![]() |
|||
![]() |
De kerkgebouwen van 't Goirke en 't Heike | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
De kerkgebouwen van 't Goirke en 't Heike |
|
Ondertitel: |
Een geschiedenis van architectuur en inventaris |
|
Auteur: |
drs. Joost van Hest |
|
THR |
Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen |
|
Nummer: |
9 (1997) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
51-69 |
Binnen de kerkelijke geschiedenis van Tilburg wordt een grote rol gespeeld door de aan de H. Dionysius van Parijs gewijde kerken van 't Goirke en 't Heike. Sinds de eerste helft van de 19de eeuw maken beide parochies gebruik van een kerkgebouw dat gebouwd werd volgens de eisen van het Koninklijk Besluit van 16 augustus 1824. Dit door koning Willem I genomen besluit leidde tot de bouw van de zogenaamde waterstaatskerken hetgeen betekende dat ten behoeve van nieuw te bouwen kerken een verzoek ter goedkeuring van de bouw gericht diende te worden aan de koning. Dit verzoek moest begeleid worden door een opgave van de bouwkosten alsmede van de inkomsten van de betreffende parochie of gemeente. De toegestuurde gegevens werden vervolgens bestudeerd door de ambtenaren van het Ministerie van Rooms-Katholieke en Hervormde Eredienst, die een financieel oordeel gaven. Daarnaast raakte ook het Ministerie van Waterstaat bij de kerkenbouw betrokken, omdat daar de deskundigen aanwezig waren die een oordeel konden geven over de ontwerptekening en het bestek. Door de toenemende betrokkenheid van dit ministerie kregen de nieuwe kerken de naam van waterstaatskerken. Deze situatie zou voortduren tot 1868 toen het Koninklijk Besluit ingetrokken werd.
De tegenwoordige kerken van 't Goirke en 't Heike geven door hun architectuur en inrichting een goed beeld van de ontwikkelingen in de vorige eeuw. De hoofdzakelijk classicistische stijl van de kerk van 't Heike (1826-1829) sluit aan bij de gebruikelijke vormgeving van waterstaatskerken. 't Goirke (1835-1839) werd uitgevoerd in neogotische stijl. Alhoewel deze stijl in de betreffende periode vooral in Engeland al grote betekenis had, was deze op het gebied van de Nederlandse kerkenbouw nog vrij ongebruikelijk. Vandaar dat gesproken mag worden van een tamelijk uitzonderlijke situatie toen bij de bouw van de Goirkese kerk gekozen werd voor een neogotisch ontwerp. De inrichting sluit in beide gevallen aan bij de neobarokke ontwikkelingen op het gebied van de kerkelijke beeldende kunst. Hierdoor werd voortgeborduurd op de vormgeving van het kerkelijke meubilair uit de voorgaande periodes.
In dit artikel zal ingegaan worden op de praktijk van de kerkelijke architectuur, beeldende en toegepaste kunst zoals die gezien kunnen worden aan de hand van de huidige en voorgaande kerkgebouwen van 't Heike en 't Goirke. Allereerst zal aandacht besteed worden aan de middeleeuwse kerk van Tilburg en de ontwikkelingen die te volgen zijn tot aan de Reformatie. Een poging zal gedaan worden om tot een reconstructie te komen van de inrichting van de Tilburgse kerk. In het tweede gedeelte staat de schuilkerkenperiode centraal waarbij ook dan een reconstructie naar voren zal komen van het interieur van de betreffende kerken. In het derde gedeelte ligt de nadruk op de huidige waterstaatskerken en zal vooral ingegaan worden op de ontwikkelingen bij de totstandkoming van de Goirkese kerk.
De oudste kerk van Tilburg
De huidige parochies van 't Goirke en 't Heike vinden hun oorsprong binnen de parochie Tilburg die ontstaan is in de
Middeleeuwen.(1) Over het ontstaan van deze parochie alsmede de bijbehorende Dionysiuskerk kan niets met zekerheid gezegd worden. Ook over de vormgeving en inrichting van deze kerk is weinig bekend. Bekend is wel dat reeds voor 1400 een altaar aanwezig was dat toegewijd was aan Maria en de H. Catharina. De keuze voor Catharina is toe te schrijven aan de invloed van de norbertijnenabdij van Tongerlo waaronder de parochie ressorteerde. De norbertijnen hebben de Catharinadevotie sterk bevorderd. De ordestichter Norbertus zelf koos in 1128 Catharina als tweede patrones van het Lambertusaltaar in de kerk te Xanten. Ook gasthuizen voor reizigers en pelgrims werden door norbertijnen toegewijd aan de H.
Catharina.(2) Uitgegaan mag worden van het feit dat de eerste kerk van Tilburg gestaan heeft op de plek van de huidige Heikese kerk, maar door het gegeven dat er nooit bodemonderzoek gedaan is, is hierover niets met zekerheid
bekend.(3)
In 1430 begon men met de verbouwing en vergroting van de kerk. Er werden een zijkoor, zijkapellen en een nieuwe toren
gebouwd.(4) Dit project heeft vrij lang geduurd, want de nieuwbouw werd pas voltooid in 1483. Op 9 oktober van dat jaar (feestdag van de H. Dionysius) werd de kerk ingewijd. Elf jaar later schijnt er brand plaatsgevonden te hebben, waarna het gebouw hersteld moest worden.
Helaas zijn er geen afbeeldingen bekend van dit kerkgebouw. Er kan dan ook niets met zekerheid gezegd worden over de vormgeving, maar deze zal aangesloten hebben bij de gebruikelijke Kempisch-gotische vormentaal die ook bij andere Brabantse kerken gezien kan worden. Wel zijn er gegevens die een indruk geven van de inrichting. In totaal zijn er mogelijk veertien altaren aanwezig
geweest.(5) In het hoogkoor bevond zich vanzelfsprekend het hoogaltaar dat waarschijnlijk voorzien was van een voorstelling van de H. Dionysius. Voorts was het reeds gestichte Maria- en Catharina-altaar aanwezig. Tussen 1427 en 1436 werd een nieuw koor gebouwd aan de noordzijde van het reeds bestaande koor, waar een tweede Maria-altaar geplaatst werd. Vanaf de stichting van dit altaar zal het eerder genoemde Maria-altaar slechts Catharina-altaar genoemd worden. Vanaf 1436 wordt gesproken over een altaar dat toegewijd was aan de H.H. Johannes de Evangelist en Johannes de Doper. Dit altaar werd gesticht door jonkheer Gerardus Back. Vervolgens werd op 9 mei 1439 door Daniel de Scepper en zijn vrouw Elizabeth Wischaerts een altaar gesticht voor de H.H. Dymphna en Barbara. De stichters hadden hun vermogen vermaakt aan de Tilburgse H. Geesttafel onder voorwaarde dat deze het betreffende altaar zou
oprichten.(6)
Vanaf 1459 wordt gesproken over het altaar voor St.-Antonius, Rumoldus en Lucia. Margaretha en, wederom, Catharina kregen een gezamenlijk altaar in 1483 op initiatief van de broederschap van de H. Catharina. (Werd hierdoor het reeds bestaande Catharina-altaar vervangen?) Vanaf 1499 wordt gesproken over het Triniteitsaltaar. Reeds voor 1578 moet een Sacramentsaltaar aanwezig geweest zijn. Voorts wordt nog melding gemaakt van de altaren van de Zeven Weeën van Maria, het H. Kruis, St.-Petrus (reeds voor 1540), de Nood Gods (= identiek met het altaar van de Zeven Weeën?) en de H. Genoveva. Het merendeel van de altaren werd gesticht door broederschappen en particuliere personen, die aan hun altaren een 'beneficie' verbonden ten behoeve van de altaarbediening.

De oude Tilburgse parochiekerk op een aquareltekening door Roelof van der
Vleuten uit 1657. (Coll. Streekarchivariaat Oosterhout, Oud-archief Alphen,
inv. nr. II.87; foto RHC Tilburg).
De hier beschreven praktijk wijkt niet af van de gebruikelijke situatie bij de inrichting van kerkgebouwen in de late Middeleeuwen. De behoefte aan altaren voor broederschappen, gildes en particulieren kan overal gezien worden en leidde tot een ware hausse in de plaatsing van altaren binnen de kerken. Wanneer men ervan uitgaat dat de middeleeuwse kerk van Tilburg een vergelijkbare opbouw gekend heeft als de kerk die in 1657 door Roelof van der Vleuten via een aquarel afgebeeld werd en in 1790 nog eens vastgelegd werd via de tekeningen van Hendrik Verhees, dan had ook het 15de-eeuwse kerkgebouw aan de zuidzijde een reeks van zijkapellen. Hierdoor wordt aangesloten bij kenmerken die typerend zijn voor de gotische kerkenbouw in Brabant. De bouw van dergelijke kapellen in de late Middeleeuwen was een logisch gevolg van de enorme behoefte aan ruimte voor de verschillende altaren. Vaak sloten ze via steekkappen aan op het dak van het kerkschip. Voorts laten de genoemde afbeeldingen een transept zien, hetgeen ook te zien is op de sepiatekening door F.S. van omstreeks 1789.
Op de tekening die Verhees in 1790 maakte van de noordzijde van de kerk, is een lagere zijbeuk aanwezig. Ook de stilistische vormgeving van de altaren zal niet afgeweken hebben van de gebruikelijke praktijk en bepaald zijn geweest door houten retabels met gesneden of geschilderde voorstellingen. Voorts was in de kerk een oksaal aanwezig waarop de gebruikelijke figuren te zien waren van de twaalf apostelen. Een dergelijk oksaal kan het best vergeleken worden met het bewaard gebleven voorbeeld van de middeleeuwse kerk van Helvoirt, dat zich tegenwoordig bevindt in het Rijksmuseum te Amsterdam. Dit oksaal wordt gekenmerkt door een rijke opbouw met gotische details en een afsluitende lijst met nissen die bestemd waren voor de apostelenafbeeldingen en het beeld van de Salvator Mundi. Wat de middeleeuwse inventaris betreft, mag gesproken worden van een groot verlies toen de Tilburgse kerk zoals zo vele andere kerken in de 16de eeuw te lijden kreeg van de godsdiensttroebelen en oorlogshandelingen van de Tachtigjarige Oorlog, en haar inrichting grotendeels vernield moet zijn. Van de middeleeuwse inventaris van de Tilburgse kerk is helaas dan ook nagenoeg niets bewaard gebleven.
Een uitzondering dient gemaakt te worden voor een klein aantal objecten die tot het bezit behoren van de tegenwoordige Goirkese en Heikese kerk. Zo bevindt zich in de Goirkese kerk een hardstenen wijwatervat uit 1590 met de tekst 'Asperges me hyssopo et mundabor 1590'. Het object is nu in gebruik als doopvont en heeft mogelijk ook oorspronkelijk deze functie gekend. Het meubel bestaat uit een rijk gedecoreerd vat op een gewelfde voet die eveneens voorzien is van decoratie. De versiering is uitgevoerd in laagreliëf en heeft de vorm van rondbogen, godrons en loofwerk. Voorts bezit de Heikese kerk een tweetal koperen knoopkandelaars uit de 15de eeuw (in bruikleen bij het Museum voor Religieuze Kunst te Uden). De voet hiervan wordt gedragen door schilddragende leeuwtjes. Wanneer deze objecten behoord hebben tot de middeleeuwse inventaris van de parochiekerk van Tilburg, is er toch iets bewaard gebleven dat op tastbare wijze een idee kan geven van de inrichting van deze
kerk.(7)

Hardstenen wijwatervat uit de Goirkese kerk
met de tekst 'Asperges me hyssopo et mundabor
1590', vermoedelijk oorspronkelijk als doopvont
gebruikt. (Foto RHC Tilburg).
Nadat in 1595 de Tilburgse kerk ten gevolge van de oorlogshandelingen in brand gestoken was door Spaanse soldaten, dienden herstelwerkzaamheden plaats te vinden. De herstelde kerk behield haar Kempisch-gotische karakter, hetgeen blijkt uit de verschillende bewaard gebleven afbeeldingen. Naast de hierboven reeds genoemde voorbeelden mag gewezen worden op de prent van Jan de Beijer uit 1742 waarop de gotische toren met haar ranke spits en peervormige bekroning te zien is.
De kerk kreeg een nieuwe inrichting, die aangesloten zal hebben bij de vormentaal van na het Concilie van Trente (1545-1563). Deze herinrichting kan het best vergeleken worden met de nieuwe inrichting van de St.-Janskathedraal van Den Bosch na de brand van
1584.(8) In Den Bosch leidde dit in de vroege 17de eeuw tot de vervaardiging van het rijke oksaal en hoogaltaar waaraan verschillende vermaarde kunstenaars meewerkten; in Tilburg zal de artistieke betekenis van het nieuwe meubilair iets minder belangrijk geweest zijn maar toch ook een goede indruk gegeven hebben van de barokke vormentaal. Bekend is dat de Bossche schrijnwerker Hendrick Rutthen de opdracht kreeg om een hoogaltaar te maken naar het voorbeeld van het altaar in de Bossche dominicanenkerk. Hierop werd een schilderstuk geplaatst met de voorstelling van de H. Dionysius en St.-Joris. Dezelfde schrijnwerker kreeg bovendien de opdracht om een nieuw oksaal te ontwerpen.
Twee nieuwe glasramen kregen de afbeeldingen van St.-Sebastiaan en, wederom, St.-Joris. Voorts kwam omstreeks 1612 in het hoogkoor de graftombe te staan van Huijbert van Malsen, heer van Tilburg. Van de grafplaat op deze tombe weten we dat deze een vrij sober karakter gehad heeft. Op een bewaard gebleven sepiatekening is zichtbaar dat hierop alleen de graftekst met de verschillende wapenschilden te zien was. De plaat lag op een sokkel die op de hoeken geleed werd door leeuwen. Wederom moeten verschillende altaren aanwezig geweest zijn. Zo wordt in 1602 melding gemaakt van de aanwezigheid van een Maria-altaar tussen de beide koordeuren.(9) De herinrichtingswerkzaamheden konden in 1617 afgesloten worden met de consacrering van de nieuwe altaren door de Bossche bisschop Nicolaas van Zoes op 29 januari.(10)
Men heeft niet lang gebruik kunnen maken van het vernieuwde kerkgebouw. In 1632 werden ook in Tilburg de maatregelen genomen die ertoe moesten leiden dat de protestantse religie de boventoon zou voeren. De kerk werd ter beschikking gesteld van de protestantse ingezetenen. Met uitzondering van de tombe van Van Malsen werd de katholieke inrichting verwijderd. Hierna begon de periode van de schuilkerken.
De verschillende schuilkerken
Tijdens de schuilkerkenperiode in de 17de en 18de eeuw heeft men gebruik moeten maken van verschillende
cultusruimten.(11) Tussen 1650 en 1668 kerkte men in de grenskerk te Steenvoort onder Poppel binnen de katholieke Zuidelijke Nederlanden. In het gebouw moet de geest van de Contrareformatie opnieuw zichtbaar geweest zijn, want in ieder geval waren er zes gebrandschilderde ramen met de voorstellingen van de drie jongelingen in de vuuroven, St.-Joris, St.-Sebastiaan, het Laatste Avondmaal, de Annunciatie. Wat er op het zesde raam te zien was, is niet geheel duidelijk. Voorts wordt gesproken over de aanwezigheid van een oksaal en een miraculeus
Mariabeeld.(12)
Bewaard gebleven objecten uit deze periode zijn de verschillende voorbeelden van het kerkelijke vaatwerk. Zo bevinden zich binnen de inventaris van de tegenwoordige Heikese kerk nog steeds de zilveren kelk en dito tazza die door de bierbrouwer Petrus Wouterus Colen geschonken werden. Colen was provisor van de H. Geesttafel. Op beide objecten is het gegraveerde wapenschild te zien van de schenker. Op de tazza is voorts te lezen 'PEETER WOUTER COLEN/1665'. De kelk vermeldt slechts de initialen P en C. Beide objecten zijn uitgevoerd in de barok-classicistische stijl en hebben een vrij sober karakter. Ze zijn vervaardigd in Breda of Bergen op Zoom. Binnen de inventaris van de tegenwoordige Goirkese kerk bevindt zich de verguld zilveren monstrans die in 1661 geschonken was. De inscriptie aan de onderzijde van de voet vermeldt 'ECCLESIA TILBURGENSIS IN STEENVOORT AO 1661'. Het object werd vervaardigd in Antwerpen en is uitgevoerd in rijke barokstijl. Oorspronkelijk had hij de vorm van een cylindermonstrans, hetgeen nog aansloot bij voorgaande ontwikkelingen, maar later is hij omgevormd tot een stralenmonstrans. De iconografie van de beeldjes die zich boven de lunula bevinden, benadrukt het patronaatschap en de norbertijner status van het kerkgebouw: St.-Dionysius, Norbertus en Augustinus. Voorts is de Madonna afgebeeld.

Verguld zilveren monstrans uit 166. In het
midden een kapelletje met Maria en het Christusbeeld,
links een beeldje van de heilige Norbertus en rechts Augustinus. De voorstelling
van Dionysius,
die in 1971 nog aanwezig was, is verdwenen. Op de onderzijde staat de inscriptie
'Ecclesia
Tilburgensis
in Steenvoort anno 1661' (coll. kerk 't Goirke; foto Frans van Ameijde, 2001,
RHC
Tilburg).
Nadat men de verafgelegen kerk van Steenvoort verlaten had, kregen de Tilburgse katholieken de kans om in de bijgebouwen van het kasteel van Tilburg hun godsdienstoefeningen te houden. Voorts werd in 1691 een schuurkerk gebouwd voor de gelovigen in het zuidelijke, Heikese deel van het dorp. Deze werd in 1731 vervangen door een ruimer gebouw. De gelovigen in het noordelijke, Goirkese deel gingen vanaf 1715 gebruik maken van een eigen schuurkerk, die in 1724 instortte waarna men van de Staten-Generaal toestemming kreeg om een nieuwe schuurkerk te
bouwen.(13)
In 1797 werd de Tilburgse parochie gesplitst in de afzonderlijke parochies 't Heike en 't Goirke met ieder een eigen pastoor. De beide schuurkerken hadden, volgens de eisen van de protestantse bestuurders, een buitenzijde die in geen enkel opzicht aan een kerk deed denken. Voor het interieur kreeg men toestemming om een inventaris aan te schaffen, die toch nog enigszins een afspiegeling was van de contrareformatorische taal in de vrije katholieke wereld. Zo blijkt in 1724 dat zich aan de westzijde van het interieur van de Heikese schuurkerk een oksaal bevond. Men kreeg toestemming om twee vensters aan te brengen in verband met de lichtval op dit oksaal.(14) In mei 1757 wordt het verzoek gedaan voor het vernieuwen van de preekstoel op 't Goirke, hetgeen eveneens goedgekeurd wordt.(15)
Een jaar later wordt verzocht om het hoogaltaar in de Goirkese schuurkerk te mogen vergroten, daaraan pilaren toe te voegen en deze te mogen marmeren. Voorts wordt verzocht lijstwerk en bloemwerken (gesneden guirlandes JvH) te mogen vergulden. Tegelijkertijd verzoekt men een nieuw altaar te mogen plaatsen in de Heikese schuurkerk en ook dit te mogen marmeren en waar nodig te vergulden. Ook deze verzoeken worden
gehonoreerd.(16) In 1773 wordt gesproken over het opschuiven van de preekstoel, verschillende altaren, biechtstoelen en communiebank in verband met het verzoek om vergroting van de Goirkese schuurkerk. Voor 't Heike wordt een vergelijkbaar verzoek gedaan, waarbij eveneens gesproken wordt over de verplaatsing van het altaar, de preekstoel, biechtstoelen en communiebank. Voorts wil men aan het altaar pilaren
toevoegen.(17) 't Goirke doet in 1785 een verzoek om de houten 'stijl' rond het kleine altaar te mogen
vernieuwen.(18)
Concluderend kan gezegd worden dat de binnenzijde van de Tilburgse schuurkerken aansloot bij de algemene praktijk in de Noordelijke Nederlanden om het interieur van de katholieke bedehuizen zo goed als mogelijk een karakter te geven dat de kans gaf om toch nog een graantje mee te pikken van het triomfalisme van de katholieke kerk in andere delen van Europa. De barokke stijl waarin het meubilair uitgevoerd werd, kan het best vergeleken worden met de bewaard gebleven onderdelen van de voormalige kapel van het Amsterdamse Maagdenhuis. (Deze uit 1784-1788 daterende stukken bevinden zich tegenwoordig in het rijksmuseum Het Catharijneconvent te
Utrecht.)(19) Vervolgens dient nog gewezen te worden op de informatie die gewonnen kan worden uit de rapporten die in 1819 opgesteld werden door de Tilburgse architect J. Bakx. In het kader van het opmeten van de Goirkese schuurkerk ten behoeve van uit te voeren reparaties vermeldt hij dat zich in de kerk een hoogaltaar, een oksaal, drie biechtstoelen, een preekstoel en een communiebank bevinden. Er wordt gesproken over drie
altaren.(20)

Bewaard gebleven kerkelijk vaatwerk uit de Tilburgse
schuurkerken. Boven een zilveren straalmonstrans uit
1715 door de Bossche edelsmid Jacobus Smits (coll.
kerk Heike; foto Frans van Ameijde, RHC Tilburg);
onder barokke zilveren kelk, ca. 1700-1750 (coll. kerk
Goirke; een identieke kelk bevindt zich op 't Heike;
foto RHC Tilburg).
Van de bewaard gebleven objecten uit de Tilburgse schuurkerken kan ook nu vooral gewezen worden op het kerkelijke vaatwerk. Het tegenwoordige Heike bezit nog steeds de zilveren stralenmonstrans die in 1715 geschonken werd. Aanleiding zal de bouw van de Goirkese schuurkerk geweest zijn, in datzelfde jaar. Beide schuurkerken hadden nu de beschikking over een eigen monstrans. Het Heikese exemplaar draagt de inscriptie 'JOANNA BARTOLOMEUS VAN OERLE A 1715'. Het object werd gemaakt door de Bossche edelsmid Jacobus Smits en is in rijke barokstijl uitgevoerd. Uit 1700 dateert de barokke ciborie die de Bosschenaar Theodoor van Berckel vervaardigde en eveneens behoort tot de inventaris van de huidige Heikese kerk. Zowel 't Heike als 't Goirke bezit een identieke zilveren kelk van omstreeks 1700-1750 waarvan de voet, nodus en tegencuppa rijkelijk voorzien zijn van vruchtenmotieven, korenaren, druiventrossen en andere motieven. Voorts zijn de godslampen van beide schuurkerken bewaard gebleven. Het exemplaar van 't Goirke is vervaardigd door Matthias Suyskens uit Den Bosch en dateert van 1770. Het Heikese exemplaar werd door de Bosschenaar Franciscus Herle gemaakt in 1775. Naast een aantal kleine zilverobjecten bevindt zich op 't Heike voorts het missaal uit 1773, waarvan het zilverbeslag met de voorstellingen van Augustinus en Norbertus dateert uit 1777.
Wat de eigenlijke inrichting van de schuurkerken betreft, mag melding gemaakt worden van het 17de-eeuwse schilderij in het bezit van de Heikese kerk waarop de afbeelding te zien is van 'Johannes in disco'. Dit werk, uitgevoerd in olieverf op linnen, toont het afgehouwen hoofd van Johannes de Doper op een schotel en sluit aan bij de wijdverbreide devotie die samenhangt met de verering van de bewaard gebleven schedel van Johannes te Amiens. Mogelijk behoorde dit object tot de inventaris van de Heikese schuurkerk. Hetzelfde geldt voor het houten beeld van de H. Norbertus in de tegenwoordige Heikese kerk dat de heilige toont met de monstrans en een patriarchale kruisstaf. Waarschijnlijk dateert dit van voor de bouw van de huidige kerk. De tegenwoordige Goirkese kerk bezit twee houten beelden van Norbertus en Quirinus van omstreeks 1700-1750. Ook zij zullen een plaats gehad hebben in de schuurkerk. Quirinus verwees dan naar de devotiekapel die eertijds in het noordelijke gedeelte van Tilburg gestaan
heeft.(21) Uit het midden van de 18de eeuw dateert het houten Barbarabeeld, dat eveneens behoort tot de inventaris van de huidige Goirkese kerk.

Lindehouten beeld van de heilige Quirinus, vervaardigd
omstreeks 1700-1750. (Coll. kerk 't Goirke; foto
Frans van Ameijde, 2001, RHC Tilburg).
Tenslotte dient nog gewezen te worden op de orgels van de twee schuurkerken. Beide kerken kregen in 1803 een orgel dat afkomstig was uit de Zuidelijke Nederlanden. Het Goirkese exemplaar was afkomstig uit de Antwerpse kapucijnenkerk; het Heikese orgel stamde uit het klooster Roosendael bij Mechelen. Beide instrumenten werden na de bouw van de definitieve parochiekerken in de 19de eeuw overgebracht naar het nieuwe gebouw. Het Heikese orgel werd in 1918 uitgebreid. In de Goirkese kerk werd het orgel in 1903-1905
vernieuwd.(22)
De waterstaatskerken
Nadat in 1795 de Fransen de Noordelijke Nederlanden binnengevallen waren, herkregen de Nederlandse katholieken hun vrijheid. Als een gevolg hiervan werden zowel op 't Heike als 't Goirke pogingen gedaan om de schuurkerk te vervangen door een kerkgebouw dat de herwonnen status van het katholicisme zou
weerspiegelen.(23) 't Heike trachtte hiertoe de bestaande, door de protestanten genaaste kerk terug te krijgen. Pas na de Franse tijd, in 1821, kon dit via een besluit van koning Willem I gerealiseerd worden. Vijf jaar later werd begonnen met de afbraak van het vervallen gebouw (met uitzondering van de toren) en met de bouw van een nieuw godshuis. Deze waterstaatskerk werd uitgevoerd in de gebruikelijke classicistische stijl, waardoor de kerk aansloot bij ontwikkelingen die ook elders in het land gezien konden worden. De nieuwbouw werd voltooid in 1829. In de loop van de
hierop volgende decennia werd het interieur rijkelijk voorzien van meubilair waarbij in eerste instantie vooral de barokke stijl een grote rol speelde. Omstreeks de eeuwwisseling verschenen bovendien de onderdelen die uitgevoerd werden in de neorenaissancestijl. Zowel de barok als de neorenaissance sloot volledig aan bij het voorname classicistische karakter van het gebouw.
Ook op 't Goirke kreeg men de kans om een nieuwe kerk neer te zetten. Net als op 't Heike was de oude schuurkerk die te zeer herinnerde aan de onderdrukkingsperiode dringend aan vervanging toe. Desalniettemin had het gebouw inmiddels ook aan de buitenzijde het karakter van een kerkgebouw gekregen. In 1814 was op de kerk een koepeltje geplaatst, dat in 1819 veranderd werd in een toren waarin drie klokken gehangen werden. In 1815 werd bovendien een uurwerk geplaatst, dat vijftien jaar later vervangen werd door een uurwerk van de Goirkenaar J.
Broeders.(24) Het totale karakter echter bleef dat van een armoedige schuurkerk en ook het Goirkese kerkbestuur wilde gebruikmaken van de kansen om een imposant nieuw gebouw te realiseren. Een opvallend gegeven is de rol die hierbij gespeeld werd door kroonprins Willem, de latere koning Willem II. Een en ander dient gerelateerd te worden aan zijn Tilburgse verblijf tijdens de 'status quo'-toestand in de strijd tegen de Belgen (1830-1839). Voorts had hij een sterke voorliefde voor de Brabantse stad, die er zelfs toe zou leiden dat hij Tilburg tot een van zijn belangrijkste residenties uitkoos.
De oudst bekende afbeelding van de kerk van 't Goirke.
Fragment van een schilderij waarop pastoor W. van de
Ven staat afgebeeld, omstreeks 1840. (Coll. kerk 't Goirke;
foto RHC Tilburg).
In 1834 werden door het kerkbestuur van 't Goirke verschillende rekesten ingediend bij koning Willem I ten behoeve van de bouw van een nieuwe kerk. Telkens zonder succes. Kroonprins Willem, die als opperbevelhebber van de Nederlandse troepen sedert 1831 in het Tilburgse hoofdkwartier verbleef, had reeds een bezoek gebracht aan de schuurkerk op 't Goirke. Hij stelde voor om een nieuw verzoek in te dienen, waarbij hij zelf zou bemiddelen bij zijn vader. Uiteindelijk werd het verzoek op 28 november 1834 goedgekeurd. Opmerkelijk was de hoogte van het bedrag:
f 25.000.(25) De subsidiebedragen voor de nieuwbouw van kerken waren gewoonlijk veel lager en gingen niet hoger dan
f 15.000. 't Heike had in 1826 een uitzonderlijke subsidie gekregen van f
20.000.(26) Deze situatie geeft al aan dat Willem een grote rol gespeeld moet hebben bij de besprekingen die leidden tot de subsidiehonorering voor 't Goirke.
De bouw werd uitgevoerd door H. Essens uit Oisterwijk onder toezicht van het Ministerie van Waterstaat in de persoon van E. de Kruiff en E. Ridder van
Rappard.(27) Essens, die in 1776 geboren was te Oirschot, noemde zich Opziener van Publieke Werken. In 1839 zou hij het grootseminarie te Haaren bouwen met de bijbehorende (en later vervangen) kapel. In 1845 overleed hij te
Oisterwijk.(28) De eerste steen voor de Goirkese kerk werd gelegd op 19 augustus
1835.(29)
Behalve over de hoogte van het subsidiebedrag mag over een tweede opmerkelijk gegeven gesproken worden in de zin van de stilistische vormgeving van het gebouw, namelijk de neogotiek. Deze stijl zou pas omstreeks 1850 de toonaangevende stijl worden van de katholieke kerkenbouw. Tot aan die tijd is slechts een gering aantal voorbeelden op te noemen van kerkgebouwen met neogotische kenmerken. Zo werd in 1827 te Amsterdam aan de Groenburgwal de Engels Episcopaalse kerk gebouwd die spitsboogvensters en veelhoekige torentjes meekreeg. In de jaren '30 kregen ook de katholieke kerkjes van Soesterberg en Enschede neogotische
details.(30) Tezamen met andere, beperkte voorbeelden kan gezegd worden dat de betreffende gebouwen in feite een classicistisch karakter bleven houden, waarbij alleen neogotische details zoals spitsboogvensters gehanteerd werden.
De Goirkese kerk werd gebouwd in de vorm van een basilicaal gebouw dat eveneens voorzien werd van spitsboogvensters. De basilicale opbouw sloot aan bij ontwikkelingen die ook binnen de Middeleeuwen gevolgd kunnen worden en week af van het hallenkerkentype, dat gewoonlijk gehanteerd werd bij waterstaatskerken. Het schip kreeg een zadeldak met een reeks van dakkapellen, maar de zijbeuken werden overkapt met steekkappen in de vorm van dwarsgeplaatste schilddaken. Hierdoor ontstond het effect van een reeks van zijkapellen zoals dat binnen de Kempische Gotiek een rol gespeeld had en ook aan de zuidzijde van de inmiddels vervangen Heikese kerk het geval geweest was. De steekkappen zijn helaas bij de verbouwing in 1902-1903 vervangen door lessenaarsdaken met dakkapellen. Het interieur werd overkluisd met kruisribgewelven (in de zijbeuken later vernieuwd). Deze uit pleisterwerk en latjes vervaardigde gewelven sloten aan bij de ontwikkelingen van de stucadoorsgotiek zoals die ook gezien kon worden bij het bekende voorbeeld van de inmiddels gesloopte nieuwe St.-Eusebiuskerk te Arnhem uit 1864-1865.(31)
De Goirkese kerk direct na
de verbouwing in
1902-1903. (Coll. RHCT).
Het was juist deze neogotiek die door de architect Pierre Cuypers veroordeeld zou worden omdat hij de nadruk legde op de middeleeuwse praktijk van gemetselde gewelven. Het schip van de Goirkese kerk werd voorzien van een driedelige wandopstand met een eenvoudig triforium. Het enige classicistische karakter was zichtbaar in de opbouw van de voorgevel. Deze bestond uit een sobere façade van drie bouwlagen met een middenrisaliet en mondde uit in een halsgevel met torenbekroning. De toren had de vorm van een veelhoekig paviljoen met koepel en lantaarnbekroning. De gevelvelden werden echter geleed door blinde spitsboognissen. Ook de boogopeningen van de toren hadden de vorm van spitsbogen. Ook deze opbouw is in 1902-1903 veranderd toen de voorgevel een zuiver neogotisch karakter kreeg. De koepeltoren werd toen vervangen door een, inmiddels alweer verdwenen, neogotische spits, en op de plaats van de twee ingangsportalen aan weerskanten van de hoofdingang kwamen twee veelhoekige neogotische zijkapellen. Voorts werden verschillende neogotische details toegevoegd (waarvan verschillende elementen eveneens verdwenen zijn). De vernieuwing van de voorgevel toont overeenkomsten met de neogotische verbouwing van de voorgevel van de Heikese kerk in 1894-1895, waar de ingangsportalen op een vergelijkbare manier vervangen werden door monumentale veelhoekige zijkapellen. De verandering op 't Goirke zal zeker geïnspireerd zijn door dit voorbeeld.
Stilstaande bij de keuze voor de neogotische stijl bij de bouw van de nieuwe Goirkese kerk is het niet ondenkbeeldig dat kroonprins Willem ook hierbij een grote rol gespeeld heeft. Mede gezien de uitzonderlijke hoogte van het subsidiebedrag alsmede de persoonlijke voorkeur van Willem voor de neogotiek heeft hij waarschijnlijk bij het kerkbestuur bedongen dat het nieuwe gebouw uitgevoerd zou worden volgens de vormentaal van deze stijl. In dit opzicht is het van belang om in het kort stil te staan bij de persoon van de latere koning Willem II en de belangstelling die hij op bouwkundig gebied naar voren gebracht
heeft.(32)
Al tijdens zijn jeugd en studietijd in Engeland ontplooide hij een sterke interesse voor de architectuur. In 1809-1811 studeerde hij rechten aan Christ Church te Oxford. In Engeland is de discussie omtrent de betekenis van de gotiek dan in volle gang, hetgeen zou leiden tot tal van publicaties. Reeds in 1749-1777 had Horace Walpole zijn neogotische buitenhuis Strawberry Hill te Twickenham laten
bouwen.(33) In 1796-1812 liet William Beckford het buitenhuis Fonthill Abbey bouwen, dat uitgevoerd werd in de stijl van de
Tudorgotiek.(34) In beide gevallen gaat het om projecten die aansluiten bij de romantische fase van de neogotiek zoals die in de loop van de 18de eeuw in Engeland ontwikkeld werd. Beide projecten hadden zeer veel succes. Het is niet onwaarschijnlijk dat kroonprins Willem deze huizen bezocht heeft. Mogelijk heeft hij contact gehad met Beckford, die net als Willem bepaald werd door een romantische geest en in 1780 in Brabant geweest
was.(35)
Voorts kan gewezen worden op het Syon House, het grote buitenhuis van de hertogen van Northumberland buiten Londen. Ook dit neogotische huis kan Willem gezien hebben. Opmerkelijk zijn de overeenkomsten met het paleis dat hij later als koning zou laten bouwen te Tilburg (1847-1849). Voorbeelden die de kroonprins met zekerheid gezien heeft zijn de neogotische Tom Tower die Christopher Wren in 1681-1682 bouwde boven de toegangspoort van Christ Church te Oxford alsmede de middeleeuwse onderdelen van dit college. Hiervan was de vermaarde Hall van Hendrik VIII de inspiratiebron voor de Gotische Zaal die Willem II tezamen met andere onderdelen in 1840-1849 liet bouwen als uitbreiding van het Haagse paleis aan de Kneuterdijk. Concluderend kan gezegd worden dat de kroonprins de kans had om zich in Engeland goed op de hoogte te stellen van de verschillende ontwikkelingen die samenhingen met een romantische kijk op de Middeleeuwen.
Toen hij in 1840 eenmaal koning geworden was ontplooide hij een bouwpolitiek die ertoe moest leiden dat zowel zijn Haagse alsook zijn Tilburgse residentie gekenmerkt zou worden door verschillende neogotische bouwwerken. Behalve de uitbreidingen van het paleis aan de Kneuterdijk bouwde hij te Den Haag in 1846 de neogotische stallencomplexen waarin later de Willemskerk gevestigd werd (tegenwoordig kantorencomplex). In Tilburg bouwde hij het reeds genoemde paleis dat kort na zijn dood in 1849 voltooid werd. Schuin hiertegenover liet de koning bovendien de intendantswoning neerzetten die op een vergelijkbare manier uitgevoerd werd (in
1963 gesloopt).
Dat de protestantse kroonprins Willem zich betrokken voelde bij de nieuwbouw van een katholiek kerkgebouw is niet merkwaardig te noemen. De latere koning had een romantisch getinte belangstelling voor het katholicisme en voelde zich zeer thuis bij de katholieke bevolking in Brabant. In Tilburg had hij vriendschappelijk contact met de pastoor die sedert 1832 aan 't Heike verbonden was, Joannes Zwijsen. Voorts toonde hij ook op internationaal gebied zijn belangstelling voor katholieke kerkgebouwen door financiële steun te verlenen aan de afbouw van de middeleeuwse Dom van Keulen en bij te dragen in de herbouw van de afgebrande St.-Paulus-buiten-de-muren te Rome. De verbondenheid met Tilburg resulteerde in de verwezenlijking van enkele van zijn neogotische dromen. Dat hij bij de bouw van de Goirkese kerk een belangrijke rol gespeeld heeft in de stijlkeuze is dan ook geenszins ondenkbeeldig te noemen.
Net als de Heikese kerk kreeg ook het Goirkese godshuis een rijke inventaris, die in de loop van de 19de en 20ste eeuw tot stand kwam. Evenals die op 't Heike werd ook deze voor het merendeel uitgevoerd in de barokke stijl. Een verschil met 't Heike is dat dit meubilair juist niet aansloot bij de stijl van het betreffende gebouw. In dit opzicht bleven de Goirkese kerkbestuurders vrij traditioneel van smaak. Dat hun hierin niets te verwijten viel, hing vooral samen met het feit dat de ateliers voor kerkelijk meubilair in de eerste helft van de 19de eeuw nog voornamelijk gericht waren op de barok. Ook de verwijzing naar de triomfantelijke stijl van de Contrareformatie zal nog de doorslag gegeven hebben. Pas door de reeks van beelden langs de pijlers van het middenschip (ca. 1850-1875) alsmede de twee zij-altaren van Maria en de H. Familie (omstreeks 1900) kwam de neogotiek ook binnen de inventaris op een krachtige manier tot uiting.
In 1938 werd begonnen met de grootscheepse verbouwing van de Goirkese kerk. In eerste instantie werden een nieuw koor, een transept, een kolossale vieringstoren en verschillende bijruimtes gebouwd. De vernieuwingen werden uitgevoerd volgens de stijlvormen van de Delftse School. Het was de bedoeling dat ook het schip vernieuwd zou worden. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog heeft dit voorkomen en ook na de oorlog werd dit plan niet uitgevoerd. Hierdoor is het schip van de Goirkese kerk te Tilburg een van de oudste voorbeelden van de neogotische ontwikkelingen binnen de Nederlandse kerkenbouw en legt het bovendien getuigenis af van de betrokkenheid van kroonprins Willem bij de katholieke bevolking van Tilburg en zijn voorliefde voor de neogotiek.
Noten
(1) De hierna volgende gegevens over de geschiedenis van de parochie Tilburg en haar kerk en inrichting zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan: G.J.W. Steijns, 'De geschiedenis van de parochie Tilburg 't Heike', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 8, nr. 3 (Tilburg, 1990), p. 64
vv.
(2) P.C. Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg voor 1600', in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.),
Van heidorp tot industriestad (Tilburg, 1955), p. 82.
(3) Melding dient gemaakt te worden van de opzienbarende publicatie die hierover onlangs verschenen is: J. Trommelen, 'De oude kerk van Tilburg', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 15, nr. 1 (Tilburg, 1997), p. 3
vv.
(4) Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', p. 83.
(5) De hierna volgende gegevens over de verschillende altaren zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan: Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', p. 82 vv. Gewezen dient te worden op de publicatie over de Tilburgse kerk die in september 1997 gedaan zal worden door J. Trommelen in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur. Ook hierin zal ingegaan worden op de verschillende altaren in de kerk.
(6) L. Kruijff, 'Stichting van een altaar, gewijd aan de H. Maagden Dympna en Barbara, in de parochiekerk van Tilburg 9 dec. 1439', in: F. Franssen en Th. Goossens (red.),
Bossche bijdragen. Bouwstoffen voor de Geschiedenis van het Bisdom
's-Hertogenbosch, deel VI (St.-Michielsgestel, 1924), p. 212 vv.
(7) Gegevens over de inventaris van de huidige kerken van 't Goirke en 't Heike zijn ontleend aan de inventarislijsten van het bisdom Den Bosch zoals die werden samengesteld door G. Vrins:
Inventaris van het kerkelijk kunstbezit van de parochie van de H. Dionysius ('t Goirke) te Tilburg,
1974; idem ('t Heike), 1979 (in beide gevallen ongepubliceerd).
(8) Zie hiervoor: A.M. Koldeweij, In Buscoducis 1450-1629. Kunst uit de Bourgondische tijd te 's-Hertogenbosch. De cultuur van late middeleeuwen en renaissance; catalogus van de tentoonstelling in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch (Maarssen/'s-Gravenhage, 1990).
(9) Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg', p. 83 (noot 24).
(10) C.J. Weijters, 'De parochie Tilburg en de abdij van Tongerlo', in: J.N.T. van Albada en J.A.J. Becx (red.),
De Lindeboom, jaarboek II (Tilburg, 1978), p. 22.
(11) Ook voor de schuilkerkenperiode zijn gegevens gehanteerd die, tenzij anders vermeld, te vinden zijn in: Steijns, 'De geschiedenis van de parochie Tilburg 't Heike', p. 70
vv.
(12) Weijters, 'De parochie Tilburg', p. 35.
(13) Zie voor de ontwikkelingen in 1724: Archief parochie Tilburg (inv. nr. 10) = resolutie Staten-Generaal 22 september 1724 (coll. Gemeentearchief Tilburg, in het vervolg af te korten als GAT).
(14) Archief parochie Tilburg (inv. nr. 9) = resolutie Staten-Generaal 26 juni 1724 (coll. GAT).
(15) Archief parochie Tilburg (inv. nr. 12) = resolutie Staten-Generaal 31 mei 1757 en 13 juni 1757 (coll. GAT).
(16) Archief parochie Tilburg (inv. nr. 13) = resolutie Staten-Generaal 5 mei 1758 en 23 mei 1758 (coll. GAT).
(17) Archief parochie Tilburg (inv. nr. 15) = resolutie Staten-Generaal 14 september 1773 (coll. GAT).
(18) Archief parochie Tilburg (inv. nr. 16) = resolutie Staten-Generaal 2 maart 1785 (coll. GAT).
(19) Zie hiervoor: Rijksmuseum Het Catharijneconvent; catalogus van het museumbestand (Haarlem, 1983), p. 87.
(20) H.M.A. van Venetië, 150 Jaar Goirkese kerk, van schuurkerk tot schatkamer (Tilburg, 1989), p. 10-11.
(21) L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het Bisdom 's-Hertogenbosch, 5 delen (St.-Michielsgestel 1870-1876); Tilburg: dl.5, p. 710-711.
(22) Zie voor het Goirkese orgel: Van Venetië, 150 Jaar Goirkese
kerk, p. 19-20. Zie voor het Heikese orgel: Joost van Hest, 'De huidige kerk van 't Heike', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 8, nr.3 (Tilburg, 1990), p. 85.
(23) Zie voor de Heikese gegevens: Van Hest, 'De huidige kerk van 't Heike', p. 81 vv. Voor de Goirkese gegevens is, tenzij anders vermeld, gebruikgemaakt van: Van Venetië,
150 jaar Goirkese kerk, p. 11 vv.
(24) Archief parochie H. Dionysius Goirke (inv. nr. 6-7) = Registrum Memoriale, p. 5-6 (coll. GAT).
(25) Idem.
(26) Zie voor de hoogte van de subsidiegelden voor nieuw te bouwen kerken: H.M.A. van Helvoort,
Bijdragen tot een studie van de rooms-katholieke waterstaatskerken in het bisdom van 's-Hertogenbosch (Nuland/'s-Hertogenbosch, 1985), p. 82 vv. (ongepubliceerd).
(27) Archief parochie H. Dionysius Goirke (inv. nr. 6-7) = Registrum Memoriale, p. 5-6 (coll. GAT).
(28) Van Helvoort, Bijdragen, p. 71.
(29) Actum Tilliburgis, jrg. 12, nr. 1 (Tilburg, 1981), p. 2 vv. (= Monumentenlijst Gemeente Tilburg).
(30) H.P.R. Rosenberg, De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland ('s-Gravenhage, 1972), p. 29.
(31) Idem, p. 118 (nr. 37).
(32) Zie voor de gegevens over Willem II en de door hem gerealiseerde projecten: Ronald Peeters,
Koning Willem II en Tilburg (Tilburg, 1987); Wim Meulenkamp, 'Willem II en zijn projecten in Den Haag en Tilburg', in:
Maatstaf, jrg. 40, nr. 11/12 (1992), p. 145 vv.; M.C. van Hövell tot Westerflier-Speyart van Woerden, C.J. van der Peet, G.H. Steenmeijer, '1795-1850 Onwennigheid troef', in: C.J. van der Peet en G.H. Steenmeijer (red.),
De rijksbouwmeesters (Rotterdam, 1995), p. 49 vv.
(33) H.W. Janson, Wereldgeschiedenis van de kunst (Den Haag z.j.), p. 561.
(34) D. Watkin, De westerse architectuur. Een geschiedenis (Nijmegen, 1994), p.340-341.
(35) Meulenkamp, 'Willem II en zijn projecten', p. 152.










