Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
23. Nieuwe Huijsmans-schetsen (1)
 

Titel:   

Nieuwe Huijsmans-schetsen (1)

Ondertitel:   

Een aanzet tot inventarisatie van het beeldend en geschreven werk van Constant Cornelis Huijsmans

Auteur:   

Ad C. Willemen

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur
N.B. Herdrukt in maart 2003, Vincent van Gogh in Tilburg (1866-1868), p. 25-27

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

53-55


De uitgangspunten voor deze notities waren: 1) de eventuele relatie van sommige jeugdwerken van Van Gogh tot zijn latere leraar C.C. Huijsmans; 2) niet eerder beschreven, voornamelijk grafisch, werk van C.C. Huijsmans; 3) de brieven van C.C. Huijsmans aan de Shakespearevertaler L.A.J. Burgersdijk en 4) de namen van C.C. Huijsmans en de spelling ervan, ook in relatie tot J.﷓K. Huysmans’ schrijfwijze.

Onlangs, bij een feestelijke opening van het Van Gogh-documentatiecentrum in Zundert, werd ik weer geconfronteerd met een aantal jeugdwerken van Vincent van Gogh. Ze waren te zien in reproductie. Behalve de tekening van de boertjes uit 1867, die Tilburg onlangs ongeďnteresseerd zijn neus voorbij liet gaan. Hier zou die tekening eigenlijk heter op haar plaats zijn geweest (gebleven). Achteraf werd Zundert nog extra beloond met 30.000 gulden uit het Anjerfonds.

Deze tekening werd naar alle waarschijnlijkheid op de Willem II-hbs in de tekenles bij Constant C. Huijsmans gemaakt. Van Gogh was toen amper veertien, en ook gezien de tekenstijl kunnen we gevoeglijk aannemen hier de hand van zijn meester aan te treffen, Constant Huijsmans dus. Misschien zijn de nog net zichtbare, uitgegumde lijntjes van de leerling zelf. Uit eigen leservaring weet ik dat dit soort dingen dagelijks aan de orde is. Er staat waarschijnlijk al meer dan honderd jaar ‘V.W. van Gogh ft’ onder, en dan is het sowieso goed voor een ton!

Waarschijnlijk is het al een aantal keren vóór mij gebeurd, maar toch wil ik zeker weten of er enig jeugdwerk van Van Gogh gekopieerd was naar voorbeelden van Constant Huijsmans; er lagen immers voldoende verbindingslijnen tussen het Van Goghmilieu en het Huijsmansmilieu.
Twee van Van Goghs juvenalia zouden in aanmerking kunnen komen nagetekend te zijn van Huijsmans, t.w. de stenen brug (dd. 11 jan. 1862) en de houtzaagmolen (dd. 2 okt. 1862). Van Gogh was toen dus respectievelijk acht en negen jaar oud. Deze twee tekeningen zouden hun voorbeeld kunnen hebben in Huijsmans’ bundel ‘Het landschap’.(2)


Litho van C.C. Huijsmans uit ‘Het Landschap’, 1840 (coll. Gemeentehuis Breda).


Eind jaren dertig van de negentiende eeuw tekende Huijsmans de 36 litho’s voor ‘Het landschap’. De bundel was onder anderen bedoeld voor zijn KMA-studenten.
In ‘Het landschap’ telde ik in totaal achtmaal een (min of meer) stenen brug maar, let wel, nog nooit heb ik een duidelijk identiek voorbeeld voor een van Van Goghs jeugdtekeningen mogen zien. Het is aannemelijk dat zijn tekening van de hond (dd. 23 dec. 1862) naar een voorbeeld van Victor Adam (3) is. Als de prent met de honden van Adam, die dikwijls als het voorbeeld voor Van Goghs tekening van een hond genoemd wordt, dat inderdaad was, dan zou ook bijna iedere stenen brug uit ‘Het landschap’ van Huijsmans wel het voorbeeld voor Van Goghs brugje (4) geweest kunnen zijn.

In de steendrukkendoos van Constant Huijsmans in het Rijksprentenkabinet (5) in Amsterdam zag ik tussen de litho’s voor ‘Het landschap’ twee mij onbekende prenten. Een ervan, drievoudig aanwezig, stelde een watermolen voor. Onmiddellijk dacht ik het voorbeeld voor Van Goghs tekening van de houtzaagmolen (6) gevonden te hebben. Zowel de stijl als de compositie van beide tekeningen vertoont grote overeenkomst. Eventueel zou het ook hier weer een zeer vrije interpretatie kunnen zijn, maar mijn uiteindelijke conclusie lag geheel elders: in deze bundel van Huijsmans, die zich ook in de bibliotheek van de KMA in Breda bevindt, ontbreken in de eerste serie deze twee prenten.

Uit diezelfde steendrukkendoos van Huijsmans kwam ook nog een mooie druk te voorschijn van de vier chine collé-illustraties uit de ‘Lof der Schilderkunst’ van A.N. van Pellecom van Kortenhoef (1839). Dit boek bevindt zich in de bibliotheek van het Provinciaal Genootschap, momenteel onderdeel van de KUB﷓bibliotheek. (7) Tamelijk saai neoclassicisme. De emeritus dominee Van Pellecom ontfutselde mij wel een verlaat schimpdicht.
In een andere doos (8) van het Rijksprentenkabinet vond ik, zeer tot mijn verrassing, een aantal etsen van Huijsmans. Acht landschapjes in achttien verschillende drukken c.q. staten, kleine zwart-witetsen, alle zonder datum. Ik benoemde ze als volgt:

* Herder met schapen aan een bosrand.
1 ex. gesig. l.o. CCH met correcties/aanwijzingen in rood krijt.
1 ex. gesig. CCHuijsmans.
* Bosrand 1 ex.
Idyllisch landschap met rembrandtiek licht.
Gesig. r.o. C.C. Huijsmans 2 ex.
* Bergachtig landschap met man, kind en kasteel met poort.
Gesig. m.o. CCHuijsmans 2 ex.
* Bosschage met houten brugje.
Gesig. m.o. CCHuijsmans en 1 ex. met bijschrift ‘proef voor bruinering’.
* Landweg met bomen en herder met vier runderen.
Gesig. l.b. CCH. 1 ex. in slechte staat en met correcties in rood.
1 ex. Chine collé, zonder sign.
1 ex. zonder sign.
* Bosgezicht met eenzame figuur. rembrandtiek
1 ex. Gesig. m.o. CCH.
* Bosrand met twee figuren.
1 ex.

Deze laatste ets is gedrukt op van de rest afwijkend (dunner) papier. Achterop is in inkt geschreven ‘Ch Huijmans’, waarvóór, waarschijnlijk later met potlood een J is toegevoegd. Het betreft hier een ets van de vader van Constant: Jacobus Carolus Huijsmans (1776-1859), die dus waarschijnlijk Charles heette. Was Joris-Karl, met de doopnaam Charles Marie naar opa’s roepnaam genoemd?
Wanneer en waar vader en zoon Huijsmans deze etsen hebben gemaakt, kan nog onderzocht worden.

Litho van C.C. Huijsmans uit ‘Grondbeginselen der teekenkunst’, 1850 (coll. Gemeentemuseum Breda).


Verder op zoek naar geschreven producten van Huijsmans, kwamen er uit de computer zes brieven aan de Shakespeare-vertaler Leendert Burgersdijk (1828-1900) rollen. Weer een vriend uit de KMA﷓tijd (Huijsmans: 1837-1866 en Burgersdijk 1852-1864). Deze brieven, waarvan vier uit Tilburg, bevinden zich in de Atheneumbibliotheek in Deventer (9), waar Burgersdijk tien jaar directeur van de hbs was. Pas toen hij hiermee niet meer belast was, begon hij serieus aan zijn Shakespeare-vertalingen, die hij regelmatig aan de erudiete Huijsmans om commentaar voorlegde.

Uit Huijsmans brieven wordt nu ook duidelijk waarom hij, eenmaal gepensioneerd, zijn mooie huis aan het Piusplein (10) verkocht en in ’s-Gravenhage ging wonen. In zijn brief van 1 juli 1877 overweegt hij nieuwe woonmogelijkheden, o.a. in het Gooi en ’s-Gravenhage. Tilburg was hem veel te duur geworden. Ik weet niet of Tilburg landelijk gezien toentertijd erg duur was, maar zijn vrienden en kennissen waren hier van de duurste en chicste soort. Uit zijn reisverslag van 1884 (11) wordt dat duidelijk. Buiten zijn Willem II-collega’s waren zijn relaties hier de echte Tilburgse patriciërs, zoals (hij noemde ze zelf allemaal): Jan Diepen, wethouder en directeur van de fa. J.N. Diepen; August Kerstens, bankier fa. J. Vrancken & Co; Bernard -I- Kerstens, wijnhandel op Heuvel 1; Bernard -II- Kerstens, bankier fa. J. Vrancken & Co.; Jan Kerstens van de nog bestaande fa. Kerstens-van Leeuwen; Koos Kerstens, wethouder en directeur van de J.A.A. Kerstens’ Laken- en Wollenstoffenfabrieken; Louis Kerstens, bankier fa. Kerstens & de Charro, en Vincent Kerstens, mededirecteur op de fabriek van zijn vader. Verder Arnold Mutsaers, wethouder en directeur van de Wed. B. Mutsaers en zoon; Willem Mutsaers, burgemeester van Tilburg, lid Gedeputeerde Staten en lid van de Tweede Kamer, directeur van de wijnhandel Mutsaers, Bogaers & Co; de zusjes Pollet en August van Waesberghe, bankier Van Waesberghe & Co.
In zijn brief van 23 juni 1877 schreef Huijsmans aan Burgersdijk over een pers die hij voor 25 gulden ‘liet gaan’. Het is niet duidelijk om wat voor pers het hier gaat. Hadden we de etsjes niet gezien, dan hadden we aan een lithopers gedacht; hij maakte immers meer dan honderd litho’s.

Het is bekend dat tot ver in de negentiende eeuw familienamen niet zo nauwkeurig worden gespeld.(12) Omdat ik in moderne publicaties hier en daar de naam Constantijn Huysmans (13) tegenkwam, wat mij vreemd in de oren klonk, ben ik speciaal op de schrijfwijze van die naam gaan letten. Constant Huijsmans heeft zijn naam nooit met een Griekse y geschreven, hij zette er altijd puntjes op. Verwarrend is misschien ook dat sommige oude lettertypes als kapitale IJ een Y hebben. In De Gids werden zijn artikelen ook steeds ondertekend met C. C. HUYSMANS. Neef George in Parijs schijnt in het dagelijks leven ondertekend te hebben met G. Huijsmans (14) met puntjes op de i en de j, welke combinatie in het frans m.i. tamelijk ongebruikelijk is. Om het nog curieuzer te maken, gebruikte hij in zijn schrijversnaam, het als Nederlands bedoelde ‘Joris-Karl Huysmans’ een y!
Van Goghs tekenleraar, van wie ik nog steeds denk dat hij een veel grotere invloed op de sensibele middelbare scholier gehad moet hebben, dan doorgaans wordt aangenomen, heet (voor mij) Constant Cornelis Huijsmans.

Noten

(1)
Omdat ik mijn eerste artikel over CC Huijsmans de titel ‘Een schets van C.C. Huijsmans’ meegaf. Ook in Tilburg, jaargang 6, 1988, nr. 3.
(2) Het Landschap, Dordrecht, 1840. Tekst en 36 tekenvoorbeelden.
(3) Frank Kools, Vincent van Gogh en zijn geboorteplaats, Zutphen, 1990, p. 110 en 111.
(4) Kools, a.w. p. 106.
(5) Rijksprentenkabinet, Amsterdam, Steendrukken N 45.
(6) Jan Hulsker, Van Gogh en zijn weg, Amsterdam, 1985, 3e druk. Afbeelding A pag. 9.
(7) Bibliotheek KUB Tilburg, Tre LO 821.9, is ook bekend als ‘Mijn zwanenzang’.
(8) Rijksprentenkabinet, Amsterdam, doos H 182.
(9) Stads- of Atheneumbibliotheek, Deventer, de stukken A Bur B3, dd. 14.10.1864 (Breda); A Bur B4, Tilburg dd. 13.1.1869; A Bur B5 Tilburg 11.4.1869; A Bur B6 Tilburg 23.6.1877; A Bur B7 Tilburg dd. 11.7.1877 en A Bur B8 ’s﷓Gravenhage dd. 8.1.1880.
(10) Foto Gemeentearchief Tilburg; ook afgebeeld in Tilburg, jrg. 6, 1988, nr. 3, p. 77.
(11) Gemeentearchief Breda, afd IV 31 inv nr 10; Ook in: Ad C. Willemen, Constant Huijsmans’ laatste reis, Tilburg, 1989.
(12) In het Koninklijk Huis Archief te ‘s-Gravenhage is Huijsmans’ Grondbeginselen der teekenkunst (1850) opgesierd met een etiket waarop keurig in blauw potlood geschreven: C.C. Huismans.
(13) Constantijn is sinds de publicaties van prof.dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt uit de vroegere zeventiger jaren overgenomen door enkele andere publicisten en zelfs gebruikt in zijn/mijn eigen school in Tilburg waar tekenzaal 104 immers Constantijn Huysmanszaal heet. N.B. eind 2002 is de naam omgedoopt in Constant Huijsmanszaal.
(14) A. Claes, ‘De familie van J.-K. Huysmans te Turnhout’, Taxandria Nieuwe Reeks XII, Turnhout, 1944/46.

* Ad Willemen (1941) was tot augustus 2002 tekenleraar aan het Koning Willem II College en docent aan de Academie in Breda. Hij is actief als beeldend kunstenaar. Hij publiceerde eerder over C.C. Huijsmans, o.a. in ‘Tilburg’ (1988) en een boekje Constant Huijsmans´ laatste reis; schier ultieme exercities in voyeurisme (Tilburg, 1989).