| 343. De NS-zadelmakerij te Tilburg (1900-1915) | |||
|
Titel: |
De NS-zadelmakerij te Tilburg (1900-1915) |
|
Ondertitel: |
Twee foto's en een poging tot reconstructie |
|
Auteur: |
Geert de Bruijn* |
|
Jaargang: |
X (1992) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
13-22 |
Tijdens het onderzoek naar de Tilburgse zadelmakerij (1) op het Gemeentearchief Tilburg (GAT), kreeg ik een kranteartikel
(2) onder ogen, waarin het boek Buitenstaanders in actie van T. Wagemakers werd beschreven. Bij dit artikel was ook een foto geplaatst van de NS-zadelmakerij (toen Staatsspoorwegen) rond 1900 (afb. 1). Voor ons onderzoek naar de Tilburgse zadelmakerij in het algemeen en in het bijzonder die van de NS, was deze foto belangrijk. Ze geeft de lijst (bijlage 1) met namen, gekregen via het bevolkingsregister
(3) en het Archief van de NS (4) ,een extra visuele dimensie. Via deze lijst (en het telefoonboek) kwam ik na lang zoeken bij de heer Westerburger, die in het bezit was van nog een foto uit 1915 (afb. 3), waar ook NS-zadelmakers uit Tilburg op stonden.
Hieronder zal aan de hand van een aantal aspecten zoals: de namen van de personen die op de foto's staan, de aantallen, het beroep van NS-zadelmaker, werkzaamheden, werkuren, loon, gezinssituatie en geloof, getracht worden een (voorlopig) beeld van de werkomgeving, werksfeer en leefsituatie van de personen die op beide foto's staan, te schetsen. Echter een totaal beeld van de achterliggende wereld kunnen we hier nog niet geven. Vaak ontbreekt hiervoor de nodige informatie, waardoor er een aantal aspecten (demografische, woonomgeving) van de NS-Zadelmakers in dit artikel niet of nauwelijks aan bod zullen komen. Ook de politieke aspiraties van de zadelmakers zult u missen in het onderstaande verhaal. In de dissertatie van Ton Wagemakers worden ze besproken.
De namen
Er zijn in totaal achtenzeventig personen via het bevolkingsregister en het stamboek van de NS gevonden die geregistreerd staan als zadelmaker bij de centrale werkplaats te Tilburg (zie bijlage 1). Deze personen waren allen werkzaam binnen de periode 1870 tot omstreeks 1939. Via het GAT kwam ik met K. Andriesse
(5) in contact, die twaalf personen van afb.1. indentificeerde. Westerburger kon van afb.1 ook een aantal namen noemen die correspondeerden met die van Andriesse. Beiden hebben echter de naam J. v.d. Heuvel (nr. 19 en nr. 25) aan verschillende personen op de foto gegeven. Ook is er bij een persoon (nr. 25 van afb. 2) op de foto door ieder een verschillende naam gegeven. Hierdoor zijn er in de lijst van namen betreffende de zadelmakers twee nummers ( zie tekening afb. 2) die niet betrouwbaar zijn namelijk nr. 19 en nr. 25.

afb. 1 De NS-zadelmakers omstreeks 1900 (GAT, coll. Ton
Wagemakers, RHC Tilburg).

afb. 2 Tekening (door Westerburger) van afb.
1.
Geïdentificeerde personen:
2. P. Smink
12. J.J. Odijk
15. J.A. Oostrijck
17. D. Overbeek
19. J. van de Heuvel ?
20. F.J. Vennix
22. H.C.M. van Opstal
23. A.F.A. Westerburger
24. H. Andriesse
25. J. van de Heuvel of C. Overbeek
26. M.J. van Beurden
Dat er zich bij het identificeren van personen op foto's van 90 jaar oud problemen voordoen, is niet zo verwonderlijk. Beide heren waren toen nog niet geboren (Andriesse in 1908 en Westerburger in 1920). Van de tweede foto (afb. 3) zijn in totaal dertien personen door Andriesse en Westerburger geïdentificeerd. Bij het identificeren van personen op deze foto hebben zich minder problemen voorgedaan als bij de eerste foto.

afb. 3 Personeel van de afd. NS-zadelmakerij in 1915 (coll. Westerburger).

afb. 4 Tekening (door Westerburger) van afb. 3.
1. H. Andriesse
2. M.J. van Beurden
3. A.F.A. Westerburger
4. C. Overbeek
5. S. Vereijsen
7. J.P.A. van Iersel
8. B.M.A. Westerburger
9. Matijsen
10. A. Langenhuysen
11. J.F.A. van Iersel
14. J.J. Oostrijk
15. A. Mols
16. H. Vorster
Ondanks dat er in de eerste lijst een paar nummers onbetrouwbaar zijn en we de rest natuurlijk ook met de nodige voorbehoud moeten bekijken, laten we de twee lijsten zo staan. Wellicht dat er aan de hand van dit artikel meer informatie loskomt, zodat in de lijst van de eerste foto de juiste persoon op de juiste plaats komt te staan.
Het aantal NS-zadelmakers in Tilburg
Het aantal zadelmakers dat geregistreerd stond, was zoals eerder vermeld achtenzeventig personen over de gehele periode 1870-1939. Een indeling qua aantal voor de periode van voor 1900 is niet te maken. Gegevens hierover ontbreken. Omstreeks 1900 krijgen we een eerste getal, namelijk dat van zevenentwintig personen ( afb.1) die op de afdeling werkzaam waren. Of we hier te doen hebben met het juiste aantal is niet met zekerheid te zeggen. Maar gezien de andere twee cijfers voor 1900 in tabel nr.1 en het vervolg daarop in tabel nr.2 mogen we aannemen dat het getal zevenentwintig niet ver naast de werkelijkheid ligt.
Tabel nr.1. De (gemiddelde) aantallen zadelmakers van 1874 tot 1900 in Zwolle, Utrecht en Tilburg
(6)
| 1874 |
1880 |
1885 |
1890 |
1893 |
1895 |
1900 |
|
| Zwolle | 8 | 8 | 10 | 18 | - | 32 | 31 |
| Utrecht | - | - | - | - | 16 | - | 16 |
| Tilburg | - | - | - | - | - | - | 27 |
Aan de hand van tabel nr.1 is te zien dat omstreeks 1900 Tilburg qua aantal personeelsleden bij de zadelmakerijen in het land op een tweede plaats staat.
Voor de jaren 1874-1895 wordt het moeilijker om preciese aantallen in te vullen. Ze zullen waarschijnlijk die van Zwolle dicht benaderen. Na 1900 zijn we beter geïnformeerd over de aantallen. Dit is in tabel nr.2 zichtbaar gemaakt.
Tabel nr.2. De (gemiddelde) aantallen zadelmakers van 1900 tot 1917 in Zwolle, Utrecht en Tilburg
(7)
| 1901 |
1905 |
1910 |
1912 |
1913 |
1914 |
1915 |
1916 |
1917 |
|
| Zwolle | 30 | 30 | 30 | - | 29 | 27 | 29 | 28 | 31 |
| Utrecht | 20 | 18 | 22 | - | 29 | 25 | 27 | 29 | 35 |
| Tilburg | 33 | 34 | 54 | 54 | 51 | 50 | 48 | 48 | 50 |
We zien in tabel nr.2 dat de NS-zadelmakerij van Tilburg binnen enkele jaren de grootste van Nederland is geworden in aantal personeelsleden. Enige oorzaken hiervoor zouden kunnen zijn: het uitbreiden van het spoorwegnet in Noord-Brabant en de rest van Nederland; het afstoten van werk door de andere zadelmakerijen. Wat de exacte redenen zijn van de enorme toename van personeel, is niet echt duidelijk geworden uit de beschikbare bronnen. Er is echter nog een probleem betreffende het aantal. Als we terugkijken naar onze tweede foto (afb.3) en we tellen de personen die erop staan, dan komen we aan zeventien personeelsleden. Kijkend naar tabel nr.2 (1915) zien we dat, volgens de (officiële) cijfers, gemiddeld achtenveertig personeelsleden in dienst waren.
We missen volgens deze cijfers op de foto ongeveer eenendertig personen. Welke oorzaken kunnen hieraan ten grondslag liggen? Ziekte onder het personeel zou een rol hebben kunnen spelen, weliswaar was de ruimte al in 1913(8) verbeterd, maar het werken met de diverse materialen
(9), dat gebruikelijk was op de afdeling kon volgens Ton Wagemakers t.b.c. tot gevolg hebben.(10)
Echter hierover heeft Andriesse een andere mening. Hij zegt: Ik heb er mijn sterke twijfels over of de zadelmakerij een broeinest van t.b.c. was. Ik ben in 1908 geboren. Mijn vader overleed op bijna 90-jarige leeftijd. Ik heb dus lang in het gezin mee kunnen maken wat er zoal op de werkplaats 'den Atteljee' gebeurde, want daarover werd breeduit verslag gedaan. Maar in al die jaren heb ik niet de indruk gekregen dat uitgerekend de zadelmakerij een 'broeinest' van t.b.c. is geweest.(11)
Een andere reden waar we dus wel rekening mee moeten houden, is dat wegens personeelstekort de zadelmakers op een van de andere afdelingen waren ingezet. Dit kwam doordat veel mensen gemobiliseerd waren wegens de oorlogsdreiging. Ook hier zou gedetailleerd onderzoek misschien duidelijkheid kunnen brengen waarom er maar zo weinig personeelsleden op afb.3 staan, en tevens kunnen aantonen of de informatie (tabel nr.2) die hiervoor is gebruikt, betrouwbaar is of niet.
Het beroep NS-zadelmaker
De NS-zadelmakers die bij de NS gewerkt hebben, zijn zeker wat betreft de personen op de beide foto's in de strikte zin van het woord geen echte zadelmakers geweest.(12) Een vraag die dan naar voren komt, is: Hoe komt het dat men zadelmaker heette en hoe kwam men aan de naam 'zadelmakerij ' voor de afdeling? De naam van de afdeling en van de werknemers die daar werkzaam waren, is wellicht ontstaan in de beginperiode van de NS (voor 1900) toen de locomotieven en wagons nog gerangeerd werden door middel van
paardekracht.(13) Er zijn toen zadelmakers in dienst genomen, die al het leerwerk en de bijkomende werkzaamheden moesten verzorgen. Langzamerhand is hieruit de 'zadelmakerij' gegroeid. Nadat de paarden geen dienst meer deden, is de naam toch blijven voortbestaan. Wat Tilburg betreft, zijn vooralsnog geen gegevens voorhanden die aannemelijk maken dat men ook in Tilburg heeft gerangeerd met paarden. Wel zijn er gegevens bekend dat men de wagons rangeerde in Tilburg door middel van
mankracht.(14) Andriesse: In de loop van vaders tijd werden de wagons met mankracht naar de ' binnenloods' geduwd daar werd dan vaak over gelachen om 'Baas' Odijk (een statige, maar heel strenge man) te pesten. Men duwde dan aan twee kanten van de wagon, zodat de wagon geen enkele kant in kon. Baas Odijk zei dan met knerpende stem: 'Als jullie godvermoorddenduvel zo blijven duwen staan we hier vanavond
nog'.(15)
De afdeling werkte door de jaren heen veel met leer. Vanwege deze werkzaamheden bleef er een verbintenis bestaan met de naam 'zadelmakerij'. Er was waarschijnlijk bij de directie en het personeel geen behoefte om de naam na zoveel jaren te veranderen. De werkzaamheden van de Tilburgse zadelmakers vonden plaats op de zolder van de centrale werkplaats (afb.5). Om een indruk te krijgen van hoe het er toen uitzag, zullen we de beschrijving van de zolder door Neideck in:
Eigen Haard (1887) bekijken.
Neideck: Een aantal plaatjes uit tijdschriften geknipt of door den werkman zelf geteekend versieren de wanden van dit vertrek en toonen hoe zeker kunstgevoel, zekere schoonheidsliefde hem bezielt, dat niet uitgedoofd wordt door den dikwijls helaas al te eentonigen arbeid, dien hij te verichten
heeft.(16)

afb. 5 Plattegrond werkplaats Staatsspoorwegen te Tilburg, 1887. De zadelmakerij bevond zich op de
eerste verdieping (nrs. 25 en 27).
(coll. RHC Tilburg)
Men moet zich deze ruimte niet al te idyllisch voorstellen, zeker niet zoals Neideck dat heeft gedaan. De arbeidsomstandigheden op deze zolder van de centrale werkplaats, waren zeker voor 1903 niet al te best. Er waren nogal wat klachten over een slechte verwarming en dat men op de zolder veel ziekte opliep. Dat de ruimtelijke omstandigheden slecht waren, blijkt wel uit het feit dat men later de zolder verhoogde, omdat de adelmakers vanwege de gebruikte materialen, zoals eerder geschreven, te ontvankelijk waren voor ziekte. Daar stond tegenover dat de werksituatie zeker onder baas 't Hart goed was. De geest op de zadelmakerij was vrij goed: er werd gescherst, en gestoeid; men had een reisclub, die enkele malen naar Londen en Parijs
ging.(17)
De werkzaamheden
Uit welke werkzaamheden bestond de 'eentoonige arbeid ' die de NS-zadelmakers volgens Neideck moesten doen? De hoofdwerkzaamheden waren het bekleden van de verschillende klasse rijtuigen. Dit bekleden van de rijtuigen bestond voor de zadelmaker hoofdzakelijk uit het maken van kussens. Neideck hierover:
De zachte kussens worden eerst van springveeren en singels gemaakt en daarop komt een laagje paardenhaar en trijp. De gestikte rugkussens worden op een eigenaardige wijze met haar gevuld. Men neemt een lapje trijp, naait daarop een stuk linnen; elkander steeds snijende lijnen van stiksel vormen de bekende ruiten er op en natuurlijk evenveel zakjes. Een jongen spijkert dit aanstaand kussen op een tafel en geeft in de voering(het linnen) van elke ruit een sneetje, door welke kleine opening hij het paardenhaar met een pen behendig en gelijkmatig moet
heenwerken.(18)
Echter over andere werkzaamheden op de zolder geeft Neideck geen informatie, maar tijdens gesprekken met Andriesse en Westerburger is een aantal werkzaamheden ter sprake gekomen. Men maakte vaste en losse kussens. Een vast kussen liep van portier tot portier; daar zaten geen veren in, wel krijn (een hard soort gras). De vaste kussens lagen in de tweede klasse en de losse kussens (met springveren zoals hierboven beschreven) in de eerste klas. In de derde klasse zaten van portier tot portier twee houten
banken.(19) Dat men niet alleen kussens maakte op de zolder van de centrale werkplaats mag duidelijk zijn. Zo maakte men op de zadelmakerij leren riempjes voor de raampjes van de wagons. Zij dienden om het raampje te openen ,te sluiten of in een bepaalde stand vast te zetten. In de beginperiode van de werkplaats werden ook leren stootbuffers gemaakt voor tussen de wagons; deze verdwenen toen men stootbuffers ging maken van metaal. Verder werden er harmonikadeurtjes voor de wagons gemaakt en tochtkleppen voor op de bok bij de machinist. Verder mag men denken aan de vele drijfriemen en dekkleden die nodig waren op de centrale werkplaats. Ook werden er vilten ringen gemaakt, die doordrenkt met olie
om de assen werden gemonteerd om deze te smeren. Het is echter niet veel, wat we hebben kunnen achterhalen, zeker niet als men bedenkt dat er soms een bezetting was van 54 zadelmakers (tabel nr.2) die toch aan het werk moesten worden gehouden.
De werkuren
De personen op beide foto's en natuurlijk ook de rest van de centrale werkplaats, moesten in de jaren voor 1919 lange werkdagen maken. Na 1919 komt hierin verandering, doordat dan het aantal uren (acht uur,later acht en een half uur) dat mocht worden gewerkt, door de wet werd
geregeld.(20)
Een voorbeeld van hoelang men moest werken in de jaren voorafgaand aan 1919, vinden we in de enquête van 1903
(21) waar H.J. Horsman (die ook ergens op de afb.1 moet staan), zadelmaker van de NS-werkplaats te Tilburg wordt gehoord:
Toen ik er kwam, was het van zes tot acht uur, dus veertien uur met twee uren schaft.

afb. 6 Akte van aanstelling tot zadelmaker, april 1904 (coll. Westerburger).
H.J. Horsman kwam in 1894 bij de NS in dienst. Later, toen Horsman een vaste aanstelling had gekregen (1896), werd hij als zadelmaker aangenomen op basis van tien uur per dag en dat zes dagen in de week
(22) (Zie afb.6). De werkelijke arbeidsduur was een kwartier langer.(23) Het kwartier dat telkens overbleef, werd opgespaard en gebruikt voor een vrije dag of
begrafenis. Deze werktijden waren voor alle centrale werkplaatsen van de NS in Nederland van 1905 tot 1919
gelijk.(24)
Het loon
De verdiensten van een NS-zadelmaker bestonden volgens de voorschriften (1915) uit een grondloon met daarbovenop een
loontoeslag.(25) Tot 1915 werd meestal volgens het premiestelsel gewerkt. Het grondloon werd daarbij nog onderverdeeld in drie verschillende klassen: klasse 1 verdiende 19 cent per uur, klasse 2 verdiende 17 cent per uur, klasse 3 verdiende 15 cent per uur. Dit waren de grondlonen van de volslagen werklieden binnen de zadelmakerij. De hulpen, vaak de zonen van de zadelmakers, verdienden een stuk minder, gemiddeld 10-13 cent per uur.
Het tweede deel waaruit het loon bestond, was de loontoeslag, en die kwam boven op het grondloon. Om aan het totale loon te
komen had men binnen de centrale werkplaats de werkzaamheden onderverdeeld in drie verschillende
stelsels.(26) Deze waren:
het bestaande stukloonstelsel, het gewone uurloonstelsel en het premiestelsel. De chef bepaalde wie welke werkzaamheden deden en in welk stelsel. Dit gaf vaak aanleiding tot onrust binnen de centrale werkplaats. Er schijnt namelijk sprake te zijn geweest van voorkeursbehandeling door de baas voor bepaalde personen. Als voorbeeld van hoe het verloop over een aantal jaren van het 'loon en opslag' er uitzag, nemen we wederom H.J.Horsman.

afb. 7
Dienststaat van H.J. Horsman (archief NS Utrecht).
H.J. Horsman kwam in 1894 als hulpzadelmaker in dienst en verdiende als aankomende zadelmaker 13 cent per uur. Hoewel hij in 1896 in vaste dienst was getreden, ging zijn uurloon pas in 1900 met maar liefs drie centen omhoog naar 16 cent per uur (zie afb.
7).(27) In 1903 werd H.J. Horsman oneervol ontslagen (!) wegens zijn deelneming in de spoorwegstaking van dat jaar.
Deze grondlonen konden dus volgens een van de hierboven beschreven stelsels verhoogd worden met maximaal 30%. Hoe dat in zijn werk ging laat het volgende voorbeeld zien:
Horsman: Bij de zadelmakers had men geen voormannen, en deelde de baas niet mede in het overgeld; de baas bepaalde den prijs van het werk, hij nam de uren op die een ieder had gewerkt zoo kwam hij tot het bedrag. hij zeide dan 'Zooveel bedraagt het loon, zooveel is het aangenomen werk, dus blijft er zooveel over'; en dit bedroeg dan tussen de 28% en
29%.(28)
Dit gebeurde in de meest gunstige situatie, maar moest men een hulp inleren, of men was ziek, of en men maakte slecht werk (wat ook wel eens voorkwam), dan kon de 28% of 29% niet gehaald worden. Ook waren hieraan vaak debet de vele boetes die men om welke redenen dan ook kreeg. Over ziekte op de afdeling en hoeveel tijd het in beslag nam om een leerjongen in te leren, hebben we nochthans geen gegevens tot onze beschikking. Over hoe goed werkzaamheden op de centrale werkplaats werden gedaan, zijn we iets beter geïnformeerd.
Horsman: Toen te Tilburg de wagons half gereed waren, bleek het dat de raamsponningen te laag waren. Te Zwolle werd alles goedgemaakt, terwijl er te Tilburg geknoeid
werd.(29)
Een ander voorbeeld, Horsman: Te Tilburg bijvoorbeeld werden kussenzittingen gemaakt die niet goed waren; die werden opzij gezet en er werden andere
gemaakt.(30)
Over het geknoei te Tilburg zegt Andriesse: Mijn vader vertelde: 'De tekeningen waren fout, in de schrijnwerkerij had men daardoor een groot aantal ramen van foutieve sponningen voorzien'. Volgens mijn vader, Leo van Esch en Janus Langenhuysen, die ik gekend heb, werd het werk in de regel naar behoren
gedaan.(31)) De groep, bestaande uit vijf personen, waarbinnen men werkte op de zadelmakerij, had een collectief sociaal gevoel. Men zette alles op alles om toch het totale werk (goed) af te krijgen, zodat diegenen die om welke reden dan ook de 28% of de 29% niet konden halen, dit toch (gedeeltelijk) kregen. In onderstaande tabel nr.3 zien we de gemiddelde lonen (grondloon + loontoeslag) van de NS-zadelmakers te Tilburg, Utrecht en Zwolle vanaf 1901 tot 1917.
Tabel nr.3. De gemiddelde lonen (grondloon en loontoeslag) van de NS-zadelmakers te Tilburg,
Utrecht en Zwolle over de periode 1901-1917 (in cents).(32)
| ] | 1901 |
1905 |
1910 |
1913 |
1914 |
1915 |
1916 |
1917 |
| Utrecht | 21,5 | 17,5 | 22,5 | 23,5 | 23,5 | 23,5 | 27,5 | 27 |
| Zwolle | 19,5 | 20 | 22 | 23,5 | 23,5 | 23 | 26 | 25,5 |
| Tilburg | 18 | 19,5 | 19,5 | 21,5 | 22 | 22,5 | 26 | 27 |
Over het algemeen verdiende men in Tilburg minder dan bij de twee andere centrale werkplaatsen. Wellicht is dit te verklaren door de hierboven beschreven feiten. Na 1913 zien we dat de lonen gaan stijgen en vanaf 1916 ongeveer gelijke voet houden met die van de andere twee centrale werkplaatsen. Maar of het nu door het slechte werk, ziekte of andere oorzaken kwam, het resultaat was dat men tot 1915 minder loon kreeg dan bij de andere twee centrale werkplaatsen. Kon men met deze lonen ook daadwerkelijk rondkomen? Voor een antwoord op deze vraag zullen we eens kijken naar de
enquête van 1903.(33) J.B. van Gool, weliswaar van een andere afdeling en poetser van beroep, werkte al tien jaar bij de NS en begon met een grondloon van 10 cent per uur. Na tien jaar, in 1903, verdiende hij nog maar 13 cent per uur (grondloon). De vragen die de
enquêtecommissie hem stelde, luiden als volgt:
14355 v. Hoeveel verwoont gij?
a. f 1,50
14356 v. Hebt gij vrouw en kinderen?
a. ja, een vrouw en een kind
14357 v. Dan zult gij wel moeite hebben met uw loon rond te komen
a. Ik kan er onmogelijk van rondkomen
14358 v. hebt gij bijverdiensten?
a. neen
14359 v. hoe oud is uw kind?
a 10 jaar
14360 v. heeft uw vrouw nog verdiensten?
a. Neen
We zien dat iemand met een grondloon van 13 cent per uur en dus een weekloon (grondloon + loontoeslag) van ongeveer
f 10,20 en met een huur per week van f 1,50, er niet van kon rondkomen. Een extra handicap had men wanneer men te boek stond als rooie; dan moest men een huis huren in de particuliere sector en die was duurder. Dit is niet zo verwonderlijk, want met
f 8,70 over moest hij zich voorzien van de primaire levensbehoeften. Het bedrag dat werd uitgegeven aan de primaire levensbehoeften zoals: eten, kleren kolen enz. bedroeg, omstreeks die tijd, volgens een onderzoek naar de kosten van levensomstandigheden van een Oostbrabants sigarenmakersgezin uit 1907/1908 bestaande uit drie personen,
f 11,65.(34) Het was dus voor Van Gool en zijn familie en ook de vele zadelmakers van de centrale werkplaats onmogelijk om van dergelijke weeklonen rond te komen. Men kon dan een beroep doen op het armenfonds of het eten aanvullen met wat er uit de moestuin kwam, indien men er een had. Er was natuurlijk ook de mogelijkheid om de kinderen aan het werk te zetten. Een ander gegeven dat uit het gesprek met Andriesse is vast komen te staan is, dat men ook geld leende van personen die ruimer bij kas zaten, danwel de familie daarvan.
Gezinssituatie en geloof
Van zes personen die op de zadelmakerij werkten weten we alleen de naam. Van hen ontbreekt elke informatie. Ondanks dat het NS-stamboek hen opgeeft als werkzaam in Tilburg, kunnen we ze in het bevolkingsregisters niet vinden. Een mogelijkheid waarom ze niet te vinden zijn, ligt in het feit dat ze misschien buiten de gemeente Tilburg woonden. Van de overige tweeënzeventig zadelmakers zijn wel de gegevens bekend (zie lijst). Eenenveertig van hen waren zoals een goed katholiek dat in die dagen betaamde, getrouwd. De huishoudens varieerden van twee tot tien personen. De overige eenentwintig staan geboekt als niet gehuwd. Van acht zadelmakers weten we niet of ze dan wel een geloof hadden of niet. Het merendeel van de zadelmakers was katholiek. Een klein deel van hen, negen om precies te zijn, was Nederlands-hervormd.
Samenvatting
Samenvattend kunnen we zeggen dat de personen op de beide foto's het niet echt slecht en niet echt goed hadden. De werkomgeving was, zeker voor 1913, weliswaar slecht; de werkzaamheden waren eentonig; de baas had soms zo zijn voorkeur voor bepaalde mensen, wat spanningen met zich meebracht; de lonen waren zo karig dat de meesten er niet van rond konden komen. Daarbij komt nog dat de promotiekansen klein waren, en opslag kon men eigenlijk wel vergeten of men moest er heel lang op wachten. Velen zullen daarom een beroep hebben moeten doen op de armenzorg of een moestuin, of de kinderen voor hen hebben moeten laten werken. De sfeer op de afdeling was ondanks deze problemen goed te noemen, zeker onder baas 't Hart.
Ondanks de goede sfeer kwam het toch tot een confrontatie wegens de slechte werkomstandigheden zoals het lage loon enz.
Het gevolg was achteraf gezien onvermijdelijk en resulteerde mede in de spoorwegstaking van 1903. Enige verbeteringen op de werkvloer traden pas op nadat de zolder in 1913 was verbouwd, en na 1919, toen er de achturige werkweek was ingesteld. Het loon geeft na 1916 in vergelijking met de andere centrale werkplaatsen een verbetering te zien, wellicht te verklaren uit het feit dat de werkruimte is verbeterd, dus minder zieken, en waarschijnlijk uit de hogere kwaliteit van het afgeleverde werk. Al met al leefden de meeste NS-zadelmakers die op de beide foto's voorkomen, op de grens van de armoede.
Bijlage 1
De NS-zadelmakers en hun gezinssituatie 1870-1939
1. Ongehuwd
2. Gehuwd
3. Zoon
4. Dochter
5. Totaal gezin
6. Geloof
7. Geboorteplaats
|
Naam |
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7. Geboorteplaats |
| W.J. Aarts | - | x | 2 | - | 4 | R.K. | Tilburg |
| F.J.Aarts | - | x | 2 | - | 4 | R.K. | Tilburg |
| C. van Ameijde | x | - | - | - | 1 | N.H. | Tilburg |
| H.J. Andriesse | - | x | 2 | - | 4 | N.H. | Tilburg |
| M.J. van Beurden | x | - | - | - | 1 | R.K. | Vlijmen |
| G.J. van de Biggelaar | - | x | 2 | 1 | 5 | R.K. | Tilburg |
| J.P. Bleekendaal | x | - | - | - | 1 | R.K. | Haarlem |
| F.A. Brocken | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Tilburg |
| G.E.L. Damen | - | x | 3 | 3 | 8 | R.K. | Den Bosch |
| G.J. Donders | - | x | 3 | 1 | 6 | R.K. | Tilburg |
| H. van Doorn | - | x | 3 | 1 | 6 | R.K. | Schijndel |
| G. van Doorn | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Nistelrode |
| A.J.A. van Doorn | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Tilburg |
| F.C. van Eerdewijk | - | x | 1 | 3 | 6 | R.K. | Tilburg |
| A. van Esch | - | x | 3 | 3 | 8 | R.K. | Den Bosch |
| L.A. van Esch | - | x | - | - | 2 | R.K. | Tilburg |
| J.A. van Evers | - | x | 2 | - | 4 | R.K. | Breda |
| A.J. Fouchier | |||||||
| L.M. van Gurchom | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| A. Hagen sr. | - | x | 4 | 4 | 10 | R.K. | De Bilt |
| A. Hagen jr. | - | x | - | - | 2 | R.K. | Utrecht |
| G. van Hallebeek | x | - | - | - | 1 | N.H. | Tilburg |
| A. 't Hart | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Gorinchem |
| J. van Heerde | - | x | - | 3 | 5 | N.H. | Zuidhoek |
| W. Heijsten | - | x | 3 | - | 5 | R.K. | Nijmegen |
| A.A. van den Heuvel | - | x | - | 2 | 4 | R.K. | Tilburg |
| J.A. van Houtum | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| H.J. Horsman | - | x | 2 | - | 4 | ? | Zwolle |
| J.P.A. van Iersel | - | x | 2 | 1 | 5 | R.K. | Tilburg |
| J.F.A. van Iersel | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| T. Jansen | Rheden | ||||||
| W.J. Jansen | - | x | - | - | 2 | R.K. | Arnhem |
| G.J. Joosten | x | - | - | - | 1 | R.K. | Zutphen |
| C.J. van Klijn | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Tilburg |
| L.J. Kuijlen | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Tilburg |
| A.J.D. Kuijten | - | x | - | 2 | 4 | R.K. | Tilburg |
| H.J. van Laar | - | x | 1 | - | 3 | R.K. | Breda |
| A. Langenhuizen | - | x | 2 | 2 | 6 | R.K. | Den Bosch |
| M. Leenaarts | |||||||
| A.W. Leest | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| A. Louer | - | x | 4 | 1 | 7 | R.K. | Tilburg |
| A.J. Mackelenburg | - | x | 1 | 3 | 6 | R.K. | Den Bosch |
| W. van Marsbergen | |||||||
| G.H.J. van Marsbergen | - | x | - | - | 2 | R.K. | Den Bosch |
| M. Mols | - | x | 1 | 2 | 5 | R.K. | Berkel-Enschot |
| J.P. Morra | x | - | - | - | 1 | R.K. | Borne |
| J.J. Odijk | |||||||
| C. Overbeeke | x | - | - | - | 1 | N.H. | Tilburg |
| R. Overbeeke | x | - | - | - | 1 | N.H. | Tilburg |
| J.A. Oostrijck | - | x | 1 | 3 | 6 | N.H. | Etten-Leur |
| F.J. Platte | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Holtum |
| J.A.A. van de Poel | - | x | 1 | - | 3 | R.K. | Hilvarenbeek |
| J.F.M. van de Poel | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Hilvarenbeek |
| W.G. Princen | - | x | 3 | - | 5 | R.K. | Geldrop |
| J.C. Pijnenburg | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Tilburg |
| P.J.A. Rensink | x | - | - | - | 1 | R.K. | Culemborg |
| W. Riks | x | - | - | - | 1 | N.H. | Venlo |
| J.C. van Rijswijk | - | x | - | - | 2 | R.K. | Baardwijk |
| N. Rubbens | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Berkel-Enschot |
| C. Sauer | - | x | 3 | 1 | 6 | ? | Amsterdam |
| D. Sauer | - | x | 1 | 1 | 4 | R.K. | Tilburg |
| F.A.M. Schults | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| H. van Schuth | - | x | 1 | - | 3 | R.K. | Tilburg |
| J.C. van Schuth | - | x | 1 | - | 3 | ? | Utrecht |
| H.J.J.P. Smeulders | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| A. Serier | - | x | 2 | 1 | 5 | R.K. | Kruiningen |
| P. Smink | - | x | - | 1 | 3 | R.K. | Den Bosch |
| W.H. Tjabring | x | - | - | - | - | N.H. | Arnhem |
| J.J.A. Vereijsen | - | x | - | - | 2 | R.K. | Tilburg |
| S.C. Vermeulen | x | - | - | - | 1 | R.K. | Luiksgestel |
| F.G. Vennix | - | x | ? | ? | 3 | R.K. | Tilburg |
| F.J. Vennix | - | x | 3 | 1 | 6 | R.K. | Tilburg |
| M. Verhoeven | - | x | 3 | 1 | 6 | R.K. | Drunen |
| H.L. Vorster | x | - | - | - | 1 | N.H. | Tilburg |
| F.S.J. Weber | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| A.F.A. Westerburger | - | x | 1 | 2 | 5 | R.K. | Tilburg |
| B.M.A. Westerburger | x | - | - | - | 1 | R.K. | Tilburg |
| J. van Wijngaard |
Noten
(1) De Stichting Historische Verzameling Hamen/Garelen en Zadels, opgericht in 1989, doet onderzoek naar de Noordbrabantse zadelmakerij over de periode 1800-1950. Het onderzoek naar de Tilburgse zadelmakerij 1800 tot ongeveer 1950, is gedaan door F. van den Dries en G. de
Bruijn.
(2) De Tilburgse Koerier van 13-9-1990 ('Tilburgse Mijmeringen').
(3) GAT, Bevolkingsregisters 1849-1859, 1860-1870, 1870-1880, 1880-1890, 1890-1900, 1900-1910, 1910-1920 en 1921-1939.
(4) Archief NS te Utrecht. 'Algemeen stamboek van het personeel der Maatschappij tot Exploitatie van de Staatsspoorwegen'.
(5) Gesprek met K. Andriesse d.d. 16-11-1989.
(6) 'Loon en arbeidsduur der werklieden in de vier centrale werkplaatsen der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen gedurende de jaren 1874 tot 1917', in:
Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek, XII (1917), 3, 386-372.
(7) Ibidem.
(8) Ton Wagemakers, 'Techniek en arbeid op de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen te Tilburg 1869-1922', in:
Industriële Archeologie nr. 36 (1990), 108.
(9) De materialen waarmee de zadelmakers werkten, bestond uit: trijp (velours), kokosmat, leerdoek, leer, paardehaar en springveren.
(10) Wagemakers, 'Techniek en arbeid'.
(11) Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992.
(12) Van NS-zadelmaker J.A. van Houtum weten we dat hij, na een tijd gewerkt te hebben bij de centrale werkplaats, voor zichzelf is begonnen als zadelmaker te Tilburg.
(13) W. Slob, De glorietijd van het paard, (1987), 153.
(14) J.H.S.M. Veen, Sporen over de Heuvel, (Tilburg, 1988).
(15) Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992.
(16) H.N. Neideck, 'De werkplaats der Staatsspoorwegen te Tilburg', in: Eigen
Haard, (1887), 139. Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992: 'Leo van Esch was een uitstekende landschapschilder. Boven zijn werktafel had hij een landschapje geschilderd. Zijn vrouw schilderde ook, nl. stillevens'.
(17) Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992.
(18) Neideck, 'De werkplaats der Staatsspoorwegen', 139.
(19) Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992.
(20) Wet op de arbeidsduur van 1919. De voornaamste bepalingen waren: maximale arbeidsduur van acht uur per dag en 45 uur per week tussen zeven uur 's morgens en zes uur 's avonds; vrije zaterdagmiddag en zondag; uitbreiding van het bevallingsverlof tot acht weken, waarvan twee weken voor de bevalling. Zie: A. van der Veen,
Zij telt voor twee (1989), 20.
(21) Verslag der staatscommissie benoemd bij Koninklijk Besluit van 20 april 1903, no. 27, ingevolge de wet van 11 april 1903 (Staatsblad no. 103) tot het instellen van een onderzoek ten aanzien van de rechtsverhoudingen en voorwaarden, waaronder het personeel bij het spoorwegbedrijf in dienst is.
(22) NS Archief te Utrecht, NS Stamboek, volgnummer 14618.
(23) Andriesse (schr. meded. d.d. 27-1-1992) heeft andere tijden: Rond 1900 ging de loeiharde fabrieksfluit van de NS in de Koestraat om 6 uur 's morgens. Tussen de middag was er 'schaft' van 12 tot 1.30. Het werk eindigde 's avonds om 6 uur (althans in mijn vaders tijd). Ook op zaterdag werd gewerkt van 6 tot 6. Dus zes dagen in de week van 10 uur, dat is 63 uur per week.
(24) 'Loon en Arbeidsduur der werklieden in de vier centrale werkplaatsen der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen gedurende de jaren 1874 tot 1917', in:
Maandschrift van het Centraal Bureau voor Statistiek, XII (1917), 3, 368-371.
(25) Werkplaats premievoorschiften (ingevoerd bij dienstorder no. 5184 d.d. 23 september 1915), 4, 5 en 6.
(26) Ibidem.
(27) NS Archief te Utrecht, NS Stamboek, volgnummer 14618.
(28) Verslag der Staatscommisie, 704.
(29) Ibidem.
(30) Ibidem.
(31) Schr. meded. K. Andriesse d.d. 27-1-1992.
(32) 'Loon en Arbeidsduur', 368-371.
(33) Verslag der Staatscommissie, 705.
(34) De volledige lijst van levensbehoeften is: aardappelen en groenten f
1, vlees f 0,60, vet en spek f 0,70, boter en margarine f 1, petroleum
f 0,18, kolen in de winter f 1,30, bonen en erwten f 0,15, rijst
f 0,15, gort en meel f 0,20, vier ons koffie f 0,40, een ons thee
f 0,20, een pond suiker f 0,24, brood f 1,37, melk f 1,37, zout
f 0,04, zeep f 0,18, zand en soda f 0,02, schoenen f
1,50, kleren f 1,37, huishuur f 0,70, begrafenisfonds f 0,09; in totaal
f 11,65. Zie: Van der Veen, Zij telt voor twee, 13.
Literatuur
Boezaardt, J.P., 'Honderd jaar Werkplaatsen der Nederlandse Spoorwegen', in: Spoor- en
Tramwegen, 12 (1939).
Brandt, G.H., 'De Centrale Werkplaats der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te Tilburg', in:
De Ingenieur (1906).
Dehing, P., '...Eene soort van dynastie van Spoorweg-Beambten', in: Arbeidsmarkt en spoorwegen in Nederlan, 1875-1914 (Hilversum, 1989).
Eerenbeemt, H.F.J.M. van den, Sporen naar Welvaart. De betekenis van de eerste lijn der staatsspoorwegen voor de economische ontwikkeling van Midden-Brabant en de baronie van Breda (Tilburg, 1964).
Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek, XII (1917) 3.
Neideck, H.N., 'De Werkplaatsen der Staatsspoorwegen te Tilburg', in: Eigen
Haard, 1887.
Veen, A. van der, Zij telt voor twee. Vrouwenarbeid in Noord-Brabant, 1889-1940
('s-Hertogenbosch, 1989).
Verslag der Staatscommisie benoemd bij Koninklijk Besluit van 20 april 1903 no. 27, ingevolge de wet van 11 april 1903 (Staatsblad no. 103) tot het instellen van een onderzoek ten aanzien van de rechtsverhoudingen en voorwaarden waaronder het personeel bij het spoorwegbedrijf in dienst is.
Wagemakers, T., Buitenstaanders in actie, Socialisten en neutraal-georganiseerden in confrontatie met de gesloten Tilburgse samenleving 1888-1919 (Tilburg, 1990).
Wagemakers, T., 'Techniek en Arbeid op de Centrale Werkplaats van de Staatsspoorwegen te Tilburg 1869-1921', in:
Industriële Archeologie nr. 36 (1990).
Zanten, B.S. van, 'Hoe de centrale werkplaatsen er vroeger uitzagen', in: Spoor- en
Tramwegen, 23 (1940).
* Geert de Bruijn is beeldend kunstenaar te Vught. Hij is mede-oprichter en bestuurslid van de 'Stichting historische verzameling hamen/garelen en zadels'.




