| 353. De sigarenfabriek Majoie & Van der Voort | |||
|
Titel: |
De sigarenfabriek Majoie & Van der Voort |
|
Ondertitel: |
De firmanten en hun bedrijf |
|
Auteur: |
Ton Thelen* |
|
Jaargang: |
XIII (1995) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
35-45 |
Rond 1850 wordt voor het eerst melding gemaakt van tabaksnijverheid in Tilburg. Veel betekenis voor de werkgelegenheid heeft deze nieuwe tak van nijverheid echter niet. In tegenstelling tot in Eindhoven, waar de tabaksnijverheid in de jaren zestig en zeventig van de negentiende eeuw uitgroeit tot een dominante bedrijfstak, is in Tilburg tot aan het einde van deze eeuw nauwelijks sprake van enige groei.

Toonmonsters van de N.V. Gulden Vlies Sigarenfabrieken Tilburg
(coll. RHC Tilburg, foto Frans van Ameijde).
Vanaf het begin van de jaren negentig komen er wel enkele fabrieken bij, maar een echte doorbraak komt eerst na de eeuwwisseling. De eerste jaren kampt de sigarennijverheid in Tilburg nog met grote moeilijkheden ten gevolge van de algehele malaise die dan ingetreden is. Er vindt weliswaar enige uitbreiding plaats, maar het verloop is erg groot. Pas na 1903 blijkt deze tak van nijverheid voldoende stevig gevestigd. De werkgelegenheid neemt toe, maar expansie en groei op grote schaal treden niet eerder dan na de Eerste Wereldoorlog
in.(1)
Het zijn met name de jongere bedrijven, opgericht na 1895, toen de vooruitzichten gunstig waren, die de ontwikkeling van deze tak van nijverheid in Tilburg geschraagd hebben. Dit geldt voor de firma Diepen, Van Leeuwen en de sigarenfabriek van Majoie & Van der Voort, opgericht in september 1900. Hoewel een bedrijfsarchief ontbreekt, zijn voldoende gegevens beschikbaar om de toenemende betekenis en bloei van de sigarennijverheid in Tilburg te illustreren aan de hand van de groei van de sigarenfabriek van Majoie & Van der Voort.
Dit artikel begint met een beeld van de sociale achtergrond van de firmanten G. Majoie en Edm. van der Voort. Vervolgens wordt ingegaan op een arbeidsconflict in 1895 te Boxmeer, dat zijn uitwerking op de sociale verhoudingen in de Tilburgse sigarennijverheid niet mist. Dit conflict toont de moeilijke, maar ook strijdbare positie van de zelfstandig georganiseerde sigarenmakers in katholiek Brabant. Als ook in Tilburg deze sigarenmakers zich roeren, blijkt hun vakbondslidmaatschap nog zeer omstreden. Het vormt de kern van de problemen die zich in de jaren 1900-1902 voordoen op de fabriek van Majoie & Van der Voort. In een volgend artikel in
'Tilburg' zal ik hieraan aandacht besteden. Na de kwestie Boxmeer volgt een schets van de fabriek. Dit artikel besluit met een korte aanduiding van de verdere ontwikkeling van het bedrijf. Bij gebrek aan een eigen fabrieksarchief, blijven weliswaar nog vele vragen onbeantwoord, maar kunnen niettemin de groei van deze onderneming, de interne strubbelingen eigen aan het familiebedrijf en de latere neergang worden gevolgd.
Godefroid Majoie
Godefroid Henri Marie Joseph Majoie, geboren te Hilvarenbeek op 16 februari 1880, stamt uit een welgesteld patriciërsgeslacht. Hij is de vierde zoon uit het huwelijk van Martinus Cornelis Josephus Majoie (Hilvarenbeek 1841) en Gerardina Johanna Adriana Lutz (Amsterdam 1841). Zij krijgen vijf zoons en vijf
dochters.(2)

Jacques Joseph Majoie (Namen 1787- Hilvarenbeek 1878),
stamvader van de Tilburgse familie Majoie (coll. Gemeente
Hilvarenbeek, foto Frans van Ameijde).
Met zijn grootvader Jacques Joseph Majoie, geboren op 14 augustus 1787 in Namen, uit een geslacht van notarissen, begint de stamreeks in Nederland. Deze vestigt zich in 1842 op kasteel Groenendaal in Hilvarenbeek. Hiermee sluit hij zijn militaire loopbaan af en legt zich toe op de vernieuwing van het landbouwbedrijf door proefnemingen met bemesting en veredeling van zaden en het fokken van dieren. Hij is een uitermate kleurrijke en ondernemende persoon, wiens faam door zijn militaire verleden legendarische proporties aanneemt. In 1807 neemt hij vrijwillig dienst in het Franse leger. Al snel klimt hij op in rang. Hij volgt Napoleon op diens veldtochten door Europa. Na in de Volkerenslag bij Leipzig in 1813 gewond te zijn geraakt, treedt hij begin 1815 uit Franse krijgsdienst en schaart zich vervolgens onder Nederlandse vlag in de strijd tegen Napoleon. Na de slag bij Waterloo wordt hij aangewezen om zijn voormalige veldheer naar het verbanningsoord St. Helena te begeleiden. Ten tijde van de Belgische Opstand (1830-1839) is hij voor het laatst in actieve krijgsdienst. Tal van hoge onderscheidingen zijn hem gedurende en na zijn militaire carrière ten deel gevallen. Hij overlijdt in
1878.(3)

Godefroid Henri Marie Joseph Majoie (geb. 1880), begon in
1899 met een bescheiden handel in sigaren. Hij was mede-
oprichter van de sigarenfabriek Majoie & Van der Voort.
(coll. RHC Tilburg).
Zijn zoon Martinus wijdt zich eveneens aan de landbouw en legt zich in het bijzonder toe op de ontginning. In 1886 verhuist hij met zijn gezin naar Tilburg, waar hij wordt ingeschreven onder het beroep van winkelier. Na zijn overlijden in 1898 - zijn vrouw is hem in 1891 in de dood voorgegaan - wordt zijn schoonbroer kolonel Lutz (Zwolle) voogd over zijn minderjarige kinderen. Hoewel hij zijn zoons had voorbestemd voor een militaire loopbaan, kiezen zij allen een andere
weg.(4) Joseph (1871) en Charles (1881) worden koopman in granen, Henri (1874) handelaar in bieren en Samuel (1873)
handelsreiziger.(5) Later krijgen allen leidinggevende functies binnen het sigarenbedrijf dat door Godefroid wordt opgezet.
Vanaf eind maart 1893 zit Godefroid gedurende drie jaar op kostschool, vermoedelijk op het Instituut St. Louis in
Oudenbosch.(6) Door bemiddeling van een vriend van zijn vader wordt hij nadien als leerling aangenomen op de sigarenfabriek van P.J. Schröder in Eindhoven. Naderhand wordt hij reiziger voor deze firma. Hij blijft evenwel in Tilburg wonen. Godefroid zit het ondernemen in het bloed. Hij begint voor zichzelf op 1 november 1899 met een bescheiden handel in sigaren.
Zijn reizen voor de firma en zijn eigen handel brengen hem in contact met de achttien jaar oudere sigarenfabrikant Edmond van der Voort in Boxmeer, bij wie hij steun vindt voor zijn plan om een eigen fabriek te beginnen. Hij heeft daarvoor al een bedrag van
f 1.500 bijeengespaard. Omdat hij nog minderjarig is, heeft hij de toestemming nodig van zijn voogd en moet hem door de rechtbank in diens woonplaats handlichting worden verleend. Nadat deze beschikking op 31 juli 1900 is afgegeven, kan hij samen met Van der Voort hun voornemen tot uitvoering
brengen.(7)
Godefroid woont in deze tijd op het adres Bredaseweg M 623. Hij deelt de woning met zijn broers en zussen. Na zijn huwelijk, eind december 1904 te Venlo, met Maria J.H. van Wylick, woont hij op het adres Veldhoven K 223, zijnde Wilhelminapark
70.(8)
Zal het startkapitaal voor de nieuwe fabriek voornamelijk door Godefroid Majoie zijn ingebracht, Edm. van der Voort levert de kennis van het bedrijf en bepaalt in belangrijke mate de opzet van hun onderneming.
Edmond van der Voort
Edmond François Joseph Marie van der Voort is geboren in Boxmeer op 6 september 1862. Hij is de derde zoon van Gerard Hendrik Jan van der Voort, geboren te Eindhoven op 12 juli 1820, in maart 1852 benoemd tot ontvanger der Registratie in Boxmeer, en Josephina Catherina Kerstens, geboren in Boxmeer op 13 oktober 1826. Edmond is genoemd naar het eerste kind uit hun huwelijk, dat al enkele maanden na de geboorte overlijdt.
In vergelijking met zijn oudere broer Maurits, die als ingenieur enkele jaren in Hannover heeft gewerkt, heeft Edmond meer moeite om zijn draai te vinden. Als het gezin in mei 1882 binnen Boxmeer verhuist, is hij nog zonder beroep. In november 1891 vertrekken zijn moeder, sedert 1875 weduwe, en zijn jongere zus Mathilde, eveneens genoemd naar een vroeg gestorven kind, naar 's-Hertogenbosch. Als Edmond enkele maanden later volgt, is hij sigarensorteerder van beroep. Twee jaar later keert hij met zijn zus terug. Hij noemt zich dan sigarenfabrikant. Na het huwelijk van zijn zus in 1895 blijft hij vijf jaar bij hen inwonen. Daarna trekt hij in bij de arbeider A.
Janssen.(9) Waarschijnlijk is dit als tijdelijke huisvesting bedoeld, omdat hij toen al contact moet hebben gekregen met Godefroid Majoie en hebben besloten om met hem in Tilburg een nieuwe start te maken. Als de formaliteiten rond zijn, vertrekt hij in september 1900 naar Tilburg, waar hij, nog steeds ongehuwd, zijn intrek neemt bij Aleida van der Veer, die een winkel
drijft.(10) Ook in Tilburg blijkt hij niet erg honkvast. Na twee keer verhuisd te zijn, woont hij in 1903 zelfstandig, aan de Veldhovenstraat, nabij het Wilhelminapark. Hij is dan getrouwd met Maria Hendrika Janssen uit
Beugden.(11)
Hoewel Edmond zich in 1893 sigarenfabrikant noemt, moeten wij ons daarbij toch niet al te veel voorstellen. Alleen al het feit dat hij niet over een eigen woning beschikt, kan als een aanwijzing gelden. Toch gaat het hem financieel niet slecht: in de registers van de hoofdelijke omslag wordt zijn jaarlijks inkomen geschat op
f 600, al zit er al die jaren geen progressie in.(12)
Tussen 1890 en 1900 telt Boxmeer zo'n acht en enkele jaren later tien sigarenfabrieken. Het is een wat wijdse naam voor de merendeels kleinschalige ambachtelijke bedrijfjes, waarvan enkele in de huisindustriële sfeer werkzaam zijn. Op een enkele uitzondering na, zoals het bedrijf van burgemeester B. Verkuijl en mogelijk ook nog de firma J.M.A. Boes, hebben zij minder dan tien arbeiders in dienst. De bezetting schommelt per bedrijf tussen de vier à zeven personen. Er wordt geen gebruik gemaakt van mechanische kracht, maar dit is nog vele jaren kenmerkend voor de
sigarennijverheid.(13)
Uitsluiting en werkstaking te Boxmeer in 1895
Een voor Boxmeer alleszins geruchtmakend arbeidsconflict in 1895 laat bij Van der Voort diepe sporen na. Het heeft zijn latere afkeer van sociale organisatie in Tilburg zeer beïnvloed.
In februari van genoemd jaar komen enkele leden van de Nederlandsche Internationale Sigarenmakers en Tabaksbewerkers Bond (NISTB) naar Boxmeer om propaganda te maken en leden te werven. Zij slagen in hun opzet: zo'n twintig sigarenmakers melden zich aan, de meesten werkzaam op twee fabrieken, waaronder die van J. Boes. Met nauwelijks verholen spot bericht het
Boxmeers Weekblad, dat nu voor het Land van Cuijk de verlichte tijd en de verbetering van de sociale toestanden is aangebroken. Al kan men over het feit zelf dan lachend de schouders ophalen, het is volgens de redactie toch gewenst dat de patroons en de overheden deze 'socialistische agitatie' een halt toe
roepen.(14) En dat doen deze met overtuiging en straffe repressie. De patroons stellen de leden van de Bond voor de keuze tussen hun lidmaatschap en het behoud van werk. Als de arbeiders na een bedenktijd van twee weken voor dit dreigement niet willen buigen, laat men hen barsten: zij krijgen
gedaan.(15) Hiermee geraakt het conflict in een patstelling: geen van de partijen wil toegeven, waarmee het conflict in een staking overgaat. Van de zijde van de Bond worden de uitgesloten arbeiders, nu stakers genoemd, geldelijk gesteund.
De stakende arbeiders trachten vergeefs door middel van een circulaire begrip bij de bevolking te krijgen: zij staan geïsoleerd. Een confrontatie met enkele arbeiders loopt zelfs op een stevig handgemeen
uit.(16) De fabrikanten daarentegen vinden alom instemming voor hun handelwijze en vasthoudendheid, niet in de laatste plaats bij de burgemeester en de pastoor. Groot gelijk hebben ze, die patroons, stelt een inwoner van Boxmeer. Die baas is moet baas blijven, dit is altijd zo geweest, anders gaat de boel op de
sloffen.(17) Bravo, onze welgemeende dank, schrijft de Graafsche
Courant.(18)
Na enkele maanden verloopt het conflict, doordat de fabrikanten ertoe overgaan geleidelijk op de opengevallen plaatsen andere arbeiders aan te
nemen.(19) Bovendien verbinden de gezamenlijke sigarenfabrikanten zich om tot het jaar 1900 geen der stakers in dienst te nemen, op straffe van de betaling van
f 100 aan de mede-ondertekenaars van deze overeenkomst. Er zit voor de volhardende bondsleden niets anders op dan elders werk te zoeken.
"Door dit eendrachtig samenwerken zijn wij geheel van dit socialistische volkje, hetwelk de wijk naar Duitschland heeft genomen,
verlost."(20)
Mag het conflict in Boxmeer voor de getroffen arbeiders dan verloren zijn, het heeft toch enige beweging gebracht in de traditionele sociale verhoudingen en het mentale klimaat. Hoewel onmiskenbaar als afweer bedoeld en om herhaling te voorkomen, richt pastoor Kersten op 29 februari 1898 een R.K. Volksbond op. Onder de paraplu van deze sociaal-behoudende standsorganisatie schuilt vanaf 17 april de eerste vakafdeling, en wel het R.K. Tabaksbewerkersgilde St.
Sylvester.(21)
Gezien het voorval in Boxmeer verbaast het niet dat het eerste artikel van het fabrieksreglement bij de firma Majoie & Van der Voort in Tilburg het verbod inhoudt om lid te zijn van de
NISTB.
De sigarenfabriek Majoie & Van der Voort
De oprichting van een fabriek is aan wettelijke voorschriften gebonden. Allereerst dient het fabrieksgebouw te voldoen aan de eisen van de Hinderwet van 2 juni 1875. Deze wet regelt het toezicht
"bij het oprichten van inrichtingen, welke gevaar, schade of hinder kunnen
veroorzaken". Deze inrichtingen hoeven niet van industriële aard te zijn. De wet bedoelt enkel de belangen van de omgeving te beschermen. Zo mag een fabriek niet gelegen zijn op een afstand van minder dan tweehonderd meter van gebouwen voor ziekenverpleging, de openbare eredienst en scholen. De toepassing en handhaving van de wet ligt in handen van het college van Burgemeester en Wethouders. Voor de bescherming van hen die in de gebouwen werkzaam zijn, komt in 1895 de Veiligheidswet. Deze wet is van toepassing op fabrieken en werkplaatsen waar tien of meer personen werkzaam zijn of waar een krachtwerktuig dan wel een oven zich bevindt. Zij bevat ondermeer voorschriften over de hoogte van de lokalen, de vrije luchtruimte, de verlichting en de plaatsing van privaten. Het toezicht op de naleving van deze wet berust bij de Inspecteur van de Arbeid, die valt onder de dienst Rijkstoezicht op Fabrieken en Werkplaatsen. Daartoe is het land ingedeeld in verschillende secties. Tilburg ressorteert onder de 1e Inspectie, die zetelt in Breda, met H.F. Kuijper als de eerste inspecteur. Met het oog op de Veiligheidswet wordt in 1896 de Hinderwet aangepast, zodat de uitvoering daarvan niet de door de Veiligheidswet beschermde belangen
schaadt.(22)

Briefhoofd van de sigarenfabriek Majoie & van der Voort, uit het begin van deze eeuw.
(coll. RHC Tilburg).
Godefroid Majoie en Edmond van der Voort dienen 7 augustus 1900 een verzoek in bij het gemeentebestuur van Tilburg om op perceel sectie N 1456, plaatselijk gemerkt K 871, een sigarenfabriek op te richten. Dit verzoek wordt daags erna bekendgemaakt, opdat mogelijke bezwaren kunnen worden ingediend. Nadat de Inspecteur van de Arbeid op 24 augustus een verklaring van geen bezwaar heeft afgegeven en er geen bezwaren van omwonenden zijn binnengekomen, willigt het college van B & W op 5 september het verzoek in. Dit besluit wordt de volgende dag gepubliceerd in de
Tilburgsche Courant en de Nieuwe Tilburgsche Courant.(23)
De fabriek, benevens sigarendrogerij, wordt begonnen in een leegstaande vellenploterij in de Stedekestraat, nabij het Wilhelminapark. Het betreft een zogenaamde fabriek met handkrachtbeweging. De benedenverdieping dient als kantoor en magazijn. Hier bevindt zich ook de drogerij, waarvan de toegangsdeur, met het oog op de veiligheid wegens de daarin aanwezige gaskachel, met een ijzerplaat is beslagen. Ook de deur naar de zolder, die eveneens tot magazijn dient, is van een ijzeren bescherming voorzien. De eerste verdieping wordt geheel ingenomen door de werkplaats. De trap bevindt zich aan de buitenzijde van het gebouw. Elf ramen aan de noord-, zuid-, en westzijde zorgen voor voldoende licht. 's Avonds wordt gebruikgemaakt van gasverlichting. In verband met de luchtverversing zijn negen ramen van kantelbare bovenlichten voorzien. Op de binnenplaats bevinden zich twee privaten, die minstens tien meter van het gebouw verwijderd zijn. In de fabriek werken maximaal twaalf personen. Dit betekent dat er naast de firmanten tien arbeiders in dienst
zijn.(24)
Hoewel in de sigarenmakerij de prakrijk is gegroeid dat de sigarenmakers enkele kinderen als bosjesmakers naast zich hebben, die zijzelf betalen, waardoor zij een hogere produktie kunnen halen, is dit niet het geval op de fabriek van Majoie & Van der Voort. De firmanten vinden het werken met jongens niet geoorloofd. Tijdens het langdurige arbeidsconflict van oktober 1901 tot april 1902 staan zij dit, kennelijk om de produktie veilig te stellen, wel toe.25 Bij deze uitzondering blijft het. Enkele jaren later, in 1907, verklaren de firmanten alleen volleerde sigarenmakers in dienst te
nemen.(26) Of men dit standpunt is blijven huldigen, is niet komen vast te staan. Wegens de vele misstanden rond het gebruik van bosjesmakers, is aan de bestaande praktijk bij de c.a.o. van 1920 een einde gemaakt. Voortaan moet het aan de bosjesmaker toekomende loon door de werkgever worden
betaald.(27)

Bouwtekening van de sigarenfabriek van de firma Majoie & Van der Voort,
Wilhelminapark 69-70, getekend door de Tilburgse architect W.F.J.H. Bouman.
(coll. RHC Tilburg).
Is op de werkomstandigheden dan niets aan te merken in de zin van de Veiligheidswet en blijkt de firma ook te handelen naar de Arbeidswet van
1889(28), bepaald treurig worden de arbeidsvoorwaarden genoemd. Zoals op meerdere fabrieken geldt voor de arbeiders een fabrieksreglement. Het eerste artikel verbiedt de arbeiders om lid te zijn van de
Nederlandsche Internationale Sigarenmakers en Tabaksbewerkers Bond. Duidelijk is hierin de invloed van Edm. van der Voort te herkennen. Deze gewraakte bepaling wordt de inzet van een langslepend arbeidsconflict, waarmee de firma begin oktober 1901 wordt geconfronteerd. Onredelijk wordt ook de tweede bepaling genoemd, waarbij voor het gebruik van gaslicht 10 cent gekort wordt op het weekloon van de arbeiders. Zelfs in de zomer, als niet met kunstlicht gewerkt hoeft te worden, gaat deze wekelijkse inhouding gewoon
door.(29)
Er is ook een boetestelsel ingevoerd. Komen de arbeiders 10 minuten te laat, dan betalen zij 5 cent boete. Voor verzuiming van de eerste schaft betaalt men 10 cent, voor verzuiming van de tweede schaft 20 cent en komt men de hele dag niet, dan betaalt men 30 cent, tenminste indien men voor het verzuim geen geldige reden
heeft.(30) Het gevaar van willekeur is bij deze regeling niet uitgesloten.
Boetestelsels zijn in deze tijd heel gewoon op de Tilburgse fabrieken en werkplaatsen. Zij zijn een bron van onredelijkheid en van grote ergernis onder de arbeiders. Bepaald bont maakt Gimbrère het op zijn fabriek voor paraplu's. Door een klein ruitje, dat gesloten kan worden met een plankje, houdt deze patroon toezicht op de arbeidsdiscipline in het werklokaal:
"Van tijd tot tijd loert mijnheer door dit ruitje en ziet hij nu wat, dan krijgt men boete: voor lachen 2 cts., voor praten 2 cts., omkijken 2 cts., met klompen op de stikmachine trappen (voor de kou) 2 cts., iets te laat komen 5 cts., des avonds na zes uur een behoefte doen 5 cts., een bewijs leveren van zijn doorluchtigheid eveneens 2 cts. De beboeting merkt men eerst 's Zaterdags bij de
uitkering."(31)
Ook over de lonen bij Majoie & Van der Voort (in de sigarennijverheid wordt gewerkt op basis van stukloon) is men niet erg te spreken. Twee maanden na opening van de fabriek hekelt De Sigarenmaker, het vakbondsorgaan van de NISTB, de lage lonen die voor het werken met vormen worden betaald. Bovendien wordt nog vaak
"uitschot" gegeven, het afkeuren van een partij sigaren, wat op het weekloon wordt
gekort.(32) Dit systeem van uitschot geven, draagt in zich het gevaar van willekeur en machtsgelding door de meesterknecht, die op de kwaliteit heeft toe te zien.
Een vorm is een sigarenplank, waarin twintig bosjes, het binnenwerk van de sigaar plus het omblad, in hun vorm worden geperst, waarna de sigaren worden afgesneden en van het dekblad voorzien. Deze werkmethode,
"handvormwerk" of "imitatie handwerk" genoemd, is in de jaren tachtig van de negentiende eeuw ingevoerd. Zij wordt vooral toegepast voor de produktie van de goedkopere sigaren en maakt het mogelijk een hogere produktie te halen. Omdat het werken volgens deze nieuwe techniek minder vakmanschap vereist dan het volledig met de hand maken van een sigaar, zijn de lonen voor dit werk, mede in verband met de verkoopprijs,
lager.(33) Ook op de fabriek van Majoie & Van der Voort kent men daarnaast het volledige handwerk voor de produktie van de duurdere sigaren.
De aanhoudende grieven van de arbeiders over de geringe verdiensten zijn bij gebrek aan gegevens niet te verifiëren. Hun klachten komen erop neer dat zij ten opzichte van hun noordelijke vakbroeders te weinig betaald krijgen en dat zij, omwille van de concurrentie en de portemonnaie van de firmanten hierop ook nog moeten inleveren.

Uit twee delen bestaande sigarentrekplank met stempelindruk 'december 1931 gefabriceerd door L. Bezemer
& Zn. Helmond', afkomstig van de sigarenfabriek van Majoie (coll. auteur, foto Frans van Ameijde).
In de sigarennijverheid komt in velerlei gedaanten huisindustrie voor. Soms heeft een fabrikant uit kostenoverwegingen naast de arbeiders op de fabriek nog thuiswerkers in dienst. Door dit gecombineerde systeem kan hij ook pieken en dalen in de vraag opvangen. Of ook Majoie geregeld van thuiswerk gebruik heeft gemaakt, is niet te zeggen. Wel blijken in het eerste jaar twee thuiswerkers te Bladel voor de firma werkzaam, maar dit is van korte
duur.(34)
Aan de met name in Noord-Brabant veel voorkomende misstand van de gedwongen winkelnering, blijkt ook de firma zich bezondigd te hebben. Voor het doen van hun inkopen kunnen de arbeiders terecht bij Van Eindhoven aan de Parallelweg, Marijnen in de Zomerstraat en bij Morks. Hoewel de firma uit de afspraken met deze winkeliers een geldelijk voordeel toevalt, blijkt uit de berichtgeving hierover niet dat de arbeiders gedwongen zijn hier hun loon te besteden, of zelfs, zoals ook voorkomt, hier hun weekloon uitbetaald
krijgen.(35)
De ontwikkeling van de firma in vogelvlucht
Tilburg telt op het moment dat Majoie en Van der Voort met hun fabriek beginnen reeds verscheidene kleinere en grotere sigarenfabrieken. De oprichting valt in een periode dat zich enige donkere wolken beginnen af te tekenen. In de jaren 1901-1902 zet alom in deze nijverheidstak een periode van slapte in. De twee grootste sigarenfabrieken in Tilburg, die van de Gebrs. Donders en die van Eug. van Roessel, komen in ernstige moeilijkheden. In 1897 hebben beide nog vijftig, respectievelijk dertig arbeiders in dienst. Van Roessel moet nu sluiten en zijn fabriek zelfs ten verkoop aanbieden. Met de firma Donders lijkt het ook niet goed te zijn
afgelopen.(36) Elders, zoals in Goirle, Oisterwijk, 's-Hertogenbosch, Berlicum en Eindhoven, moeten arbeiders worden
ontslagen.(37)
Majoie & Van der Voort gaat het in deze tijd ook niet geheel voor de wind. Er moet op het loon worden bezuinigd. Dat de arbeiders en hun bond(-en) zich niet zomaar hierbij neerleggen, komt in de volgende aflevering ter sprake. Het lijkt tegenstrijdig met deze loonmaatregel dat de firma op 4 november 1901 in Bladel een filiaal opent. Zij profiteert hier echter niet alleen van de lagere lonen die in de Kempen gelden, maar tracht op deze wijze vooral de voortgang van de produktie te garanderen, die door het arbeidsconflict waarin zij verwikkeld is, onder druk is komen te staan.
De fabriek te Bladel is ondergebracht in het gebouw "De Stoom", naar de naam te oordelen een voormalige zuivelfabriek, gelegen aan de Markt, Kom A, nr. 153. Zij wordt beheerd door de meesterknecht Hendrikus Hendrikx (-ks). Er werken, met inbegrip van hem, elf sigarenmakers, allen ouder dan zestien jaar. In 1902 komt er nog een sigarenmaker bij. Hendrikx geniet een grote zelfstandigheid, aangezien hij op zijn naam de aanvraag van de vergunning in het kader van de Hinderwet en de Veiligheidswet
regelt.(38) De arbeiders verdienen 10 à 20 cent beneden het stukloon dat voor hetzelfde werk op de fabriek in Tilburg wordt
betaald.(39)
Hoezeer de oprichting van deze filiaalfabriek verband houdt met het arbeidsconflict in Tilburg, blijkt wel uit de aankondiging eind oktober 1902 dat de fabriek zal worden gesloten. Nadat de meesterknecht nog enige tijd met een paar man doorwerkt, valt begin 1903 definitief het doek. Begin maart vertrekt daarop Hendrikx met zijn gezin naar
Hilvarenbeek.(40)
Wat het inkomen van de firmanten betreft, zij lijden niet onder de tijdelijke terugslag in hun branche. Verdient Edm. van der Voort over 1901 een bedrag van
f 1.000, het gaat hem in Tilburg duidelijk beter dan in Boxmeer: het jaar daarop wordt zijn inkomen al geschat op ¦ 1.500. Godefroid, die dit jaar voor het eerst in het register en het kohier van de hoofdelijke omslag wordt vermeld, staat op ditzelfde
inkomen.(41)
Na 1902 herstelt de bedrijfstak zich van de tijdelijke inzinking en krijgt hij voor de economische ontwikkeling van Tilburg gaandeweg meer betekenis. Tot aan de Eerste Wereldoorlog komen er enkele fabrieken bij en breiden bestaande fabrieken zich uit. Het wordt opmerkelijk genoemd dat de firma Majoie & Van der Voort tijdens de oorlog een der weinige sigarenfabrieken in den lande is, die zonder verkorting van arbeidstijd of vermindering van produktie hebben kunnen doorwerken. Voor Tilburg komt de grootste groei in de jaren twintig, als het aantal fabrieken fors toeneemt. Vooral de sigarenindustrie in het Zuiden profiteert van de toename van de binnenlandse vraag. De depressie brengt vanaf 1931 wel een terugslag, maar de werkloosheid is in het Zuiden minder dan in het Noorden. Voor zover de beschikbare gegevens reiken, vindt tot aan de Tweede Wereldoorlog in Tilburg nog enige uitbreiding van activiteit plaats. Het betreft hier voornamelijk de oprichting van sigarendrogerijen, die mogelijk voor andere fabrieken werken, wat dan toch als een teken van relatieve achteruitgang kan worden
gezien.(42) Na de oorlog lijkt een geleidelijk proces van neergang in te treden.
Ook de firma Majoie & Van der Voort deelt in de opgaande lijn na de inzinking van 1901-1902. Op 8 juni 1903 dienen beide firmanten bij het college van B & W een verzoek in tot het oprichten van een werkplaats, gelegen aan het Wilhelminapark, dienende
"tot het sorteeren, drogen, afplakken, en ter verzending gereed maken van sigaren en sigarenkistjes, met daarbij benoodigde drogerij
(...), in welks locaal, (...) alléén een grote kachel geplaatst wordt." Met het oog op het brandgevaar zijn tegen de deur en tegen de zoldering van de drogerij ijzeren platen aangebracht. De lokalen kunnen goed worden geventileerd en 's avonds branden in elk lokaal twee gaslampen. De drie privaten bevinden zich achter de werkplaats en worden gelucht door middel van een opening die in de deur is gezaagd. Gemiddeld zijn in de arbeidslokalen vier personen werkzaam. Nadat er geen bezwaren zijn ingediend, geeft het college op 22 juli de gevraagde vergunning
af.(43) Ook nu wordt geen nieuw gebouw opgetrokken, maar de werkplaats ondergebracht in het bestaande pand, een groot oud herenhuis, vooraan op het terrein dat door de firma is
aangekocht.(44) Godefroid, die dit huis bewoont, verhuist dan naar de
Goirkestraat.(45)

Samuel M.D. Majoie (geb. 1873), was na het uittreden van
Edmond van der Voort in 1910, met zijn broers Godefroid
en Charles directielid van G & S Majoie's sigarenfabrieken.
(coll. RHC Tilburg).
Met de uitbreiding van de fabriek treedt ook Samuel, de broer van Godefroid Majoie, in de firma, waarmee het familiekapitaal wordt versterkt. Samuel blijkt de man van de externe contacten, welke functie hem als voormalig handelsreiziger op maat lijkt te zijn gesneden. Ook in het maatschappelijk leven is hij zeer actief, terwijl zijn broer Godefroid wat meer op zichzelf gericht
is.(46)
Het grote z-vormige perceel, bestaande uit twee terreinen van ongeveer vijftig meter diep, door een korte doorgang met elkaar verbonden, biedt een goede mogelijkheid voor uitbreiding van de fabriek. Medio 1905 dienen de firmanten een verzoek in tot het bouwen van een nieuwe fabriek, op het achterste terrein van het perceel. Het gebouw is ontworpen door de Tilburgse architect W.F.J.H. Bouma. Voor het einde van het jaar is de bouw gereed. De gevel ligt ongeveer tachtig meter van de rooilijn. Om een toegang tot de nieuwe fabriek te creëren, wordt het oude fabrieksgebouw voor de helft afgebroken. Het krijgt weer de bestemming van
woonhuis.(47)
In De Tabaksplant, het bedrijfsorgaan van de tabakshandel en de sigarennijverheid, laat men zich zeer lovend uit over deze nieuwe fabriek. Met name het centrale-verwarmingssysteem en het moderne ventilatiesysteem, naar Amerikaans model, worden geprezen. Er werken tachtig sigarenmakers, die jaarlijks zo'n zeseneenhalf miljoen sigaren produceren, die naar vele landen worden verstuurd. De werkdag begint om zeven uur 's morgens en eindigt om zeven uur 's avonds, onderbroken door enkele uren pauze die in het aparte schaftlokaal, met wasvoorziening, kunnen worden doorgebracht. Bijzonder noemt de berichtgever voorts de nieuwe verpakkingswijze, de blikken droogtrommel, die de firma als eerste geïntroduceerd heeft:
"De sigaren (500 stuks) worden gelegd op eenen rooster, waaronder een chemisch preparaat is gedeponeerd, dat alle vocht, 't welk de sigaren, hetzij de droogtrommel openstaat of gesloten is, opneemt. De in den trommel opgelegde droge sigaren zijn en blijven droog. (...)
De sigaren gaan niet los erin, maar in de oorspronkelijke verpakking, zoodat van geur en aroma niets verloren gaat."
Lof is er ook voor het luxe assortiment sigaren, die onder welluidende namen als La Ginelli, La Gloire du Brabant septentrional, Benjamin Franklin en Le Bouquet Royal worden aangeboden. Met name de dessert-sigaar, de Flor de Lopez, wordt om zijn verfijnde smaak geprezen. De standaard-kwaliteit mag er ook zijn: de Aristocrate van 2½ ct., de Unita en de Brabantia flower van 3 ct., de Union van 4 ct. en zeker niet te vergeten de duurdere La Sabrosa en Friedrich der Grosse, uitmuntende
dessert-sigaren.(48) Op het gebruik van dergelijke fabrieks- en handelsmerken rust octrooi volgens de wet van 1893 en de gewijzigde wet van 1904, de Merkenwet. Zij worden ingeschreven bij het Bureau voor den industrieelen eigendom, later de Octrooiraad te Rijswijk. De inschrijving wordt gepubliceerd in de Bijlage bij de Nederlandse
Staatscourant.(49)
In 1913 vindt op het naast de fabriek gelegen perceel een forse uitbreiding plaats met een fabriekshal van ongeveer zeventig meter lengte, gelegen eenenvijftig meter vanaf de straat en ontworpen door architect C.J. van Meerendonk. Tevens wordt het achterste deel, bestemd als tabaksmagazijn, met twee verdiepingen verhoogd. Hiermee bereikt de fabriek haar grootste omvang, behoudens de latere aanbouw van twee houten opslagloodsen. Er blijken dan drieënnegentig mannen en negentien vrouwen in
dienst.(50) In december 1934 wordt de fabriek getroffen door een grote uitslaande brand die in het ketelhuis is begonnen. Uit het bericht hierover blijkt dat het zwaartepunt in de produktie inmiddels is verlegd naar het filiaal te Reusel. Hier werken ongeveer 200 personen, terwijl in Tilburg nog slechts zo'n zeventig personen werkzaam
zijn.(51)
In 1910 gaan de broers Majoie en Van der Voort uiteen. Op 1 juni richt de advocaat van Majoie een brief aan Van der Voort, waarin hij hem ter kennis brengt dat de beide broers, om redenen hem bekend, verlangen dat de
vennootschap tussen hen wordt ontbonden. Mocht Van der Voort daaraan spoedig zijn medewerking verlenen, dan kon de uittreding van hem in der minne geregeld worden. Zo niet, dan zien beide broers zich genoodzaakt om tot rechtsmaatregelen over te gaan en het faillissement van Van der Voort aan te vragen.
Hiermee halen Godefroid en Samuel resoluut een streep door de eigenmachtige plannen van Edmond van der Voort om, gebruikmakend van zijn gelijke rechtsmacht en zijn financieel aandeel in de firma, de fabriek te Tilburg te doen opgaan in een naamloze
vennootschap met de sigarenfabriek Kerstens-Mertens in Antwerpen. Hierover lijkt Van der Voort al vergaande onderhandelingen te hebben gevoerd. Er ligt een uitgewerkt concept op tafel. De algemene directie van de nieuwe onderneming komt in handen van Van der Voort en Charles Kerstens, een zwager van de eigenaresse van de Antwerpse fabriek. De eens gelijkwaardige positie van Godefroid en Samuel Majoie wordt 'gedegradeerd' tot die van beheerder-reiziger van de Tilburgse fabriek. Qua inkomen gaan zij er ten opzichte van Edm. van der Voort op achteruit. De overige betrokkenen, notaris De Wilde uit Bergerhout, mevrouw Mertens en Charles van der Voort, industrieel woonachtig in Brussel, bekleden de functie van beheerder-reiziger in de Antwerpse fabriek. Gezamenlijk vormen alle genoemden de beheerraad, onder voorzitterschap van
Kerstens.(52)
Het conflict dat hierachter schuilt, blijft verborgen. Het lijkt erop dat Van der Voort zijn positie bedreigd voelt door het steeds grotere aandeel van het familiekapitaal van Majoie in de onderneming. Dat een 'strijd om de macht' bij gelijke zeggingsmacht een reëel risico inhoudt, dat het voortbestaan van de onderneming op spel zet, daarvan is Godefroid zich terdege bewust geworden. In een latere brief aan zijn zuster schrijft hij, helaas maar al te goed te hebben ondervonden, welk gevaar erin schuilt als drie man aan het hoofd van één onderneming
staan.(53) Deze opmerking kan terugslaan op de 'affaire-Van der Voort', maar ook betrekking hebben op de onenigheid met zijn broers Samuel en Charles in het begin van de jaren twintig. Hierop kom ik nog terug.
Edmond van der Voort verliest het 'hoge spel' en besluit, noodgedwongen, heen te gaan. Nu deze affaire voor hem, vermoedelijk ook financieel, niet goed is afgelopen, verhuist hij naar de Lange Nieuwstraat. Waarschijnlijk omdat hij in Tilburg zijn kansen verkeken ziet, vertrekt hij op 13 april 1911 met zijn gezin naar Antwerpen. Wellicht zal hij daar emplooi hebben gevonden op de fabriek Kerstens-Mertens. Maar deze rusteloze man lijkt ook in Antwerpen niet de vervulling van zijn aspiraties te vinden. Hij keert 28 september 1914 als sigarenhandelaar uit Antwerpen terug en gaat wonen in de Besterdstraat. Na het overlijden van zijn vrouw, 12 februari 1915, verhuist hij naar de Willem II-straat. Ook daar lijkt hij niet te kunnen aarden; hij verhuist vervolgens naar de
Markt.(54) Daarna verdwijnt hij uit beeld.
Na het uittreden van Edmond van der Voort zetten Godefroid en Samuel het bedrijf op dezelfde voet voort onder de naam G. & S. Majoie. De firma ontwikkelt zich tot een typisch familiebedrijf. Meer en meer stroomt het familiekapitaal naar de onderneming, doordat ook de drie andere broers in de directie worden opgenomen. In 1912 treedt Charles toe, in 1919 gevolgd door Joseph en in 1924 door Henri. De familiale afhankelijkheid wordt nog versterkt door verscheidene geldleningen, ondermeer van de kant van de aangetrouwde familie. Ook de zonen van Godefroid en Samuel, respectievelijk René (geboren 1908) en Jules (geboren 1905), komen in het bedrijf. In 1917 wordt de firma omgezet in een naamloze venootschap, G. & S. Majoie's
Sigarenfabrieken.(55) Evenals bij veel bedrijven heeft waarschijnlijk een fiscaal motief hierbij een rol gespeeld. Volgens de wet op de dividend- en tantièmebelasting van 1917 is alleen de uitgekeerde winst van een n.v. belastbaar, namelijk via de inkomstenbelasting, en is de binnen de n.v ingehouden winst niet
belast.(56) In 1929 wordt de naam gewijzigd in N.V. Gulden Vlies Sigarenfabrieken v.h. G. & S.
Majoie.(57) De merknaam "Gulden Vlies" blijkt al eerder
ingevoerd.(58)
De onderneming breidt zich gestaag uit. Er worden in de loop der jaren verscheidene filiaalfabrieken opgericht: Lage Mierde (1912), Reusel (1913, gesloten in 1946), Hoge Mierde (1914), Eindhoven (1921, gesloten in 1927) en Hilvarenbeek (1946, gesloten in 1958). Deze filialen leveren geen afgewerkte eindprodukten; het drogen, sorteren, verpakken en verzenden geschiedt op de fabriek in Tilburg. Daarnaast gaat men zich ook toeleggen op de fabricage van sigaretten. In 1918 wordt in Maastricht een sigarettenfabriek overgenomen en voortgezet onder de naam N.V. Nederlandsche Sigaretten- & Tabaksfabriek v.h. V. Balma, met Joseph als directeur. Zij verkeert in 1924 in liquidatie. Onder leiding van Joseph en Henri wordt de onderneming gereorganiseerd en op nieuwe leest voortgezet als N.V. Diadema Sigarenfabrieken. In 1924 opent Henri in Aken de sigarettenfabriek Luxor. Diadema wordt dan alleen geleid door Joseph.
Niet alleen horizontaal, maar ook verticaal breidt de onderneming in Tilburg haar markt uit, van de tabakshandel tot de winkelverkoop. In 1917 wordt opgericht de N.V. Tabakshandel Gesma. Hierin participeren Charles Majoie en Franciscus Swagemakers, wollenstoffenfabrikant te Tilburg. Hiermee nemen zij de al door Godefroid gedreven tabakshandel over. Erg fortuinlijk blijkt deze tak van de onderneming niet; hij verkeert in 1924 in liquidatie. Voorts wordt in 1917 gestart met de N.V. Maatschappij tot Exploitatie van Sigarenmagazijnen Fraterno, met Godefroid als directeur. Zij heeft winkels in Tilburg (sigarenmagazijn
"Cuba" op de Heuvel) en Venlo (Weduwe Simons). Deze worden in 1946 gesloten. In 1959 volgt de opheffing van Gesma.
De bevoegdheden en beslissingsmacht binnen dit familiebedrijf alsook de onderlinge verhouding tussen de verschillende takken van de onderneming blijken niet goed geregeld. Aan het begin van de jaren twintig vormen zij een bron van financiële moeilijkheden en een competentiestrijd tussen Godefroid, Samuel en Charles, die allen een gelijk aandeel in de onderneming hebben. Door de Nationale Bankvereniging uit Utrecht, die een geldlening aan de firma heeft verstrekt, wordt aangedrongen op betere afspraken. Dit resulteert in een onderlinge overeenkomst, opgemaakt 11 december 1923. Charles treedt uit de Tilburgse directie, maar blijft wel directeur van Diadema, Samuel richt zich op de verkoop en Godefroid is verantwoordelijk voor de inkoop en de fabricage. Al eerder is op 10 februari 1922 een akkoord gesloten tussen de drie broers en de bank. Volgens deze regeling blijft Godefroid belast met de dagelijkse leiding in Tilburg en de directie van Fraterno, echter met dien verstande dat financiële transacties de goedkeuring behoeven van de overige partijen. Wel treedt hij af als directeur van Gesma en als commissaris van
Diadema.
Tien jaar nadien zijn er opnieuw spanningen binnen de leiding van de onderneming. Het vóórkomen van dergelijke moeilijkheden is eigen aan de toenmalige opzet van familiebedrijven. Zij doen zich ook voor binnen andere Tilburgse ondernemingen.

Vrachtauto van de N.V. Gulden Vlies Sigarenfabrieken voorheen G & S Majoie aan het
Wilhelminapark, midden jaren vijftig. (coll. RHC Tilburg).
Als Samuel in 1933 uit de onderneming gaat, worden zijn zoon Jules en René, zoon van Godefroid, benoemd tot directeur. Godefroid blijft aan tot zijn overlijden in maart 1950. De leiding van de onderneming berust dan geheel bij de tweede generatie. Het einde van het zelfstandige bedrijf komt in zicht. René Majoie treedt uit in september 1958. Kort daarna valt de deur definitief in het slot: de produktie wordt stopgezet en de firma overgenomen door N.V. Alto Sigarenfabrieken te Turnhout, opgericht in 1946 door Frans Antoon baron van den Bergh. De slopers beginnen hun werk. Het zaakadres blijft in Tilburg gevestigd. Tot augustus 1961 is Jules Majoie als directeur nog werkzaam op het kantoor, dat dan in de Diepenstraat is gevestigd. Het is niet met zekerheid te zeggen of dit gezien moet worden als een overgangsregel, dan wel dat Jules Majoie het bedrijf als handelsfirma heeft willen voortzetten. Hij wordt in elk geval als directeur opgevolgd door Van den Bergh. Of de overname door Alto dan pas een feit is, is uit de beschikbare gegevens niet op te maken. In 1973 verdwijnt de naam Majoie uit de boeken en wordt de n.v in een besloten vennootschap omgezet, onder de naam Gulden Vlies Tabaksonderneming B.V., statutair gevestigd in Tilburg. Hiermee sluit het handelsdossier van de firma G. & S. Majoie's
Sigarenfabrieken.(59)
Noten
Afkortingen:
GABL: Gemeentearchief Bladel
GABO: Gemeentearchief Boxmeer
GAT: Gemeentearchief Tilburg
IISG: Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam
RANB: Rijksarchief Noord-Brabant
SABN: Streekarchiefdienst Brabant-Noordoost
SAEK: Streekarchief regio Eindhoven-Kempenland
(1) T. Thelen, 'Sigarennijverheid in Tilburg', in: Tilburg, jrg. 3 (1985), nr. 3, 9-16; GAT, Overzicht van de aanvragen in het kader van de Hinderwet; F. van Puijenbroek,
Beginnen in Eindhoven (Eindhoven 1985), 113-123.
(2) GAT, Bevolkingsregister 1880-1890.
(3) GAT, Genealogisch dossier Majoie; Archief van de sigarenfabriek Gulden Vlies te Tilburg, Gedenkboek t.g.v. het 25-jarig bestaan van G & S Majoie's Sigarenfabrieken. Dit zogenoemde fabrieksarchief bestaat uit een overdracht van verspreide stukken afkomstig van R. Majoie
(Goirle).
(4) GAT, t.a.p.; Bevolkingsregister 1880-1900.
(5) GAT, Bevolkingsregister 1880-1890; Archief van de gemeentesecretarie 1810-1937 (AGS), Kohieren van de personele sinds 1853 genaamd hoofdelijke omslag, inv. nr. 2632, M 1525 en inv. nr. 2634, M 623.
(6) GAT, Bevolkingsregister 1890-1900.
(7) GAT, Archief sigarenfabriek, Gedenkboek; Coll. R. Majoie (Goirle), kasboekje van G. Majoie. Dit boekje blijkt niet in het fabrieksarchief aanwezig. Over de sigarenfabriek Pieter J. Schröder: F. van Puijenbroek, a.w., 130-131.
(8) GAT, Bevolkingsregister 1900-1910.
(9) SABN, Rayon Cuijk, GABO, Bevolkingsregister 1860-1910; Overlijdensregister 1853-1882; Graafsche Courant, 13 maart 1852 (knipselkrant).
(10) GAT, Bevolkingsregister 1900-1910.
(11) GAT, t.a.p.; AGS, Kohieren hoofdelijke omslag, inv. nr. 2632, K 167, inv. nr. 2634, M 29 en inv. nr. 2636, K 801.
(12) SABN, Rayon Cuijk, GAB0, Bijlagen bij de gemeenterekeningen, hoofdelijke omslag 1894-1900.
(13) SABN, Rayon Cuijk, GABO, Gemeenteverslag 1895-1900; P. Schoonhoven, 'De sigarenindustrie te Boxmeer', in:
Merlet, jrg. 15 (1979), nr. 1-2, 29-33.
(14) Boxmeers Weekblad, 9 februari 1895 (GABO, knipselkrant). Zie ook: H. Douma, 'Rooie rakkers te Boxmeer in 1895', in:
Merlet, jrg. 9 (1973), mei, 54-55. De auteur geeft een nogal tijdsbepaald beeld.
(15) Boxmeers Weekblad, 16 maart 1895.
(16) Boxmeers Weekblad, 23 maart 1895.
(17) Echo, 15 juni 1895 (GABO, knipselkrant).
(18) Graafsche Courant, 16 maart 1895.
(19) Boxmeers Weekblad, 25 mei, 15 juni, 6 juli 1895.
(20) Echo, 10 augustus 1895.
(21) Archief NKV Tilburg, Jaarverslag en adresboekje 1909.
(22) F.F.J.M. Geraedts, 'De Hinderwetbescheiden 1811-1952', in: Bronnencommentaren IX ('s-Gravenhage 1988). Uitvoerig over de Veiligheidswet is de nog steeds bruikbare studie van G.F.E. Kiers,
Recht en wet voor den technicus (Amsterdam 1924), 140-148.
(23) GAT, AGS, Ingekomen stukken inzake het verlenen van hinderwetvergunning, inv. nr. 1318, nr. 804; AGS, Register inhoudende opgave van de afgegeven vergunningen inzake de Hinderwet, inv. nr. 1330, nr. 804;
Tilburgsche Courant, 6 september 1900; Nieuwe Tilburgsche Courant, 6 september, 23 oktober 1900.
(24) GAT, AGS, Hinderwet, inv. nr. 1318, nr. 804; AGS, Kohieren hoofdelijke omslag, inv. nr. 2630, K 871 en inv. nr. 2634, K 871.
(25) De Sigarenmaker, 7 december 1901 (IISG).
(26) De Tabaksplant, Nederlandsch Orgaan gewijd aan de belangen van Tabakshandel &
Tabaksteelt, 12 februari 1907.
(27) K.E. Sluyterman, Ondernemen in sigaren (Tilburg 1983), 48, 129-130.
(28) GAT, AGS, Stukken betreffende arbeidsaangelegenheden en naleving van de Arbeidswet 1881-1907.
(29) De Sigarenmaker, 10 november 1900, 23 februari 1901; Nieuwe Tilburgsche
Courant, 26 oktober 1901.
(30) De Sigarenmaker, 10 november 1900. Gemeld in oktober.
(31) De Fakkel, 8 maart 1902 (IISG).
(32) Zie noot 30.
(33) Sluyterman, a.w., 41-42, 66.
(34) De Katholieke Tabaksbewerker, november 1901 (IISG). Over thuisarbeid: Sluyterman, a.w., 135-139.
(35) De Fakkel, 8 februari 1902. Over gedwongen winkelnering: Sluyterman, a.w., 133-135.
(36) Thelen, t.a.p.
(37) Talloos zijn de berichten in de vakbladen. Zie ondermeer: De Katholieke
Tabaksbewerker, november 1901, januari-juni 1902.
(38) SAEK, GABL, Gemeenteverslag Bladel 1901-1902 (benevens ingelegd blad); Vervallen hinderwetvergunningen 1897-1911; Correspondentie B & W 1899-1905, nr. 402, 4 februari 1902; Bevolkingsregister 1903;
Meierijsche Courant, 2 november 1902 (SAEK).
(39) De Sigarenmaker, 9 november 1901.
(40) SAEK, GABL, Bevolkingsregister 1903.
(41) GAT, AGS, Register van ontvangst van de hoofdelijke omslag, inv. nr. 390, nr. 1160, inv. nr. 391, nr. 768 en 783; AGS, Kohieren personele belasting, inv. nr. 2632, K 167 en inv. nr. 2634, K 167 en M 623.
(42) Sluyterman, a.w., 17-27; GAT, AGS, Overzicht van de aanvragen in het kader van de Hinderwet; Archief sigarenfabriek, G.A.A. Just de la Paisières,
Industrieel Nederland, deel I, Haarlem 1921 (overdruk).
(43) GAT, AGS, Hinderwet, inv. nr. 1321, nr. 961 en inv. nr. 1331, band 5, nr. 961.
(44) GAT, Archief sigarenfabriek, Gedenkboek.
(45) GAT, Adresboeken 1903 en 1911. De tussenliggende jaren ontbreken.
(46) GAT, Archief sigarenfabriek, Gedenkboek; Genealogisch dossier
Majoie.
(47) GAT, Dienst Bouw- en Woningtoezicht, Sloopdossier Wilhelminapark 69-70. Hierin bevinden zich de stukken betreffende de nieuwbouw.
(48) De Tabaksplant, 12 februari 1907 (Grafische Industrie Verschoor,
Culemborg).
(49) Informatie verstrekt door J.E. Romkes, Goirle.
(50) GAT, AGS, Hinderwet 1913, 076; Dienst Bouw- en Woningtoezicht, Sloopdossier Wilhelminapark 69-70; Archief sigarenfabriek, Gedenkboek en Just de la
Paisières.
(51) Informatie verstrekt door J.E. Romkes, Goirle.
(52) GAT, Archief sigarenfabriek, map Fusie, Brief van Pels en Reigersman (concept nieuwe venootschap bijgevoegd).
(53) Sluyterman, a.w., 209.
(54) GAT, Bevolkingsregister 1910-1920.
(55) GAT, Archief sigarenfabriek, Gedenkboek en Just de la Paisières; RANB, Archief Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Tilburg en omstreken (AKvK Tilburg), inv. nr. 922.
(56) Sluyterman, a.w., 214-215.
(57) RANB, AKvK Tilburg, inv. nr. 922.
(58) GAT, Archief sigarenfabriek, Gedenkboek.
(59) GAT, Archief sigarenfabriek, map N.V. Gesma, map N.V. Balma/N.V. Diadema; Dienst Bouw- en Woningtoezicht, Sloopdossier Wilhelminapark 69-70; RANB, AKvK Tilburg, inv. nr. 922. Aanvullende informatie verstrekt door J.E. Romkes, Goirle.
* Dr. Ton Thelen (1948) publiceerde eerder over de Tilburgse sigarennijverheid in 'Tilburg' (1985). In 1990 promoveerde hij op een dissertatie over Lambert Poell en de katholieke sociale beweging. Thans is hij redactiesecretaris van de derde reeks 'Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland'.




