomen zijn. Een gelukkige uitzondering vormt de kroniek van Joannes van der Lee, kapelaan van de parochie 't Heike, over wat zich binnen en buiten zijn parochie afspeelde in een tijdsbestek van zo'n tien jaren na het midden van de negentiende eeuw. Hoewel deze kroniek de naam draagt van "Annalen der H. Familie", reikt haar inhoud verder dan de devotionele praktijk van dit genootschap. Al is de kroniek dan geschreven vanuit het oogpunt van een bedienaar van de Kerk, zij toont ook de spiegelbeeldige werkelijkheid van alledag. Zij beschrijft de jaren waarin Tilburg meer en meer haar dorpse en halfagrarische karakter begon af te leggen en een stedelijke cultuur zich toeëigende en een modern-industriële uitstraling kreeg. Het waren bewogen jaren waarin de veranderende samenleving in sociaal, economisch, cultureel en moreel opzicht tal van spanningen doormaakte. De kroniek van kapelaan Van der Lee legt een indringend getuigenis hiervan af.
Het accent in dit artikel ligt op de devotionele praktijk in de parochie 't Heike tijdens de negentiende eeuw. Daarnaast wordt echter ook gekeken naar de situatie in Tilburg in het algemeen en waar nodig naar de parochie 't Goirke, zijnde beide de oudste parochies van Tilburg.


Joannes van der Lee en de kerkelijke situatie in Tilburg 

Joannes van der Lee werd geboren te 's-Hertogenbosch op 23 september 1825. Zijn vader droeg dezelfde voornaam, zijn moeder heette Joanna Mommersteeg. Op 22 september 1843 kwam hij aan op het groot-seminarie te Haaren. Dit nieuwe seminarie was pas vier jaren in gebruik. Voorheen was het gevestigd op het landgoed Nieuw-Herlaar bij Sint-Michielsgestel. Joannes werd op 24 september 1849 tot priester gewijd in de parochiekerk te Sint-Michielsgestel. Kort daarop volgde zijn aanstelling tot kapelaan in de parochie 't Heike te Tilburg, waar hij kapelaan Joannes van Mierlo opvolgde. Het studentenregister van Haaren geeft evenwel als officiële datum van benoeming 3 januari 1850. Van der Lee begon zijn kerkelijke loopbaan nog onder pastoor Joannes Zwijsen, die hoewel in 1842 tot bisschop gewijd, als pastoor aanbleef tot 1 mei 1854. Zwijsen zou een diepe indruk op hem nalaten. In zijn opvattingen over zedelijkheid, zijn houding tegenover kermis, vermaak en carnaval en in zijn bevordering van de volksdevotie bleek hij een trouwe volger van Zwijsen.

In korte tijd maakte hij een algehele wisseling mee van de wacht. Zijn collega-kapelaans J. van Sambeek, H. de Wit en H. van Dooren werden elders pastoor. In hun plaats kwamen Martinus van der Hagen en Joannes van Schijndel, voorheen kapelaan te Helmond, die door Zwijsen werd aangetrokken als kapelaan-deservitor. In die functie was Van Schijndel met de feitelijke waarneming van de parochie belast, hetgeen in 1854 resulteerde in de formele aanstelling tot pastoor. Van Schijndel was geboren te Dinther, op 3 september 1811. Na zijn overlijden op 9 september 1871 volgde Van der Lee hem op als pastoor.(1)



Pastoor Joannes van der Lee (1825-1891), kapelaan 
vanaf 1849 en van 1871-1891 pastoor van de parochie 
't Heike. (Coll. RHC Tilburg).

Joannes van der Lee had al eerder de kans om tot pastoor benoemd te worden. Dit speelde in 1862, toen mgr. Zwijsen erover dacht een nieuwe parochie in Tilburg op te richten, als afsplitsing van 't Heike, dat door de bevolkingsgroei te groot begon te worden. De bisschop had zijn oog laten vallen op Van der Lee als pastoor, maar deze voelde er niet veel voor en wist de boot enkele jaren af te houden. In 1869 kreeg Zwijsen hem uiteindelijk zover dat hij de taak op zich nam van bouwpastoor van de nieuw te stichten parochie Heuvel. Enthousiast was hij nog allerminst: "als ik met het kerkbestuur de kerk moet bouwen, dan staat ze er nog niet in 20 jaren." Hij kon er echter niet meer onderuit, de bisschop wilde niet langer wachten met de stichting van de nieuwe parochie. In 1870 startte de bouw van de kerk, onder architect Henri J. van Tulder. Op 1 november 1873 werd de kerk officieel in gebruik genomen. Zij was toegewijd aan St. Jozef en daarmee de eerste kerk in het Bossche bisdom onder diens patronaat. Van der Lee was nu ontlast van zijn zware taak als bouwpastoor, naast zijn pastoraat van 't Heike.

Pastoor werd Martinus van der Hagen. Hij kreeg als kapelaans G. van Haaren, voorheen aan 't Heike verbonden, en F. Corstens uit Gemert. De jonge parochie telde 3000 communicanten. Op dat moment had Van der Lee als kapelaans: P. van de Wal, M. van Weert en J. van Welie. Door de afsplitsing restten 4300 communicanten. Aan 't Goirke, met 5000 communicanten, stond toen W. van de Ven als pastoor, op 27 april 1872 benoemd tot de eerste deken van Tilburg. Zijn kapelaans waren J. Crouwers, J. van Heesbeen en A. van Iersel.

De benoeming van Van der Hagen tot pastoor van de Heuvel volgde niet rechtstreeks op diens kapelaanschap in 't Heike. Nog maar goed twee jaar was hij pastoor in Waalwijk. De nogal ongebruikelijk snelle overplaatsing weer naar Tilburg was geen toeval. Toen Van der Lee door de bisschop was gevraagd om pastoor van de nieuwe parochie te worden, probeerde Van der Lee de beker door te schuiven naar zijn collega Van der Hagen, die een jaar jonger was. Maar Zwijsen wees dat voorstel van de hand, omdat hij vreesde dat Van der Hagen, eenmaal pastoor op de Heuvel, zich nog te veel met 't Heike zou bemoeien. Toen Van der Lee voor het woord van de bisschop had gebogen, stelde deze Van der Hagen aan tot pastoor in Waalwijk, met de kennelijk vooropgezette bedoeling om hem ter gelegener tijd naar Tilburg terug te roepen. Zwijsen achtte hem weliswaar bekwaam en voor Tilburg geschikt, maar wilde hem toch eerst wat afstand laten nemen. Slechts twee jaren waren Van der Hagen als pastoor van de Heuvel gegeven: hij overleed 30 november 1875, op de leeftijd van 49 jaar. Oud is ook Van der Lee niet geworden: hij stierf op 23 februari 1891; hij was toen 65 jaar. Hij werd opgevolgd door Josephus Petrus van Gennip, geboren te Eindhoven op 21 september 1840.(2)


De dagboeken van Van der Lee

Met de oprichting in 1853 van het Genootschap van de H. Familie in de parochie 't Heike begint de kroniek die Van der Lee, aangesteld tot directeur, aanlegde. In de loop van de jaren zestig neemt de frequentie van de berichtgeving af, om vanaf 1 januari 1866 te worden vervangen door ingeplakte krantenberichten, over voornamelijk kerkelijke en godsdienstige aangelegenheden, soms van summiere aantekeningen voorzien. Krantenberichten verzamelde Van der Lee overigens al langer; hij heeft twee volle plakboeken nagelaten. De "Annalen van de H. Familie" lopen door tot eind 1874. Daarnaast legde hij nog een ander dagboek aan, dat de jaren bestrijkt van 1869 tot en met 1890. Het opent met een uitvoerig verslag van de komst en het verblijf op de parochie 't Heike van Johann Bernard Brinkmann, bisschop van Münster (Duitsland), die vluchtte voor de kerkvervolging, de Kulturkampf, van rijkskanselier Otto von Bismarck. Over het wedervaren van deze bisschop-in-ballingschap tijdens diens verblijf in Tilburg en andere plaatsen verscheen in 1928 een publicatie, uitgegeven ten bate van het Missiestudiefonds "Petrus Donders" te Tilburg. Na dit verslag beslaat het dagboek grotendeels de afsplitsing van de parochie Heuvel en de bouw van de nieuwe kerk.(3)

Van der Lee bleek een nauwgezet administrator. Hij hield ook het leden- en overlijdensregister van de H. Familie bij en legde ook een prekenboek aan, waarin per onderwerp stof voor predikaties was opgetekend, helaas zonder nadere aanduiding van de bron. Wellicht putte ook hij uit de in 1833 verschenen driedelige prekenbundel Gemeenzame preken op al de Zondagen van het jaar, samengesteld door de norbertijn Joannes Beugels. Deze prekenbundel, goedgekeurd en opgedragen aan apostolisch vicaris H. den Dubbelden, fungeerde voor vele zielzorgers als een bron van inspiratie.(4)



Fragment uit de kroniek van pastoor J. van der Lee. (Coll. RHC Tilburg, Parochiearchief Heike, inv. nr. 753).

De teneur en de strekking van de aantekeningen in de kroniek worden al snel duidelijk uit het eerste bericht over een vergadering van de H. Familie, die uitgerekend op kermismaandag 29 augustus 1853 werd gehouden. Om teleurstelling te voorkomen, had de bisschop aangeraden die vergadering te verplaatsen. Maar dat bleek niet nodig, want ondanks de kermis was de opkomst buiten verwachting groot.(5) Geen onbeoogd succes voor Van der Lee. Die vergadering was doelbewust op kermismaandag gepland, om zo de mensen te weerhouden van een werelds vermaak, waarin alleen maar gevaren voor de zedelijkheid scholen. Dat paste in de algemene kerkelijke politiek gericht op bevordering van de godsvrucht en de deugdzaamheid, en wering van al die activiteiten die de mensen maar afhielden van hun enige bestemming: het verdienen van de eeuwige gelukzaligheid in het hiernamaals. Een politiek die in het teken stond van een terugkeer tot de traditionele godsdienstig-zedelijke waarden en normen, uit een van God en gebod afglijdende moderniserende en materialiserende maatschappij. Het genootschap van de H. Familie was een belangrijk instrument in deze restauratieve politiek van devotionalisering of katholiek beschavingsoffensief.

Al was Van der Lee er zeer van overtuigd het goede met zijn parochianen voor te hebben, al hield hij strak vast aan de uitgezette lijn en verheugde hij zich over de behaalde successen, is de toon in zijn verslaglegging toch niet triomfantalistisch. Hij was zich ervan bewust niet alles en iedereen zonder meer naar zijn hand te kunnen zetten. Dit liet hij blijken door tussen de regels door af en toe enig schamper, soms licht cynisch commentaar te geven. Zijn wereld- en mensbeeld had naar binnen gesloten trekken. Wat van buiten kwam, of wat afweek, kon rekenen op een soms sterk bevooroordeeld commentaar. Ongewenst gedrag werd nogal gemakkelijk onder de negatief beladen noemer van 'protestants' of 'joods' gebracht.

De kroniek laat zich ook lezen als een soort boekhouding van 'goede' en 'slechte' parochianen. Het betrof hier vooral de leden uit de betere stand, van wie hij het goede voorbeeld verwachtte, maar die voor hem tevens de meest lastig te bewerken groep vormden. Bij stichtende bijeenkomsten tekende hij de namen op van de aanwezige leden uit deze stand, zodat hij precies wist wie verstek hadden laten gaan. Nauwgezet was hij ook in de vermelding van hun giften bij gelegenheid van bijzondere collectes en andere inzamelingsacties. Zij die ongewenst gedrag vertoonden, werden met naam en toenaam vermeld. Later evenwel heeft hij deze namen onleesbaar doorgehaald. Deze boekhoudkundige registratie van 'goeden en slechten' toont aan hoezeer beheersmatige motieven in het devotionaliserings- en moraliseringsoffensief een rol speelden en het succes niet vanzelfsprekend door de gelding van het geestelijk gezag verzekerd was.
Van der Lee hield in zijn kroniek niet alleen de vorderingen bij van het devotionaliserings- of beschavingsoffensief. Hij tekende ook andere gebeurtenissen op, die soms veelzeggend zijn over de leef- en werkomstandigheden in Tilburg. 


Devotionalisering en katholiek beschavingsoffensief

De sedert 1830 door de Noordbrabantse geestelijkheid krachtig bevorderde devotionalisering was een directe reactie op het geestelijke en sociaal-morele verval dat gepaard ging met de instabiele periode van de Belgische Opstand.(6) In bredere zin was het tevens een verzet tegen de moderniserende samenleving, waarin de traditionele sociale verhoudingen, de religieuze en morele waarden en de vertrouwde gezagspositie van de Kerk bedreigd werden (geacht). Door de bevordering van de devotie beoogde de geestelijkheid de gelovigen meer aan de Kerk te binden en de levendige uitingen van volksgeloof en -devotie meer in geordende en gecontroleerde banen te leiden. Zij bond de strijd aan tegen de in haar ogen verwerpelijke vrije-tijdsbesteding van kermis, toneel en bals en tegen de rituele repertoires rond de 'overgangsfeesten' van carnaval en huwelijk. Met name de binnen de volkscultuur gelegitimeerde vrijheden en prioriteiten van de jonkheid waren haar een doorn in het oog. Het is opmerkelijk dat zij in haar verzet daartegen stuitten op de weerstand van de jeugd uit de gegoede stand, die zich haar 'speelruimte' niet zo maar liet ontnemen. Dit veroorzaakte ook spanningen in het eigen milieu, waarin de ouderen verdeeld reageerden op het roomse deugdzaamheidsoffensief.

De morele herbewapening die door de aartsconservatieve vicaris A. van Alphen na de Franse Tijd was ingezet met zijn vermanende donderpreken en strakke vastenmandementen stuitte in verlicht-liberale kringen van de gezeten burgerij op hevig verzet, waar hij zich rigoureus keerde tegen al wat het leven enige vreugde gaf. De sombere Van Alphen meende overal zedenbederf en moreel verval te ontwaren. Met het schrikbeeld van de straffende hand Gods trachtte hij de geloofsgemeenschap te normeren naar de door de Kerk gepropageerde gedragsregels. Alleen door een diep godsvruchtig en deugdzaam leven, in gehoorzaamheid aan de Kerk, kon de mens het individuele en collectieve onheil bezweren. Een deel der welgestelden, lid van burgersociëteiten en politieke debatingsclubs, kwam met het organiseren van toneel en bals al spoedig met hem in conflict.(7)

Spraakmakend was de rel in 1809 in Tilburg rond de opvoering van twee toneelstukken door de 'Nieuwe Comedie', genoemd naar de nog maar kort geleden betrokken nieuwe behuizing van de Vereniging der Toneelliefhebberij, opgericht in 1778. Op last van de vicaris verkondigde pastoor Evermodus du Champ (de laatste norbertijner pastoor van Tilburg) op 8 januari vanaf de kansel het verbod op het bestaan en de activiteiten van de toneelvereniging. En dat geschiedde niet in een kiese bewoording. Een baaierd van lasteringen werd over hen uitgestort, aldus het uiterst verbolgen bestuur der vereniging. Haar goede bedoelingen om het gewone volk tot hoger en meer geciviliseerd cultureel peil te brengen, werden zwartgemaakt. Bovendien was de opbrengst, zoals gewoonlijk, bestemd ter ondersteuning van de armlastigen. Het bestuur, onder aanvoering van zijn directeur M. Verschueren, nam de zaak zo hoog op dat men zich rechtstreeks beklaagde bij koning Lodewijk Napoleon en hem om ingrijpen verzocht. In niet mis te verstane woorden gaf men lucht aan zijn verontwaardiging en woede over het "despotisme van de geestelijkheid". Hoewel de koning, die in afwijking van het beginsel van de scheiding van kerk en staat, zich bemoeide met de kerkelijke organisatie, lijkt hij zich toch niet met deze precaire aangelegenheid te hebben ingelaten. Voor zover bekend is er noch van konings-, noch van regeringsweze actie ondernomen. Ook de vice-superior van de Hollandse Zending L. Ciambarlani, die men eveneens om interventie had verzocht, lijkt zich erbuiten te hebben gehouden.(8) Hoe dan ook, het zal in Tilburg de gemoederen nog lang hebben beroerd, maar heeft uiteindelijk de toneeluitvoeringen in Tilburg niet tegengehouden. Wel bleef de geestelijkheid op haar hoede en sprak zich ook in latere jaren meermalen uit tegen de toneeluitvoeringen, zo ook Van der Lee.

Behalve het toneel was ook het dansen tijdens kermissen en andere feestelijkheden Van Alphen een gruwel. In 1822 vaardigde hij het zogenaamde dansbesluit uit, een verordening met betrekking tot avondgezelschappen, dat hij vanaf de preekstoelen liet verkondigen. Dit hield in dat het vrouwen niet was toegestaan om zich na zonsondergang in openbare gelegenheden op te houden. Een verbod dat tot in 1902 van kracht bleef.(9) Kenmerkend voor de toenmalige dualistische houding tegenover vrouwen, waren het niet de mannen die rechtstreeks in hun gedrag beteugeld werden. Overigens golden dergelijke directieven tegen de 'lichtzinnige' en zedenbedervende vermakelijkheden ook in het vicariaat (later bisdom) van Breda, waar J. van Hooydonk er even strenge godsdienstig-zedelijke opvattingen op na hield.(10)

Meer nog dan op het gewone kerkvolk richtte Van Alphen zich op de opleiding en disciplinering van de geestelijkheid. Hij trok de priesteropleiding naar zich en kweekte aldus een schare van vrome en getrouwe volgelingen, waardoor het proces van geloofsintensivering ook na zijn dood (1831) op de ingeslagen weg voortging. Onder zijn opvolger H. den Dubbelden werd de centralisatie binnen de Kerk verder versterkt. Ook inzake de morele herbewapening volgde Den Dubbelden de koers die door Van Alphen was uitgezet. De 'kruistocht' tegen onzedelijkheid was de burgerlijke overheid niet onwelgevallig, omdat ook zij zich meer en meer met de handhaving van de openbare orde belastte. Zeker ten tijde van de Belgische Opstand en de militaire bezetting gedurende de Status Quo-tijd (1830-1839) baarde de aanwezigheid van merendeels niet-katholieke troepen Kerk en overheid grote zorgen.(11)



Mgr. Henricus den Dubbelden (1796-1851), vicaris van het 
bisdom 's-Hertogenbosch 1842-1851. (Coll. RHC Tilburg).

In 1836 kwam de liberaal-gezinde burgerlijke bovenlaag in Tilburg andermaal in aanvaring met het rigorisme van de clerus. Aanleiding was de uitvoering van "het aloude Vrijdagsche Concert, onder de zinspreuk: Philharmonie te Tilburg", dat vanaf de kansel en in de biechtstoel verdacht werd gemaakt. Het was pastoor J. Zwijsen, van wie deze actie uitging, vasthoudend aan de instructie van Van Alphen uit 1822. Nu liet de burgerlijke overheid zich niet onbetuigd. De gouverneur, A. baron van den Bogaerde van Terbrugge, schreef aan Den Dubbelden dat de actie moest ophouden. Zwijsen liet hem weten dat hij op zijn standpunt bleef staan en dat de ingediende klachten over zijn ordehandhaving op hem een onaangename indruk maakten. Den Dubbelden schaarde zich vierkant achter Zwijsen en wilde niet toegeven. Maar ook Baron van den Bogaerde hield aan. Kort tevoren had hij in een gelijkaardig conflict in 's-Hertogenbosch Den Dubbelden tot inschikkelijkheid weten te bewegen. Het conflict escaleerde. Ook de Heilige Stoel te Rome werd in het conflict gemengd. Bij monde van de zaakgelastigde van de Heilige Stoel te 's-Gravenhage, A. Antonucci, kreeg Den Dubbelden te verstaan dat het rigorisme, om verdere schade en onrust te voorkomen, beëindigd moest worden. Er zat voor de vicaris toen niets anders op dan zich te voegen naar het allerhoogste kerkelijke gezag. Het betekende ook voor Zwijsen dat hij op zijn schreden moet terugkeren. De instructie werd in zoverre versoepeld dat zij niet gold voor evenementen waarbij de kroonprins, Willem II, die in de Status Quo-tijd regelmatig in Tilburg vertoefde, aanwezig was. Ook in Eindhoven speelde een dergelijk conflict tussen de clerus en de voorname burgerij.(12)

Hoe ver staat in de vermelde conflicten de kritische opstelling van het Tilburgse patriciaat tegenover de geestelijkheid af van de veronderstelde eind negentiende-eeuwse belangenverbondenheid tussen 'kerk en kapitaal'. Al had het kerkelijk gezag aan het eind van de eeuw dan wel een stevige greep op de samenleving gekregen en was het kerkelijk leven in hoge mate gecentraliseerd, toch is het zeer de vraag of die veronderstelling ook daadwerkelijk opging. Er zijn geen zekere aanwijzingen die een dergelijke totale ommezwaai aannemelijk maken.

De invloed van de parochiegeestelijkheid op het geloofsleven en de zedelijkheid werd nog vergroot door het inzetten van zuster- en broedercongregaties, waarvan de stichting in het derde kwart van de negentiende eeuw een hoge vlucht nam. De plaatselijke pastoors leken elkaar wel te willen beconcurreren met het stichten en aantrekken van religieuze congregaties. Door middel van deze congregaties, die vooral actief waren op het gebied van onderwijs en ziekenverzorging, kon de geestelijkheid haar greep op de devotionalisering en morele herbewapening van het kerkvolk versterken.(13)

Voor Tilburg waren dat de Congregatie van de Zusters van Liefde (1832) en de Congregatie der Fraters van O.L. Vrouw Moeder van Barmhartigheid (1844). Waar de Fraters zich alleen op het onderwijs aan jongens toelegden, namen de Zusters naast het onderwijs aan meisjes ook de liefdewerken op zich, als de ziekenverpleging en het opnemen van bejaarde of hulpbehoevende vrouwen. Het ging hun stichter J. Zwijsen om meer dan verbetering van het onderwijs. Verdieping van het geloofsleven en het aankweken van 'roomse' deugdzaamheid was mede het doel dat hem daarmee voor ogen stond. Zaken als kermissen, bals, concerten en toneeluitvoeringen beschouwde ook hij als behorend tot een mondain, de katholieken niet-passend leven. Ook hij trad met kracht en volharding op tegen de morele onbetamelijkheden waaraan men zich in zijn ogen overgaf. In zijn puritanisme op dit vlak was hij een kind van zijn tijd.(14)



Mgr. Joannes Zwijsen (1794-1877), aartsbisschop van 
Utrecht en bisschop van 's-Hertogenbosch. Van 1832-1854 
was hij pastoor van 't Heike. Foto 1863.  (Coll. RHC Tilburg).

Behalve de congregaties speelden ook de devotionele broederschappen en religieuze genootschappen een rol. Van de leden werd verwacht dat zij door een godsvruchtig en deugdzaam leven zich niet alleen verre hielden van de in de ogen van de Kerk verderfelijke vermakelijkheden en uitspattingen, maar zo ook een voorbeeld stelden aan anderen. Ook langs de weg van de broederschappen en genootschappen trachtte de clerus de gelovigen meer aan de Kerk te binden. De meeste kwamen tot stand vanaf de jaren dertig, toen het devotionaliseringsproces krachtig ter hand werd genomen. Deze uitermate boeiende uitingen van geloofsbeleving zullen hier niet besproken worden; het zou een studie op zich zijn. Volstaan wordt met een opsomming van enkele inrichtingen die in de parochie 't Heike het licht zagen. Dat overzicht, hoewel niet compleet, kan als typerend gelden voor de talloze activiteiten die op het vlak van de praktische geloofsbeleving en devotionalisering ondernomen zijn. Het initiatief tot de oprichting ging soms van de leken uit, soms van de geestelijkheid. Genoemd kunnen worden: de Broederschap van de Eeuwigdurende Aanbidding (1799), de Broederschap van 't H. Hart (1833), de Broederschap van den H. Rozenkrans (1833), het Geestelijk Verbond tegen godslastering, verwenschingen en onkuische gesprekken (1837), het Genootschap tot Voortplanting des Geloofs (1842), de Congregatie van O.L. Vrouw Onbevlekte Ontvangenis, oftewel Mariacongrgatie (1849), het Genootschap der H. Kindsheid van Jezus (1849), de Aartsbroederschap van de H. Familie (1853), de Broederschap van O.L. Vrouw van Bijstand (1863), het Apostolaat des Gebeds (1875) en de Broederschap tot Lafenis der Geloovige Zielen (1897). Aan deze indrukwekkende lijst kunnen nog toegevoegd worden de St. Vincentiusvereeniging, de Elisabeth-Vereeniging, de vrouwelijke evenknie, en de bedevaartgenootschappen, waarvan de oudste was de Broederschap van O.L. Vrouw Ter Bedevaart naar Handel en Kevelaer (1737).(15) Een prominente plaats in dit geheel nam de Aartsbroederschap oftewel het Genootschap van de H. Familie in, met daarnaast de Mariacongregatie.


Continuïteit en vernieuwing

Het zou onjuist indien na de bovenstaande uiteenzetting de indruk zou ontstaan dat de volksdevotie pas is aangewakkerd met de gerichte aanzet die vanaf 1830 is gegeven tot de verdieping van het geloofsleven en de bevordering van een gepaste katholieke moraal. De volksdevotie kende een lange traditie, die ten tijde van de Republiek sterk opbloeide als gevolg van de beperkingen die aan de openbare beleving van de katholieke godsdienst waren gesteld. Kon men buiten de schuilkerken, die werden gedoogd, zijn godsdienst niet publiek belijden, juist in de privésfeer van het huiselijke domein vond men de ongestoorde vrijheid om uitdrukking te geven aan de religieuze overtuiging en beleving. De devotionalia brachten de mens in direct contact met de wereld van het heilige, ter opwekking, tot vertroosting en ter afwering van het kwade en boze. Zij waren in vele huishoudens aanwezig. Er was sprake van een grote produktie in die delen van Noord-Brabant die buiten de invloedsfeer van de Republiek lagen. Van daaruit, maar ook vanuit de Zuidelijke, nog katholieke Nederlanden was een levendige handel in devotionalia opgezet.(16)

De verspreiding en het bezit van de devotionalia droeg bij tot de bewustwording en versterking van de individuele en collectieve katholieke identiteit tijdens de Generaliteitsperiode. In die zin vormde de levende devotie een vruchtbaar aanknopingspunt voor de latere devotionaliseringspolitiek, waarvan het succes niet louter aan machtsinvloeden is toe te schrijven. Evenals de huiselijke devotie zich onttrok aan publieke controle, zo was dit domein van de min of meer niet-officiële religie een terrein waarop de Kerk geen vaste greep had, ondanks de voorschriften inzake de omgang met het heilige. Ook hierin lag een motief voor de devotionalisering die na 1830 werd ingeluid. Het paste in de centralistische kerkpolitiek van vicaris Van Alphen, die door zijn opvolgers in de loop van de negentiende eeuw verder werd uitgebouwd.

Het zou evenzeer een misverstand zijn, te menen dat de zorg om de ware godsvrucht en goede zeden pas in de negentiende eeuw aandacht heeft gekregen. Al vanaf de zestiende eeuw zag de Kerk door tal van decreten, propaganda, onderwijs en tucht toe op het handhaven van de zuiverheid van de leer, op de ordelijke omgang met het heilige en op het naleven in de dagelijkse praktijk. Evenmin was de aanstoot die men nam aan de volkse cultuuruitingen en gedragingen, die als onbeheerst en onbeschaafd werden beschouwd, iets van de negentiende eeuw, of van de Kerk alleen. Ook in de Generaliteitsperiode keerde zij zich tegen de onbetamelijkheden en zedeloosheid bij dansen, kermissen, carnaval, gemengde samenkomsten van de jeugd en rituele gebruiken als bij huwelijksaankondigingen. Hoewel de beweegredenen verschillend waren, stond de katholieke kerk hierin op één lijn met de calvinistische predikanten, de burgerlijke overheid en de gevestigde elites.(17) Verder houdt echter de vergelijking op. Wat onder gepast gedrag en een beschaafde cultuur werd verstaan, daarover liepen de opvattingen van geestelijkheid en burgerij ver uiteen.

Nieuw is de context van de maatschappelijke, culturele, economische en politieke ontwikkelingen die het aanzien en de inrichting van de samenleving fundamenteel van karakter zouden doen veranderen. De houding van de Kerk is ingegeven door afweer en verzet tegen deze veranderingen, die in haar ogen de noodzakelijke en enig heilbrengende fundering van maatschappij en cultuur in de traditionele geloofswaarden uitholden. Nieuw is de wijze waarop godsvrucht en deugdzaamheid ingepast werden in een brede actie gericht op herstel en herleving van de katholieke geloofsbeginselen op alle terreinen des levens en gericht op de herwinning van de centrale positie die de Kerk eertijds in de samenleving innam.

Het devotionaliseringsproces en de overeenkomstige morele herbewapening doorliepen vier stadia. Tot omstreeks 1850 was deze actie sterk getekend door een romantisch levensgevoel, waarin vooral geappelleerd werd aan sentimenten, angst en onzekerheid. Het accent lag op de instelling van devotiebroederschappen en het houden van volksmissies, collectieve geestelijke oefeningen die een sterk zondigheidsbesef aankweekten via een vast repertoire van schuldbekentenis, boete en vergeving. In het daarop volgende derde kwart van de negentiende eeuw werd de kerstening in meer organisatorische banen geleid door de oprichting van de broederschappen van de H. Familie en de Mariacongregaties en door een meer systematische aanpak van de volksmissies, met een aantoonbaar blijvend succes als gevolg. Door de uitbreiding in de jaren tachtig en negentig van het aantal zuster- en broedercongregaties en de door hen verrichte werkzaamheden, alsmede door het betreden van het nieuwe terrein van de katholieke sociale actie breidde de kerkelijke en godsdienstig-zedelijke invloed zich uit. In de eerste twee decennia van de twintigste eeuw groeide de kerstening naar een hoogtepunt. Het is "een periode van devotionele rijkdom (...), waarin de kerkelijke betrokkene.(18)

Dit succes kwam de geestelijkheid niet aangewaaid, noch was het de vanzelfsprekende beloning voor haar ijver. De boodschap die zij bracht en de disciplinering die zij bevorderde, gingen er bij de gelovigen niet in als koek. De vermaningen konden niet vaak genoeg gegeven worden. Dat is althans het beeld van de situatie tot eind jaren zeventig, zoals dat uit de bronnen naar voren komt. Het blijken ook de ervaringen van kapelaan Joannes van der Lee, die in zijn kronieken of dagboeken genoteerd zijn.


De devotionele middelen en de devotionele praktijk

Zoals gezegd stond de parochiegeestelijkheid er niet alléén voor. Vooral de missies en andere geestelijke oefeningen, gegeven door de paters redemptoristen uit Wittem (Limburg) en de activiteiten van H. Familie en Mariacongregatie bereikten hun doel. Golden de missies voor heel de parochiegemeenschap, H. Familie en Mariacongregatie wierven onder de leden van de volksklasse en de middenstand. Ter stichting en verheffing trok men leden uit de gegoede bovenlaag aan als ere-leden of congregatiebestuur, vermits uiteraard hun opvattingen en normen strookten met de kerkelijk-katholieke cultuur.

Missies en andere geestelijke oefeningen

Vanaf 1836, de vestiging van de redemptoristen te Wittem, tot in de jaren vijftig van de twintigste eeuw traden deze kloosterlingen alom in den lande op als leiders van missiebijeenkomsten. Deze bijeenkomsten, die veel weg hadden van een collectief zuiveringsritueel, vonden plaats op verzoek van de bisschop of de plaatselijke pastoors. Zij duurden tien dagen en verliepen volgens een vast patroon. Eerst werden de lokale zonden breed uitgemeten, vervolgens het onheil en de verschrikkingen van de hel die men over zich afriep, om op het dieptepunt het uitzicht te bieden op Gods barmhartigheid en vergevensgezindheid als men het boetekleed aantrok en op het rechte pad van de deugd terugkeerde. Bijzonder succesvol in het beroeren van het gemoed was de volksmissionaris Bernard Hafkenscheid (1807-1865). Door zijn vermaarde predikingen groeide hij uit tot een legendarische volkspatroon, wiens beeltenis in vele vormen, van volksprenten, koekplanken, bidprentjes, pijpenkoppen tot tabaksdozen, in menige huiskamer te vinden was. Nieuwsgierig, hoopvol en met vrees zag men naar zijn komst uit. Hij was als predikant zo gevierd, dat er een ware concurrentieslag woedde onder de geestelijken om hem voor een missie te kunnen contracteren. Met hem konden zij dan ook rekenen op een stampvolle kerk. Zijn roem is door geen der andere volksmissionarissen geëvenaard. 



Pater Bernard Hafkenscheid (1807-1865). (Coll. Archief Nederlandse 
Provincie van de Rdemptoristen, Wittem; foto RHC Tilburg).

De volksmissies werden met enige regelmaat gegeven, doorgaans om de zes à zeven jaar. Herhaling was kennelijk geboden omdat het kwaad niet zomaar uit de samenleving was te bannen. In kringen van de burgerlijke bovenlaag vonden sommigen dit gedoe maar poppenkast. Uden en Volkel waren in 1841 de eerste plaatsen in Noord-Brabant die door de redemptoristen werden aangedaan. Het jaar daarop volgde Tilburg, nadien Grave, Eindhoven en 's-Hertogenbosch. Het succes van de missies was dermate groot dat Den Dubbelden zich in 1844 genoodzaakt zag, over te gaan tot de aanstelling van seculiere (niet-kloosterlijke) volksmissionarissen om aan de overweldigende behoefte te kunnen voldoen. Toen in de jaren zestig de missies systematischer werden aangepakt, was iedere pastoor gedwongen eens in de vijf à zes jaar een missie te laten houden.(19)

Over de stemming tijdens de eerste missie in Tilburg (1842) berichten ons L. Lelie en J. de Beer in hun publicatie Uit het Dagboek van een Tilburger. "Ik ben menigmaal in de Sermoon geweest, dat de Eerw. Pater Bernard zijn aanhoorders zoodanig trof, dat allen, die in de kerk waren, zich geen oogenblik konden inhouden en luidop begonnen te schreeuwen (huilen). Ik heb ook zelf gehoord, dat een zekere Hendrik Jansen hardop onder het Sermoon vergiffenis vroeg aan geheel Tilburg." De roem van Hafkenscheid bleek al zo groot, dat duizenden mensen zich naar Tilburg begaven; zelfs uit Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Bergen op Zoom, Breda en 's-Hertogenbosch stroomden velen toe. In 1843 was Hafkenscheid wederom in Tilburg om zoals dat heette, vernieuwing van de missie te geven: "Te 5 uren ('s morgens) stond Pater Bernard al op den Preekstoel".(20) Een hoge opkomst en tot tranen bewogen toehoorders waren bij alle missies en andere geestelijke oefeningen zijn deel. 

De bronnen die over de volksmissies in Tilburg zijn geraadpleegd, zijn niet eensluidend in de vermelding van deze geestelijke oefeningen. Alle aanduidingen tezamen genomen, zijn vanaf 1842 tot aan het einde van de eeuw door de redemptoristen, met inbegrip van de 'herhalingsoefeningen', de hernieuwingen der missies, elf missies gegeven, en wel in de jaren 1842, 1843, 1851, 1855, 1858, 1865, 1870, 1876, 1881, 1886 en 1897. Vanaf 1854 werden de missies in Tilburg georganiseerd vanuit het klooster in 's-Hertogenbosch, gesticht op 1 januari van dat jaar. Deze vestiging was door Zwijsen doorgezet tegen de bezwaren van de Bossche pastoors, die concurrentie vreesden. Niet altijd kwamen alle predikanten uit dit huis; soms werden ter assistentie leden uit andere huizen opgeroepen. Dit geeft aan dat het houden van de missies, overal in het land, een zwaar beslag legde op de beschikbaarheid van de predikanten. In latere jaren deed men vaker ook een beroep op assistentie door de paters capucijnen en jezuïeten. Tot aan de Tweede Wereldoorlog volgden nog zeven missies, gegeven in 1903, 1909, 1913, 1916, 1922, 1928 en 1934.(21)

Van deze missies hielden de paters aantekening in hun missieverslagen. Soms alleen met de vermelding "geslaagd", soms uitvoeriger. Ter aanduiding van het succes gaf men af en toe ook het aantal parochianen op dat ter communie was gegaan. Daaruit blijkt dat nagenoeg iedereen die zijn Eerste H. Communie had gedaan (op de leeftijd van 12 jaar), aan de oefeningen deelnam. Om een enkel voorbeeld te noemen: bij de missie van 21-31 december 1865 telde men in 't Heike 5400 communiegangers op 5449 communicanten. Voor de parochies 't Goirke en Korvel waren deze cijfers 4520 respectievelijk 4557 en 2200 respectievelijk 2225.(22)

Behalve deze missies verzorgden de redemptoristen ook andere geestelijke oefeningen ter stichting en vermaning, zoals het veertigurengebed (aanbidding voor het uitgestalde Allerheiligste), triduüms (driedaagse oefeningen), octaven (achtdaagse oefeningen), jubilees (oefeningen bij feestelijke herdenkingsdagen der Kerk of van kerkelijke personen, telkens uitgeschreven door de paus, waaraan een bijzondere aflaat was verbonden, een kwijtschelding der zonden) en (meerdaagse) retraites. Soms was een missie aan een jubilee gekoppeld. Een indrukwekkende veelheid van activiteit, die aangeeft hoe ernst het de verontrusten binnen de Kerk was in hun zorg over het godsdienstig-zedelijke verval en met hun politiek van katholieke restauratie.

Wat de retraites betreft, de paters gaven overal niet alleen parochieretraites, maar verzorgden ook retraites voor de broederschappen van de H. Familie, de Mariacongregaties en Vincentiusverenigingen, en in Tilburg ook nog voor de Zusters van Liefde, de gezamenlijke huisoversten van deze congregatie, voor de Fraters, de novicen en de leerlingen van de kweekscholen. Op het gebied van de godsdienstig-zedelijke en geestelijke zorg hadden de redemptoristen zich dus tot ware specialisten ontwikkeld. Qua wijze van arbeidsverdeling en vorm van professionalisering geheel eigentijds aan de moderniserende samenleving, maar naar doelstelling en geest tegelijkertijd haaks op de moderne cultuur.

In dit geheel van nieuwe devotionele middelen paste ook de invoering van de oefening van de kruisweg, waarvoor de Tilburgse pastoor J. Zwijsen zich zeer beijverd heeft. De stichting in zijn parochie 't Heike dateert van 3 maart 1840. Om zijn parochianen het goede voorbeeld te geven, bad hij samen met zijn kapelaans elke dag de kruisweg, waarbij hij eventuele kerkgangers aanspoorde zich hierbij aan te sluiten. Voorts verbreidde hij deze devotie naar o.a. Best, Oss, Helmond en Goirle. In de parochie 't Goirke volgde de oprichting op 26 oktober dat jaar, welke plechtigheid werd geleid door de deken van Hilvarenbeek, A. Rovers.(23)

H. Familie en Mariacongregatie

Beide genootschappen hadden een diepgaander invloed op het geloofsleven dan de overige broederschappen en missies, vanwege hun gereglementeerde opzet en wekelijkse bijeenkomsten. Zij hadden als doel zelfheiliging en de verbreiding van het geloof door voorbeeldig godsdienstig en zedelijk gedrag. Leden van elke stand, zowel mannen als vrouwen, ouder dan vijftien à zeventien jaar konden lid worden. In Tilburg evenwel was een strakke sexescheiding aangebracht: de H. Familie was alleen bestemd voor mannen, terwijl de Mariacongregatie fungeerde als zijn evenknie, bedoeld voor vrouwen.

De eerste Aartsbroederschap van de H. Familie werd in 1844 te Luik opgericht door de uit Venlo afkomstige militair Henri Belletable. Onder de geestelijke hoede van de redemptoristen (1845) nam de verbreiding van deze vereniging aldra een hoge vlucht, ondermeer over geheel België, Nederland en Luxemburg. De eerste afdelingen van de broederschap in Nederland werden opgericht in Nijmegen en Venlo in 1851. Om een indruk te geven van de hoge bloei: in 1887 telde de broederschap in Nederland 318 afdelingen met in totaal 97.222 leden. Vooral in het Bossche bisdom hebben de opeenvolgende bisschoppen de uitbreiding van de broederschap zeer gestimuleerd. In genoemd jaar waren in dit diocees 132 afdelingen gevestigd, met 46.105 leden. In Tilburg bedroeg het ledental 2888, het hoogste in het bisdom. De aartsbroederschap richtte zich op het behoud en de versterking van het christelijke gezinsleven en de christelijke moraal, met name onder de arbeidende klasse.

De organisatie kende een streng gereglementeerde en streng gedisciplineerde, welhaast militaire, hiërarchische structuur. Er was sprake van een grote sociale controle op de leden en tussen de leden onderling. Een broederschap telde meerdere afdelingen, alle toegewijd aan een afzonderlijke heilige, met aan het hoofd een geestelijke als directeur, meestal een pastoor of kapelaan. De directeur werd terzijde gestaan door enkele functionarissen, maar de beslissingsmacht lag bij de directeur. Elke afdeling was onderverdeeld in secties, met aan het hoofd een prefect, bijgestaan door een onderprefect. Elk lid nam in een sectie een vaste plaats en nummer in.

Omdat de leden hun christelijke levenshouding ook in het maatschappelijk verkeer tot uitdrukking moesten brengen, ging van de aartsbroederschap een grote invloed uit op de normering en organisatie van het maatschappelijk leven. Zo moesten de leden 'gevaarlijke gezelschappen' vermijden en mochten zij geen 'slechte' kranten en boeken lezen. Aldus een dam opwerpend tegen de gevaren van de moderne tijd zoals ongeloof en socialisme. Op tal van plaatsen was de aartsbroederschap de bakermat voor sociale verenigingen als de St. Vincentiusvereniging, de St. Elisabethvereniging, de St. Jozefgezellenvereniging (een 'voorloper' van de arbeidersverenigingen) en droeg zij bij tot de stichting van spaarkassen en ondersteuningsfondsen. Toen de sociale kwestie zich aandiende, werd het bestaan van een aartsbroederschap menigmaal als argument gebruikt om de oprichting van aparte arbeidersorganisaties af te houden, zo ook in Tilburg.

De verbreiding van het gedachtegoed van de aartsbroederschap werd in belangrijke mate ondersteund door het sedert 1864 verschijnende Zondagsblad der H. Familie, dat door het gehele land tienduizenden abonnees telde, en het meest gelezen katholieke blad was.(24) 

Zwijsen maakte het als pastoor nog net mee dat in zijn parochie 't Heike een H. Familie werd opgericht, op 10 maart 1853. Het initiatief was uitgegaan van zijn plaatsvervanger, J. van Schijndel, die in zijn voormalige standplaats Helmond al met deze traditie bekend was. Hij liet de leiding aan kapelaan Van der Lee. Uit diens kroniek van de H. Familie blijkt dat Zwijsen zich ook na zijn benoeming tot aartsbisschop nauw betrokken bleef voelen met deze broederschap. De geestelijkheid in 't Goirke bleef niet lang achter; daar kwam op 13 november een aartsbroederschap tot stand, met kapelaan J. van den Eijnde als directeur. Tevoren hadden de kapelaans zich op de pastorie van 't Heike vervoegd om nadere inlichtingen te verkrijgen.(25)

Hoewel de aartsbroederschap leden van alle standen opnam, bleken standsgevoelens, toen men met de vereniging nog niet zo vertrouwd was, soms toch een hindernis te vormen. Zo hadden enkele vaders van toetreding af moeten zien door tegenkanting van hun huisgenoten: "De kinderen dachten dat vader zich en hen zou verlagen als hij plaats nam onder de mannen der H. Familie die uit de mindere klasse bestonden".(26) Er werd evenwel veel waarde gehecht aan het lidmaatschap door de betere stand en aan het bijwonen van de bijeenkomsten, omdat dit de uitstraling van de broederschap versterkte. Bijzonder ingenomen was Van der Lee met het stichtende voorbeeld van J. Masscheck, majoor der Limburgsche Jagers te paard, die zich terstond als lid had aangemeld en ook geregeld de vergaderingen bijwoonde: "Dit deed zoo goed aan de mannen der H. Familie; zij zagen den Ritmeester zoo gaarne in hun midden". Hij vond het dan ook zeer spijtig toen Van Masscheck vertrok, als gevolg van de overplaatsing van het regiment in november 1853 na een petitie van vooraanstaande katholieken tegen de Wet op de Kerkgenootschappen van minister F. van Hall, een tegemoetkoming naar het Protestantse verzet (de zogenaamde April-beweging) tegen het herstel van de Bisschoppelijke Hiërarchie. In mei 1854 keerde hij met zijn regiment terug, maar dit was van korte duur: op 1 mei 1855 verliet het regiment Tilburg weer. Van Masscheck was het eerste honoraire lid van de H. Familie.(27)

Overigens had van der Lee niet veel op met de aanwezigheid van vreemde militairen in Tilburg, die door hun vrijere opvattingen en omgang de goede zeden maar bedierven, en waarvan de katholieken onder hen ook hun kerkelijke plichten verwaarloosden. Hij was dan ook opgelucht bij het vertrek in 1856 van het laatste garnizoen. Toen in mei 1865 het gerucht zich verspreidde dat Tilburg weer een garnizoen zou krijgen, tekende hij aan: "De Hemel beware ons!" Voor hem lag het verband tussen de aanwezigheid van militairen en de toename van onwettige geboorten statistisch vast. Toen in 1877 er nogmaals sprake van was dat de militairen zouden terugkeren, noteerde hij ten bewijze dat tussen 1846 en 1853, de tijd dat in Tilburg een garnizoen was gelegerd, er van de 1771 geboorten 91 onwettig waren, terwijl in de jaren daarna het aantal onwettige geboorten was gedaald tot 88 bij een totaal van 5720 geboorten.(28)

Met het honoraire lidmaatschap voor leden uit de gegoede stand, officieel ingevoerd in 1855, werd toch enig standsverschil in de H. Familie ingebracht. Honoraire leden droegen een jaarlijkse bijdrage af, waaruit de kosten van de vereniging gedekt werden. Het gaf hen weliswaar toegang tot de wekelijkse vergaderingen, maar de geestelijkheid had (alleen aanvankelijk?) toch liever dat zij er niet bleven. Bij de bijzondere geestelijke oefeningen en bij de periodieke opdracht, de plechtige inwijding van de aspirant-leden, werd hun aanwezigheid evenwel zeer op prijs gesteld. De koster inde telkenjare de afdracht bij de honoraire leden aan huis, meestal na de plechtige mis die jaarlijks voor de honoraire leden werd opgedragen. Behalve op verzoek, meldden zich ook burgers eigener beweging aan. Van de honoraire leden werd een apart ledenregister bijgehouden.(29)

Al groeide het aantal honoraire leden, niet alle tot de gezeten burgerij gerekende inwoners waren ingenomen met de H. Familie. Van der Lee noteerde, november 1860: "De meiden van Twiss, die het Nieuw paleis bewoont, brengen ons ter ore dat er op eene partij door Twiss gegeven hevig uitgevallen is tegen de H. Familie. (met name het sluiten van de kerk, ondermeer om ongewenste personen, maar ook vrouwen te weren, stuitte op verzet) Daarbij waren tegenwoordig: mr. Vreede, Charles van Dooren, mr. Jan Diepen van Korvel de schoolopziener. Ook de vrouw van Louis Diepen, Cato v/d Voort. De pastoor zal haar uithooren".(30) Voorts gaven niet alle fabrikanten hun arbeiders steeds de gelegenheid de bijzondere oefeningen bij te wonen. Een enkel voorbeeld. Het was maandag 3 december 1860. Een werkman uit de Broekhoven kwam op de pastorie vragen of men de firmanten Van Dooren er niet op wilde aanspreken, hun werklieden eerder te laten ophouden om de retraite-oefeningen bij te kunnen wonen. "De heeren hadden dezen morgen nog gezegd: 'ge gaat niet, dat de Paters naar de klooten lopen, 't is maar comedie en anders niet'." Na aandringen door kapelaan Van Heck lieten de firmanten hun werkvolk alsnog gaan. "Wij hebben niet gehoord dat er op 't heike een fabrikant geweest is die zijn volk gehouden heeft, ofschoon de fabrijken veel werk hebben en de meesten tot 's avonds tien uren doorwerken. Alleen de Protestant Van den Bergh die de helft der kaserne in een fabrijk veranderd heeft, hield zijn volk. Hij wilde dat al de Paters duivels werden. Eenige weinigen der onzen die op 't Goirke werken, zijn daar ook moeten blijven". De protestanten Vreede, Twiss en Ledeboer hadden hun werkvolk wel laten gaan.(31) Hij hield het allemaal goed bij, kapelaan Van der Lee, zich bedienend van een verklikkerscircuit, een welhaast logisch gevolg van het religieuze rigorisme en de grote sociale controle. 

  

   

Enkele invloedrijke Tilburgse fabrikanten. Linksboven: Adriaan Pieter Ledeboer (1828-1898); 
rechtsboven: Hendrik Vreede (1810-1866) en onder Charles van Dooren (1819-1880). De foto's 
zijn van respectievelijk ca. 1864 (boven) en 1867 (onder).  (Coll. RHC Tilburg).

Diploma's, insignes en afdelingsvaandels, bij de plechtige opdrachten in processie door de kerk gevoerd (processies buiten waren door de overheid verboden) hoorden er ook bij. Deze uiterlijke tekenen gaven het lidmaatschap status en een gevoel van onderscheid, van een behoren tot de 'goede kant' van de maatschappij. Maar niet voor ieder lid was daarmee ook verzekerd dat hij op het rechte pad bleef. Het kwam vaker voor dat leden wegens moreel wangedrag geroyeerd werden, wat door Van der Lee in het ledenregister werd aangetekend. In de loop van de jaren zestig nam dit evenwel af, wat erop duidt dat de inspanningen vruchten begonnen af te werpen. Hoewel het ledental van de H. Familie in zijn parochie vanaf die tijd schommelde rond de 900 personen, wat globaal genomen neerkwam op minder dan 50% van het aantal communicanten, zegt dit getal toch niet alles over het succes van het devotionaliserings- en normeringsoffensief. Aan de missies en de retraites nam immers nagenoeg de gehele parochie deel. Het geeft wellicht wel aan dat de binding aan de Kerk groot was, maar dat dit niet in alle opzichten in de praktijk van het maatschappelijk leven tot uitdrukking werd gebracht. Verder onderzoek is hier nodig. Met deze enkele nadere aanduidingen over de praktijk van de H. Familie moet hier worden volstaan. Het vraagt om een aparte studie. 

De Mariacongregatie

Nog onder pastoor Zwijsen startte de Mariacongregatie in t' Heike, op 6 mei 1849, al wordt ook als datum genoemd 15 augustus. In 't Goirke kwam deze tot stand op 21 augustus 1850. De canonieke oprichtingsakte voor beide dateert van 1851, het jaar dus van de formele kerkelijke goedkeuring. Zoals eerder opgemerkt, kenden de Mariacongregaties in Tilburg alleen vrouwelijke leden. Men kon lid worden vanaf zeventien jaar. Het lidmaatschap eindigde tegen de tijd dat men 49 werd. Het ging niet louter om de devotie tot Maria, maar om in toewijding aan haar een godsdienstig en deugdzaam leven te leiden. Naast deze primaire doelstelling beoogde de congregatie ook een algemeen vormende maatschappelijke opvoeding en bood zij gepaste vormen van ontspanning. Geheel haar werkzaamheid was doortrokken van de zorg om het behoud van de onschuld der jeugd.(32)

De instelling van de Mariacongregatie, evenals de H. Familie strak georganiseerd en streng gereglementeerd, is evenwel van veel oudere datum. Ze is in 1563 begonnen door Joannus Leunis S.J. voor de studenten aan het Romeins College dat geleid werd door de paters jezuïeten. Aanstonds breidde de organisatie zich uit over geheel Europa en zelfs naar Amerika. Aanvankelijk alleen bestemd voor jongens en mannen, verleende paus Benedictus IVX in 1751 toestemming tot het aannemen van vrouwelijke leden, verenigd in aparte congregaties. Alle congregaties waren aangesloten bij de hoofdcongregatie in Rome. Tengevolge van de politieke vervolging van de Orde der Jezuïeten in de achttiende eeuw, trad een periode van teruggang in. In de loop van de negentiende eeuw, de eeuw van de katholieke restauratie en herleving, beleefde de Mariacongregatie een krachtige opbloei, doordat zij door de Kerk werd opgenomen in haar strijd tegen de geloofs- en zedenbedreigende gevaren van de moderne tijd. Zij was nu niet meer zoals vroeger in handen van de jezuïeten, maar viel onder de directe macht van de bisschoppen. De pater-generaal der jezuïeten te Rome had alleen nog het recht om algemene regels vast te stellen en de canoniek goedgekeurde congregaties aan te sluiten bij de hoofdorganisatie te Rome, de Prima Primaria, waardoor zij deelachtig werden aan de door haar verleende aflaten en privileges.(33)



Wilhelmus van de Ven (1793-1882) was van 1817-1826 
kapelaan en van 1826-1882 pastoor van de parochie 't Goirke. 
Vanaf 1872 was hij deken van Tilburg. Foto ca. 1880. 
(Coll. RHC Tilburg, Parochiearchief Goirke).

Doordat Van der Lee ook de Mariacongregatie van 't Heike onder zijn hoede had, had hij een stevige greep op de katholieke disciplinering van zijn parochianen. De jaarlijkse kermis, eind augustus tot begin september, was een gerede gelegenheid om de leden van de congregatie te wijzen op de zedelijke gevaren daarvan. Door tijdens die dagen een retraite te laten geven door de paters redemptoristen, vóór en na de werkuren van de meisjes en vrouwen (!) hoopte men bovendien te bewerken dat de leden niet naar de kermis zouden gaan. Blijkens de aantekeningen hierover in de huiskroniek van 's-Hertogenbosch, begin jaren tachtig, liet het succes hiervan in 't Goirke zeer te wensen over. Waar over de mentaliteit onder de leden van de Heikese congregatie niets te melden viel, hadden de redemptoristen veel aan te merken op het gedrag in 't Goirke. De omstandigheid dat de bijeenkomsten van de congregatie aldaar plaatsvonden in de te kleine kapel van de Liefdezusters, was mede eraan debet dat de helft van het aantal leden niet kwam opdagen. De paters hoopten dan ook dat de retraites in de parochiekerk konden worden gehouden, zodat voortaan alle congregationisten van de kermis weg zouden blijven. Maar hier leek de pastoor, W. van de Ven, het struikelblok te vormen. "De pastoor, 73 jaren oud (hij was echter nog veel ouder), bezield met ijver en goede meening, is eigenaardig in zijne richtingen. Doet er weinig meer aan (bedoeld zijn de H. Familie en de Mariacongregatie) en ondersteunt weinig zijn medehelpers." Ook op andere fronten was er gebrek aan daadkracht: "God moet erin voorzien!" En dat gebeurde, wel anders dan bedoeld, toen op 17 maart 1882 de pastoor overleed, op 89-jarige leeftijd. Hij stond 56 jaar aan de parochie. Zijn opvolger was Joannes Bots, geboren te Helmond in 1838.(34)

Met deze schets van de Mariacongregatie besluit deze paragraaf. De archieven van beide congregaties uit 't Heike en 't Goirke wachten op nader onderzoek. 


Het oordeel van de redemptoristen over Tilburg

Van al hun activiteiten deden de paters verslag in hun huiskronieken, waarbij zij tevens commentaar gaven op het godsdienstig-zedelijke peil dat zij ter plaatse aantroffen. Deze verslagen zijn daarom een prachtige bron voor de kennis van de religieuze cultuur, al geven zij dan ook de situatie weer zoals de paters deze zagen. En dat beeld was niet rooskleurig, zeker niet voor Tilburg, industriestad in opkomst.

Een eerste bericht dateert uit 1849. De Tilburgers worden omschreven als lichtzinnig. Als gevolg van de fabrieksnijverheid kwamen er vele misbruiken voor, zoals diefstal, dronkenschap en zedeloosheid. Hoewel veel heiligschennis werd tegengaan, waren de obstakels groot. Met name deden die zich voor bij de bestrijding van het carnaval, waarbij men alles in het werk stelde om de godsdienstoefeningen van de paters te doen mislukken.(35) Dramatisch werd de situatie in 1857, waarover de volgende paragraaf handelt.

In dat weinig florissante beeld van Tilburg veranderden de paters niet van mening. Zij noteerden bij de missie van 1881: "De kerken werden druk bezocht, maar de stemming was alles behalve gunstig. (...) De bevolking van Tilburg staat op den rand van een afgrond - de lichtzinnigheid vooral onder het opkomend geslacht stijgt ten top. Zoo de ijverige geestelijkheid den breidel gedwongen wordt los te laten, en de moderne geest van genotzucht het fabrieksvolk aan de leiding der Kerk geheel onttrekt, dan zullen de rampen dezer stad niet te overzien zijn - Ook zijn er onder de fabriekanten die het zedenbederf niet naar behooren tegenwerken en meehelpen den goeden ouden godsdienstigen geest der Tilburgers af te breken. (...) God spare Tilburg". In 1886 dezelfde treurzang, nu speciaal over de parochianen van 't Goirke: "Van welke verreweg de meeste wevers, eenige fabrikanten en enkele kleine zandboeren. Het volk is van zeer min gehalte. De jeugd vooral laat veel te wenschen over. Het volk is godsdienstig, maar lichtzinnig". Toen het einde der eeuw naderde, had Tilburg in de ogen der paters niet veel geleerd van de aanhoudende geestelijke vermaningen, zelfs in 't Heike: "De misbruiken, die wij vooral in de stadsparochiën Heike en Heuvel te bestrijden hadden, zijn vooral het weelderig en zinnelijk leven der rijken, en de familiariteiten welke zij zich bij partijen en maaltijden veroorloven, en bij den werkman het lezen van socialistische bladen als Recht voor Allen, Volkstribuun, zelfs Roode Duivel, enz.". Toch waren de paters zeer tevreden over de missie die zij toen, 1897, gaven. Over de opkomst en de devotie van de aanwezigen niets dan lof: "De drukte nam met den dag toe. 's Morgens om 3 1/2 uur werd de koster reeds door de geloovigen gewekt en vindt dan bij het openen der kerk twee-driehonderd menschen voor de deur staan. Er wordt handel gedreven in plaatsen en men betaalde tot een rijksdaalder voor een plaats".(36) 

Desondanks boerde Tilburg in de nieuwe eeuw volgens de paters verder achteruit. Talloos zijn de misbruiken en misstanden die zij in hun missieverslagen vermeldden.(37) Hoewel de redemptoristen door het gehele land geestelijke oefeningen hielden, lijken zij opmerkelijk veel moeite te hebben met de situatie van een fabrieksstad als Tilburg, een van de meest geïndustrialiseerde steden van het land.


De strijd tegen het carnaval

De carnavalsviering, waarover de paters in 1849 hun misnoegen uitten, zou moeilijk in te dammen blijken. In de jaren tussen eind 1850 en medio 1860 hadden niet alleen zíj veel te stellen met het beteugelen van dit 'verderfelijke' vermaak. De strijd tegen het carnaval neemt in de kroniek van Van der Lee een prominente plaats in. Het jaar 1857 was een zeer roerig jaar voor Tilburg, dat men zich nog lang zou heugen.

Minder dan de vastenavondviering als zodanig waren de wanordelijkheden en rituele gebruiken daarom heen, zoals de populaire dierspelen, voor de burgerlijke overheden al in de zeventiende eeuw redenen om daartegen op te treden met verordeningen en verbodsbepalingen. Zij kregen bijval van de calvinistische kerkleiders, die zich evenzeer over de misdragingen ergerden. De katholieken gingen verder in hun afkeer van de vastenavondvermaken. Hun zorg was het zielenheil, dat door het bandeloze en zedeloze gedrag bezoedeld werd. Maar ondanks de herhaaldelijke vermaningen van de Kerk, stak de carnavalsviering telkens weer de kop op. Waar de burgerlijke overheid wettelijke sancties ter beschikking stonden, moest de Kerk het hebben van de macht van het woord. Ook al riep zij het schrikbeeld op van hel en verdoemenis en dreigde zij met het onthouden van de sacramenten, uiteindelijk konden de gelovigen zich daaraan onttrekken zonder directe gevolgen voor hun privébestaan. In sommige plaatsen liet men zich het carnaval dan ook niet zonder slag of stoot ontnemen. Het waren vooral de jongeren uit de 'eerste stand' die het geestelijk gezag openlijk bruuskeerden.(38)

1857 Een voorlopig hoogtepunt

In Tilburg was de burgerlijke overheid de geestelijkheid in hun strijd tegen de vastenavondviering 'te hulp gekomen'. Uit het oogpunt van de openbare ordehandhaving gedurende de militaire inkwartiering na de Belgische Opstand van 1830 was het carnaval verboden. Ook andere volksbijeenkomsten als kermissen en jaarmarkten waren niet toegestaan, uit vrees voor onrust en ongeregeldheden. En die vrees was niet ongegrond: de stad die zelf zo'n twaalfduizend inwoners telde, kreeg er enkele duizenden vreemde militairen bij. Dit verbod, dat de Tilburgse geestelijkheid welgevallig zal zijn geweest, bleef van kracht tot in 1839, toen na het sluiten van de vrede de uitzonderingstoestand werd opgeheven en het leven van alledag weer zijn normale loop nam.(39)

Daarmee was de rust voor de geestelijkheid voorbij: het carnaval kwam weer in zwang. Dat duurde zo voort tot in 1847, toen het jubilee met vastenavond besloten werd door de instelling van het veertigurengebed. Uit eigen beweging zou de burgerij de verkleedpartijen toen achterwege hebben gelaten. Pastoor Zwijsen liet vanaf die tijd telkenjare door de redemptoristen het veertigurengebed houden. Het bleef rustig, aldus Van der Lee. Slechts een enkele jongeling zag men nog wel eens op straat, verkleed in een wit hemd.

In 1856 was het wederom gedaan met de rust. Nu hadden meerdere jongelui zich verkleed op straat vertoond, wat pastoor Van Schijndel bewoog om vanaf de preekstoel te vragen dit niet weer te laten gebeuren. De jeugd was echter niet van zins om daaraan gehoor te geven. Onbedoeld werden de 'carnavalslustigen' -het ging evenwel om meer dan dat- in hun opstandigheid gesterkt door de opstelling van de geestelijkheid zelf. In de winter van 1856 gingen binnen de Nieuwe Koninklijke Harmonie stemmen op om de uitvoering van blijspelen weer te hervatten, die door Zwijsen in 1853 nog scherp veroordeeld waren. Het bestuur durfde dit evenwel niet aan. Van der Lee: "Zij handelden zoo wij gelooven niet uit het motief van godsdienst (hun president Koks ... stond bij ons bekend als iemand die geen Paaschen hield en des Zondags nooit in de kerk kwam; daarbij later aantekenend: bij het jubilé 1858 bekeerd en sedert zijne pligten getrouw vervuld) maar uit politique: zij vreesden dat de Harmonie daardoor in duigen zou vallen, dewijl de pastoor er tegen zou zijn, en dat daarom ook de honoraire leden, mannen uit den deftigsten burgerstand hun zouden ontvallen." Het bestuur ging wel erg ver mee in de bezwaren van de pastoor, door te besluiten de kostuums te verkopen. Daarmee 'gingen de poppen aan het dansen'. De kostuums werden prompt gekocht door enkele jongere leden van de Harmonie, die het volstrekt niet eens waren met de handelwijze van het bestuur. Het waren uitgerekend die jongeren, onder aanvoering van de zonen van Kees Jansen (kerkmeester van 't Heike), die zich opmaakten voor de vastenavondviering.(40) Dat het bestuur overstag ging voor de geestelijkheid stijfde hen nog meer in hun verzet tegen wat zij beschouwden als een te vergaande bemoeienis van de clerus met profane zaken. Wat het conflict nog pikanter maakte, was dat zij juist behoorden tot de genoemde "deftigsten burgerstand".

Er heerste een nerveuze stemming onder de geestelijkheid om wat hen te wachten en te doen stond. Hoe moesten zij nu optreden, fel van leer trekken, en zo olie in het vuur gooiend, of langs de weg der beminnelijkheid door een beroep te doen op de goede katholieke geest onder de parochianen? Vooralsnog koos men voor het laatste en stelde men zijn hoop op het imponerend optreden van pater Bernard, die wederom gevraagd was voor de retraite en het aansluitende veertigurengebed. Daarop vooruitlopend verzocht pastoor Van Schijndel, tijdens de preek van zondag sexagesima (15 februari 1857), de jongeren met klem om hun plan te laten varen, "wijzend op de schone vruchten die de oefeningen voor het 40-uren gebed nu al tien jaar lang hadden opgeleverd". Op de ouders deed hij een dringend beroep hun gezag tegenover hun kinderen te laten gelden. Hoewel 's anderendaags de oefeningen begonnen - "De arbeid op de fabrijken wordt gestaakt (ook op het fabrijk der Protestantsche Heeren Vreede) de banken der kerk worden druk bezet"- moest kapelaan A. van Heck tot grote teleurstelling laten weten dat pater Bernard niet was gekomen. Maar de dag daarna arriveerde hij alsnog, tot grote opluchting van de geestelijken. Zij stelden hem van de dreigende situatie op de hoogte, maar pater Bernard zag het zo somber niet in. Hij zou niet tegen de mascarades uitvaren, maar alleen zeggen dat hij gekomen was om getuige te zijn van de goede geest onder de parochianen. Hij was er gerust op dat de zaak daarmee goed zou aflopen. Daags daarna was hij daarvan echter niet meer zo overtuigd en klaagde over de deugnieten en de bedorven jongelingen van Tilburg.(41)



Joannes van Schijndel (1811-1871) was van 1852-1854 kapelaan en 
van 1854-1871 pastoor van de parochie 't Heike als opvolger van mgr. 
J. Zwijsen. Foto ca. 1870.  (Coll. RHC Tilburg).

Ook de parochiegeestelijkheid van 't Heike durfde niet meer op de goede afloop te vertrouwen. Op 19 februari schreef kapelaan A. van Heck aan bisschop Zwijsen dat het te vrezen was dat het met de maskerades toch verkeerd zou lopen; "Wij hopen echter dat het woord van p. Bernard nog eenige verandering zal aanbrengen. Onze waardige Pastoor is bij Jansen-Dams geweest, en Kees heeft beloofd, dat hij het 'op den hals af' zijne zonen zou verbieden". 't Was misschien toch goed als de bisschop eens met pater Bernard zou komen praten. Uit een brief van pastoor van Schijndel, de volgende dag aan de bisschop, blijkt deze inderdaad met pater Bernard gesproken te hebben over de te volgen tactiek. Pater Bernard was het daarmee ten volle eens en zou in die geest het veertigurengebed openen, met te wijzen op het onbetamelijke indien bij de uitstalling van het Allerheiligste de maskerades doorgingen. Van Schijndel vervolgde: "Doch mogten wij nu morgen ondervinden, dat eventueel die eenige losbollen de voorgenomen maskerades zoude willen doorzetten, hetgeen nogthans tegen den algemeenen geest van Tilburg strijdt, dan is pater B. van gevoelen, dat het zeer dienstig zoude wezen, dat UHW aan ons de faculteit verleende, om ook dezen vastenavond dadelijk het 40 ure gebed in de parochiekerk te doen ophouden, zoo haast die maskerades mannen met hunne maskers zich publiek in de straten zoude vertoonen". Hij had graag zo spoedig mogelijk antwoord.(42)

Dat antwoord kwam de volgende dag, en wel hoogstpersoonlijk, door de komst van Zwijsen naar de pastorie. De bisschop verklaarde het eens te zijn met het voorstel van pater Bernard. Op de pastorie werd druk beraadslaagd. Het was belangrijk dat alle pastoors één lijn zouden trekken. Pater Bernard, die die avond in t' Goirke zou preken, zeer tegen de zin overigens van de Heikese geestelijkheid, zou de pastoor van de te volgen tactiek op de hoogte stellen. Daags daarna, 22 februari, verklaarde pater Bernard tijdens de preek dat hij van hogerhand de opdracht had gekregen het veertigurengebed te staken als de carnavalsoptocht toch zou worden gehouden.(43)

Links de in 1835 gebouwde pastorie van 't Heike in de (Bisschop) 
Zwijsenstraat omstreeks 1900 (Coll. RHC Tilburg).


Maar ondanks alle vermaningen en zelfs ondanks deze zware dreiging, ging het 'feest' gewoon door en moest het veertigurengebed worden afgebroken. Het was maandag 23 februari, 11 uur 's morgens. Tot grote ergernis op de Heikese pastorie liet de pastoor van 't Goirke de oefening gewoon doorgaan. Het woord van pater Bernard was hem kennelijk niet genoeg. Aan de pastoor van Korvel, H. van Dooren, had hij eerder laten weten alleen te handelen op hoger bevel. Of Zwijsen hem toen in deze hoogst precaire situatie tot de orde heeft geroepen, is niet bekend. De pastoor van 't Goirke, W. van de Ven staakte het veertigurengebed pas omstreeks vijf uur 's middags, toen voor het huis van Nol van Diepen carnavalsvertoningen plaatsvonden.(44)

Triomfantelijk berichtten de redemptoristen hierover later in hun huiskroniek: "Dit maakte eenen grooten indruk in geheel de stad: de kwade partij zag zich veracht en overwonnen, hetgeen nog duidelijk bleek toen het volgende jaar, dewijl er toen niets van die ongeregeldheden plaats had". De kroniek van het provincialaat is nog juichender over de overwinning die zou zijn behaald: "De geloovigen werden door een groot verdriet hierover gegrepen en betoonden hun verontwaardiging dermate dat er in de stad, die 20.000 inwoners telt, tot op de dag van vandaag (1868) niemand het meer gewaagd heeft de lichtzinnigheden van de bachanalen in te voeren".(45) De kroniekschrijver bleek evenwel een kort geheugen te hebben, aangezien de carnavalsviering in Tilburg ook na 1857 nog enige jaren werd voortgezet, ook al was de aanhang beduidend minder. 

De verontwaardiging in Tilburg was inderdaad groot. Met name onder de leden van de H. Familie, voor wie de retraite van 1857 feitelijk was gehouden. Dat uitte zich door de massale opkomst tijdens tijdens de plechtige opdracht en zegening der vaandels door bisschop Zwijsen, dinsdag 24 februari. De kerk zat stampvol: het was er nog drukker dan daags tevoren: "Het grootste gedeelte bestond uit menschen die tot de mindere burgerij en arbeidende klasse behoorden". De kritiek priemde in de richting van de gegoede stand: "Zij waren getergd door sommige slechte burgers, bijv. door de commissaris van Police Verbunt, die gespot had met de uitdeeling der vaandels, die gesproken had van vaantjes-heiligendag". De geestelijkheid vermaande echter tot kalmte. De politie aasde erop een lid van de H. Familie in handen te krijgen, en dat zou de tegenstanders alleen maar in de kaart spelen.(46)

  

Wollenstoffenfabrikant Hein van Dooren (1794-1875) en zijn vrouw Julia Verbunt (1809-1877), 
gefotografeerd ca. 1864.  (coll. RHC Tilburg).

Tot die tegenstanders rekende Van der Lee ook de fabrikant Hein van Dooren (van de Nieuwe Dijk): "Wij vernemen uit den mond van het werkvolk zelven dat (hij), die met Julie Verbunt gehuwd is, bij het vernemen der staking der Aanbidding zijn volk, dat hij anders liet werken, wegzond met de woorden 'Gaat heen en zien naar het mascereeren'." In de hoek der afvalligen plaatste Van der Lee voorts de ondernemers Hein Vreede en François en Charles van Dooren (uit Broekhoven): "Wij hooren nu en dan al eens het gerucht dat (zij) zich tegen de Retraite en de Paters, in tegenwoordigheid van hun werkvolk uitlaten".(47)

In zijn 'boekhouding van de deugd' noteerde Van der Lee de namen van de jongeren die bij de stoutmoedige carnavalsviering betrokken waren: Isidoor Jansen, Eduard Jansen (zijn halfbroer Franciscus was de latere bisschop van New Orleans), Eduard Fremeau, Koenen, J. Franken, Willem Arts, Hub Latour, Louis Knegtel, de zoon van weduwe Broecx (café De Korenbeurs) en Louis en Frans Verbunt, de zonen van de weinig geachte commissaris van politie.(48) Zij behoorden tot de burgerlijke bovenlaag. Ook 't Goirke leverde zijn contigent aan de maskerademannen. Nog meer personen zijn op diverse plaatsen in de kroniek genoemd, maar van hen zijn de namen onleesbaar doorgekrast. 

De strenge maatregel van de clerus maakte nog geen einde aan de carnavalsviering, die dag niet (49), maar ook de jaren daarna nog niet. De geestelijkheid was er echter zeker van dat het pleit definitief in haar voordeel was beslecht. In overleg met de bisschop werd bepaald wat pastoor Van Schijndel tijdens de preek op de tweede zondag van de vasten over het voorgevallene zou zeggen en dat men de carnavalsviering voortaan als een doodzonde zou beschouwen, een zonde die de mens afsneed van de heiligmakende genade van God.(50)

Naar een gemeentelijk verbod op het openbare carnaval

Zou het in 1858 lukken om de carnavalsviering buiten de deur te houden? Begin januari werd met bisschop Zwijsen overleg gepleegd over de voorbereiding op de vasten. Mocht het niet mogelijk zijn om met de stichtende oefeningen te beginnen op de tweede zondag voor aswoensdag (zondag sexagesima), dan was de bisschop het er volkomen mee eens dat de geestelijkheid zelf de oefeningen met het oog op vastenavond zou geven, vanaf de zondag daarop (zondag quinquagesima: 14 februari), dus zonder de paters redemptoristen (!): Mgr. ziet hierin een blijk van vertrouwen op de goede gezindheid der burgerij. Hij erkent ook dat de geestdrift om Paters te hooren onder de Tilburgenaars nogal wat verminderd is". Alleen op Korvel zouden de capucijnen het veertigurengebed geven. Van der Lee: "...waarop eene dame aanmerkte dat de Pastoor dit deed omdat hij zelf niet zocht te preken. Zij tikte den nagel op de kop".(51) 

"Wij hooren goddank ! nog niets van mascarades", aldus schreef Van der Lee begin februari. De sedert oktober 1857 heersende pokkenepidemie had schrik gebracht onder de gelovigen. Er waren reeds negen volwassenen overleden. Of dat nu cynisch was bedoeld of juist niet, bij een bericht in het dagblad De Tijd, dat de sterfte in Tilburg buitengewoon groot was, tekende Van der Lee aan: "Dit lazen wij zeer gaarne". Pastoor Van Schijndel haakte tijdens zijn preek aan het begin van het veertigurengebed in op de heersende bezorgdheid. Hij hoopte dat men de vastenavonddagen goed zou doorbrengen, om zo de straffen van de hemel af te weren, waarmee hij verwees naar de pokkenepidemie. Met de uiterste zorg werd alles vermeden waaraan de carnavalsvierders van 1857 aanstoot konden nemen. De opkomst bij de oefeningen was groot, zo groot als ooit bij de paters, volgens Van der Lee een gevolg van de diepe indruk die de getroffen sanctiemaatregel verleden jaar had gemaakt.(52) Er deden zich slechts enkele incidenten voor. Op maandag zag men een jongen van 15 of 16 jaar met een masker voorbij de pastorie lopen. 's Anderendaags waren er in de avond enkele gemaskerden met een Jan Klaasen-spel "bij Jantje Marinus in het Tilburgsch Koffiehuis in de Philharmonie" geweest. Maar dit drukte niet de vreugde bij de clerus dat zij de situatie goed in de hand had gehouden. Bisschop Zwijsen liet weten dat de geestelijkheid van het bisdom zeer ingenomen was met de goede afloop. Het zou een ramp zijn geweest als de afloop minder gelukkig was; wat zou de strenge maatregel van verleden jaar dan gehekeld zijn.(53) Dat daaraan werd gedacht, geeft aan dat de geestelijkheid zich ervan bewust was dat haar invloed niet onweersproken en verzekerd was.

Later in het jaar 1858 waren de redemptoristen wel weer te aanhoren in Tilburg. Van 17 tot en met 27 december, toen zij een missie gaven in de parochies 't Heike en 't Goirke, bij gelegenheid van een door de paus uitgeschreven jubilee. Ook hier kon men over het resultaat meer dan tevreden zijn. Er werden bij de afsluitende eucharistieviering 5002 respectievelijk 4132 communies uitgereikt.(54)

Een opmerkelijk teken dat de Tilburgse clerus met zijn actie tegen het carnavalsvermaak naast kritiek ook weerklank vond bij de burgerlijke elite, is het plan van De Liedertafel Souvenir des Montagnards om haar gewoon jaarlijks concert met carnaval te geven. Een goed idee vond Van der Lee: "want zij die de concerten bijwonen, zijn juist diegenen welke anders de straten in beweging brengen". Hier vonden clerus en burgerij elkaar in hun beschavingsdrang naar verheffing van de volkse cultuur. De Liedertafel, opgericht 27 oktober 1845, was sociëteit en muziekgezelschap. Evenals de andere omstreeks die tijd in Tilburg opgerichte sociëteiten een uiting van de behoefte onder de gegoede burgerij aan gepast cultureel vermaak.(55) Soms strekte dit de Kerk tot voordeel, zoals hier in 1858, soms stond beider streven lijnrecht tegenover elkaar, zoals in 1809. Het hing er maar vanaf of de goede zeden, let wel de kerkelijk gesanctioneerde, al of niet in het gedrang kwamen.

De ervaring opgedaan met de organisatie en spreiding van de geestelijke oefeningen, missie en veertigurengebed, bracht de Tilburgse geestelijken tot de overtuiging dat het beter voor de gemeente zou zijn alle vijf of zes jaren een flinke en grote missie door de paters redemptoristen te doen geven, dan hen ieder jaar met vastenavond te laten 'opdraven' voor drie of vier dagen. Pater Bernard deelde deze overtuiging geheel. Aldus werd besloten: voortaan zou de voorbereiding op de vasten, tegen de tijd van vastenavond, gegeven worden door de parochieherders zelf.(56)



Frans Suijs (1798-1870), die van 1849-1869
 burgemeester van Tilburg was. Foto 1869. 
(Coll. RHC Tilburg).

Het veertigurengebed bleek vele jaren goed te voldoen als voorbereiding op de vasten en als wapen tegen het carnavalsvermaak. Maar geheel uit te bannen bleek het carnaval toch niet. Evenals in 1857 vond de viering niet alleen buitenshuis plaats, maar ook in cafés, of in de verenigingslokalen van muziek- en sociëteitsgenootschappen. Het straatcarnaval bleef. De deelname was weliswaar lang niet zo groot meer als in 1857, zodat men het wijselijk achtte er maar niet veel aandacht aan te schenken, maar toch, het hinderde de Tilburgse clerus dat er geen einde aan kwam. Ten langen leste moest zij hierin haar onmacht bekennen en grijpen naar de arm van de overheid om het kwaad voorgoed tegen te houden. Hoewel al in 1857 van overheidswege een poging was gedaan om in te grijpen, was het wachten tot 1865 voordat daar iets van terecht kwam. Van der Lee: "Monseigneur (Zwijsen) zegt ons dat de Burgemeester Suijs zijne wethouders Jan Diepen en Noudje van der Voort ten tijde der mascarades (1857) had bijeengeroepen om maatregelen tegen de mascarades te nemen, doch dat de wethouders niet met hem overeenstemden".(57) Er zat voorlopig niets anders op dan te gedogen dat het carnavalvieren nog enige jaren telkens weer de kop op stak. Het is te begrijpen dat Van der Lee zich steeds wreveliger hierover uitliet.

"Wij hooren dat de mannen van het ijzer-fabrijk van Korvel (het was dinsdagavond 1859) nogal tapage hebben gemaakt. Er zijn er in de Sociëteit Amicitia geweest, doch een lid mr. Arts moet opgekomen zijn tegen de commissie omdat zij toeliet dat zulk een gemeen (= laag) ras op de sociéteit mogt komen". Achter De Pijl had de pastoor vier man op straat gezien: "Wij vernemen dat de zonen van den Protestant Van den Berg hun best goed gedaan hebben. Van Katholieken hebben wij geen enkelen deftigen hooren vernoemen. Het waren jongens zooals Toon Mutsaers, de zoon van het Appelenwijf zaliger gedachtenis". Maar de clerus was tevreden dat het veertigurengebed goed was verlopen: "Het grootste gedeelte der deftige klas is ook tot het H. Sacrament genaderd".(58) De omstandigheid dat de textielfabrieken nu veel werk hadden door spoedbestellingen van de regering was gunstig. Sommige fabrieken, die anders om vijf of zes uur 's namiddags sloten, werkten nu door tot negen uur 's avonds: "wij zijn daarmede in onzen schik, wij zeggen: als ze werken dan zijn ze van de straat'."(59) 

Het voortdurende oorlogsgeweld in Europa, de strijd van de Franse keizer Napoleon III op De Krim en tegen Oostenrijk kwam de geestelijkheid in 1860 goed uit: "Het spreken over de bedrukte tijden heeft goed gewerkt". Er waren wel enkele kwajongens in de sociëteit Philharmonie geweest, maar zij moesten het afleggen tegen "den luitenant der Fransche garde, den Tilburgschen jongen Piet de la Geneste, ... toen hij over Sebastopol en Solferino sprak.", de veldslagen van 1856 en 1859, waaraan hij in vreemde krijgsdienst had deelgenomen.(60)

Het jaar daarna was het weer prijs: er waren enige jongeren in de Philharmonie geweest, onder wie Frank Bogaerts, en in Amicitia. In de Philharmonie hielden zich ook enkele gemaskerden "van minder soort" op (de namen zijn onleesbaar doorgehaald), "te zien aan hun grove en zwarte handen ... en nog meer anderen die op den Heuvel te huis behooren". De toenmalige commissaris van politie J. Arnold, - Verbunt had zich in oktober 1859 op de zolder van het stadhuis opgehangen - had op straat enkele gemaskerden aangehouden en opgebracht: "onder deze was een zoon van Manni ('t Heike) welken hij in zijne hemdsmouwen en onderbroek naar huis liet gaan". Arnold, over wie Van der Lee vol lof was wegens zijn godsdienstijver, trad harder op dan zijn voorganger, die van steun aan de 'opstandige jeugd' werd verdacht.(61) Arnold schrok er niet voor terug kinderen van de meer gegoede milieus ook tot de orde te roepen.

Zelfs leden van de H. Familie bezondigden zich aan het carnaval. Dit kwam Jan van den Heuvel, die met de club van Franken in 1861 in de Philharmonie was geweest, te staan op royement. Maar soms kon Van der Lee ook een lichtpuntje noteren. Zo was Hein van Dooren met zijn vrouw Julie in 1862 gesignaleerd bij het veertigurengebed. Evenzo Frans van der Pas, die verleden jaar aan de maskerade had deelgenomen.(62)

Dat 'gedoe' in de Philharmonie moest maar eens ophouden. Daartoe vervoegde pastoor Van Schijndel zich in 1862 bij enige leden van de commissie, Frans Suijs, Gerrit van Spaendonck, Piet Pollet en Bernardus Mutsaers. Dit had resultaat: men besloot geen gemaskerden meer toe te laten. Tot vreugde ook van de kastelijn: "want verleden jaar hadden ze hem ik weet niet meer hoeveel zilveren lepeltjes ontstolen". Commissaris Arnold greep ook nu weer in op straat: hij dwong de gemaskerden hun masker af te leggen. Onder wie twee jongens van 16 à 17 jaar, van t' Heike, midden op de markt: "zij werden door een hoop kinderen behoorlijk naar huis uitgeleide gedaan en uitgejouwd".(63)

De stemming in Tilburg was duidelijk aan het omslaan: het werd de carnavalsvierders steeds ongemakkelijker gemaakt. De tijd was rijp voor een overheidsoptreden. In 1862 liet burgemeester Suijs aan pastoor Van Schijndel weten dat het gemakkelijk zou zijn om van de gemeenteraad een verordening los te krijgen tegen de maskerades. Dat was hen allen zeer welkom, zo verwoorde Van der Lee de mening onder de geestelijken: "bijzonder wel omdat wij door zulke verordening ook de vreemdelingen kunnen weren uit Breda of 's-Bosch als deze het soms in hun hoofd zouden krijgen eens naar Tilburg over te stoomen als in 1863 het spoor gereed zal wezen". De pastoor zou de burgemeester gaan voorstellen een dergelijke verordening in te voeren. Van der Lee had overigens weinig op met de komst van het spoor, dat bracht maar vreemde en ongewenste elementen naar Tilburg.(64)

In 1864 was het nog niet gedaan met het carnaval: "Zoo wij vernemen hebben dinsdag avond zich wat gemaskerd Gerard van Spaendonck (Heuvel), Guiliam Pollet en een zoon van Jansen den Moscoviet (Goirke). Zij wilden binnenkomen in twee huizen op de Veldhoven waar jonge juffertjes woonden, doch zijn er afgewezen".(65) Nog altoos waren jongeren uit de gegoede stand bij het carnaval betrokken.

Het jaar daarop waren de maskerades weer toegenomen. Door de commissaris was op de pastorie van 't Heike een lijst bezorgd met de namen van hen die eraan hadden deelgenomen. Michiel Emmen en Adriaan Verheijen, kandidaat-koristen, werden daarop ontboden op de pastorie en moesten hun sleutel van het zangkoor inleveren.(66) Het net om de 'weerbarstige ordeverstoorders' werd steeds nauwer aangehaald.

Nu moest het er toch van komen; voor de geestelijkheid was de maat vol. Vanuit Tilburg schreef men om model-verordeningen naar Utrecht, Rotterdam en Nijmegen. In beide eerstgenoemde plaatsen bestond er echter zoiets niet. Wel in Nijmegen, waar men een geschikte verordening had. In de raadsvergadering van 14 augustus 1865 was het 'eindelijk' zo ver en werd een verordening voorgesteld tegen het straatcarnaval. "Noudje Mutsaers gedroeg er zich onbezonnen. later bij de stemming heeft hij zich bekeerd, nadat de Oude Heer hem had onder handen genomen. Tegen heeft gestemd W. Cools, Heintje Vreede, die vroeger had gezegd dat mascareren eene verdomde gekheid was, en zoo ik meen Henri van der Vorst." Volgens het raadsverslag echter werd de ingediende verordening nog niet aangenomen. Sommige leden vonden de daarin voorkomende bepalingen te streng. Besloten werd tot enige bedenktijd. In de vergadering van 19 september werd de verordening tenslotte aangenomen: drie leden bleven tegen. Het was volgens artikel 1 verboden zich binnen de gemeente geheel of gedeeltelijk vermomd of onherkenbaar gemaakt op de straten, pleinen, markten, openbare plantsoenen of buitenshuis te vertonen. Bij overtreding werd men opgebracht en volgde een proces-verbaal. Men werd gestraft met een geldboete van een tot vijfentwintig gulden en verbeurdverklaring van de vermomming. In zijn vergadering van 4 september 1866 verzachtte de gemeenteraad de strafmaatregel in zoverre verzacht, dat men bij overtreding niet meer in verzekerde bewaring werd gesteld.(67)

Het hielp: Toon Cornelissen, Jantje Horvers en Charles van Dooren "zijn te regte gekomen. Dieu confessus in sacristia.", aldus noteerde Van der Lee bij het jubilé van december 1865.(68)
Tilburg was gezuiverd van 'het kwaad'. Een krantenbericht van januari 1868 vermeldde met trots: "Terwijl elders en in vele steden van het vaderland, de laatste dagen vóór de vaste met luidruchtige vermaken en, geheel in strijd met het nationaal karakter, met onze voorvaderlijke overleveringen en met het denkbeeld hetwelk tot dusverre Nederlanders van algemeene feestelijkheden zich vormen, met gemaskerde bals werden doorgebragt, heeft Tilburg de grootste kalmte, de voorbeeldigste rust in zijn boezem blijven genieten". Van der Lee was het daar kennelijk roerend mee eens: hij plakte dit bericht dan ook zijn kroniek.(69)

Ondanks de aanhoudende vermaningen door de geestelijkheid en zelfs de gemeentelijke verordening bleek het carnaval toch niet voorgoed begraven. In 1908 schreef Tilburg wederom carnavalshistorie, met het verschijnen van een politiek schotschrift, De Karnaval - Krant.(70)


Over dansen, kermis en ander 'zondig' vermaak

Het carnavalsvermaak was niet het enige dat de Tilburgse geestelijkheid zorgen baarde. Opgevoed in de puriteinse zedelijkheidsopvattingen van vicaris Van Alphen, loerde de bedreiging van de goede zeden overal, zo meende zij. Dansen betekende omgang en lichamelijk contact tussen de selen, en dat leverde ook bij andere samenkomsten, zoals die van de jeugd bij de zogenaamde spinningen en labbayen, een gevaar op voor de kuisheid. Dergelijke samenkomsten en het dansen, vooral met kermissen, leidden al in de zeventiende eeuw tot bemoeienis en ingrijpen door de burgerlijke en kerkelijke overheden, wegens wanordelijkheden en aanstootgevend gedrag.(71) In de negentiende eeuw een punt van aanhoudende zorg, en object van normering en reglementering. Zonder onderscheid naar stand en cultuur schreef Van Alphen in 1822 voor dat vrouwen vóór donker thuis moesten zijn. Dit legde nogal wat beperkingen op aan het houden van bals, een geliefd tijdsvermaak voor de burgerlijke elite. Dansen kon sedertdien alleen overdag. De meer gegoede en vooraanstaande burgerij verzette zich dan ook tegen de voorschriften, die zij niet op haar morele standaard van toepassing achtte. Openlijke aanvaringen tussen clerus en burgerij bleven niet uit. Bekend is het conflict omtrent de bals en officiële ontvangsten van de prins van Oranje, de latere koning Willem II, die regelmatig verblijf hield in Tilburg.(72)

Zwijsen was even rigoreus in zijn opvattingen over het dansen als zijn voorgangers. Als pastoor van Tilburg zag hij erop toe dan het kerkelijke voorschrift werd nageleefd. Als in augustus de jaarlijkse kermis weer in aantocht was, maande hij de gelovigen vanaf de preekstoel om de dansverordening in acht te nemen.(73) Ook na zijn vertrek uit Tilburg gingen de pastoors en kapelaans hiermee door. Tot opluchting en tevredenheid kon Van der Lee dan weer optekenen dat de kermis goddank voorbij was en de gelovigen zich aan de verordening hadden gehouden. Uitzonderingen, als ook hier, daargelaten.(74) Het bleef niet bij een herhaalde vermaning vanaf de preekstoel. Mede om geen gelegenheid tot het kwaad te geven, volgde vele jaren een retraite voor de leden van de Mariacongregatie. Dit is in een voorgaande paragraaf al besproken.

Van der Lee groeide in zijn houding tegenover het wereldse vermaak niet mee met de tijd. Toen Eduard Janssen, voorzitter van De Liedertafel, hem in 1879 erover aansprak een komediespel op te voeren tijdens de kermisdagen, om daarmee de cafés chantants te weren, verklaarde Van der Lee zich sterk tegen. Zou Janssen naar zijn eigen pastoor, die van de Heuvel, gaan, dan zou hij hetzelfde antwoord krijgen. Doch deze liet zich er niet over uit. Janssen legde de zaak toen voor aan de toenmalige bisschop A. Godschalk, waarop Van der Lee bij de bisschop werd ontboden. De bisschop vroeg hem waarom hij toch zo tegen was. Janssen had beloofd alles te doen opdat er het zedig aan toe zou gaan: geen dames. De bisschop hield Van der Lee dan ook voor: "Wij moesten rekening houden met de tegenwoordige toestanden. Alles belettende, zouden de menschen weleens ballorig kunnen worden". Van der Lee gaf zich echter niet gewonnen. Hij meende dat al die feesten de mensen maar uithuizig maakten en hen zo van hun gezin vervreemdden. Uiteindelijk kwamen beiden tot het compromis dat Van der Lee Janssen door zou sturen naar de pastoor van de parochie Heuvel, die vervolgens met de komedie zou instemmen. Goedkeuren wat hij eerst had afgekeurd, dat kon Van der Lee niet over zijn ziel verkrijgen.(75)

Vermeldenswaard is nog de opvoering van een zogenaamd paardenspel, in de wintermaanden, waarvan Van der Lee voor het eerst gewag maakte in 1860. Het ging om dressuuroefeningen en kunstjes op het paard, vermoedelijk te beschouwen als een voorloper van het circus, "weinig door de gegoeden maar druk en zeer druk bezocht door het fabrijksvolk". De typering "een Jodentroep met knollen van paarden" zegt al genoeg hoe Van der Lee erover dacht. Hij moest er niet veel van hebben, al kon hij geen pertinente onzedelijkheid aanwijzen. Maar het was vreemd, ongeregeld, bracht veel mensen bij elkaar en laat op de avond. Toen de voorstellingen in 1876 tijdens de vasten zouden beginnen, kwam Van der Lee in het geweer. Hij beklaagde zich bij de burgemeester, maar die zei er niet veel tegen te kunnen ondernemen. Dan maar zelf, zal Van der Lee gedacht hebben: "Zondags hebben wij in alle kerken er over gesproken en in diezelfde week is het paardenspel vertrokken".(76) Baas boven baas!

Dat vooral de jeugd in Tilburg zo in opstand kwam tegen de diabolisering van het in hun ogen onschuldige carnavalsvermaak wijst op het nog functioneren van een typisch element uit de volkscultuur: de vrijheden en rechten van de jonkheid. De hierboven genoemde 'dartele' samenkomsten van spinningen en labbayen is een uiting hiervan. Het was ook het voorrecht van de jonkheid om door sociale controle en morele sancties zich te keren tegen afwijkend of met de codes van de samenleving of eigen groepering strijdend gedrag. Dergelijke rituele correcties, de zogenaamde charivari's, kwamen ook in Tilburg voor, zelfs nog na het midden van de negentiende eeuw, toen Tilburg op weg was naar een moderne, geïndustrialiseerde stedelijke samenleving. De in de literatuur al besproken rellen 'op de Veldhoven' in 1858 dragen duidelijke kenmerken van het aan de jonkheid verleende toezicht op gesanctioneerde gedragscodes. Een verkering met een meisje, dat al meerdere vrijers had 'versleten', raakte uit. Toen het meisje daarop een spotdicht maakte op haar vrijer, kennelijk had híj haar laten schieten, doorbrak zij de morele codes. Ter publieke correctie werd een spotlied op haar gezongen, door geheel de stad. Voor haar deur verzamelde zich menige avond een grote menigte. Het liep uit de hand, de marechaussee, met versterking uit Den Bosch, moest eraan te pas komen. Er volgde een proces, waarin de gangmakers werden veroordeeld.(77)

In dit verband van rituele repertoires van de jonkheid is tenslotte nog te noemen het zogenaamde los schieten van de bruid. Het was gebruikelijk op het platteland dat de aankondiging van het voorgenomen huwelijk werd opgeluisterd met harde knallen. Het aanstaande bruidspaar moest daarop de ongetrouwde jongeren trakteren op drank, te beschouwen als een afkoopsom voor het 'uit de markt halen' van een huwelijkskandidaat. Gebeurde dat niet, dan volgde een sanctie. Dit volksgebruik kwam ook in Tilburg voor. Zo weigerde in 1862 Martinus van Bommel om 'de kwansel te betalen'. De buurjongens zonnen op wraak en besmeurden de woning van het aanstaande echtpaar met uitwerpselen. Sedertdien droeg Martinus van Bommel de bijnaam "Stront van Bommel". In 1876 kwamen de Tilburgse geestelijken tegen dit volksgebruik in stelling. Vriendelijk in de preek, maar dreigend bij het zogenaamde examen nupturentium (een soort voorlichting op het huwelijk door pastoor of kapelaan) drongen zij erop aan met dit gebruik te stoppen. Het bleek te werken.(78)


Terugblik en besluit

In het katholieke beschavingsoffensief tegen de 'verdorvenheden' en 'dartele vermakelijkheden' van de moderne tijd scheerde de geestelijkheid de uitingen van volkscultuur en van de zich daarvan onderscheidende stedelijk-burgerlijke cultuur over één kam. Mede daardoor was van de kant van de gegoede burgerij niet zoveel sympathie en volgzaamheid te verwachten jegens het door de kerk beraamde tegenoffensief tegen geloofsafval en zedenbederf. Het tot publieke confrontatie komend ongenoegen, met name bij de jeugd, wijst op de omstandigheid dat de positie en rol van de geestelijkheid, als middelaars tussen de officiële en de informele culturele circuits, kwetsbaar en aanvechtbaar was.(79) Van een algemeen natuurlijk bondgenootschap tussen de clerus en de sociale bovenlaag was geen sprake. En voorzover beider belangen in één richting wezen, waren de motieven niet gelijkluidend.

De jongeren uit de meer gegoede en de welgestelde burgerij stonden als het ware tussen twee culturen in. Dit riep ook spanningen op in het eigen sociale milieu.
De aanhoudende vermaningen en de vele 'herhalingsoefeningen' gedurende de gehele negentiende eeuw roepen twijfels op ten aanzien van het geijkte beeld dat de gelovigen alle 'brave Hendrikken' waren. Tussen de voorgeschreven orde en de geleefde praktijk traden vele spanningen op. Naarmate het kerkelijk offensief echter aansluiting vond bij de tijdgeest van burgerlijke deugden en burgerlijke cultuur nam de acceptatie van de voorgehouden gedragsregels toe.(80)

De aanhang van de H. Familie en de vaak massale opkomst bij de geestelijke oefeningen van de geestelijkheid zelf en van de te hulp geroepen redemptoristen wekken daarentegen de onmiskenbare indruk dat het kersteningsoffensief wel degelijk vruchten afwierp. De verzuiling, de organisatorische uitbreiding van de invloed van godsdienst en Kerk over alle terreinen des levens, bevestigt deze indruk. Anderzijds bleek het succes van de devotionalisering ook een hindernis op de weg naar katholieke sociale emancipatie en sociale actie.(81)

Het lidmaatschap van devotionele genootschappen had ook een sociale functie. Men hoorde erbij. Het vervulde aldus de behoefte aan onderscheid in stand en waardigheid,(82) en droeg bij tot een sterker sociaal zelfbeeld.

De jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw, de tijd die de kroniek van kapelaan Joannes van der Lee voornamelijk bestrijkt, markeren een duidelijke wending in de overgang van een plattelandscultuur naar een stedelijke cultuur. Duidelijk is ook dat het welhaast hardnekkige beeld van de negentiende-eeuwse samenleving als een traditionele, dat wil zeggen gesloten en onbeweeglijke maatschappij, in sociaal en cultureel opzicht niet langer houdbaar is. Dynamiek en veranderlijkheid waren in hoge mate de kenmerken van de negentiende eeuw.


Noten

Gebruikte afkortingen:

ACSSR : Archief Provincialaat Paters Redemptoristen
BAH : Bisschoppelijk Archief 's-Hertogenbosch
GAT : Gemeentearchief Tilburg
a.w. : aangehaald werk
t.a.p. : ter aangehaalde plaatse

(1) BAH, Archief Groot-Seminarie, Studentenlijst 1842-1892 (inv. nr. LXXXVI, 286), 42; Officieuze Studentenlijst 1798-1847 (inv. nr. LXXXVIII, 291), 147, 201; GAT, Parochiearchief 't Heike, Registrum Memoriale (inv. nr. 16), 92; J. Peijnenburg, Joannes Zwijsen, bisschop (Tilburg 1996), hfdst. IV en blz. 92.
(2) GAT, Dagboek van kapelaan J. van der Lee 1869-1890 (inv. nr. 253) 1 e.v.; Registrum Memoriale (inv. nr. 16), 91-92; Archief H. Familie, Overlijdensregister (inv. nr. 752), 280; t.a.p., Annalen der H. Familie (inv. nr. 753), 200, 210; L. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch, V (Sint-Michielsgestel 1876), 720-730.
(3) GAT, Parochiearchief 't Heike, Dagboek van kapelaan J. van der Lee (inv. nr. 253), passim; Plakboek van krantenknipsels door Van der Lee 1876-1888 (inv.nr. 265); Plakboek van krantenknipsels door Van der Lee 1875-1888 (inv. nr. 266); Archief H. Familie, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), passim; Chr. Boomaars, Een Bisschop-Balling op Nederlandschen Bodem (Tilburg 1928). 
(4) G. Rooijakkers, Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant 1559-1853 (Nijmegen 1994), 251.
(5) GAT, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 4.
(6) W. van Halen, 'De devotionalisering van de katholieke gelovigen in oostelijk Noord-Brabant 1830-1920', in: J. van Oudheusden (e.a., red.), Een pront wijf, een mager paard en een zoon op het seminarie. Aanzetten tot een integrale geschiedenis van oostelijk Noord-Brabant 1770-1914 ('s-Hertogenbosch 1993), 185 e.v.
(7) Van Halen, t.a.p., 189-190.
(8) BAH, Parochiearchief 't Heike, C. Bloemen, Een conflict tusschen de Tilburgsche "toneel-liefhebberij" en pastoor Evermodus du Champ in het jaar 1809 (typescript); Ach Lieve Tijd, Tilburg, afl. 17, 398.
(9) F. Plevoets, 'De Tilburgse kermis vóór 1900', in: H. van Oers (e.a., red.), Veel vermaak en weinig wol. De geschiedenis van de Tilburgse kermis (Tilburg 1986), 33. Zie ook: Peijnenburg, a.w., 69, 358.
(10) J. Melief, Joannes van Hooydonk 1827-1867 (Tilburg 1987), 30, 37.
(11) Van Halen, t.a.p., 193.
(12) Rooijakkers, a.w., 372-373.
(13) Van Halen, t.a.p., 192.
(14) Peijnenburg, a.w., 41-43, hfdst. V (zusterscongregatie), hfdst. VII (fraterscongregatie).
(15) GAT, Inventaris van de archieven van de parochies Goirke en 't Heike, 117 e.v.
(16) G. Rooijakkers, 'De dynamiek van devotionalia', in: M. Monteiro (e.a., red.) De dynamiek van religie en cultuur. Geschiedenis van het Nederlands katholicisme (Kampen 1993), 96. Zie ook: P. Nissen, 'Zoals in het huisje van Nazareth...'. Over devoties en rituelen in de kring van het gezin en de religieuze aankleding van het woonhuis, in: Trajecta, jrg. 4 (1995), nr. 2, 141-157.
(17) Rooijakkers, Rituele repertoires, passim.
(18) Van Halen, t.a.p., 201.
(19) Rooijakkers, a.w., 385-387; Van Halen, t.a.p., 193-194; F. de Waard, Volksmissies van de redemptoristen te Tilburg 1842-1938 (werkstuk Katholieke Universiteit Nijmegen 1991).
(20) L. Lelie en J. de Beer, Uit het dagboek van een Tilburger (Tilburg 1908), 108-109, 112.
(21) ACSSR Wittem, Kroniek van de Nederlandse Provincie (inv. nr. 884); Missiekroniek 's-Hertogenbosch, 1878-1898 (inv. nr. 178), Idem 1899-1925 (inv. nr. 179); GAT, Parochiearchief t' Heike, Registrum Memoriale (inv. nr. 16), 341-344; Parochiearchief "t Goirke, Registrum Memoriale (inv. nr. 6), 259-263; F. de Waard, a.w., 12 e.v.
(22) ACSSR Wittem, Kroniek van de Nederlandse Provincie (inv. nr. 884), 107.
(23) GAT, Parochiearchief 't Goirke, Registrum Memoriale (inv. nr. 6), 267; Peijnenburg, a.w., 40, 359 (noot 57).
(24) W. Reijs, Een Nederlandse weg binnen een algemeen katholiek patroon. Het rooms-katholiek maatschappijbeeld in de negentiende eeuw en aanzetten tot zuilvorming onder de katholieken in Nederland (doctoraalscriptie KUN 1983), 190-197; Van Halen, t.a.p., 198.
(25) GAT, Parochiearchief t' Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 1, 4; Parochiearchief 't Goirke, Akte van canonieke oprichting (inv. nr. 633); Peijnenburg, a.w., 92-93.
(26) GAT, Parochiearchief 't Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 2.
(27) GAT, t.a.p., 8; Peijnenburg, a.w., 141-147. H. Roozenbeek vermeldt in zijn boek Tilburg als militaire stad ('s-Gravenhage 1993) dit regiment niet.
(28) GAT, t.a.p., 15, 42, 159.
(29) GAT, t.a.p., 12 en op meerdere plaatsen; Groot Register der H. Familie (inv. nr. 744) en Register van overleden leden en weldoeners (inv. nr. 752).
(30) GAT, Parochiearchief 't Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 108.
(31) GAT, t.a.p., 113.
(32) GAT, Parochiearchief 't Heike, Archief Mariacongregatie, Akte van canonieke oprichting (inv. nr. 726); Boek der verkiezingen (inv. nr. 728); Kleine katechismus der Mariacongregatie (inv. nr. 735); Parochiearchief 't Goirke, Archief Mariacongregatie, Akte van canonieke oprichting (inv. nr. 641); Register betreffende de geschiedenis (inv. nr. 642).
(33) B. de Groot, De Mariacongregatie, in: B. de Groot (e.a.), , II (Tilburg 1933), 11-63.R.K. Jeugdbeweging in Nederland
(34) ACSSR Wittem, Missiekroniek 's-Hertogenbosch (inv. nr. 178), 143; GAT, Parochiearchief 't Goirke, Registrum Memoriale (inv. nr. 6), 73-74.
(35) Rooijakkers, a.w., 570.
(36) ACSSR Wittem, Missiekroniek 's-Hertogenbosch (inv. nr. 178), 72-73, 143, 246-247.
(37) De Waard, a.w., 16-18.
(38) Rooijakkers, a.w., 406-416.
(39) P. Spapens, Vrouwke, 't is vastenaovond. De geschiedenis van vier eeuwen vastenavond en carnaval in Tilburg (Tilburg 1996), 19. In de beschrijving van de geruchtmakende viering in 1857 is de auteur minder zorgvuldig.
(40) GAT, Parochiearchief 't Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 23-24.
(41) T.a.p., 22, 24, 26.
(42) BAH, Ingekomen brieven, Van Heck aan Zwijsen, 19 februari 1857; Van Schijndel aan Zwijsen, vrijdag 1857.
(43) GAT, t.a.p., 27.
(44) T.a.p., 30.
(45) ACSSR Wittem, Missieverslagen 's-Hertogenbosch (inv. nr. 178), 27-28; Kroniek van de Provincie (inv. nr. 884), 37-38.
(46) GAT, t.a.p., 32, 33, 36.
(47) T.a.p., 25, 33.
(48) T.a.p., 37, 47.
(49) Spapens, a.w., 28 e.v.
(50) GAT, t.a.p., 36, 39, 40, 42.
(51) T.a.p., 59, 61.
(52) T.a.p., 61, 62.
(53) T.a.p., 63, 64.
(54) ACSSR Wittem, Kroniek van de Provincie (inv. nr. 884), 44.
(55) GAT, t.a.p., 62; P. Kaashoek, 150 Jaar Koninklijke Liedertafel Souvenir des Montagnards 1845-1995 (Goirle 1995), 1-7.
(56) GAT, t.a.p., 83.
(57) T.a.p., 41.
(58) T.a.p., 86.
(59) T.a.p., 85.
(60) T.a.p., 98, 99.
(61) T.a.p., 118. Over Verbunt: 90-93. Zie ook: Over en uit. Gemeentepolitie Tilburg (Tilburg 1993), 12-13.
(62) GAT, t.a.p., 119, 122.
(63) T.a.p., 123.
(64) T.a.p., 123; over het spoor: 73, 151.
(65) T.a.p., 154.
(66) T.a.p., 159.
(67) GAT, t.a.p., 160; Notulen van de Raad, 14 augustus en 19 september 1865, 4 september 1866.
(68) GAT, Parochiearchief 't Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 160.
(69) T.a.p., 171.
(70) Spapens, a.w., 37-38.
(71) Rooijakkers, a.w., 387 e.v.
(72) A.w., 374.
(73) GAT, t.a.p., 52; Peijnenburg, a.w., 43.
(74) GAT, t.a.p., 90, 120, 128, 154; Dagboek Van der Lee (inv. nr. 253), 39.
(75) GAT, Dagboek, 56.
(76) GAT, Parochiearchief 't Heike, Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 68, 98, 116-117; Dagboek Van der Lee (inv. nr. 253), 36.
(77) Rooijakkers, a.w., 294-298; H. van Dooremalen, 'Sociale onrust, aktie en vroege organisatievormen onder de arbeidende bevolking in Tilburg 1825-1875', in: De Lindeboom, jaarboek VI (1982), 115-134; Idem, "De plaats is op deze oogenblik in oproer". De rellen op Veldhoven in 1858, in: Tilburg, jrg. 3 (1985), nr. 1, 7-12. Van der Lee besteedde ook aandacht aan dit conflict. Zijn visie zal ik een volgende publicatie bespreken.
(78) GAT, t.a.p., Annalen van de H. Familie (inv. nr. 753), 36; Collectie Jacobs, Herinneringen van een oud-Tilburger (inv. nr. 370, 75), 5-6.
(79) Rooijakkers, 'Opereren op het snijpunt van culturen: Middelaars en media in Zuid-Nederland', in: P. te Boekhorst (e.a., red), Cultuur en maatschappij in Nederland 1500-1850 (Meppel 1992), 245-283.
(80) Van Halen, t.a.p., 204.
(81) A. Thelen, 'Van katholieke sociale actie naar sociale actie van katholieken in Noord-Brabant', in: J. van Oudheusden (e.a., red.), Ziel en zaligheid in Noord-Brabant (Delft 1993), 318.
(82) Van Halen, t.a.p., 203-204.