Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
3. Het falen van een briljante leerling
 

Titel:   

Het falen van een briljante leerling

Ondertitel:   

Vincents HBS-tijd in Tilburg (1866-1868) 

Auteur:   

Jan Meyers*

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur
N.B. Herdrukt in maart 2003, Vincent van Gogh in Tilburg (1866-1868), p. 3-8

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

32-37



‘In 1866, vermoedelijk nog in de zomervakantie, bracht Vincent een bezoek aan Brussel, 
waar oom Hein in de Rue Royale sinds een paar jaar een kunsthandel dreef. Bij die 
gelegenheid werd de bekende foto gemaakt waar hij als een onzeker de wereld in kijkende 
puber van dertien op staat; die zal wel bedoeld zijn geweest voor zijn moeders verjaardag 
in september’ (Jan Meyers, 1989, p. 70; Coll. Vincent van Gogh Stichting / Van Gogh 
Museum, Amsterdam, inv. nr. b 4783 V/1989: ook afgebeeld op het omslag van de herdruk 
van de Van-Goghspecial van het tijdschrift 'Tilburg' in 2003).



Hij was een veelbelovende employé, toch mislukte hij in de kunsthandel. Als onderwijzer hield hij het niet lang vol, evenmin als boekverkopersbediende. Intelligentie en plichtsbetrachting ten spijt liep zijn studie voor dominee op niets uit. Zijn vroomheid en zelfverloochening waren verbluffend, maar als evangelist sloeg hij een jammerlijk figuur. Niemand had meer lief dan hij, niettemin werden zijn liefdes evenzovele rampen. Aan al dit falen gaat zijn eerste grote mislukking vooraf: hoewel hij aan de Rijksschool ‘Willem II’ te Tilburg een uitstekende leerling was, liep zijn HBS-carričre binnen anderhalf jaar op de klippen. Vervolgens zat hij meer dan een jaar thuis. Het waarom hiervan is het raadsel van zijn jeugd.

Maandag 3 september 1866, ’s morgens om acht uur begon Vincents HBS-loopbaan. Hij was dertien en een half. Twee jaar(1) had hij doorgebracht op de niet gesubsidieerde kostschool voor jongens van Jan Provily in Zevenbergen, waar hij een soort ulo-onderwijs had genoten. Zijn studieresultaten waren goed genoeg voor een stap hoger, van uitgebreid lager naar middelbaar onderwijs, maar kennelijk niet toereikend voor het hoogste: het voorbereidend hoger onderwijs, de Latijnse school. Dat lijkt te volgen uit zowel het oordeel van Cornelis Provily Janszoon, die Vincent als een onopvallende leerling karakteriseerde(2), als uit de schoolkeuze door Vincents ouders.



Inschrijving Vincent van Gogh in het ‘Register van ingekomen personen Gemeente Tilburg’, 15 september 1866 (coll. RHC Tilburg, 
Secretarie-archief 1810-1907, inv. Nr. 2916).

Het middelbaar onderwijs was nog maar kort geleden van start gegaan. In 1863 had Thorbecke, minister van Binnenlandse Zaken, waaronder onderwijs ressorteerde, om tegemoet te komen aan de groeiende vraag van het bedrijfsleven naar hogergeschoolden een nieuw schooltype in het leven geroepen: de Hogere Burgerschool.
Kiezen voor de HBS was in Vincents geval kiezen voor Tilburg, waar de toen nog enige HBS van Brabant stond. Vader en moeder Van Gogh hadden geen universitaire studie voor hun oudste op het oog: voor 1917 gaf de HBS-opleiding daartoe geen toegang. Hadden zij dat wel gehad, dan zouden zij hem zeker naar de Latijnse school in Breda gestuurd hebben. Die school was in de familie bekend: Vincents vader had erop gezeten; zijn grootvader, de oude dominee Van Gogh die in 1853, het jaar van Vincents geboorte, met emeritaat was gegaan(3), was lid van het curatorium. Grootvader woonde met zijn ongetrouwde dochters in de Visserstraat in Breda. Wanneer Vincent naar de Latijnse school had gekund, had hij bij zijn familie kunnen intrekken; dat zou zijn ouders een mooie duit aan kostgeld hebben uitgespaard. Daarbij kwam dat Breda voor Vincent dicht genoeg bij was om in het weekend naar huis te gaan, geen gering voordeel voor een jongen die zo slecht van huis kon als hij. En dat zonder reiskosten: een voettocht van een uur of drie als die naar Zundert was in die tijd toen er heel wat werd afgelopen niet opzienbarend en voor Vincent, die al in zijn jonge jaren een verwoed wandelaar was, beslist doenlijk.

Grootvader Van Gogh had zoveel raakpunten met de Tilburgse HBS dat het aannemelijk is dat hij met het gezagswoord van pater familias heeft geadviseerd Vincent daarheen te sturen. De pas benoemde inspecteur van het middelbaar onderwijs in Brabant, dr. J. Bosscha, was ooit evenals zijn vader op de Koninklijke Militaire Academie een collega van de dominee, die daar vele jaren godsdienstleraar was geweest(4). En de tekenleraar van ‘Willem II’ was ook al een bekende van de KMA: Constant Cornelis Huijsmans.
Ongetwijfeld is Vincents verdere opleiding met de grootste zorgvuldigheid overwogen. Een goede opvoeding voor zijn kinderen was de eerste zorg van de burgerman, voorwaarde namelijk om zich te kunnen handhaven in de eigen stand, of als het even kon voor een stapje hoger. Dit gold voor meisjes, voor wie een goed huwelijk het doel was, evenzeer als voor jongens. Alles draaide om het verwerven van een goede positie. Op de achtergrond lag permanent de kleinburgerlijke angst voor declassering, het spookbeeld om te vervallen tot het grauw dat berooid en zonder aanzien was en zonder hoop om eerder dan in de hemel aan zijn trekken te komen. De afstand tot de volksklasse was gevoelsmatig gigantisch, maar praktisch gering, de vrees dienovereenkomstig groot. Vincents ouders spaarden dan ook kosten noch moeite om hun zes kinderen te laten leren. In de niet-gepubliceerde familiecorrespondentie in de archieven van het Van Gogh-museum vormen de daarmee samenhangende financiële perikelen een stereotiep onderwerp.(5)

Een zwaar schoolleven

De HBS was gevestigd in het voormalige paleis van de koning wiens naam zij droeg en die zo gecharmeerd was geweest van het toen nog dorps aandoende Tilburg. In april 1866 was men van start gegaan met de voorbereidende klas, in september begon het eerste eigenlijke schooljaar - met een voorbereiden de en een eerste klas. Bovendien was er nog een aantal leerlingen die dispensatie hadden voor een of meer vakken en niet het hele programma volgden. Dankzij de goede school van Provily kon Vincent de voorbereidende klas overslaan en in de eerste plaatsnemen. De directeur, mr. F.J.A. Fles, was een vaderlijke figuur, de leraren - negen in getal - waren hooggekwalificeerd, wat verder weinig zegt over hun kwaliteit als docent. In ver band met het beperkte urenaantal in de aanloopperiode hadden zij aan ‘Willem II’ vooralsnog een deeltijdbaan. ’s Zomers begon de school om acht uur, ’s winters, met ingang van 1 november als het stookseizoen begon, om negen uur. 

Het programma was naar moderne maatstaven zeer zwaar. Op het lesrooster van de eerste klas kwamen 34 lesuren per week voor, als volgt over de vakken verdeeld: Frans 5, handtekenen 4, Engels 3, Nederlands (‘Hollandsch’) 3, rekenen 3, geschiedenis 3, aardrijkskunde 3, stelkunde (algebra) 2, meetkunde 2, plant- en dierkunde 2, gymnastiek 2, rechtlijnig tekenen 1, schoonschrijven 1. Aldus een opgave van mr. Fles aan het ministerie. Een verslag van de commissie van toezicht van het middelbaar onderwijs in de gemeente Tilburg geeft een enigszins afwijkende urentabel.(6) Eerstgenoemde is aannemelijker, niet alleen omdat ze door de directeur is opgesteld, maar vooral ook omdat bij de tweede opgave het vak algebra niet wordt genoemd. 
Zesentwintig lesuren werden in beslag genomen door vakken waaraan huiswerk was verbonden. Wanneer elk van die uren een half uur huiswerk met zich meebracht, wat geen overdreven schatting lijkt, dan kwam de werkweek van de jongeheren - HBS-meisjes waren er nog niet - aardig in de buurt van vijftig uur. Geen wonder dat er heel wat leerlingen struikelden. Van de tien jongens van Vincents klas die het volledige programma volgden en in juli 1867 deelnamen aan het overgangsexamen naar de tweede klas, scoorde slechts de helft een gemiddelde boven de zes. Vincent kon met zijn gemiddelde voor de kramen langs: 7,36.(7) 
Geheel in de geest van de tijd werd de oorzaak van de magere resultaten niet gezocht bij het systeem maar bij de leerlingen. In het jaarverslag van de directeur werd luid geklaagd over gedrag en vlijt van sommige met name genoemde knapen. Over Vincent geen woord, een veelzeggend zwijgen: hij was een zoete, plichtsgetrouwe leerling, een sieraad voor de school, een vreugde voor zijn ouders - ‘heel passief en heel zacht en heel stil’(8), herinnerde hij zich later.

Een twintigtal jaren geleden ontdekte professor Van den Eerenbeemt dat Vincent in zijn Tilburgse tijd in de kost was bij de familie Hannik op het adres Korvel 57, dat op de plek stond van het huidige perceel St. Annaplein 18-19, waar een gedenkplaat aan de gevel herinnert aan de kleine, timide jongen uit Zundert. J. Hannik was ambtenaar, chef-commies bij de belastingen. Hij en zijn vrouw, beiden vijftigers, waren lidmaten van de hervormde kerk; anders hadden dominee Van Gogh en zijn vrouw hun zoon zeker niet aan hen toevertrouwd. Directeur Fles had in een wervingsadvertentie voor zijn school in het Weekblad van Tilburg laten zetten dat hij ten behoeve van ‘elders woonachtige ouders of voogden die hun kinderen of pupillen bij ingezetenen van Tilburg in de kost willen besteden’ wilde bemiddelen ‘voor plaatsing van Jonge Heeren voor kost, inwoning en huiselijk verkeer.´(9) De Hanniks hielden geen pension. Wel hadden ze te maken met ‘Willem II’: hun zoon Marinus, vijf jaar ouder dan Vincent, was een van die leerlingen die een gedeeltelijk programma volgden. Mogelijk heeft Vincents vader, een overbezorgd man, bij zijn Tilburgse ambtgenoot inlichtingen ingewonnen over de Hanniks. 

Achter de boom, uiterst rechts, het kosthuis van J. Hannik op Korvel 57, tegenwoordig St. Annaplein 
(coll. RHC Tilburg).


Op indringende wijze heeft Vincent later gewag gemaakt van zijn eenzaamheid op de school van Provily. Over zijn HBS-tijd ontbreekt dergelijke retrospectie, in feite elke mededeling - op een terloopse na, uit Londen, waar het dorpse karakter van de wijk waar hij toen woonde hem aan Tilburg deed denken.(10) Omdat het hem daar wel beviel, mogen we misschien van Tilburg hetzelfde veronderstellen, althans wat het eerste jaar betreft; zoals nog zal blijken, was zijn zwijgen over het tweede jaar opzettelijk. De sfeer bij Hannik moet warm en stimulerend zijn geweest. In het tegenovergestelde geval zouden de studieresultaten van zo’n kwetsbaar jongetje als Vincent zeker niet zo florissant zijn geweest, Het contact met Marinus, die ouder en wijzer hem met een en ander geholpen kan hebben, werkte misschien ook positief.

Tekenen

Opmerkelijk is het grote aantal uren dat op ‘Willem II’ aan handtekenen werd besteed: vier uur per week in de eerste klas, drie uur in de tweede. De tekenleraar Constant Huijsmans (1810-1886) was niet de eerste de beste. Als kunstenaar en als didacticus had hij zijn sporen verdiend. Hij schilderde landschappen en boereninterieurs in donkere tonen. Ooit had koning Willem II een werk van hem aangeschaft. Of Vincent wel eens schilderijen van hem gezien heeft, is niet bekend. In de schier onafzienbare stoet van schilders die door zijn brieven trekt, ontbreekt zijn HBS-leraar. Wel noemt hij diens neef en petekind Karl-Joris Huysmans, de grote Franse schrijver, maar of hij de familierelatie gekend heeft, is de vraag. 
Huijsmans had belangrijke publicaties op zijn naam staan: Het landschap (1840) een veelgevraagd handboek voor landschapschilders en Grondbeginselen der Teekenkunst (1852), zijn hoofdwerk; voorts een paar artikelen over zijn vak in De Gids.(11) 
Inspecteur Bosscha haalde hem van de KMA, waar zij zoals al bleek collega’s waren geweest, naar Tilburg - en wel voor een prijs die naar vriendjespolitiek riekt: een jaarsalaris van 1800 gulden, terwijl dat van zijn collega’s varieerde van 1200 tot 1500, met een uitschieter naar beneden voor de gymnastiekleraar, een oud-sergeant der infanterie, die het met 600 gulden moest doen.(12) Daarbij moet worden opgemerkt dat Huijsmans heus niet weggelokt hoefde te worden uit Breda. Zoals nog zal blijken, had hij het daar moeilijk, zodat hij bij wijze van spreken wel op zijn blote knieën naar ‘Willem II’ had willen komen. 

Schets van een leerling in de tekenklas door C.C. Huijsmans (coll. Stadsarchief 
Breda).

Huijsmans’ visie op het tekenonderwijs doet in zoverre modern aan dat hij de leerling en niet de methode centraal stelt. De leerling diende niet in het keurslijf van een bepaalde methode te worden geperst; de leraar moest een levende methode zijn die zich aanpaste aan de individuele mogelijkheden van de leerlingen.(13) Het onderricht in perspectief achtte hij van het grootste belang. Het tekenlokaal was model ingericht. De leerlingen, die de tekenbenodigdheden zelf moesten bekostigen, werkten in stofjassen gehuld aan tekenborden - met potlood en houtskool. Ze tekenden pleistervoorwerpen, opgezette dieren en platen na, wat dus weer heel traditioneel was, geen sprake van vrije expressie. Bovendien legde Huijsmans de jongelui ter ontwikkeling van hun esthetisch gevoel reproducties van kunstwerken voor. Weliswaar waren die plaatjes de werkelijke kunst niet, maar in een tijdsgewricht waarin het onderwijs werd gekenmerkt door verbalisme was het al heel mooi wat hij deed.

Maar was Huijsmans nu wel zo’n geweldige leraar? Van deze man kreeg Vincent in de eerste klas een jaar lang vier uur tekenles en in de tweede gedurende driekwart jaar of daaromtrent drie uur. Er is geen enkele invloed te bespeuren. De schetsen van de jonge Vincent van na zijn HBS-tijd zijn zeer onbeholpen. En aan onderwijs in perspectief, dat hij zo belangrijk vond, deed Huijsmans kennelijk niets. Anders zou een ijverige en intelligente leerling als Vincent daar later niet zo mee hebben zitten tobben als hij inderdaad heeft gedaan. Toen ook had hij forse kritiek op het tekenonderwijs uit zijn jonge jaren: ‘Was er toen iemand geweest die mij had gezegd wat perspectief was, hoeveel misčre zou me bespaard zijn, hoeveel verder zou ik nu zijn’(14), schreef hij najaar 1883 aan Theo. En twee jaar later: ‘Ik ben ten enemale geoccupeerd met de kleurwetten. Als men ze in onze jongensjaren geleerd had!’(15)
Was Huijsmans een papieren pedagoog, theoretisch een kei maar waardeloos in de praktijk? Of was hij uitgeblust? Geboren in 1810, liep hij in de tijd dat hij Vincent onder zijn hoede had al aardig naar de zestig, zoals bekend niet de optimale leeftijd voor omgang met pubers. Trouwens ook zijn grote publicitaire en artistieke prestaties dateerden alweer van vele jaren her. Op de KMA stond hij niet hoog aangeschreven en werd hij getreiterd. De depreciatie van de man aldaar had ook te maken met die van het vak: tekenen had door de uitvinding van de fotografie zijn belang voor de opleiding in de krijgskunde verloren.

De enige bekende tekening uit de Tilburgse periode van Vincent van Gogh. Het is een tekening van 
28,5 bij 22,5 cm groot, voorstellende twee schetsen van een man leunend op zijn spade. Het werk, 
gesigneerd en gedateerd ‘V.W. v. Gogh ft. 1867’, is sinds 1990 eigendom van de gemeente Zundert. 
Deze tekening bevond zich voordien in de collectie van een Tilburgse particulier.

Onder: Ongeveer vijftien jaar na de dood van Van Gogh fotografeerde omstreeks 1900 de Tilburgse 
fotograaf Henri Berssenbrugge deze boer op zijn land ergens in Tilburg (coll. RHC Tilburg).


Vincent exit

Op 11, 12 en 13 juli 1867 legde Vincent het overgangsexamen voor de tweede klas af. Hij ging met vlag en wimpel over. Acht maanden later, midden in de cursus, vlak voor zijn vijftiende verjaardag, verliet hij de school. Per 19 maart 1868 werd hij uitgeschreven uit het bevolkingsregister van Tilburg wegens vertrek naar Zundert. De volgende zestien maanden zat hij zonder aanwijsbare bezigheid thuis.
Zoveel is zeker: geldgebrek was beslist niet de oorzaak. Het beeld van ds. Van Gogh als arme dorpspredikant, mede door Vincent in de wereld geholpen,(16) is mythisch. Uit de niet gepubliceerde familiecorrespondentie blijkt dat de dominee herhaaldelijk grote uitgaven deed voor de opvoeding van zijn kinderen, die hij zich van zijn karige traktement onmogelijk had kunnen veroorloven. Hij had geld van zichzelf, belegd in effecten. Wel deed hij vaak zorgelijk over zijn centen. Maar toen hij op 26 maart 1885 de ogen voorgoed sloot, was er nog een aardig appeltje voor de dorst, hetgeen blijkt uit de boedelbeschrijving van notaris Abraham Rutjes te Nuenen.(17) Het schoolgeld voor ‘Willem II’ bedroeg dertig gulden per jaar, wat landelijk gezien erg laag was. Hierbij kwamen uitgaven voor leermiddelen, kostgeld voor Hannik, en thuis in Zundert was er voor de andere kinderen een gouvernante.(18) Dat kon echter allemaal. Vader Van Gogh was veel te voorzichtig, om niet te zeggen bang, om iets te beginnen zonder deugdelijke calculatie, en vooral ook hechtte hij daarvoor te veel aan zijn dierbare duiten die in zijn ogen een voorwaarde waren voor een respectabel leven.
Een ernstige, althans langdurige ziekte kan het ook niet zijn geweest. Volgens zijn moeder - en wie kon het beter weten - had Vincent als kind al een robuuste gezondheid, de enige van haar zestal. 
Een ziekte die langer dan een jaar duurde, zou zij zich zeker hebben herinnerd, toen ze door haar schoondochter Jo, Theo’s vrouw, werd ondervraagd over Vincents jeugd. Gezien de roofbouw die hij later op zijn lichaam pleegde, moet Vincent inderdaad van beton zijn geweest. Daarvan getuigt ook de niet-gepubliceerde familiecorrespondentie. Moeders brieven bevatten heel wat mededelingen over verkoudheid, griepjes en andere ongesteldheden bij man en kinderen. Over Vincent ontbreken zulke bulletins - op een uitzondering, wanneer zij op een manier of het een wonder is, schrijft dat hij kou heeft gevat.

Uitschrijving Vincent van Gogh in het ‘Register van uitgegane personen Gemeente Tilburg’, 19 maart 1868 (coll. RHC Tilburg, 
Secretarie-archief 1810-1907, inv. Nr. 2929).


Vincent is beslist niet van school gestuurd. Wangedrag was niets voor die stille, passieve jongen en helemaal niet het kaliber waarop definitieve uitsluiting stond. Trouwens zo’n drastische maatregel kwam in het jaarverslag van de directeur. Daarin worden twee leerlingen die de toegang tot de school wordt ontzegd met name genoemd. Van een ander wordt vermeld dat hij wegens verhuizing is vertrokken. Geen woord over Vincent. Hij verliet de HBS dus niet officieel, was administratief alleen, om welke reden dan ook, de laatste maanden van het cursusjaar 1867-1868 absent. En toen hij voor het nieuwe schooljaar niet meer werd opgegeven, loste hij wat ‘Willem II’ betrof op in het niets.
Toen Vincent in de tweede klas zat, verslechterde de sfeer op school. Met ingang van 1 januari 1868 werd de gemoedelijke directeur Fles gedegradeerd tot leraar, en als schoolleider vervangen door dr. W.N. Fenger, een Draufgänger die spanningen opriep bij docenten en leerlingen. Mogelijk raakte de geestelijk kwetsbare Vincent hierdoor of mede hierdoor uit zijn evenwicht. Er is een aanwijzing dat hij het op een gegeven ogenblik moeilijk had. Als hij naar huis ging, nam hij de trein naar Breda, vanwaar hij lopend naar Zundert ging. Op een keer haalde een van de gebroeders Honcoop op verzoek van ds. Van Gogh Vincent die een groot pak bij zich had af. Toen Honcoop aanbood om dat pak van hem over te nemen, antwoordde hij: ‘Nee, dank u, ieder moet z’n eigen pakje dragen.’(19)
En dat heeft veel weg van een typisch Vincentiaans understatement dat op sores duidt. Toen het misging, werd hij - dat is wel zeker - net als later wanneer de wereld zich tegen hem keerde, verteerd door verlangen naar huis. Toen hij in 1875 in Parijs in depressieve toestand verkeerde, vond zijn moeder dat hij een tijdje thuis zou moeten komen. Het is of ze het over een beproefde therapie had.

Met ingang van 1 augustus 1869 trad Vincent in dienst van Goupil. Dat baantje had hij te danken aan oom Cent die deelgenoot was in de firma. Waarom drukte deze zijn neef en naamgenoot er niet eerder in? Voor iemand met zijn invloed was dat een koud kunstje geweest. Het argument dat Vincent nog te jong zou zijn geweest, snijdt geen hout: Theo ging wel op zijn vijftiende aan het werk. Van ledigheid zonder dwingende noodzaak kan geen sprake zijn geweest; dat ware te zeer in strijd met de in huize Van Gogh geldende normen van plicht en fatsoen. En dan was er ook nog de voorbeeldfunctie van de pastorie en de te ontziene Zundertse publieke opinie. Ergo Vincent kon niet terug naar de HBS en ook niet eerder naar Goupil. Alles wijst op een toestand van zware overspanning.
Hoe vernederend was een en ander voor Vincent zelf? In een brief aan een dominee (20) die hij in Londen schreef, beweerde hij dat hij tot zijn zestiende op school had gezeten en onmiddellijk daarop bij Goupil was gaan werken. Hij vond die periode waarin hij thuis had gezeten geen aanbeveling voor zichzelf.




Gedenkplaat Van Gogh in voorgevel pand St. Annaplein 18-19, ontworpen
door Niel Steenbergen in 1972 (coll. RHC Tilburg).


Bronnen

(1) Gemeentearchieven Zundert, Zevenbergen, Tilburg; archief Rijksmuseum Vincent van Gogh, Amsterdam.
(2) Crimpen, H. van, ‘De familie Van Gogh in Brabant’, in: Van Gogh in Brabant, Zwolle 1987.
(3) Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, ‘Van Gogh in Tilburg’, in: Brabantia, 20e jaargang, nr. 6, 1972.
(4) Idem, De onbekende Vincent van Gogh. Leren tekenen in Tilburg (1866-1868), Tilburg 1972.
(5) Idem, ‘The drawing-master Huysmans’, in: Vincent, bulletin of the Rijksmuseum Vincent van Gogh, vol. 2, nr. 2, 1973.
(6) Meyers, Jan, De jonge Vincent. Jaren van vervoering en vernedering, Amsterdam, 1989.
(7) Stokvis, Benno J., Nasporingen omtrent Vincent van Gogh in Brabant, Amsterdam 1926.
(8) Willemen, Ad C., ‘Een schets van C.C. Huijsmans’, in: Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jaargang 6, nr. 3, 1988.
(9) Verzamelde brieven van Vincent van Gogh, 4 delen, 5e druk, Amsterdam-Antwerpen, 1973.

Noten

(1) oktober 1864 - 31 augustus 1866 (GA. Zevenbergen).
(2) Cornelis Provily (1836-1934) in: Verzamelde brieven, IV, A5, p. 326.
(3) Maria Johanna van Gogh, ‘Familiegeschiedenis’, in Verzamelde brieven, IV, p. 360.
(4) 1829-1853, vgl. ‘Familiegeschiedenis’.
(5) De jonge Vincent, pp. 54-63.
(6) De onbekende Vincent van Gogh, pp. 14-15. 
(7) ‘Van Gogh in Tilburg’, Brabantia, p. 216.
(8) Verzamelde brieven, br. 378, okt. 1884.
(9) Weekblad van Tilburg, 7 juli 1866, geciteerd in Brabantia, p. 215.
(10) Verzamelde brieven, br. 9, 13 juni 1873.
(11) Volledige titel van het hoofdwerk: Grondbeginselen der Teekenkunst, eene theoretische en practische Handleiding om het teekenen grondig te leeren.
Gidsartikelen: 1. ‘De kunstbeschaving van de nijverheidsstand en de middelen om haar te bevorderen’ (1853). 2. ‘Het teekenen beschouwd in betrekking tot de nijverheid’ (1858). 3. ‘Eene vraag des tijds, Kunst en Industrie’ (1863); Willemen, p. 78 en 80, noot 6.
(12) Willemen, p. 79.
(13) Vgl. ‘The drawing-master Huysmans’.
(14) Verz. brieven, br. 332, najaar 1883.
(15) Idem, br. 439, november 1885.
(16) Vgl. br. 205, 3 juli 1882.
(17) Notarieel archief Nuenen, notaris A. Schutjes, volgnr. 1966, jrg. 1885, Streekarchief Zuid﷓Oost﷓Brabant, Eindhoven, geciteerd door Van Crimpen, pp. 86-89.
(18) Anke Maria Schuil, geb. 1850 te Leeuwarden, was van 5 juli 1867-26 juni 1869 gouvernante bij de familie Van Gogh; bevolkingsregister Zundert 1860-1890, inv. nr. 1873, fo. 349.
(19) Stokvis, Nasporingen, p. 11.
(20) Verz. brieven, ingesloten bij br. 69, 17 juni 1876.


* De schrijver en historicus Jan Meyers (Schagen) is auteur van ‘De jonge Vincent. Jaren van vervoering en vernedering’ (Amsterdam, 1989).