| 21. Judith Leyster alias Zwagemakers? | |||
|
Titel: |
Judith Leyster alias Zwagemakers? |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
G.J.W. Steijns |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
26-27 |
In de maanden mei tot en met augustus 1993 werd in het Frans Halsmuseum in Haarlem een tentoonstelling gehouden van het werk van
Judith Leyster, schilderes in een mannenwereld.
Judith, die leefde van 1609 tot 1660 en gehuwd was met de Haarlemse schilder Jan Miense Molenaer, was een tijdgenote van Frans Hals, en haar oeuvre vertoont een zodanige gelijkenis in stijl, dat er lange tijd ten onrechte over en weer werken aan deze twee kunstenaars zijn toegeschreven. Naar aanleiding van deze tentoonstelling is gepoogd in die warboel orde te scheppen en een deugdelijke oeuvre-catalogus van het over de hele wereld in de musea hangende werk van deze zeldzame schilderes samen te stellen.
In de inleidende hoofdstukken van die catalogus is door de kunsthistorica Ellen Broersen ook aandacht besteed aan de familie waaruit Judith stamde. Die was net als bij zoveel andere kunstenaars in het Haarlem van die dagen van Zuid-Nederlandse komaf. Judith was een dochter van Jan Willemsz. Leyster die ca. 1568 in of bij Antwerpen geboren moet zijn als zoon van ene Willem Pietersz., en die zijn achternaam pas in Haarlem ontleende aan het uithangteken van zijn huis: de 'Leijstar' of 'leidster'. Oorspronkelijk was Jan 'smalwerker' ofwel wever van smalle stukken van katoen, wol of zijde. Pas in 1618 kocht hij een brouwerij, die dezelfde naam kreeg. De auteur ontdekte nu in het Haarlems archief een stuk, dat haar aanleiding gaf, om met de Tilburgse archivaris contact op te nemen. In 1654 wordt door de echtgenoot van een zus van Judith akkoord gegaan met een machtiging aan een andere zus "ten eijnde deselve soude invorderen soodanige landerien, huijs ende hoff gelegen tot Thilburch ende daeromtrent, gecomen van Seigneur Willem Pietersz. Wagemakers sijn comparants huijsvrouwe (dus ook van Judith, S.) grootvader".
Naspeuringen in het Rechterlijk Archief in Tilburg hebben toen de volgende met bewijsplaatsen gestaafde conclusie opgeleverd en nu citeren we letterlijk de desbetreffende noot van mevrouw Broersen: "Zeer waarschijnlijk is Willem Pietersz. Wagemaecker de zoon van Peter de Wagemakers (ook wel Peter Jan Zwagemakers) en Anna Jansdr. Leijten, die verscheidene stukken land en huizen bezaten in en om Tilburg. Peter Jan overleed tussen 31-1-1545 en 3-3-1545. en liet Anna achter met zeven onmondige kinderen, waaronder Willem, de tweede zoon. In 1552 is Willem nog steeds onmondig. In tegenstelling tot zijn broers en zusters komt Willem in de Tilburgse archieven daarna niet meer voor, ook niet in de begraafregisters. Migratie naar Antwerpen, de stad waarmee Tilburg nauwe banden onderhield, is zeer wel mogelijk. In de Antwerpse archieven werden vooralsnog geen aanknopingspunten gevonden." Deze voorlopig nog met enig voorbehoud te hanteren uitslag van het onderzoek is dus niet alleen zeer opmerkelijk, maar houdt meteen een intrigerende vraag in. Zouden we nog een keer in staat zijn om een afdoende bewijs te vinden voor de wel zeer aanlokkelijke hypothese dat de beroemde Haarlemse eigenlijk een Tilburgse was?
James A. Welu e.a., Judith Leyster, schilderes in een mannenwereld, Zwolle, Waanders Uitgevers, 1993, 388 blz., geïll.,
geb., ISBN 90-6630-394-8, f 75.




