| 20. 'De liefde voor kunst en cultuur in onze stad' | |||
|
Titel: |
'De liefde voor kunst en cultuur in onze stad' |
|
Ondertitel: |
De Kunstkring Tilburg 1940-1969 |
|
Auteur: |
Gabriël Smeets* |
|
Jaargang: |
IX (1991) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
4-13 |
De Kunstkring Tilburg werd onder de naam 'Comité tot bevordering van beeldende kunsten en kunstnijverheid in Tilburg' in 1940 door mevrouw J. van de Mortel-Houben opgericht. De Kunstkring organiseerde van 1940 tot 1969
beeldende-kunsttentoonstellingen in Tilburg en streefde naar de oprichting van een 'kunstmuseum'. Na een aarzelend begin in de eerste oorlogsjaren kwam de Kunstkring tot bloei in de periode
1948 -1955, toen met financiële steun van de Gemeente Tilburg grote tentoonstellingen konden worden ingericht in de zalen van het Paleis-Raadhuis. Wat was de betekenis van de Kunstkring Tilburg in het culturele leven van Tilburg ?

Tentoonstelling 'A.C. Willink' in het
Paleis-Raadhuis, 1955. (Coll. RHC Tilburg).
Voorlopers
Het ontstaan van het fenomeen 'kunstkring' moet worden gezien in het licht van twee ontwikkelingen in West-Europa na 1700: de oprichting van de Academies voor Schone Kunsten in tal van steden enerzijds en de toenemende mode van het organiseren van kunst- nijverheidstentoonstellingen anderzijds. Vanuit de Academies vormden de zogenaamde 'dilettanten', meestal personen uit de sociale bovenlaag, groepen om zich onder het motto 'Kunst zij met ons' te wijden aan kunstbeoefening en -beschouwing. De eerste verenigingen die vanaf 1750 de organisatie van kunstnijverheidstentoonstellingen op zich namen, vervulden een voorbeeldfunctie voor het ontstaan van andere verenigingen in West-Europa. Ook in Nederland ontstonden in de 19e eeuw kunstgenootschappen en
-verenigingen.(1) De ontwikkeling van het culturele klimaat in Noord-Brabant werd gestimuleerd door de oprichting van de 'Academie impériale et royale de peinture, sculpture et architecture' in 1812 in 's-Hertogenbosch. Daar ontstond in 1846 ook de eerste Brabantse kunstkring: 'Het Teken- en Schilderkundig Genootschap van Sint
Lucas'.(2)
In Tilburg waren in 1918 de R.K.Leergangen gevestigd met de daaraan verbonden Academie voor Beeldende en Technische vakken, waar de schilderklas werd geleid door de heren Jan van Delft, Henri Sicking en Albert Verschuuren. Oprichter dr. Hendrik Moller zocht echter naar mogelijkheden om buiten de Academie om 'zowel de gewijde als de niet-gewijde kunst te bevorderen en te verheffen'. Ook hier leek het vormen van een kunstkring de juiste
oplossing.(3) Het verschijnsel kunstkring was er in de loop der tijd aan gewend geraakt daar op te duiken waar een kloof tussen kunst en publiek moest worden overbrugd en waar het ontbrak aan een overheid die zich bewust was van haar culturele taak. Tilburg kende buiten de Academie nauwelijks een tentoonstellingswezen, kunst- en kunstenaarsverenigingen waren nagenoeg afwezig.

De gemeentelijke Koopmansbeurs aan het Piusplein waar Kunstkring 'Ons Zuiden' van dr. Moller in de jaren
1920-1921 exposeerde. (Coll. RHC Tilburg).
De cultureel geďnteresseerden vormden een kleine groep waarin vooral fabrikanten en ondernemers, de geestelijkheid en katholieke onderwijsinstellingen vertegenwoordigd waren. Voor veel fabrikanten betekende kunst, met name schilderkunst, een goede geldbelegging. Kunst werkte bovendien imago-verhogend; een geschilderd portret van de fabrikant of van zijn familieleden bevestigde de status. Jan van Delft ontving vanuit deze gedachte diverse portretopdrachten. Buiten deze kleine groep was de belangstelling voor beeldende kunst vrijwel nihil. Kunstkring 'Ons Zuiden' van dr. Moller kon hierin nauwelijks verandering brengen; na enkele tentoonstellingen in 1920 en 1921 in het Beursgebouw aan het Piusplein verdween 'Ons Zuiden' geruisloos van het toneel. Incidenteel zijn er tussen 1920 en 1940 tentoonstellingen georganiseerd door de Academie, door de R.K.Volksuniversiteit 'De Kleine Academie' en door Boek- en kunsthandel 'Triborgh'. Het zou tot 1940 duren voor er in Tilburg een poging werd gedaan
'geregelde tentoonstellingen en lezingen op het gebied der beeldende kunsten en kunstnijverheid'
te organiseren. Toen vormde mevrouw Josephine van de Mortel-Houben een comité met de bedoeling
'de liefde voor kunst en cultuur in onze stad' te bevorderen.
Josephine van de Mortel-Houben
Als iniatiefneemster en presidente heeft mevrouw Van de Mortel jarenlang het gezicht bepaald van
'Het Comité tot bevordering van beeldende kunsten en kunstnijverheid in
Tilburg', waaruit later de Kunstkring Tilburg zou ontstaan. Het is daarom zinvol enige aandacht aan haar persoonlijke achtergrond te besteden. De Grande Dame van de Kunstkring werd op 12 maart l887 in Tilburg geboren
.(4) Na haar lagere schooltijd in Tilburg ging zij naar de Normaalschool in Roosendaal waar haar belangstelling voor beeldende kunst ontstond. Lessen in o.a. schilderen, muziek en spraakkunst maakten deel uit van haar middelbare schoolopleiding in Mechelen, België. Josephine Houben vestigde zich na een verblijf in Londen en Zuid-Frankrijk enige tijd in Parijs, waar haar zus aan de Sorbonne studeerde. In Parijs zag ze de tentoonstellingen waar voor het eerst werk van Van Gogh, Gauguin en Cézanne voor de grote massa toegankelijk werd
gemaakt.(5)
Terug in Tilburg leerde Josephine Houben mr. Jan van de Mortel, de latere burgemeester van Tilburg, kennen, met wie zij in 1911 in het huwelijk trad. Tijdens de Eerste Wereldoorlog spande mevrouw Van de Mortel zich in voor enkele Belgische kunstenaars die naar Tilburg waren
uitgeweken.(6) Mevrouw Van de Mortel-Houben toonde zich een ware 'dame charitable' toen zij als echtgenote van de burgemeester van Tilburg in l940 verschillende maatschappelijke en culturele taken op zich nam. Tot een van die taken behoorde naar haar mening de bevordering van kunsten en kunstnijverheid.
Het is niet bekend welke overwegingen mevrouw Van de Mortel deden besluiten uitgerekend in januari 1940 haar comité op te richten. Misschien speelde de installatie van haar man tot burgemeester in januari 1940 een rol. Misschien was ook de presentatie van de Bredase Kunstkring in zaal 'Modern' aan de Heuvel, eveneens in januari 1940, van invloed op haar plannen. Eind januari 1940 vroeg zij enkele prominente Tilburgers om lid te worden van haar comité: mgr.prof.dr.Goossens, de rector van de R.K.Leergangen, dr.J.Bloemen, arts en bekend kunstverzamelaar, drs.A.van Spaendonck, leraar klassieke talen aan het St.Odulphuslyceum én parttime bibliothecaris van de R.K. Openbare Leeszaal en dr.F.Vercammen, leraar Nederlands en geschiedenis aan het Odulphus. Dr.Vercammen kreeg in het comité de functie van artistiek adviseur. Hij had zich toegelegd op kunsthistorie en kunstbeschouwing, waarbij zijn belangstelling vooral uitging naar het Impressionisme van de Haagse en Amsterdamse school en naar het zogenaamde Vlaamse
Expressionisme.(7)
Mevrouw Josephine van de Mortel-Houben
(1887-1966) tijdens de opening van de tentoonstelling
'Rik Wouters' in het Paleis-Raadhuis, 1955. (Coll. RHC Tilburg).
De adviezen die dr.Vercammen uitbracht, vormden de kern van het tentoonstellingsbeleid van de Kunstkring. De eerste tentoonstelling die het comité inrichtte, betrof het werk van de Nijmeegse landschapschilder Dorus Arts. Bij Janssens Emzoon bankiers werd vanaf juni 1941 op naam van het comité een rekening opengesteld voor particuliere giften. Mevrouw Van de Mortel was een van de eersten die een bedrag stortten. Alle activiteiten van het comité zijn in deze periode gefinancierd op basis van donaties.(8) Via bemiddeling van Van Spaendonck kreeg het comité, tegen een maandhuur van f 10, de beschikking over de bovenzaal van de Leeszaal in de Willem II-straat als expositieruimte. Hoewel de zaal voor dat doel niet geschikt was (beperkte ruimte, onvoldoende belichting) heeft het comité deze locatie voor al zijn tentoonstellingen gebruikt. Van februari 1940 tot en met maart 1942 zijn er in totaal zestien exposities gehouden. Daarvan waren er negen gewijd aan schilderkunst, een aan beeldhouwkunst, een aan kunstnijverheid en een aan grafische kunst. Uitsluitend Nederlandse, voornamelijk Brabantse, kunstenaars waren vertegenwoordigd.
Bij de keuze van zijn tentoonstellingen blijkt het comité een voorkeur te hebben gehad voor (Neo-)Impressionisme en (Neo-)Realisme en de daarbij behorende thema's landschap, stilleven en portret. Het comité sloot hiermee aan bij een traditioneel museaal beleid. Vernieuwende impulsen gingen daar niet van
uit.(9) De belangrijkste doelstelling van het comité was 'de kunst onder de menschen te brengen vooral in dezen tijd die de aandacht weer meer op de geestelijke waarden gevestigd
heeft'.(10) De tentoonstellingen kwamen in ieder geval tegemoet aan de behoefte van de Tilburgse bevolking, in oorlogstijd, aan afleiding en 'vermaak'. Een aantal van de exposities was succesvol genoeg om geprolongeerd en in de avonduren opengesteld te worden. Buiten de tentoonstellingen van het comité was er in Tilburg in deze tijd nauwelijks gelegenheid om van kunst te
genieten.(11) Het is bewonderenswaardig dat het comité er onder de gegeven omstandigheden (de Duitse bezetting, beperkte organisatorische en financiële middelen, onvoldoende expositieaccomodatie) in slaagde kunstenaars als Krop, Kelder en Sluyters in Tilburg te presenteren. De regelmaat van de activiteiten, de kwaliteit van het gebodene en ook de status van de leden bezorgden het comité bekendheid en naam. De instelling van
'De Nederlandsche Kultuurkamer' door de Duitse autoriteiten in mei 1942 maakte een einde aan alle werkzaamheden.
Kunstzaal Donders
De Nieuwe Tilburgse Courant van 13 juni 1947 meldt 'het verblijdend feit dat de Tilburgsche Kunstkring weer van haar doet spreken en de oude activiteit
ontplooit'. Onder de naam waarmee het vanaf het begin in Tilburg werd aangeduid, de Kunstkring, trad het comité weer op de voorgrond. Het bestuur werd gevormd door mevrouw Van de Mortel, presidente; dr.Vercammen, vice-voorzitter en adviseur en door drs.H.Schurink, de gemeente- archivaris van Tilburg, secretaris. In de jaren van wederopbouw popelden de comitéleden om weer aan de slag te gaan. Mevrouw Van de Mortel laat weten dat
'het werk met alle voortvarendheid zal worden hervat omdat het volk snakt naar
cultuur'.(12)
Ideeën voor tentoonstellingen waren er genoeg, maar het vinden van een goede expositieruimte vormde alweer een groot probleem. De bovenzaal van Hotel Riche werd als noodoplossing gebruikt voor de eerste na-oorlogse tentoonstelling: 'Hollandsche schilders' in juni 1947. In haar openingstoespraak vraagt mevrouw Van de Mortel zich af of Tilburg, met zijn kunstacademie, muziekconservatorium, kunstkring en een groot aantal kunstenaars niet zou kunnen uitgroeien tot een kunstcentrum dat de gehele Tilburgse bevolking ten goede zou komen. De gedrevenheid waarmee de Kunstkring aan het werk ging, resulteerde in korte tijd in een tweede tentoonstelling, Christo Stefanoff, dit keer in hotel De Lindeboom. Het zoeken naar een goede ruimte ging onverminderd voort. Voor mevrouw Van de Mortel was het daarom alsof 'een droombeeld werkelijkheid' was geworden toen zij hoorde van de plannen van de heren Jos en Theo Donders om een kunstzaal te
openen.(13)
Kunstzaal Donders, Zomerstraat 26, in 1947
(Coll. Th. Donders, Goirle).
De bovenetage van kunst- en antiekhandel Donders aan de Zomerstraat zou na verbouwing en professionele outillage een langgekoesterde wens vervullen. Alle mogelijke belanghebbenden, met name het gemeentebestuur, de Kunstkring en de Academie toonden grote interesse. Bij de feestelijke opening in oktober 1947 dankte mevrouw Van de Mortel de familie Donders voor
'dit offer op het altaar der kunst'. Zij beloofde een nauwe samenwerking tussen kunstzaal en Kunstkring tot stand te brengen. De mogelijkheden die de kunstzaal bood (de oppervlakte, doorlopende muren, professionele verlichting) wilde de Kunstkring niet onbenut laten. De eerstvolgende expositie werd in november 1947 in kunstzaal Donders geopend:
'Het Stilleven' toonde 47 werken van kunstenaars uit de 17e eeuw tot heden, uit het bezit van Tilburgse families. Met name dit laatste bleek een publiekstrekker. Ervaring had geleerd dat de nadruk op het
'Brabantse' en op 'kunst in Brabants bezit' de aantrekkingskracht van de tentoonstellingen verhoogde. Nu Tilburgse (voornamelijk notabele) families toonden wat ze in huis hadden, was de belangstelling optimaal. Voor het eerst werd er een redelijk uitgebreide catalogus bij de expositie uitgegeven. Dr. Vercammen verzorgde in hotel De Lindeboom een kunsthistorische
toelichting.(14) De Kunstkring kreeg een steeds betere reputatie; het bleek een instelling te zijn die Tilburg van een bloeiend tentoonstellingswezen kon voorzien.
Oude kunst in Brabants bezit
Die reputatie zal ertoe hebben bijgedragen dat het gemeentebestuur van Tilburg (burgemeester Van Voorst tot Voorst en wethouder Appels) leden van de Kunstkring benaderde om een manifestatie vanwege het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina in 1948 te organiseren. Dr. Vercammen kwam met het voorstel een mammoettentoonstelling van kunstwerken in Brabants bezit te presenteren. Het voorstel werd met groot enthousiasme ontvangen. Vercammen, de organisatorische spil van deze manifestatie, bereisde
'1800 Brabantse kilometers' op zoek naar kunst. Al snel beperkte hij zijn keuze tot 'oude kunst', dat wil zeggen 'van de vroegste tijden tot omstreeks 1800'. De gemeente Tilburg stelde
f 5000, alle mogelijke organisatorische steun en bovendien alle zalen van het Paleis-Raadhuis voor die gelegenheid ter beschikking. Mevrouw Van de Mortel begon een actie om via donaties nog eens
f 5000 bij elkaar te brengen (de kunstwerken waren verzekerd voor een totaalbedrag van
f 1.822.900).
Overzicht van de tentoonstelling 'De Gouden Eeuw' in het Paleis-Raadhuis, 1953.(Coll. RHC Tilburg).
Van 31 juli tot en met 19 september 1948 werden 446 kunstwerken uit particuliere, gemeentelijke, provinciale, kerkelijke en kloostercollecties in vier zalen van het Paleis-Raadhuis geëxposeerd. De publieke belangstelling was enorm: 20.000 bezoekers werden geteld. De landelijke pers besteedde ruim aandacht aan deze Tilburgse manifestatie. Daarbij werden in de meeste gevallen het initiatief en de organisatie geprezen maar de inrichting van de zalen, de weinig selectieve keuze en de overdaad aan kunstwerken
gehekeld.(15) Voor de Kunstkring had deze proeve van kunnen belangrijke gevolgen: in de komende jaren kreeg hij de gelegenheid te laten zien waartoe hij in staat was.
1948-1955
Voor Tilburgse begrippen ongekend, en nadien niet meer geëvenaard, waren de tentoonstellingen die de Kunstkring in deze periode uitbracht. Het is moeilijk voorstelbaar dat toen, in Tilburg, de mogelijkheid bestond, viermaal per jaar, een expositie te bezichtigen die twee ŕ drie zalen van het Paleis-Raadhuis vulde en waar zulke prachtige werken te zien waren als bijvoorbeeld die van Rik Wouters, Frits van den Berghe en Aad de Haas. De Kunstkring haalde werk van D'Hondecoeter, Moreelse en Van Ruysdael (De Gouden Eeuw) uit de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam naar Tilburg. Schilderijen van Breitner hebben in het Paleis-Raadhuis gehangen (Nederlandse Impressionisten). De eerste naoorlogse retrospectieve (in Nederland) van het werk van Carel Willink werd door de Kunstkring Tilburg gepresenteerd.
De heren H.Verwiel (links) en J. van Mosselveld (rechts) bekijken het werk van
A.C.Willink, 1955.
(Coll. RHC Tilburg).
Wie in die tijd een opening van een Kunstkringexpositie bezocht, trof in de raadszaal van het Paleis een gedistingeerd gezelschap kunstvrienden aan; naast de leden van de Kunstkring waren, indien mogelijk, de exposerende kunstenaar aanwezig (Opsomer bijvoorbeeld), een
'hoog vereerde gast' (bijvoorbeeld staatssecretaris Cals van het Ministerie van O.K. en W.), burgemeester Van Voorst tot Voorst, enkele wethouders, prof. Heere van de R.K.Leergangen, diverse fabrikanten en ondernemers, Tilburgse kunstenaars en docenten en studenten van de Academie. De opening zelf geschiedde op plechtstatige wijze: het bestuur van de Kunstkring, kunstenaar en speciale gast namen plaats achter de raadstafel op het verhoogde podium; mevrouw Van de Mortel, de gast en dr. Vercammen hielden achtereenvolgens een toespraak. Pas daarna kon de toeschouwer een rondgang langs de kunstwerken maken. In de twee trouwkamers (parterre) en de burgerzaal (1e verdieping) waren voor de gelegenheid schotten langs de wanden geplaatst. De schotten waren, naar een ontwerp van architect Beekers (lid van de Kunstkring), bespannen met stof in de kleur van de omgeving, respectievelijk groen, lila en grijs. Niet iedereen was gecharmeerd van de presentatie en inrichting van de tentoonstellingen; in recensies werd de Kunstkring herhaaldelijk op dit punt
aangevallen.(16)

De opening van de expositie 'Opsomer' in 1952.
V.l.n.r. mr. Langui (departement van het Belgisch
Ministerie van Openbaar Onderwijs), mr. Cals (staatssecretaris van het Ministerie van O.K. en
W.),
baron I. Opsomer, L. Christophe (directeur van Schone Kunsten, Belgisch Ministerie van Openbaar
Onderwijs) en burgemeester baron Van Voorst tot Voorst. (Coll. RHC Tilburg).
Het tentoonstellingsaanbod van de Kunstkring geeft geen blijk van een uitgesproken visie op de ontwikkelingen in de beeldende kunst, het verraadt veel meer de contacten en relaties van mevrouw Van de Mortel en de persoonlijke voorkeur van
Vercammen.(17) De bezoekersaantallen varieerden van 398 (Schilders ter zee) tot 2700 (De Kempen in de kunst). Het publiek bestond uit een vaste groep Tilburgse aanhangers, maar bij topexposities als Opsomer, Willink en Rik Wouters kon men rekenen op kunstliefhebbers uit heel Nederland en België. Meer moeite had de Kunstkring om 'brede lagen uit de Tilburgse bevolking te bereiken'. Door middel van lage entreeprijzen (
f 0,50 voor volwassenen) en openstelling in de avonduren wilde men 'bepaalde categorieën van de bevolking, met name arbeiders en middenstanders' meer gelegenheid bieden de tentoonstellingen te bezoeken.
(18) Door het houden van rondleidingen (meestal door het 'damescomité', dochters van fabrikantenfamilies, soms door een deskundige als Lambert Tegenbosch), opstelwedstrijden en enquetes wilde men de Tilburgse schooljeugd enthousiasmeren. In deze activiteiten laat zich de opvoedkundige houding herkennen die de Kunstkring eigen was. Wellicht gestoeld op dr. Mollers gedachte van
'de verheffing' wilde men 'kunst onder de mensen brengen' en 'de smaak van het publiek ontwikkelen'. Een zekere mate van patronisering van 'het volk' kan de Kunstkring niet worden ontzegd.
De bloei van de Kunstkring was gebaseerd op het gelukkige samengaan van een aantal factoren. Sommige daarvan lagen binnen de Kunstkring zelf; de naam en positie van mevrouw Van de Mortel maakten deuren open die voor anderen gesloten bleven, Vercammen had de status van
'kunstdeskundige' verworven en bovendien was een kundig en gepassioneerd organisator secretaris van de Kunstkring geworden: J. van Mosselveld, de adjunct-archivaris van Tilburg. Van Mosselveld bouwde een netwerk van contacten op met Nederlandse en Belgische kunstenaars, musea, kunsthandels en verzamelaars, hetgeen de spraakmakende reeks van tentoonstellingen tot gevolg
had.(19) Een bijzonder goede vondst was de samenwerking met het Belgische Departement van Openbaar Onderwijs, waardoor de zogenaamde 'Belgische tentoonstellingen' Opsomer, Jacob Smits, Rik Wouters en Frits van den Berghe naar Tilburg konden komen. Jaarlijks werd er een 'Start'-tentoonstelling (debuterende Nederlandse kunstenaars) en een 'Kruisweg'-tentoonstelling ( Albert Servaes, Aad de Haas, Jaap Min) gehouden. Tilburgse kunstenaars werden in 1955 in de vorm van een groepstentoonstelling gepresenteerd en haalden op die manier de landelijke pers.
Burgemeester baron Van Voorst tot Voorst verwelkomt de Belgische ambassadeur ter gelegenheid
van de opening van de tentoonstelling 'Rik Wouters', 1953. V.l.n.r. J. van Mosselveld,
F.Vercammen,
Van Voorst tot Voorst, de ambassadeur van België, J. v.d. Mortel-Houben en onbekend.
(Coll. RHC Tilburg).
Een belangrijke bijdrage tot bloei vormde het belang dat burgemeester Van Voorst tot Voorst en wethouder Appels hechtten aan de culturele taak van de gemeentelijke overheid. De oprichting van de Culturele Raad, oktober 1948, getuigt daarvan. De Culturele Raad zou gaan functioneren als adviesorgaan voor het college van B.en W. inzake de subsidiëring van culturele instellingen en verenigingen in Tilburg. Dat mistte zijn effect op de Kunstkring niet. De Raad wees erop dat de Kunstkring
'de taak op zich heeft genomen die in andere gemeenten door het stedelijk museum wordt vervuld' en besluit vervolgens B.en W. te adviseren een jaarlijkse subsidie toe te kennen van
f 1000 met de verplichting drie tentoonstellingen per jaar te houden (van
f 1000 in 1948 groeide dit subsidiebedrag tot f 4500 in 1954).(20)
Bovendien zouden de zalen van het Paleis-Raadhuis gratis worden afgestaan. De gedachte dringt zich op dat de Kunstkring langzaam als een gemeentelijke instelling werd ingelijfd. Dat idee wordt versterkt door een derde vorm van subsidiëring door de gemeente aan de Kunstkring namelijk door de heer Van Mosselveld toe te staan in zijn werktijd als archivaris de belangen van de Kunstkring te behartigen.
De activiteiten hadden in korte tijd zo'n hoge vlucht genomen dat de Kunstkring het nodig vond een professionele structuur aan de eigen organisatie te geven. In maart 1953 werden daartoe twee stichtingen in het leven geroepen;
'De Stichting Kunstkring Tilburg' en 'De Stichting Vrienden van de Kunstkring Tilburg'.
Behalve de presentatie van tentoonstellingen vormde het verwerven van een eigen kunstcollectie en een 'kunstmuseum' vanaf dat moment het doel van alle werkzaamheden. De
'Stichting Vrienden' zou door het houden van lezingen, rondleidingen, cursussen en het verwerven van contribuerende leden de financiële draagkracht gaan verbreden.
De problematiek van de Kunstkring
De Kunstkring had inmiddels voldoende financiële en organisatorische basis gekregen om van 1955 tot 1962 op het vertrouwde stramien door te werken. Toch kondigde zich, in de vorm van een aantal gebeurtenissen, langzamerhand een situatie aan die secretaris dr.F. van Puijenbroek in
1966 zou omschrijven als 'de problematiek van de Kunstkring'. Het begon met het bericht van het gemeentebestuur in 1954 dat de Kunstkringtentoonstellingen hinderlijk waren bij het gebruik van het Paleis-Raadhuis voor huwelijksvoltrekkingen, vergaderingen en representatieve doeleinden. Voor de expositie 'Japanse prenten' moest men in allerijl uitwijken naar een leegstaande garage aan de Bosscheweg. De wens om een eigen museum te bezitten deed zich sterk voelen. In 1956 kreeg de Kunstkring een gevoelige klap te verwerken; het vertrek van zijn
'beroepsorganisator' én betaalde kracht Jan van Mosselveld. Zijn inbreng probeerde men te vervangen door een tentoonstellingscommissie, bestaande uit Tilburgse kunstenaars, bijvoorbeeld Jan Dijker, Ru van Rossum, Hans van Zummeren, aan het bestuur van de Kunstkring toe te voegen.
Baron E. van Voorst tot Voorst trad in 1957 af als burgemeester en werd opgevolgd door mr.C.Becht. Het contact tussen Kunstkring en gemeentebestuur leek vanaf dat moment van inhoud te veranderen. De onderhandelingen met het gemeentebestuur over een kunstmuseum verliepen moeizaam en weinig hoopgevend. De Culturele Nota van 1959 analyseerde de behoefte aan een museum in Tilburg, naast de bestaande musea, en concludeerde dat eventuele plannen uitsluitend een kunstnijverheidsmuseum zouden kunnen
betreffen.(21) Tot die conclusie kwam men op basis van de geringe
publieksbelangstelling voor de tentoonstellingen van de Kunstkring (4.591 bezoekers in 1958). De aard van die tentoonstellingen
('een te gespecialiseerd karakter, te veel individuele kunstenaars, weinig variatie in
onderwerpen') en de 'hoge drempel' van het Paleis-Raadhuis waren daaraan debet. De nota haastte zich echter te zeggen dat de Kunstkring 'sociaal-pedagogisch' van grote betekenis was en dat in een meer toegankelijke locatie de exposities waarschijnlijk meer bezoekers zouden trekken. Gedacht werd aan een combinatie met de schouwburg of met het Natuurhistorisch Museum.
'Het zal dan een kwestie worden van volhouden. Langzamerhand zal de smaak van het publiek kunnen worden
ontwikkeld'.(22)
Volhouden deed de Kunstkring, misschien wel tegen beter weten in; na1960 werd een onafgebroken strijd gevoerd tegen
'de weinig slagvaardige, bijna onverschillige houding van het gemeentebestuur van Tilburg'.
(23). H.Verwiel, de directeur van de Tilburgse Streek- V.V.V. en sinds 1953 lid van de Kunstkring, constateerde dat
'het hele bestuursbeleid van B. en W. in culturele zaken erg onevenwichtig is, waarbij de Beeldende Kunsten zwaar in de verdrukking komen'.
Het afscheid van mevrouw Van de Mortel in 1962 vormde een bijkomend probleem. Haar persoonlijkheid, haar status (de weduwe van een geliefde burgemeester) en haar volledige inzet bleken moeilijk vervangbaar. Voor de opvolging in het voorzitterschap ging men op zoek naar personen met managementervaring; de beleidsvoering moest nodig worden aangepast aan de aard van de problemen. Respectievelijk dr.J.Zuring, ir.J.Kipperman en drs.G.Kroon waren voorzitter van de Kunstkring na het vertrek van mevrouw Van de Mortel.
In afwachting van een eigen museum maakte de Kunstkring, tegen zijn zin en bij gebrek aan beter, beurtelings gebruik van de foyer van de schouwburg, de hallen en gangen van de Hogeschool, het Natuurhistorisch Museum en het Volkenkundig Missiemuseum. De aankoop van kunst moest worden uitgesteld totdat men over een eigen ruimte kon beschikken waarin de collectie verantwoord kon worden beheerd. De weinig stimulerende omstandigheden legden de creativiteit blijkbaar lam; het tentoonstellingsprogramma toont niet de verrassingen van de voorgaande
jaren.(24) Voorzitter Zuring vroeg zich in 1963 af 'of het überhaupt nog verantwoord is te
exposeren'; de nadelen die aan de verschillende locaties verbonden waren, deden zo'n afbreuk aan de tentoonstellingen dat de goede naam van de Kunstkring in gevaar dreigde te komen. Ernstige twijfel ontstond over het nut van alle inspanningen nu ook duidelijk werd dat de publieke belangstelling bleef afnemen. De Stichting Vrienden zag zich in 1966 genoodzaakt alle directe activiteiten stop te zetten wegens gebrek aan
donateurs.(25)
Met de grote tentoonstelling 'Landuyt/Nolan' in 1967 in het gebouw van de Hogeschool toonde de Kunstkring weer het oude elan; de samenwerking met het Belgische Departement van Openbaar Onderwijs en Schone Kunsten werd weer opgepakt. Helaas resulteerde de tentoonstelling in een financiële ramp; de contacten met de pers faalden, het bezoekersaantal bleef beneden alle verwachtingen, een navordering vanwege transportkosten kon niet worden opgebracht. Dr.Vercammen, Kunstkringlid van het eerste uur, concludeerde met spijt dat 'de imago van de Kunstkring Tilburg waarschijnlijk on- voldoende is om een tentoonstelling van deze portee te dragen'.(26)
Het gemeentelijk adviesorgaan SCOT adviseerde in 1969 aan B.en W. bij de plannen voor de bouw van het Culturele Centrum Koningswei rekening te houden met een expositieruimte voor de
Kunstkring.(27) Verheugd nam de Kunstkring kennis van dit advies maar vroeg zich vervolgens af hoe de tussentijd moest worden overbrugd. Tot aan de oplevering van het Cultureel Centrum achtte men het pand Spoorlaan 424 als noodbehuizing zeer geschikt. Het gemeentebestuur werd benaderd om medewerking bij de verwerving en eventuele inrichting van dit pand. In het overleg dat hierover plaatsvond, werd het lot van de Kunstkring bezegeld; de Kunstkring begreep dat van het gemeentebestuur geen medewerking meer te verwachten was. Binnen een redelijke termijn bleek er geen oplossing voor het huisvestingsprobleem te bestaan; dat betekende dat er geen tentoonstellingen meer konden worden georganiseerd, tenminste niet op de manier waarop de Kunstkring dat wenste en kon verantwoorden. De eerste en belangrijkste doelstelling van de Kunstkring kwam te vervallen.
'Derhalve kan de Kunstkring niet meer aan de bij de oprichting gestelde doeleinden beantwoorden, de Kunstkring is in een uitzichtloze situatie terechtgekomen.'
Na uitvoerig beraad neemt het Kunstkringbestuur op 27 juni 1969 unaniem de beslissing de Kunstkring te ontbinden.
'De penningen, het archief en de inventaris zullen de gemeente Tilburg ter hand worden
gesteld'. (28)
Daarmee kwam een einde aan een instelling die uniek was in Tilburg. De betekenis van de Kunstkring in het naoorlogse Tilburg is duidelijk; vanuit een persoonlijk initiatief groeide de Kunstkring uit tot een organisatie die gedurende een aantal jaren de beeldende-kunstvoorziening in de stad voor haar rekening nam en landelijke belangstelling voor de exposities wist te wekken. Het is verleidelijk te speculeren over de situatie waarin het de Kunstkring, met permanente steun van het gemeentebestuur, was gelukt Tilburg van een stedelijke kunstcollectie en misschien ook van een museum te voorzien. Meteen rijst dan de vraag of de Kunstkring over genoeg vakbekwaamheid en visie in eigen gelederen had beschikt om dit museum blijvend te beheren en adequaat door de ontwikkelingen in de museale wereld na 1970 te loodsen. Die vraag moet hier onbeantwoord blijven.
Lijst van tentoonstellingen georganiseerd door de Kunstkring Tilburg, voorheen Comité tot bevordering van beeldende kunsten en kunstnijverheid in Tilburg.
1940
Dorus Arts
Peter van de Braken
Eekman/Stanthamer
Jan van Delft
1941
Collectie Sandifort
Theo Swagemakers
Paul Arntzenius
Autografen
Toon Kelder
Gebroeders Mandos
Jan Sluyters
Boeken
Elsa Rubens
Hildo Krop
1942
Charles Hollman
Ex Libris
1947
Hollandse schilders
Christo Stefanoff
Het Stilleven
1948
Oude kunst in Brabants bezit
Harry Koolen/Het Portret
R.Baroeki Abdullah
1949
Schilderijen en Beeldhouwwerken
Jan van Delft
Grafische kunst
1950
Sier uw huis
Jonge Tilburgse schilders
1951
Reisindrukken van Nederlandse kunstenaars in Frankrijk
Jacob Smits/De Kempen in de Kunst
1952
Albert Servaes
Opsomer
Matthieu Wiegman
Nederlandse Impressionisten
Start
1953
Schilders ter zee
De Gouden Eeuw
Rik Wouters
Kunstnaaldwerk
Jan van Riel

1954
Aad de Haas
Japanse prenten
Frits van den Berghe
Start
1955
Jaap Min
Rekenschap
A.C.Willink
Tilburgse kunstenaars

1956
John Piper
Christus' lijden in de kunst
Hedendaagsche Belgische landschapschilders
Start
1957
Jef Diederen
De Zuiderkring
Moderne Grafiek
Christus' lijden in de kunst II
|
1958
Kunst en werkelijkheid
Ro Mogendorff
Noorse en Zweedse grafiek
De Amsterdamse Joffers
Jan Sluyters
1959
Start
Nederlandse portrettisten
Theo Swagemakers
Collectie Tavernier
1960
Romantiek en Biedermeier
Kunst en Ambacht in Brabant
Hendrik Chabot
1961
Start
Mart Kempers
Martien Coppens
Otto van Rees
Van Heel/Koreman
1962
Gene Eggen
De Wit/Liesker
De Corti/Kreykamp
Woord en Tegenwoord
1963
Aad Roos
Dick Zwier
Ikonen
1964
Passie en Pasen
Johan Buning
1965
Dröge
André Bogart
Den Tex
1966
Afrika-Nederland Contact
Talensprijs 1966
Op de Planken
Tegels
Wedgewood
Louwinger/Birker
1967
Grafiek Amsterdam-New York
De Schakel
Landuyt/Nolan
1968
Hongaarse grafici
Noten
(1) Titus M. Eliens, Kunst Nijverheid Kunstnijverheids- tentoonstellingen in de 19e
eeuw. Zutphen, 1990.
(2) F.A. Vercammen, Beeldende kunsten. In: Het nieuwe Brabant, dl. 3,
De Brabantse geest. 's-Hertogenbosch, 1955.
(3) A.H.M. van Schaik, Dr. Hendrik Moller 1869-1940. Een ongemakkelijk initiator van onderwijs en cultuur in Noord-Brabant. In: Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, dl. 75. Tilburg, 1988.
(4) Nieuwe Tilburgse Courant (NTC), 5-2-1962.
(5) De Tijd, 3-2-1962.
(6) Nieuwsblad van het Zuiden (NvhZ), 5-2-1962. Welke kunstenaars dat waren is niet bekend. Mogelijk behoorde mevrouw Van de Mortel tot de groep leerlingen die les kreeg van de Belgische bloemschilder E. van Rijswijk tijdens zijn verblijf in Tilburg
(NTC, 2-5-1915). In enkele publikaties, waaronder de Encyclopedie van
Noord-Brabant, wordt het contact van mevrouw Van de Mortel met de gevluchte Belgische kunstenaars in 1915 genoemd als het begin van de Kunstkring Tilburg. In het archief van de Kunstkring zijn geen argumenten voor deze bewering te vinden. Navraag bij familieleden van mevrouw Van de Mortel en bij oud-bestuursleden van de kunstkring heeft ook geen aanwijzingen opgeleverd die deze bewering kunnen bevestigen.
(7) NvhZ, 19-6-1965.
(8) Gemeentearchief Tilburg (GAT), archief van de Stichting Kunstkring Tilburg (Arch. KT), rekening-courant 1940-1951. Het archief van de Kunstkring
wordt momenteel geďnventariseerd; verwijzingen naar inventarisnummers zijn daardoor nog niet mogelijk.
(9) Schilderkunst in Noord-Brabant na 1945. Een inventarisatie. Uitgave van de NBKS. Oirschot, 1984.
(10) NTC, 11-11-1941.
(11) Een uitzondering vormt kunsthandel De Bron die een afdeling had geopend waar regelmatig exposities werden gehouden.
(12) NTC, 17-6-1947.
(13) NTC, 14-10-1947.
(14) Deze lezing zou uitgroeien tot de bekende serie kunsthistorische lezingen die Vercammen elke winter in De Lindeboom hield.
(15) GAT, archief van het werkcomité Oude kunst in Brabants bezit,
kranteknipsels.
(16) Bijvoorbeeld in de Maasbode, 25-10-1955, naar aanleiding van de expositie 'Tilburgse Kunstenaars';
'Wie er (het Paleis-Raadhuis, G.S.) ooit een tentoonstelling bezocht heeft, weet dat kunstwerken die het er uithouden nergens meer kunnen tegenvallen. Er zich van nature thuisvoelen, er zich in zijn element voelen, is uitsluitend aan kitsch
voorbehouden.'
(17) Toch kan de Kunstkring een vergelijking met het aanbod van het Eindhovense Van Abbemuseum in dezelfde periode aan; Van Abbe
presenteerde van 1947-1953: 'Nederlandsche kunstenaars', 'De Bossche schildersfamilie Slager', 'Nederlandsche landschapschilderkunst in de 17e eeuw', 'Oost-Indische Kunst', 'Oosterse tapijten', 'De passie onzes Heeren', 'Onze beeldhouwkunst in de late Middeleeuwen'.
(Schilderkunst in Noord-Brabant. Een inventarisatie. Uitgave van de NBKS. Oirschot, 1984.)
(18) GAT, archief van de Culturele Raad (Arch. CR), notulen 8-5-1952.
(19) Een ander gevolg van Van Mosselvelds activiteiten is de vorming van het archief van de Kunstkring, waarin naast affiches, catalogi en foto's ook brieven van kunstenaars ( onder andere van Escher, Fernhout, Koch, Opsomer,
Toorop, Willink, Wiegman) aanwezig zijn.
(20) Arch. CR, notulen 11-7-1949.
(21) Het Natuurhistorisch Museum, het Volkenkundig Missiemuseum en het Textielmuseum; door de gemeente gesubsidieerde instellingen.
(22) Arch. CR, Cult. Nota, 29-1-1959.
(23) Arch.KT, notulen 27-6-1969.
(24) In sommige gevallen was men aangewezen op kant-en-klare tentoonstellingen, zoals 'Tegels', 'Talensprijs' en
'Wedgewoodprijs'.
(25) De Stichting Vrienden bleef in afwachting van betere tijden 'slapend' bestaan. Toen het er in 1981 niet naar uitzag dat zulke tijden nog zouden aanbreken, werd de Stichting alsnog geliquideerd. Het batig saldo werd overgemaakt aan de Stichting tot
Behoud van Tilburgs Cultuurgoed, de uitgeefster van het voor u liggende tijdschrift
'Tilburg'.
(26) Arch. KT, notulen 21-2-1968.
(27) Stichting Sociale en Culturele Opbouw Tilburg, de instelling die de adviserende taak van de Culturele Taak op zich nam.
(28) Arch. KT, notulen 27-6-1969.
Met dank aan de heren Th.Donders (eigenaar kunstzaal Donders), dr.G.Kroon (voorzitter KT 1967-1969), J.van Mosselveld (secretaris KT 1952-1956), dr.F.van Puijenbroek (secretaris KT 1966-1968), H.Verwiel (lid KT 1953-1968) en H.van Zummeren (lid KT 1966-1969) voor het beschikbaar stellen van informatie en materialen
en aan H.Palmen voor de hulp bij het krantenonderzoek.
* Gabriël Smeets (1958), als stagiair van de Rijksarchiefschool verbonden aan het Gemeentearchief Tilburg, inventariseert de archieven van enkele culturele instellingen waaronder het archief van de Stichting Kunstkring Tilburg.
Aanvulling 2002: Regionaal Historisch
Centrum Tilburg:
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN DE STICHTING KUNSTKRING TILBURG, VOORHEEN COMITÉ TOT BEVORDERING VAN KUNST EN KUNSTNIJVERHEID IN TILBURG, 1940-1969
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN DE STICHTING VRIENDEN VAN DE KUNSTKRING TILBURG, 1953-1981.
INVENTARIS VAN HET ARCHIEF VAN HET WERKCOMITÉ OUDE KUNST IN BRABANTS BEZIT, 1948.




