![]() |
|||
![]() |
Andreas van den Boer (1841-1917) | ||
![]() |
|||
|
Titel: |
Andreas van den Boer (1841-1917) |
|
Ondertitel: |
De 'heilige' frater |
|
Auteur: |
drs. fr. Ben Westerburger |
|
THR |
Godsvrucht en deugdzaamheid. Godsdienst en kerk in Tilburg door de eeuwen heen |
|
Nummer: |
9 (1997) Tilburgse Historische Reeks |
|
Pagina’ s: |
170-189 |
Frater Andreas is tachtig jaar na zijn dood nog voor velen een bekend persoon. Hij trad in Tilburg in de congregatie van de fraters en werkte ruim vijftig jaar op het instituut Ruwenberg te St.-Michielsgestel als onderwijzer en leraar. Vijf jaar voor zijn dood keerde hij naar Tilburg terug. Hij deed tijdens zijn leven geen spectaculaire dingen maar werd bemind en bewonderd door zijn omgeving om zijn vriendelijkheid, eenvoud en toewijding. Zo zelfs dat onmiddellijk na zijn dood velen aandrongen een proces te beginnen voor zijn zaligverklaring. Nog steeds zijn velen door zijn persoon geïmponeerd.
Zijn leven valt samen met een tijdsperiode die, onder andere in Brabant, gekenmerkt werd door een sterk katholiek reveil. Ook Andreas heeft daaraan, met vele anderen, zijn bijdrage geleverd.
Herstel van katholiek Brabant in de negentiende eeuw
De Franse Revolutie had in Europa grote veranderingen gebracht. De landsgrenzen waren veranderd en vorstenhuizen verdwenen. Op politiek, religieus, kerkelijk en economisch terrein moesten nieuwe invullingen worden gevonden. Zoals elders waren in Brabant veel abdijen en kloosterorden verdwenen. In 1810 waren er in Nederland nog maar vijftien kloosters, alle in Brabant gelegen. De parochiegeestelijkheid was in aantal uitgedund en dikwijls slecht opgeleid.
Geestelijk en moreel verval en ook sociaal wangedrag kwamen onder de bevolking veel voor. Degenen die zich voor de wederopbouw verantwoordelijk voelden, stond weinig anders te doen dan met het noodzakelijkste te beginnen. En het waren dikwijls de geestelijken die door hun opleiding en positie in staat waren leiding te geven. Het gevolg was dat de opbouw in het katholieke Brabant sterk gericht was op de eigen confessionele groepering, waarbij de geestelijkheid de touwtjes strak in handen hield en de verbeterde omstandigheden aanwendde om de verloren invloed van clerus en kerk terug te winnen.
De 19de eeuw is een tijd geweest waarin de katholieken zich vooral kerkelijk organiseerden. Onder invloed en bestuur van bisschoppen en priesters werd niet alleen het godsdienstige, maar ook het sociale leven steeds meer in kerkelijke verbanden gebracht. De emancipatie van de katholieken werd daardoor een beweging die niet leidde tot grotere individuele zelfstandigheid en vrijheid, maar een tamelijk strak regime bracht, waardoor de katholieke bevolking in haar optreden sterk afhankelijk werd van het kerkelijk gezag. Men voelde zich er wel veilig bij, want er was geen alternatief.
Problemen in het onderwijs
De toestand van het onderwijs in Brabant was zorgwekkend. Jaarlijks kwamen duizenden kinderen de grote groep onwetenden en analfabeten versterken. Voor de katholieken was ook het gebrek aan godsdienstonderwijs een probleem.
In de grotere dorpen en steden waren wel enkele openbare scholen, maar ze werden door weinig kinderen bezocht. Om in de meestal grote gezinnen het hoofd boven water te kunnen houden, werd de jeugd zo gauw mogelijk aan het werk gezet, thuis op de boerderij, of in de stad bij de huis- of fabrieksindustrie. Kinderarbeid was dan ook heel algemeen.
De gemeentebesturen hadden weinig geld om iets voor het onderwijs te doen en de onderwijzers werden slecht betaald. De schoollokalen waren armoedig en het aantal kinderen waarvoor een enkele onderwijzer beschikbaar was, kwam meermalen boven de honderd. Sinds de onderwijswet mocht in de openbare scholen niet meer worden gebeden of godsdienstonderwijs gegeven worden. Ook niet in het geval dat praktisch alle leerlingen en onderwijzers katholiek waren. De schoolboeken werden geschreven door protestantse schoolopzieners en waren voor de katholieken een
ergernis.(1)
Pogingen om verbetering te brengen
Hier en daar hadden zich in Noord-Brabant enkele groepen nonnen gevestigd die uit Frankrijk verdreven waren. Zij begonnen met het oprichten van kleine kosthuizen en schooltjes. Dat initiatief werd spoedig overgenomen als een oplossing om het onderwijs te verbeteren. Meestal gebeurde dat door de pastoors, die vrouwen samenbrachten in huizen van waaruit zij godsdienstonderricht gaven of kleine schooltjes verzorgden.
Zorgvuldig werd ervoor gewaakt hen religieuzen te noemen of aan hun identiteit en activiteiten ruchtbaarheid te geven.
In korte tijd ontstonden zo op veel plaatsen dergelijke verenigingen, die in werkelijkheid nieuwe religieuze congregaties waren.
Hun oprichters bedoelden aanvankelijk alleen een voorziening te treffen voor de eigen parochie, maar de nieuwe congregaties breidden zich door afsplitsing en nevenstichtingen snel uit. Het werd een netwerk waarin op den duur alle grotere dorpen en steden werden opgenomen. Na 1820 ontstonden in korte tijd ruim dertig van deze congregaties die zich richtten op het onderwijs of de zorg voor gehandicapten en de verpleging van geestelijk of lichamelijk zieken. Het aantal van deze actieve congregaties zou in Nederland tot over de honderd groeien.
Gedurende tachtig jaar gaven vele daarvan, met nauwelijks enige subsidie, een belangrijke bijdrage aan de opbouw van het onderwijs voor de katholieke jeugd.
De aanpak van pastoor Zwijsen in Tilburg
Joannes Zwijsen, pas benoemd als pastoor van de parochie 't Heike, stichtte voor zijn parochie een congregatie voor vrouwen. Hijzelf zegt daarover: 'In 1832 Pastoor dezer parochie zijnde, besloot ik een gesticht van liefdadigheid, uitsluitend in het belang der arme kinderen mijner parochie, die geen gelegenheid hadden eenig onderrigt te ontvangen, op te rigten. Ik had niets anders op het oog, dan het oprigten eener school, waarin die arme kinderen zouden onderwezen worden in lezen, schrijven, naaijen en breijen. Met dit doel werd een huis opgerigt voor dertien zusters; en door het kerkelijk gezag was bepaald, dat er nooit meer dan dertien Zusters zouden worden
aangenomen.'(2)
Hoewel pastoor Zwijsen probeerde om de uitbreiding van zijn kleine congregatie te voorkomen, lukte hem dat niet. Binnen enkele jaren kwam toch de groei en breidde de groep zusters zich snel uit. De doelstelling was daarna niet alleen meer het geven van onderwijs, maar ook het verplegen van zieken en de opvoeding van meisjes in pensionaten.
Zwijsen, die intussen bisschop was geworden, wilde al geruime tijd ook voor de Tilburgse jongens betere onderwijsvoorzieningen treffen. Door een samenloop van omstandigheden werd het plotseling mogelijk dat verlangen in daden om te zetten.
In Tilburg hadden de zusters namelijk ook de zorg voor een weeshuis voor jongens en meisjes. Toen deze kinderen echter ouder begonnen te worden, zorgden vooral de grotere jongens voor problemen. Toen bij het overlijden van een zuster een flinke som geld als erfenis achterbleef, zag Zwijsen zijn kans en hij beloofde de zusters van de weesjongens te verlossen als hij de erfenis kreeg om een groep mannelijke religieuzen te stichten.
Zo kwam in 1844 de stichting van de congregatie van de fraters tot stand onder de titel Fraters van Onze Lieve Vrouw Moeder van
Barmhartigheid.(3)
Het werk van deze congregatie van fraters bestond hoofdzakelijk in het geven van onderwijs, hoewel de eerste stichting uiteraard een weeshuis was. Het onderwijs werd gegeven op
volksscholen voor lager onderwijs. Later kwamen daar het voortgezet onderwijs bij en de opleiding van onderwijsgevenden.
Vanaf het begin werd ook onderwijs gegeven aan jeugdige doven, spraakgebrekkigen, blinden, slechtzienden en zwakbegaafden. Naast de dagscholen waren er meerdere scholen met een internaat waar de leerlingen dag en nacht verbleven en waar zij ruimere mogelijkheden kregen voor hun vorming en opleiding. Op een dergelijk schoolinternaat heeft frater Andreas, over wie we hierna komen te spreken, bijna zijn hele leven doorgebracht.
Frater Andreas van den Boer
Jan van den Boer werd op 24 november 1841 te Udenhout geboren en daar als een van de eersten in de nieuwe kerk van Sint Lambertus gedoopt met de naam Johannes. De vader van Jan was Petrus van den Boer, die in 1825 huwde met Maria Bergmans. Zij vestigden zich op een pachthoeve aan de Houtsestraat te Udenhout. Uit het huwelijk van Petrus en Maria werden twee dochters en zes zonen geboren. Het gezin Van den Boer had een goede naam. Zij waren trouw aan hun godsdienstige plichten en hielpen de armen.
Een dorpsgenoot vertelt dat vader Van den Boer zijn kinderen erop uitstuurde om bij armen te gaan vragen om de kinderen naar school te sturen. Zeker kregen ze van hem dan ook geld om de noodzakelijke spullen voor het schoolbezoek te kunnen betalen. Eens kwamen de kinderen Van den Boer in een arm gezin waar zij zagen dat er alleen gekookte aardappelschillen opgediend waren. Die verdwenen zodra de kinderen binnenkwamen. Vader Van den Boer hoorde dat verhaal en zei: 'Dat gaat zo
niet!'(4) Hij zal het niet alleen bij deze woorden gelaten hebben.

Fr. Andreas van den Boer (1841-1917). (Coll. Frater Andreasbureau
Tilburg; foto RHC Tilburg).
Groeiende welstand betekende voor de boerengezinnen meestal wegtrekken naar een andere en betere plaats of naar een grotere boerderij. Het feit dat het gezin Van den Boer dat tweemaal deed, wijst erop dat de zaken vrij goed gingen.
De eerste verhuizing was van Udenhout naar Biezenmortel. Daar vestigde de familie zich in 1846 op een grote boerderij die de 'Slijkhoef' heette, maar die voor de kinderen wel een uur gaans van de school in Udenhout lag. In 1854 ging het huisraad weer op de kar al was de reis niet ver. Enkele kilometers verderop werd aan de Heikant het leven voortgezet op de Kerkhoef in Helvoirt. Jan ging in Helvoirt nog een jaar naar de openbare school van meester
Boset.(5)
Over de jeugd van Jan is weinig in herinnering gebleven. Toen na zijn dood getuigenissen over hem werden verzameld, waren er nog maar weinigen in leven die zich iets van die eerste jaren konden herinneren.
Zijn oudste broer Christ weet te vertellen, dat Jan van jongsaf een rustig en volgzaam kind was. Hij was eigenlijk niet zo'n 'werker' maar zat graag te lezen. Als hem echter gevraagd werd ergens mee te helpen, deed hij dat direct en hij probeerde het op zijn manier zo goed mogelijk te doen. Zo gauw als Jan uit school kwam was hij meteen weer met zijn schoolboeken bezig. Er stak volgens hem geen boer
in.(6) Een klasgenoot uit Helvoirt weet nog dat Jan heel mooi kon schrijven, maar dat hij verder niet boven de anderen uitstak. Hij was een ijverige, maar geen vlugge leerling.
Zijn kameraden vonden hem toen al bijzonder. Hij viel ook op bij zijn Helvoirtse schoolmeester, die veertig jaar later nog een schrift had dat Jan van den Boer bij hem op school gebruikte. Hij zei ervan: 'Ik bewaar dit altijd met eerbied, want die jongen is nu een heilige.'
De bijzondere gaven van Jan waren ook opgevallen aan de pastoor van Helvoirt, Wilhelmus Steijvers. Hij was een goede vriend van mgr. Zwijsen, die intussen op een landhuis in Helvoirt zijn bisschoppelijke residentie had, en hem al eens twee goede kandidaten voor zijn congregatie had bezorgd. Nu moedigde hij ook Jan van den Boer aan om dezelfde weg te gaan en Jan had best zin om te gaan studeren.
Na de zomervakantie van 1855 vertrok hij welgemoed naar Tilburg om daar bij de fraters de opleiding voor onderwijzer te gaan volgen. Op 14 oktober 1859 trad hij in bij de congregatie van de fraters onder de naam Andreas. Twee jaar later slaagde hij voor onderwijzer en werd hij aangesteld op het schoolinternaat Huize Ruwenberg te St.-Michielsgestel.
Het instituut Ruwenberg
Het kasteeltje Ruwenberg in St.-Michielsgestel was eigendom van het bisdom van 's-Hertogenbosch. Omdat de Ruwenberg en het kleinseminarie van het bisdom dicht bij elkaar lagen, wilde mgr. Zwijsen op de Ruwenberg een voorbereidende school stichten voor jongens die priester wilden worden. Dat was niet omdat er te weinig priesters waren, want het aanbod overtrof voorlopig nog de behoefte. Het ging er vooral om de toekomstige studenten een goede basis te geven voor een latere studie op het seminarie. De nieuwe stichting, die in 1852 tot stand kwam, werd bemand door fraters van zijn pas gestichte congregatie en bestuurd door een priester.
Toen frater Andreas er in 1861 aankwam, bestond de Ruwenberg nog geen tien jaar. Het instituut breidde zich zo snel uit dat er voortdurend moest worden aangepast en bijgebouwd om ieder een plaatsje te geven. Twaalf jaar na de stichting waren er al 200 leerlingen en was de communiteit uitgegroeid tot 37
fraters.(7)
Die snelle groei leverde problemen en spanningen op. De fraters die het personeel vormden, waren meestal nog erg jong, hadden geen ervaring met de organisatie van zo'n groot internaat. Soms hadden zij zelf weinig onderwijs genoten en in het gunstige geval thuis of als frater een handwerk geleerd. Als opvoeder hadden slechts enkelen van hen wat ervaring opgedaan.
Het bestuur van de congregatie in Tilburg deed zijn best om geschikte fraters naar de Ruwenberg te sturen. Maar de congregatie was nog erg jong en klein en ook elders werd voor nieuwe stichtingen goed personeel gevraagd. Een opleiding voor internaatsopvoeders was er niet, en de aanstelling van een frater op Ruwenberg gebeurde dan ook dikwijls op hoop van zegen. De praktijk zou het moeten leren. Uit onmacht probeerde de leiding van de Ruwenberg de woelige jeugd door een zeer strenge tucht in te tomen, waarbij veel straffen en zelfs opsluiting gebruikelijk
waren.(8)
Andreas op Ruwenberg
Juist geslaagd als onderwijzer kwam Andreas op de Ruwenberg aan in 1861, waar hij werd aangesteld in een van de laagste klassen van de internaatsschool. Hij had gedurende enkele maanden ervaring opgedaan als hulponderwijzer op de school aan de Goirkestraat in Tilburg, maar het werk op een groot instituut was voor hem helemaal nieuw. Voor zijn zachtmoedige aard was het strenge straffen van leerlingen niet aanvaardbaar. Hij strafte dus niet, met het gevolg dat juist tijdens zíjn lessen de leerlingen zich gingen afreageren. Hij bleef er kalm bij ondanks het feit dat het hem de naam opleverde dat hij in de klas weinig te vertellen had. En inderdaad ging het er soms tumultueus toe.
Andreas was heel precies en had van thuis uit geleerd om zijn plicht te doen zonder verder commentaar. Hij blonk tussen zijn medebroeders uit door zich nauwgezet te houden aan elke regeling en afspraak, ook al namen anderen het soms niet zo nauw. Wat bijzonder aan zijn omgeving opviel, was dat hij nooit iets ten nadele van zijn confraters of zijn leerlingen zei. Hij verontschuldigde hen als anderen kritiek hadden en probeerde altijd iets goeds van hen te zeggen.

Huize Ruwenberg in de vorige eeuw. (Coll. Archief Generalaat Fraters Tilburg; foto
RHC Tilburg).
Na tien jaar als onderwijzer werkzaam geweest te zijn, werd hij in 1871 op de Ruwenberg belast met de leiding van een kleine afdeling van studenten die zich voorbereidden om priester in de congregatie te
worden.(9) Het kleine sub-internaatje waar hij de leiding van had, telde meestal niet meer dan veertien studenten in de leeftijd van 13 tot 18 jaar. Deze taak, waarbij ook het lesgeven in verschillende vakken hoorde, vervulde hij dertig jaar tot 1901. Hij had intussen examen afgelegd in de Duitse en Franse taal. Over deze periode hield hij een interessant dagboek bij, waarin hij bijna elke dag zijn ervaringen met zijn pupillen optekende.
Zijn studenten gaven later hoog op van frater Andreas, zowel om zijn goed voorbereide lessen, zijn rustige omgang en zijn grote zorg voor hun welzijn. Zij voelden zich sterk door hem geïnspireerd en bleven heel hun leven dankbaar dat zij hem ontmoet hadden.
Andreas gebruikte zijn tijd zo, dat zijn medebroeders getuigen dat hij geen ogenblik verloren liet gaan. Hij studeerde en las veel. Hij vertaalde duizenden bladzijden uit geschriften over opvoeding, onderwijs, godsdienstonderricht en bijbelverklaringen. In het tijdschrift 'de Engelbewaarder' en enkele andere katholieke tijdschriften schreef hij verhalen voor de jeugd, over de levens van heiligen en martelaren voor het geloof, over het werk van de missionarissen die in Nederland het geloof verkondigd hadden, en verhalen uit de moderne
missiegeschiedenis.(10) Hij vertaalde ook een tiental boeken waaronder de nu nog bekende verhalen van Nonni en Manni, die zelfs kort geleden voor de tv bewerkt werden.
Van frater Andreas zijn ook meer dan tachtig originele brieven bewaard gebleven die hij aan zijn familie en bekenden schreef.
Tijdens de jaren dat Andreas op de Ruwenberg woonde en werkte, ontstond de roep van zijn heilig leven. Velen noemden hem toen al de 'heilige frater' hoewel hij daar zelf weinig prijs op stelde. Later zouden zijn medebroeders en oud-leerlingen daarvan uitvoerig getuigen.
In 1912 kreeg frater Andreas heel onverwacht het bericht dat zijn oversten wilden dat hij verhuisde naar het fraterhuis Den Heuvel te Tilburg. Hij leed sinds enkele jaren aan een tuberculeuze ontsteking in zijn rechterschouder, waarvan hij veel pijn ondervond. Men hoopte hem in Tilburg daar beter voor te kunnen behandelen. Maar ondanks zeer pijnlijke ingrepen werd de kwaal alleen maar erger. Hij had altijd een prachtig handschrift gehad, maar nu verloor hij het gebruik van zijn rechterhand. Meer dan 70 jaar oud oefende hij verwoed met zijn linkerhand en hij slaagde erin zijn vroegere fraaie handschrift bijna te evenaren, zodat het schrijven van verhalen voor de jeugd kon doorgaan.
In 1917 liep frater Andreas een ernstige longontsteking op; hij overleed rustig en vooral dankbaar op 3 augustus van dat jaar. Hij werd in alle vroegte van de zesde augustus op het kerkhof van de fraters aan de Gasthuisstraat begraven.
Een bijzonder iemand
Het leven van frater Andreas van den Boer speelt zich af in een tamelijk besloten katholiek religieus milieu. De waardering voor zijn leven en optreden steunt dan ook op motieven die toen vooral golden. Sommige van die motieven leven in onze tijd nauwelijks meer, maar andere zijn nog altijd actueel.
Hij kwam uit een boerengezin waar hard gewerkt moest worden. Men was goedmoedig, gelovig en trouw, maar tamelijk gesloten van aard. Zij leefden eenvoudig, zuinig, bijna gierig en deden hun plicht zonder veel woorden. Ieder wist waar men zich aan te houden had en daar hoefde niet over getwist te worden.
Men schikte zich in het vaste patroon van leven. Er waren nauwe banden met de familie, men had zorg voor elkaar, voor de buren en de armen.
In het karakter van Jan van den Boer, frater Andreas, vinden we deze trekken terug. Hij was eenvoudig en godsdienstig, leefde sober, zuinig op het weinige dat hij bezat en was er tevreden mee. Hij was nauwgezet in alles waar hij zijn plicht zag of vermoedde. Eenmaal iets beloofd of afgesproken, was er voor hem geen reden om daarvan af te wijken op grond van voorwendsels of uitzondering. Hij was volstrekt trouw aan wat hij beloofd had of wat hij zich had voorgenomen. Die trouw belette hem overigens niet het betere voor te laten gaan. Als de goede naam of de wensen van anderen in het geding waren, gaf hij daar altijd voorrang aan. Hij zou zijn evenmens nooit hinderen of ongunstig laten afsteken. Hij was er integendeel op uit de goede dingen van anderen in het licht te brengen en daar de aandacht op te vestigen.
Waar het hemzelf betrof, trachtte hij het goede te verbergen, niet op te vallen of gunstig bij anderen af te steken.
Zijn roeping als frater beschouwde hij als de grootste gunst van zijn leven. Hij was er dankbaar voor en probeerde elke dag opnieuw eraan te beantwoorden.
Binnen deze, hier summier aangegeven, lijnen speelde zich het leven van Andreas af. Het maakte op zijn tijdgenoten een grote indruk.
Wat aan zijn omgeving opviel
Wij ontlenen enkele fragmenten uit de uitvoerige getuigenissen van de 225 getuigen die in het proces van zijn zaligverklaring
optraden.(11)
Hij was een diepgelovige man die voortdurend zocht naar God. Het was voor hem vanzelfsprekend dat alles uit de hand van de Vader kwam. Zijn lijfspreuk was: 'Wat God doet is altijd goed.' Hij sprak graag over het goede dat God schenkt en schreef er ook dikwijls over. Bijzonder dankbaar was hij voor zijn religieuze roeping.
Wat bij ieder die hem kende indruk maakte was zijn ingekeerdheid want het leek alsof hij altijd bad. Maar hij sloot zich daarbij niet af van zijn omgeving. Als iemand Andreas vroeg iets voor hem te doen, dan toonde hij zich nooit gehinderd of verstoord, maar was hij altijd direct beschikbaar om te helpen.
Misschien is het bidden van frater Andreas wel het meest besproken onderwerp van zijn leven. Het moet een diepe indruk hebben gemaakt op zijn leerlingen en medebroeders. Het trok hun aandacht en wekte hun bewondering op. Zij waren ook getuige van zijn voortdurende strijd tegen de slaperigheid, die hem bijna altijd gedurende de tijden van gebed
overviel.(12)
Hoewel Andreas in de kleine en besloten kring van de Ruwenberg leefde, was zijn belangstelling ook gericht op wat zich daarbuiten afspeelde. Voor het plaatselijk nieuws in de krant interesseerde hij zich nauwelijks. Des te meer ging zijn aandacht naar de ontwikkelingen en gebeurtenissen in de congregatie, de Kerk en de nieuwe missiegebieden. Hij sprak er graag over.
Schrijven was voor hem een vorm van apostolaat, waardoor hij probeerde het geloof bij zijn lezers te sterken en te verlevendigen.
Hij was altijd daar waar geholpen moest worden. Hoewel hij onhandig was, wist hij dan iets klaar te zetten of aan te reiken, om het werk van de anderen te vergemakkelijken.
Er werd wel eens misbruik gemaakt van zijn bereidheid om ergens het toezicht bij de jongens of een les over te nemen, maar hij was bij een verzoek beschikbaar, ook al was hij zelf met iets bezig wat hij graag af wilde maken.
Door zijn voorbeeld was hij een grote steun voor het gemeenschappelijk leven. Zijn aanwezigheid was al genoeg om vrede te stichten. In de vrije uren nam hij opgewekt en belangstellend aan de onderlinge gesprekken deel.
Over zijn hele leven heen straalt de blijdschap. Hij toonde zich nooit nors of verstoord. Klaagde niet over warmte of kou, slecht weer of pijn. Hij was opgewekt en ieder kende hem als de altijd glimlachende frater. Er ging een glans van vrede en zachtheid van hem uit, die ieder die hem ontmoette als iets wezenlijks in zijn voorkomen trof.
Ook mensen die hem maar een enkele keer ontmoet hadden, spraken, soms veel jaren later, over de onvergetelijke indruk die Andreas op hen gemaakt had.
Hij was nauwelijks dertig jaar toen over hem al gezegd werd dat hij een heilige was. De mensen spraken over hem, over wat hun door eigen ervaring in het persoonlijk contact met hem opviel. Steeds meer kwamen die verhalen en getuigenissen met elkaar overeen en vulden ze elkaar aan, zodat de faam van heiligheid van Andreas door velen gedragen werd.
Voor zijn omgeving was de kern van zijn optreden, dat hij altijd probeerde vooral gewóón te zijn en nergens door op te vallen, terwijl zijn consequente levenshouding toch iedereen inspireerde.
Hij riep iets goeds bij mensen op, idealen die zij misschien bij zichzelf koesterden en die zij in hem verwerkelijkt zagen. Daarom noemden zij hem een voorbeeld en voelden zij zich door hem aangespoord zelf ook een goed mens te zijn.
Zijn leven was wel zo menselijk en aantrekkelijk dat nu nog velen hem bewonderen.
Gebedsverhoringen
Nog maar enkele dagen na de dood van frater Andreas werd de eerste gebedsverhoring al gemeld. Het was een oud-leerling die frater Andreas goed gekend had. Hij was op weg naar een examen en ging 's morgens bij het graf van Andreas om hulp vragen, want hij verwachtte dat het moeilijk zou worden. Toen hij met glans door het examen heenkwam, meldde hij dat per brief aan het fraterhuis.
En daar bleef het niet bij, want de stroom berichten groeide steeds verder aan. Veel briefschrijvers wisten niet goed aan wie zij hun brief moesten adresseren en daarom werd vooral frater Dorotheus van Santvoort aangeschreven, die destijds heel bekend was als leider van het
Gebedenverbond.(13) Hij was het ook die na toestemming van het bisdom van 's-Hertogenbosch de gebedsverhoringen in verkorte vorm liet opnemen in het tijdschrift De Engelbewaarder.
Nog niet wetend welke waarde deze berichten in de toekomst zouden hebben, werden de brieven met gebedsverhoringen tussen de jaren 1924 en 1942, na afhandeling jammer genoeg vernietigd. Daardoor is een groot aantal originelen verloren gegaan. Alleen wat eruit werd overgenomen en in druk verscheen, is bewaard gebleven.

Vereerders bij het graf van frater Andreas op het kerkhof van het moederhuis
van de fraters aan de Gasthuisstraat, jaren zestig. In 1968 werd hij herbegraven
in een speciaal gebouwde kapel in het klooster. (Coll. Frater Andreasbureau Tilburg).
Dat er heel wat verloren ging, blijkt uit een verklaring van frater Borromeus Habraken die in 1947 meedeelt dat hij verantwoordelijk was voor het inventariseren van de binnenkomende correspondentie betreffende frater Andreas. Hij noemt het getal van ruim 17.000 brieven die tussen 1924 en 1947 binnenkwamen. In dezelfde periode werden 100.000 afbeeldingen van frater Andreas gedrukt en verspreid.
Uit de binnengekomen brieven met de melding van een gebedsverhoring van vóór 1924 en ná 1942 en een deel van de in druk gepubliceerde gebedsverhoringen, in totaal 6370 gevallen, kon het volgende overzicht over de aard van de gemelde gebedsverhoringen worden samengesteld:
1749 gevallen betreffen genezingen van lichamelijke ziekten of kwalen;
105 houden verband met de oplossing van financiële problemen;
1329 betreffen hulp in materiële aangelegenheden;
3187 vallen niet onder bovenstaande rubrieken, maar opvallend is dat dikwijls de goede uitslag van een bevalling wordt gemeld en veel met succes afgelegde
examens.(14)
Bedevaart en broederschap
Het graf van frater Andreas wordt vanaf de dag van zijn begrafenis tot de dag van vandaag nog dagelijks bezocht zowel door zijn medebroeders als door anderen. Er staan altijd bloemen in de kleine kapel waar zijn graf ligt en velen maken van de gelegenheid gebruik hun intenties op te schrijven in het boek dat er ligt.
Een bijzondere dag van verering valt in de maand augustus van elk jaar wanneer de sterfdag van frater Andreas wordt herdacht. Honderden bezoekers wonen deze jaarlijkse gedachtenis bij: de bedevaart naar het graf van frater Andreas.
De oorsprong van deze bedevaart ligt in het jaar 1929 te Bergen op Zoom, waar meer dan 50 jaar de zogeheten 'Broederschap van de Bedevaart van Bergen op Zoom' heeft bestaan.
Het initiatief om hiermee te beginnen ging uit van Thomas Daane, een onderwijzer uit Bergen op Zoom. Hij was een vereerder van frater Andreas.
In het jaar 1929 waren er met enkele leerlingen uit zijn klas problemen waar hij geen oplossing voor wist. Hij nam zijn toevlucht tot frater Andreas met het voornemen dat hij, als zijn gebed verhoord werd, pogingen in het werk zou stellen om een tocht naar het graf van Andreas in Tilburg te
organiseren.(15)
En zo gebeurde het dat hij nog in hetzelfde jaar samen met enkele bekenden, Andreas bij zijn graf in Tilburg kon gaan bedanken. Het volgende jaar bracht hij een groep van 18 personen bij elkaar en trok met hen per bus naar Tilburg om daar het kerkhof te bezoeken. Dat bezoek duurde maar kort, want het begon na aankomst bijna onmiddellijk hard te regenen. Maar het initiatief sloeg aan en het aantal deelnemers nam elk jaar toe. Een klein bestuur in Bergen op Zoom organiseerde de jaarlijkse activiteiten en schreef de nieuwe leden bij in het register van de Broederschap.
Deze jaarlijkse bedevaart werd een bekend gebeuren en geleidelijk aan kwamen ook mensen uit andere plaatsen op dezelfde dag naar Tilburg voor een bezoek aan het graf.
In 1954 werd het zilveren feest en in 1979 het gouden jubileum van de bedevaart gevierd. Bij die gelegenheid werden elf personen die meer dan veertig keer aan de bedevaart hadden deelgenomen, door de algemene overste van de fraters met een speciale medaille onderscheiden.
Dit hoogtepunt zou echter ook het laatste zijn in de geschiedenis van de Broederschap van Bergen op Zoom. Het bestuur, dat zich altijd, in goede samenwerking met de fraters, de zorg voor de bedevaart had aangetrokken, kon bij het wegvallen van verschillende bestuursleden steeds moeilijker plaatsvervangers vinden, want door de tijdsomstandigheden nam de belangstelling voor bedetochten en processies sterk af. De groep uit Bergen op Zoom en omgeving werd daardoor ook steeds kleiner.
In 1990 zag de toenmalige voorzitter, de heer J.Wuyts, zich om gezondheidsredenen genoodzaakt zijn functie neer te leggen en hij besloot de Broederschap op te heffen.
Daarmee eindigde een bijzonder initiatief in de geschiedenis van de verering van frater Andreas van den Boer. De aktiviteiten van de Broederschap resulteerden wel in de gewoonte de viering van de sterfdag van frater Andreas tot een bijzondere gebeurtenis te maken door jaarlijks in augustus de bedevaart te houden en het graf van frater Andreas te bezoeken.
Vooral uit Brabant maar ook van daarbuiten komen de bedevaartgangers naar Tilburg. In het fraterhuis aan de Gasthuisring wordt een korte gebedsbijeenkomst gehouden die wordt gevolgd door de viering van de Eucharistie met wijding van de pelgrimskaarsen. Daarna blijven de bezoekers onder het drinken van een kopje koffie nog een tijd bijeen. Het is een goede gelegenheid om bekenden weer eens te ontmoeten. Tegen een kleine vergoeding maken velen van de gelegenheid gebruik om een gedachtenis aan frater Andreas mee naar huis te nemen.
Bedevaarten zijn een tijdlang minder in trek geweest. Ook het aantal deelnemers aan deze bedevaart nam na 1960 geleidelijk af, maar sinds enkele jaren is er weer een duidelijke toename geweest. Belangstellenden kunnen zich ook als vast lid van de bedevaart laten inschrijven en zij ontvangen dan het 'Andreas-bericht' dat regelmatig als nieuwsbrief aan hen wordt toegestuurd.
De verering van frater Andreas is vooral een Brabantse aangelegenheid gebleven, hoewel in de eerste helft van deze eeuw zijn naam ook tot ver daarbuiten bekend was. Dat laatste kwam vooral door het feit dat de fraters en zusters van de Tilburgse congregaties, die in België en de Nederlandse koloniën van Oost- en West-Indië werkten, hem daar als de 'heilige frater van Tilburg' bekendheid gaven. Ook de regelmatige vermelding van binnengekomen gebedsverhoringen in het tijdschrift 'De Engelbewaarder' maakten velen met zijn verering bekend. Daar bleek overigens wel uit dat ook de ouders graag in dit jeugdblad lazen.
Dan was er ook nog de levensbeschrijving van, frater Andreas geschreven door de Oostenrijkse pater Theophorus
Max.(16) Het boek gaf het leven van frater Andreas weer naar het model van de middeleeuwse hagiografie. In ruime uitweidingen werd het leven van frater Andreas vooral vergeleken met dat van andere heiligen zoals Johannes Berchmans en Vincentius a Paulo, om hem aldus al tot grote hoogte te verheffen.
Pater Max was in Nederland aangesteld als aalmoezenier voor de Oostenrijkse kinderen die na de Eerste Wereldoorlog in Nederland verbleven om daar aan te sterken. Hij kwam zo onder de indruk van het leven van frater Andreas van den Boer dat hij besloot er ook in de Duits sprekende landen bekendheid aan te geven. Frater Amatus Hosemans, die frater Andreas 22 jaar lang had gekend, was daarbij zijn belangrijkste
informant.(17) Na het verschijnen van dit boek kwamen in Tilburg veel reacties uit Oostenrijk en Duitsland binnen.
Het proces van zaligverklaring
Frater Dorotheus van Santvoort, die reeds eerder in dit artikel werd genoemd, is vanuit zijn congregatie de eerste promotor geweest om een proces te beginnen voor de zaligverklaring van frater Andreas van den Boer. Hij ontving veel brieven van kennissen en oud-leerlingen van Andreas, waarin gevraagd werd een poging tot zaligverklaring te beginnen.
Hij was bevriend met mgr. J. Pompen, de vicaris-generaal van het bisdom van 's-Hertogenbosch, die zelf een oud-leerling van de Ruwenberg was. Deze kende de faam van heiligheid van frater Andreas en was zelf diep overtuigd van de grote indruk die zijn leven maakte op vele gelovigen in het bisdom.
Hij meende dat het een goede zaak zou zijn, zonder uitstel getuigenissen over het leven van frater Andreas te verzamelen.
De bisschopszetel was door het overlijden van mgr. Wilhelmus van de Ven vacant en mgr. Pompen nam de zaken van het bisdom waar. In overleg met frater Radulphus Hermus, de algemene overste van de congregatie van de fraters, vaardigde hij op 17 juli 1919 een circulaire uit waarin ieder die frater Andreas van nabij had gekend, gevraagd werd om informatie te geven.
Op dit verzoek kwamen ruim honderd antwoorden binnen. Daarna werden de geschriften, persoonlijke bezittingen en gebruiksvoorwerpen van frater Andreas verzameld en geïnventariseerd. De meeste van de binnengekomen getuigenissen waren van dien aard dat men besloot, ook om reden van de vele aangemelde gebedsverhoringen, aan de nieuwbenoemde bisschop, mgr. A.F. Diepen, te vragen een kerkelijke rechtbank in te stellen die het officiële onderzoek naar het leven van frater Andreas zou doen. De bisschop vond echter de tijd om met het proces te beginnen nog niet gekomen. Hij achtte het beter te wachten totdat er van een wonder melding was gemaakt. Ook herhaalde verzoeken deden de bisschop niet van standpunt
veranderen.(18)
In 1937 was er sprake van een heel opvallende gebedsverhoring. Het betrof de trappist pater Aloysius van den Heuvel. Hij leed aan maagkanker en was door de artsen van het ziekenhuis opgegeven en naar de abdij Koningshoeven teruggebracht om er te sterven. Hij, en met hem vele anderen, baden dringend tot frater Andreas. Tot verwondering van de doktoren genas hij volkomen en kon hij zijn taak in de abdij volledig hervatten. Pas vijf jaar later, in 1942, werd deze genezing bij de fraters gemeld. De pater was ook toen nog volkomen gezond.
Deze gebeurtenis was aanleiding om een nieuwe poging te doen het proces te beginnen. Intussen was mgr. Diepen overleden; hij was opgevolgd door mgr. Wilhelmus Mutsaerts. De algemene overste, destijds frater Prudentius van Grootel, verzocht de bisschop in 1944, het jaar waarin de congregatie haar honderdjarig bestaan vierde, het proces te willen openen. Hij vond pater Philippus van Duynhoven, karmeliet, bereid om als adviseur op te treden. Deze bestudeerde de binnengekomen getuigenissen van 1919 en stelde een uitgebreide lijst van 176 vragen op, om nog vollediger en meer uitgebreide gegevens over het leven van frater Andreas te verzamelen. Deze lijst werd in 1946 door ruim vijftig getuigen beantwoord.
Op 1 augustus 1944 stelde de bisschop een diocesane rechtbank in, en op 28 augustus 1947 had te Tilburg het verhoor van de eerste getuige plaats waarna nog 55 andere getuigen volgden. Aan ieder van hen werden in het mondelinge verhoor meer dan tachtig vragen gesteld. Eind 1948 had na 76 zittingen de slotzitting plaats waarna in 1949 het verslag van ruim 500 pagina's in Rome overhandigd kon worden.
Intussen gingen meer dan veertig brieven naar Rome waarin bisschoppen, abten, religieuze oversten en politici hun adhesie betuigden aan deze zaligverklaring. Er waren daaronder de brieven van de Tilburgse burgemeester E.H.J. baron Van Voorst tot Voorst, de abt van de Abdij Koningshoeven pater Willibrord en M.C. Nabuurs, pastoor-deken van Tilburg.
Er trad echter vertraging op vanwege de activiteiten te Rome bij gelegenheid van het tweede Vaticaans Concilie. Pas begin 1968 werd de procedure voortgezet.
Intussen had in hetzelfde jaar de opgraving van de stoffelijke resten plaats zoals dat door het protocol werd gevraagd, waarna ze tijdelijk in een kleine daarvoor speciaal gebouwde kapel werden bijgezet. Op 27 november 1975 werd het gebeente van frater Andreas overgebracht naar de nieuwgebouwde kapel van fraterhuis Zwijsen aan de Gasthuisring te Tilburg.
Rome gaat voorzichtig te werk
De procesgang van een zaligverklaring is heel merkwaardig. Ieder kan individueel of als groep een proces aanvragen als aan enkele voorwaarden is voldaan. De plaatselijke bisschop moet het nut van de aanvraag beoordelen en als dit oordeel voorlopig positief is, stelt hij een rechtbank in die een informatief proces opent. De bedoeling daarvan is na te gaan of het zin heeft de zaligverklaring van de bewuste persoon in Rome aanhangig te maken.
Men zou kunnen verwachten dat de kerkelijke autoriteiten blij zouden zijn wanneer er een kandidaat voor een zalig- of heiligverklaring wordt aangeboden, maar in de procesvoering is het tegendeel waar. Het proces opent met een fraaie spreuk waarin met ernstige woorden twijfel wordt uitgesproken of de kandidaat wel in aanmerking kan komen voor een kerkelijke verklaring.
Het is dan de beurt aan de aanvragers om getuigen op te roepen die het tegendeel kunnen aantonen. De rechtbank stelt allerlei vragen over wat de kandidaat heeft gedaan en gezegd, luistert kritisch naar de antwoorden en probeert tegenstrijdigheden op te sporen die de kandidaat in diskrediet kunnen brengen. Na alle getuigen te hebben gehoord spoort de rechtbank zelf nog tegengetuigen op die mogelijk nog wat negatiefs te vertellen hebben. Intussen wordt alles wat de kandidaat heeft geschreven, aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen. Ook daarover geeft de rechtbank haar oordeel. Heel bijzonder wordt nagegaan of er misschien al een openbare verering voor de aspirant-heilige bestaat, want dat geldt als een negatieve indicatie waar zwaar aan getild wordt.

Jaarlijks op de derde zondag van augustus bezoeken honderden bedevaartgangers het graf van frater
Andreas,
dat zich sinds 1975 in een nieuwgebouwde kapel van het fraterhuis Zwijsen aan de Gasthuisring bevindt.
(Coll.
Frater Andreasbureau Tilburg).
Zonder dat de rechtbank een eindoordeel uitspreekt, worden ten slotte de verslagen van alle onderzoeken naar Rome gezonden, waar men in de eerste plaats precies nagaat of alle regels en voorschriften betreffende de procesvoering door de rechtbank zijn gevolgd. Klopt het allemaal, dan wordt - en dat kan enkele jaren duren - het proces door Rome heropend. Terwijl alle verslagen grondig door twee beëdigde ambtenaren van de Curie worden nageplozen, worden in het diocees van de toekomstige zalige nogmaals getuigen opgeroepen om na te gaan of intussen misschien toch nog negatieve zaken aan het licht zijn gekomen. De prelaten van de Congregatie van de Heiligverklaringen spreken daarna hun oordeel uit over het gevoerde proces en de resultaten. Alles wordt beschreven in een uitvoerig rapport dat aan de 'Verdediger van het geloof', ook wel de 'advocaat van de duivel' genoemd, wordt voorgelegd. Die probeert alle denkbare bezwaren te vinden en legt die vast in een bezwaarschrift. De aanvragers van de zaligverklaring benoemen daarop een advocaat die al die bezwaren probeert te ontzenuwen. Als dat alles goed is afgesloten, wordt aan de paus het verzoek voorgelegd het proces voort te zetten.
Zo gebeurde het ook in de zaak van frater Andreas van den Boer. Paus Johannes XXIII zette op 7 januari 1962 zijn
handtekening.(19)
Een nieuwe procedure
Paus Joannes Paulus II vond de processen voor de zalig- en heiligverklaringen te ingewikkeld en te lang. In 1963 gaf hij een decreet uit waarin een eenvoudiger procedure werd
vastgelegd.(20) Het proces van frater Andreas kwam daardoor in een overgangsprocedure. Dat betekende dat over zijn zaak een samenvattend eindverslag moest worden uitgebracht.
In 1990 kwam het verzoek uit Rome om een wetenschappelijk onderzoek in te stellen en daarvan verslag te doen met alle gegevens die over het leven van frater Andreas, zijn geschriften, de getuigen, hun mededelingen en de verschillende gevoerde processen bekend waren geworden. Bovendien dienden de kerkelijke, politieke en culturele omstandigheden van de tijd waarin de frater geleefd had uitvoerig te worden beschreven. Ook de motieven voor een eventuele zaligverklaring moesten opnieuw met het aangeven van de redenen als conclusie geformuleerd worden. Dit uitgebreide werk kon, door een kleine staf van medewerkers en vertaalsters, begin 1994 worden voltooid in een elfhonderd pagina's tellend verslag. Het zeer uitgebreide archief over frater Andreas dat deel uitmaakt van het algemeen archief van de congregatie van de fraters en het archief van het bisdom van 's-Hertogenbosch waren daarbij belangrijke bronnen. Het verslag werd in Rome aangeboden door postulator mgr. M. Muskens en daar positief
ontvangen.(21)
Nu ligt het aan Rome of en wanneer de zaligverklaring wordt uitgesproken. De druk is nu niet meer zo groot als vijftig jaar geleden. Maar ook zonder verklaring van Rome blijft frater Andreas toch dezelfde boeiende persoon. Dat blijkt nu, tachtig jaar na zijn dood, nog steeds uit het bezoek dat velen aan zijn graf brengen, uit de meegedeelde gebedsverhoringen en de honderden deelnemers aan de jaarlijkse bedevaart naar zijn graf op de derde zondag van augustus.
Noten
(1) Fr. M.Th. Horsten, De Fraters van Tilburg van 1844-1942, dl.1, (Tilburg, 1944), p. 44-45.
(2) Gemeenzame gesprekken over de Bijzondere Regelen van de Congregatie der Zusters van
Liefde, (Tilburg 1864). p. 8.
(3) Mgr. Joannes Zwijsen stichtte een gemengde congregatie van priesters en leken. Hij wilde echter geen onderscheid in stand binnen zijn gemeenschappen. Allen de naam 'broeder' geven leek hem niet juist. Daarom koos hij voor de naam 'frater', het Latijnse woord voor 'broeder'.
De naam 'frater' herinnert aan de 'Fraters des Gemeenen Levens', een religieuze vereniging die in 1376 door de diaken Geert Groote en de priester Florens Radewijns te Deventer werd opgericht. Deze vereniging, die naast lekenleden ook een beperkt aantal priesters telde, had huizen op veel plaatsen in Nederland, onder andere te 's-Hertogenbosch. Ook in de ons omringende landen hadden deze fraters vestigingen.
In de tijd van de Hervorming verloor de vereniging veel huizen en leden. In 1810 werd zij door Napoleon I opgeheven. De laatste frater overleed te Oud-Zevenaar in 1864.
Post, De Moderne Devotie, (Amsterdam, 1940) p. 103-111.
(4) Getuigenis van fr. Marcus van de Ven, Archief Andreas van den Boer, dossier 12A, protocollen Informatief Proces.
(5) Er was in die tijd in Helvoirt en Udenhout alleen een openbare school. Zowel meester Boset van Helvoirt als meester Borsten van Udenhout was katholiek en een goede vriend van
mgr. Zwijsen.
(6) In een brief van Christiaan van den Boer van 10 september 1919, Archief Andreas van den Boer, dossier 12A, protocollen Informatief Proces.
(7) Archief Fraters Tilburg, Personeelsstaat van 1864, Ruwenberg B3.
(8) Archief Fraters Tilburg, Kroniek Ruwenberg 1884-1887, p. 263.
(9) Mgr. Zwijsen wilde priesters aan het hoofd zien, niet alleen van het bestuur van zijn congregatie, maar ook van de grotere huizen en de belangrijkste onderwijsinrichtingen daarvan. De betere opleiding die priesters genoten hadden en hun godsdienstige kennis en oriëntatie waren voor hem de beste voorwaarden om het werk van de congregatie aan zijn bedoelingen te doen beantwoorden.
(10) Op 1 april 1892 nam de congregatie van de fraters het kopijrecht van het tijdschrift 'De Engelbewaarder' over. Dit tijdschrift voor de jeugd was begonnen door kapelaan Hubert Lucas te Maastricht in 1884 en daar uitgegeven door de Paulus-drukkerij. Enkele jaren later werd het overgenomen door de blinde Johannes Witlox te Grave, die met de opbrengst het werk voor de blinden steunde.
Wegens zijn slechte gezondheid kon deze het werk echter niet meer aan. Hij vond de congregatie van de fraters bereid het blad over te nemen. Vanaf de achtste jaargang werd het op de drukkerij van het Moederhuis te Tilburg gedrukt onder dezelfde naam, als 'Maandschrift voor de Katholieke Jeugd'.
De algemene overste verzocht de fraters om mee te werken door verhalen te schrijven en daarin vooral aandacht te besteden aan de godsdienstige vorming. Een van de eersten die zich daarvoor aanmeldden, was frater
Andreas.
(11) Deze getuigenissen bestaan gedeeltelijk uit schriftelijke mededelingen van tijdgenoten en gedeeltelijk uit mondelinge verklaringen tijdens het Informatief Proces.
Archief Andreas van den Boer, dossier 10 nrs. 2,3,5, dossiers 12A en 12B.
(12) Dat was niet verwonderlijk. De fraters stonden om vijf uur op en besteedden elke dag ongeveer twee en half uur aan gebed. Daarnaast gaf Andreas overdag les en hij was daarbuiten veel uren bij zijn studenten, tijdens de studie, de maaltijden en ontspanning. Bovendien had hij in de vroege nacht nog twee uren wacht op de slaapzaal die wakend doorgebracht moesten worden.
(13) Het 'Gebedenverbond' was een initiatief van fr. Dorotheus van Santvoort, officieel opgericht op 23 november 1898, met als zetel het Moederhuis van de fraters te Tilburg. Dit verbond, met een zeer eenvoudige opzet, bedoelde alle katholieken van Nederland uit te nodigen, dagelijks een kort gebed te doen voor de bekering van de protestanten. Het Gebedenverbond verspreidde zich in West-Europa en andere werelddelen. Het groeide tot over de miljoen leden en werd goedgekeurd en bevestigd door de pausen Leo XIII, Pius X, Benedictus XV en Pius XII en het Nederlandse Episcopaat.
Horsten, De Fraters van Tilburg van 1844-1942, dl.2, (Tilburg, 1945), p. 254-275.
Na de Tweede Wereldoorlog was het Gebedenverbond niet meer bekend.
(14) Positio Super Virtutibus (Roma, 1993), verslag van het wetenschappelijk onderzoek (Engels/Italiaans).
(15) Daane, Frater Andreas en Bergen op Zoom, (Z.pl. en z.j. [1954]); Archief Andreas van den Boer, dossier 11.
Getuigenis van Peter van den Boer, broer van fr.Andreas
(16) Frater Andreas von Tilburg. Ein Lebensbild, met een voorwoord van mgr. J. Pompen, Generaal-Vicaris van het bisdom 's-Hertogenbosch (Paderborn, 1922), 314 blz.
Dit was de tweede biografie over frater Andreas, waarna er nog tien verschenen onder andere in het Engels en het Indonesisch.
(17) Frater Amatus Hosemans kwam in 1884 als onderwijzer en later als hoofd op Ruwenberg op de school waar ook frater Andreas stond, die dikwijls in de klas kwam van frater Amatus om zijn les over te nemen. Na zijn vertrek van Ruwenberg in 1906 werd frater Amatus leraar op de kweekschool van de fraters te Tilburg, vervolgens lid van het algemeen bestuur van de congregatie en directeur van de kweekschool. Later was hij hoofd van een lagere school en van een school voor ULO. Hij overleed op 6 november 1946 op het Moederhuis te Tilburg en kon daardoor als belangrijke getuige niet meer worden gehoord tijdens het proces van zaligverklaring.
(18) De bisschop wilde zijn bezwaren niet op schrift zetten. Een kleine aantekening die hij in een brief maakte, mocht niet worden gepubliceerd.
(19) Commissio Introductionis, Archief Frater Andreas dossier 13 nr. 13.
Daarmee werd het Informatieve Proces van de zaligverklaring gesloten en het zogeheten Apostolische Proces geopend dat verder onder rechtstreeks beheer van de Congregatie van de Heiligverklaringen te Rome werd voortgezet.
(20) Apostolische Constitutie Divinus Perfectionis Magister, (Roma, 1983).
(21) Report of the Relator of the Cause, (1993) Dr. P. Gumpel S.J., de relator die namens de Congregatie van de Heiligverklaringen zijn oordeel over het verslag indiende, sprak zich in zeer positieve woorden uit over de persoon van frater Andreas en bepleitte een zaligverklaring om godsdienstige en pastorale redenen.

Draagmedaille fr. Andreas van den Boer (foto
RHC Tilburg).










