Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
336. Het innoverend vermogen van het Tilburgse bedrijfsleven
 

Titel:   

Het innoverend vermogen van het Tilburgse bedrijfsleven *

Ondertitel:   

Auteur:   

Cor G.W.P. van der Heijden

Jaargang:   

XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

17-21


In 1996 kwam de FNV-voorzitter Johan Stekelenburg naar het Nederlands Textielmuseum in Tilburg om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen van het door Henk van Doremalen geschreven boek De handen ineen, waarin de geschiedenis van een eeuw Tilburgse vakbeweging is beschreven.(1)

Hij zal op dat moment niet hebben kunnen bevroeden dat hij anderhalf jaar later, als burgemeester van Tilburg, het voorwoord zou schrijven bij een volgend boek van de productieve Tilburgse sociaal-historicus Van Doremalen. Het thema van dit nieuwe boek illustreert haarscherp de veranderde positie van Stekelenburg: niet de arbeiders, maar de Tilburgse ondernemers vormen het onderwerp.
Bedrijvig Tilburg sluit in één opzicht aan bij een lang bestaande traditie. Ook in het verleden verschenen met enige regelmaat boeken waarin het economische reilen en zeilen werd beschreven, vaak in de vorm van een momentopname. Het initiatief daartoe ging uit van de ondernemers. Daar zij de uitgave financierden en het materiaal aanleverden, kwam dit soort boeken het niveau van een dikke reclamefolder nauwelijks te boven. Niet alleen laat de betrouwbaarheid van de in deze boeken vermelde gegevens veel te wensen over, ook zijn de voor het voetlicht geplaatste ondernemingen niet representatief voor de stad of regio. Doorgaans richtte de aandacht zich vooral op de grotere bedrijven uit de toonaangevende industriële sectoren. Het boek Noord-Brabant's nijverheid in beeld (Haarlem, ca. 1920) samengesteld door J.K. Mercx, is in dit opzicht een schoolvoorbeeld.

Van Doremalen heeft voor een andere opzet en uitwerking gekozen. Hij heeft de ontwikkeling van vijftig in Tilburg gewortelde bedrijven, die daar minstens vijftig jaar actief zijn geweest, onderzocht en beschreven. Jongere bedrijven of bedrijven die een filiaal zijn van een elders gevestigde onderneming bleven buiten beeld. De in Bedrijvig Tilburg behandelde ondernemingen vormen een representatieve doorsnee van het Tilburgse bedrijfsleven anno 1997. Zowel bedrijven uit de industriële sector, de dienstverlening, het transportwezen, de bouwwereld, de zorgsector als de detailhandel passeren de revue. Voor elk bedrijf zijn twee of vier pagina's beschikbaar en met gemiddeld zo'n vijf foto's per bedrijf, waarvan er een op de huidige situatie betrekking heeft, wordt een treffend en karakteristiek beeld van de onderneming neergezet. Hierbij maakt het geen verschil of het bedrijf meer dan 2000 werknemers in dienst heeft of dat het bedrijf met twee of drie man draaiend wordt gehouden.

De auteur mag zich achteraf gelukkig prijzen met het op het eerste oog wat merkwaardige selectiecriterium dat het nu nog bestaande bedrijven moeten zijn en dat hun begin minstens vijftig jaar geleden moet worden gedateerd. Hierdoor vallen bijvoorbeeld de opkomst, de bloei en vervolgens de teloorgang van de wollenstoffenindustrie buiten het blikveld. Het valt niet te ontkennen dat deze sector voor Tilburg van immense betekenis is geweest; de bijnamen 'de wolstad' en het 'Leeds van Nederland' zijn niet uit de lucht gegrepen. In de eerste decennia van deze eeuw werkte ongeveer 40% van de beroepsbevolking in de textielindustrie, waardoor Tilburg voor deze jaren met recht een mono industrial company town genoemd kan worden.

Het gevolg hiervan was dat de aandacht voornamelijk op de ontwikkelingen in deze sector gericht werd. Van Doremalen corrigeert in Bedrijvig Tilburg dit beeld rigoureus. In dit boek is de textielindustrie de grote afwezige. Immers, op een enkele gespecialiseerd bedrijf na is de textielindustrie geheel uit Tilburg verdwenen. Het is dan ook tekenend dat het enige van de vijftig beschreven bedrijven waar een directe link met de textielbranche gelegd kan worden, geen industrieel productiebedrijf is maar een handelsonderneming. Jan Verschuuren is een groothandel in machines voor de productie van textiel. Het in 1936 begonnen bedrijf beleefde, ironisch genoeg, gouden jaren toen vanaf het midden van de jaren zestig de ene na de andere wolfabriek de poorten moest sluiten. 

Verschuuren werd een soort textielbegrafenisondernemer. Het was zijn taak faillissementen en liquidaties zodanig af te wikkelen dat er achteraf nog iets te verdelen viel. Steeds weer opnieuw lukte het hem om onderdelen of hele fabrieken ergens in het buitenland af te zetten. De weefgetouwen uit de hallen waarin momenteel het museum De Pont is gevestigd, gingen naar Zimbabwe. De weverij van Gebr. Franken draaide verder in Ecuador en de spinmachines van een van de oudste Tilburgse textielondernemingen kwamen in Hongkong terecht. Met de in deze jaren verworven kennis van de markt en het toen opgebouwde netwerk, kon Verschuuren ook na de uitverkoop van Tilburg zijn bedrijf voortzetten. Zijn motto was dat er in de textielindustrie nooit wereldwijd sprake van een algehele recessie kon zijn. Altijd is er wel ergens op de wereld vraag naar machines die Verschuuren kan leveren.



Drukkerij Versteden (1902). Op deze foto uit 1937 was het 
bedrijf nog gevestigd aan de Lange Schrijfstraat (coll. Versteden).

Uiteraard zijn er in Tilburg ook veel bedrijven geweest die hun bestaan dankten aan de textielindustrie: Panhuijsen (verpakkingsmateriaal), Van der Wegen (machinebouw), De Bont (reparatie van machines) en de drukkerijen Van Gorp, Van Eerd en Versteden zijn daarvan de duidelijkste voorbeelden. Uit de korte bedrijfsgeschiedenissen van deze doorgaans kleine ondernemingen blijkt haarscherp hun innoverend vermogen. Terwijl de textielindustrie door een combinatie van factoren ten onder ging, bleven zij overeind. Van Doremalen maakt duidelijk dat deze ondernemingen eerder oog hadden voor de malaise waarin de wolsector terechtkwam dan de wollenstoffenfabrikanten zelf. Het teruglopen van de orders was voor de toeleveringsbedrijven het sein om de bakens te gaan verzetten en andere afzetmarkten of opdrachtgevers te zoeken.



Machinefabriek P. van der Wegen & Zn. (1913). Tandwielen met 
diameters van 7 meter of meer zijn geen probleem. Foto jaren negentig 
(coll. Van der Wegen).

Zo zou een afwachtende houding bijvoorbeeld de ondergang van Machinefabriek P. van der Wegen & Zn tot gevolg hebben gehad. Dit bedrijf schakelde echter tijdig over op een specifiek onderdeel van haar productiepakket. Tussen 1955 en 1970 is deze onderneming zich gaan specialiseren in tandwielen. Aanvankelijk waren dit vooral kleine tandwielen die toegepast werden bij de machines voor de textielindustrie. Met de verbreding van het afzetgebied - DSM was de eerste grote klant buiten de textielsector - ging Van der Wegen zich nogmaals specialiseren, nu in de productie van grote tandwielen. Een briefhoofd uit het begin van de jaren vijftig maakte trots melding van 'tandwielen tot 2600 mm'. Folders uit latere jaren repten al over formaten tot 7000 mm, terwijl momenteel tandwielen met een diameter van 12 tot 14,5 meter geproduceerd worden. Was een halve eeuw geleden het gros van de productie nog voor de lokale markt bestemd, nu wordt 95% geëxporteerd.

Tilburg is momenteel een belangrijk logistiek centrum. Van Doremalen haalt drie transportondernemingen voor het voetlicht. Dat de Tilburgse vervoerders een belangrijke rol speelden bij de aan- en afvoer van en naar de textielfabrieken, is zo'n voor de hand liggende constatering dat de lezer daar nauwelijks van opkijkt. Dat de transporteurs, zowel net na de Eerste als na de Tweede Wereldoorlog, een grote sprong voorwaarts konden maken dankzij afgedankte militaire voertuigen, is minder bekend. Helemaal opmerkelijk is dat de hier beschreven ondernemingen hun wortels hebben in de agrarische sector. De grondvesters van F. Claassen, Wed. Van Casteren en H. van Casteren waren landbouwers die een aanvankelijke nevenactiviteit tot hoofdberoep maakten.



Expeditie- en Transportbedrijf F. Claassen (1850). F.F.L.M. Claassen (1889-1972), de 
derde generatie (coll. Claassen).

Landbouw en vervoersbedrijf lagen in de negentiende eeuw dicht bij elkaar. In een gezin met vooral veel zonen was niet altijd voor iedereen werk te doen. Boeren die over een paard en wagen beschikten, vervoerden in slappe perioden graag vrachten voor derden. Daarmee werd hun bestaansbasis verbreed. Met de expansie van de industrie - vooral het transport van de steenkool voor de stoommachines zorgde voor veel werk - en de groei van de stad, die ten koste ging van het areaal landbouwgrond, kregen bij veel voerlieden de agrarische activiteiten een marginaal karakter; ze verdwenen op den duur geheel.

Ook tal van andere in Tilburg gevestigde bedrijven hebben hun roots in de landbouw, zoals horecagelegenheden (bijvoorbeeld Boerke Mutsaers en de Postelse Hoeve), de NCB en Interpolis. Een enkel opmerkelijk gegeven is dat de Rooms-Katholieke Kerk een belangrijk stuwende factor was voor het Tilburgse bedrijfsleven. Naast de voor de hand liggende bedrijven, zoals de educatieve uitgever Zwijsen (goed voor een kwart van de Nederlandse basisschoolmarkt), komt ook bij de bedrijven waar dit niet verwacht zou worden de Kerk als hoofdopdrachtgever ter sprake. J. Ghering kon in 1891 een eigen schildersbedrijf beginnen en draaiend houden dankzij de vele opdrachten die hij kreeg van de Zusters van Liefde. Het onderhoud aan de vele kloosters en lagere scholen die door de nonnen werden gesticht bood een solide bestaansbasis.



Van der Schoot Destil, Groothandel voor Bouw en Industrie (1865). 'Caloriferkens', 
kachels met gietijzeren siermantel (coll. Van der Schoot Destil).

Zonder dat de auteur er overigens zelf melding van maakt, is de grootste verdienste van Bedrijvig Tilburg dat het enorme belang van het familiebedrijf aangetoond wordt. Vooral door het werk van de Amerikaanse bedrijfshistoricus Alfred Chandler had de familieonderneming een negatief imago. Er is een tijd geweest dat economen en historici de familieondernemingen als een relict uit de pre-industriële tijd of uit de beginfase van de Industriële Revolutie beschouwden. Deze bedrijven waren gedoemd te verdwijnen wanneer de technologische ontwikkeling in een hogere versnelling geraakte. Chandler beweerde dat ondernemingen die in sterke mate door families werden gedomineerd, relatief minder goed in staat zouden zijn investeringen in productie, distributie en management te doen dan bedrijven waar eigendommen en leiding volledig gescheiden waren. Eigenaars die tevens als leiders van een bedrijf fungeerden, zouden niet gemakkelijk bereid zijn inkomen op de korte termijn in te leveren (en meer vreemde invloed toe te staan) ter wille van langdurige groei in de toekomst.

De Nederlandse variant op de Chandler-theorie is het model van het 'familisme'. Dit is een wijze van bedrijfsvoering, waarbij het kapitalistisch winststreven ondergeschikt gemaakt wordt aan de bloei, het aanzien en de continuïteit van de sociale positie der kapitaalbezitters. In tijden van opkomst en bloei werkte familisme 'stuwend-positief'; in tijden van neergang 'remmend-negatief'. Met het 'familisme' als theoretisch concept is de opkomst, bloei en neergang van enkele bedrijven en sectoren bestudeerd. Met name het gedrag van den Enschedese textielfabrikanten bleek goed met dit concept verklaard te kunnen worden. Karel Davids, hoogleraar van de VU, heeft in een recent nummer van het Amsterdam Sociologisch Tijdschrift een boeiend historiografisch overzicht over deze materie gepubliceerd.(2) 
Hij wijst daarin onder andere op een omissie in de theorievorming over het familisme. Het familiesysteem wordt, volgens Davids, als een constante beschouwd. Er wordt kennelijk van de vooronderstelling uitgegaan dat de normen en waarden van het familieleven en de rol van de familie in de maatschappij een min of meer onveranderlijk gegeven is. Dit is natuurlijk niet zo. In ons land is al lang een proces van individualisering aan de gang, dat implicaties heeft voor de opvattingen over het instituut 'familie'. De paradox is dat deze verandering op het cultureel-mentale niveau het voortbestaan en de verspreiding van het fenomeen familieondernemingen in Nederland niet aanwijsbaar heeft geschaad. Uit een in 1994 mede door Nijenrode uitgevoerd onderzoek, bleek dat tegenwoordig maar liefst 83% van alle ondernemingen in Nederland tot de categorie 'familiebedrijven' kan worden gerekend.

Veel van de in Bedrijvig Tilburg beschreven bedrijven behoren tot de familiebedrijven. Daar Van Doremalen ruime aandacht besteedt aan de continuïteit in de bedrijfsleiding en steeds oog heeft voor wijzigingen in de juridische structuur van de bedrijven, bevatten zijn beschrijvingen voldoende stof om het inzicht in de aard van de familieondernemingen te verdiepen. Zelf komt hij niet tot een analyse van of uitspraken over deze materie. Indien dit wel was gedaan, dan zou Davids gelijk hebben gekregen: het familiebedrijf mag niet over een kam geschoren worden. Uit de lotgevallen van veel Tilburgse bedrijven blijkt dat, zeker voor de naoorlogse periode, familiale belangen duidelijk ondergeschikt waren aan puur zakelijke overwegingen of deskundigheid. Ook kleine familiebedrijven schroomden niet om buitenstaanders tot de bedrijfsleiding toe te laten als de overtuiging bestond dat kandidaten uit eigen gelederen een maatje te klein waren. 



Van Gijzen Opticiens (1919). Foto van de gemoderniseerde zaak 'Joh. van Gijzen 
& Zn. brillenspecialist' aan de Koestraat 136 in 1956 (coll. Van Gijzen).

Het wekt dan ook geen verbazing dat voor Tilburgse bedrijven is vastgesteld dat het beëindigen van de activiteiten van een bedrijf niet per se irrationeel zijn. Het kan een strikt rationele strategie zijn om het familievermogen veilig te stellen en naar een alternatieve bestemming door te sluizen die meer rendement oplevert.(3) Dat de bij deze bedrijven werkzame arbeiders dit rationele ondernemersgedrag niet zo weten te waarderen, is een verhaal waarvoor in Bedrijvig Tilburg geen ruimte is. Die andere zijde van de medaille wordt in De handen ineen beschreven. Ben ik toch benieuwd waarnaar nu de voorkeur van Johan Stekelenburg uitgaat.

Kan er dan niets ten nadele van het boek opgemerkt worden? Jawel: op diverse plaatsen zijn er sporen zichtbaar dat het haastwerk is geweest. Zo kwam ik in de literatuurlijst een vermelding tegen die ik zelf hoogst vermakelijk vind. In de opsomming van publicaties over Tilburgse bedrijven komt een geschrift van mijn hand voor: het boek over de N.V. Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij. Van Doremalen vermeldt als hoofdtitel: Van een smaakloos naar smakeloos produkt. In mijn boekenkast staat echter op de rug van het o.a. door Van Doremalen geredigeerde boek Kleurloos, reukloos en smaakloos drinkwater. Indien er voldoende tijd was geweest om het manuscript door een buitenstaander te laten doornemen, was dit weeffoutje wellicht hersteld.(4)


Noten

(1)
H. van Doremalen, De handen ineen. Geschiedenis van 100 jaar vakbeweging in Tilburg (Tilburg, 1996).
(2) K. Davids, 'Familiebedrijven, familisme en individualisering. Nederland, ca. 1880-1890. Een bijdrage aan de theorievorming', in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 24 (1997) 527-554. De hiernavolgende passage over de familiebedrijven is mede gebaseerd op dit overzichtsartikel.
(3) Dat deze praktijk ook in Tilburg voorkwam, is overtuigend aangetoond in: H.A. Muntjewerff, De spil waar alles om draaide. Opkomst, bloei en neergang van de Tilburgse familie-onderneming Wolspinnerij Pieter van Dooren, 1825-1975 (Tilburg, 1993).
(4) Met het vermelden van de onjuiste titel, geeft Van Doremalen onbedoeld toch de opdrachtgever van dit gedenkboek gelijk. Boven de concepttekst had ik aanvankelijk een hoofdtitel vermeld die sterke gelijkenis vertoont met de door Van Doremalen genoemde titel. De concepttitel luidde echter Van een smakeloos naar smaakloos produkt. De directie van de NV TWM erkende dat de titel een correcte weergave was van de ontwikkeling die zich op het gebied van de Tilburgse drinkwatervoorziening had voltrokken, maar vond het verschil in betekenis tussen 'smakeloos' en 'smaakloos' te vergezocht en gaf de voorkeur aan een andere titel.

  


* Naar aanleiding van Henk van Doremalen (m.m.v. Ronald Peeters), Bedrijvig Tilburg. Uit de archieven van Tilburgse bedrijven van vijftig jaar en ouder (Tilburg, 1997) 186 blz.; ISBN 90-9011286-3; prijs f 49,50.