| 356. Ondernemen in de 19e eeuw | |||
|
Titel: |
Ondernemen in de 19e eeuw |
|
Ondertitel: |
De wollenstoffenfabriek Van Dooren & Dams en haar ondernemers |
|
Auteur: |
Eric Berkers en Carla Wijnen * |
|
Jaargang: |
VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
4 |
|
Pagina’ s: |
100-106 |
De firma Van Dooren & Dams was een van de oudste en grootste wollenstoffenfabrieken in Tilburg. De directeuren werden vanaf de oprichting in 1783 tot ver in de twintigste eeuw gerecruteerd uit het nageslacht van de oprichter, Martinus van Dooren. In onderstaand artikel zal het beleid van de opeenvolgende directeuren van Van Dooren & Dams vanaf 1783 tot aan de eerste wereldoorlog besproken worden.
De firma Van Dooren & Dams werd op het einde van de 18e eeuw opgericht, in een tijd dat de Tilburgse "reyers" zich meer en meer losmaakten van de Hollandse lakenhandelaren. Hiervóór werkte men in de Tilburgse wollenstoffenindustrie in commissie voor de Hollandse (voornamelijk Leidse) textielfabrikanten.
Laatstgenoemden leverden de ruwe wol aan de "reyers", die deze lieten spinnen en weven door Tilburgse thuiswerkers, waarna de weefsels naar Leiden of Amsterdam gingen voor verdere afwerking en verkoop. De Tilburgse "reyers" ontwikkelden zich langzamerhand tot zelfstandige ondernemers die loonarbeiders in dienst namen en die zelf het gehele produktieproces, van de inkoop van de ruwe wol tot en met de verkoop van de wollen stoffen, organiseerden. Wat de loonarbeiders betreft, konden de Tilburgse textielfabrikanten putten uit een groot arbeidspotentieel. De grote bevolkingsgroei vormde in combinatie met een gebrek aan bestaansmogelijkheden in de landbouw een ruime arbeidsmarkt voor de wolnijverheid.
Martinus
Onder deze omstandigheden richtte Martinus van Dooren (1756-1811) op 27-jarige leeftijd zijn fabriek op. De basis van de firma Van Dooren & Dams werd gelegd met het huwelijk tussen Martinus van Dooren en Adriana Dams (1757-1833) op 19 mei 1783. Dit huwelijk deed de "compagnieschap" tussen Martinus van Dooren en Gerardus Dams (1763-1817), zijn zwager, ontstaan. Tegelijkertijd betekende deze echtverbintenis dat het beginkapitaal voor de firma gefourneerd werd door de weduwe Dams (Gerarda Hensen, 1728-1811), schoonmoeder respectievelijk moeder van beide firmanten. De firma heeft de eerste jaren onder de naam M.C. van Dooren & Co. geopereerd. Dit in verband met de minderjarigheid van Gerardus, die in 1783 immers nog maar 20 jaar oud was. Toch kan dit niet de enige reden geweest zijn, aangezien deze naam nog tot 1790 wordt gebruikt. Volgens De Wijs zijn pas in 1793 de eerste schriftelijke bewijzen van de naam Van Dooren & Dams te vinden.
Martinus van Dooren (1756-1811). (Coll. RHC
Tilburg).
De positie van de weduwe Dams ten opzichte van de beide firmanten is niet geheel duidelijk. In de literatuur wordt zij enerzijds aangeduid als "stille vennoot" maar anderzijds noemt De Wijs haar ook degene die "met vaste hand mede leiding aan de zaak heeft gegeven". Martinus van Dooren is in ieder geval degene geweest die de "hoofdrol" speelde in de beginjaren van de firma. Allerlei akten, leningen en andere financiële documenten werden op zijn naam afgesloten. Gerardus Dams zal meer een "stille vennoot" geweest zijn. Waarschijnlijk was het bedrijf aanvankelijk ondergebracht ten huize van de weduwe Dams, op het Goirke. Pas vanaf 1800 staat vast dat het bedrijf was ondergebracht aan de Nieuwendijk (tegenover de fabriek van Pieter Vreede). Omtrent de daadwerkelijke bedrijfsvoering in de eerste jaren van het bestaan van Van Dooren & Dams zijn weinig feiten bekend. In 1809 was het bedrijf het eerste in Tilburg dat twee mechanische strijkgaren-spinassortimenten liet installeren. Het geheel werd aangedreven door een paardenmanege of rosmolen en was afkomstig uit de fabriek van W. Cockerill te Verviers. Verder namen de beide firmanten deel in een vennootschap, hoofdzakelijk gevormd door lakenfabrikanten, die tot doel had het stichten en exploiteren van een windvolmolen aan de Hoeven. Deze windvolmolen heeft gewerkt van 1799 tot 1817. Ook moet Van Dooren & Dams vanaf het begin van de 19e eeuw al over een eigen ververij aan de Ley (te Broekhoven) hebben beschikt, getuige verfboeken van het bedrijf uit deze tijd. Van Dooren & Dams produceerde voornamelijk militaire lakens, en de kwaliteit van dit produkt was in ieder geval zodanig dat de firma in de prijzen viel op de nijverheidstentoonstellingen in Utrecht (1808) en Amsterdam (1809).
Acte van het huwelijk tussen Martinus van Dooren en Adriana Dams op 19 mei 1783.
(Coll. RHC Tilburg).
Met betrekking tot de financiering van het bedrijf valt op dat Martinus er niet voor terugschrok (in tegenstelling tot de meesten van zijn collega-fabrikanten) om particuliere leningen aan te gaan én om gebruik te maken van bankkrediet. De firma Van Dooren & Dams had vanaf het begin van haar bestaan connecties met het bankiershuis Van Lanschot, gevestigd te 's-Hertogenbosch. De bankier verrichtte betalingen voor de firma, incasseerde vorderingen bij de schuldenaars van Van Dooren & Dams en gaf krediet in de vorm van voorschotten. Deze voorschotten had de firma nodig om de lonen uit te betalen en grondstoffen in te kopen.
De ondernemer Martinus was een innovatief man, die ervoor gezorgd heeft dat Van Dooren & Dams in het begin van de 19e eeuw een pioniersrol vervulde in de Tilburgse wollenstoffenindustrie. Martinus greep elke mogelijkheid aan om het beste voor de fabriek (en dus voor zijn inkomen!) te bewerkstelligen. Tekenend voor de belangrijke maatschappelijke positie die de textielfabrikanten in het algemeen, en Martinus van Dooren in het bijzonder, in het begin van de 19e eeuw innamen, is het feit dat Martinus in 1809 koning Lodewijk Napoleon in zijn woonhuis "het Kasteeltje" ontving. Op 4 mei 1809 zou de koning Martinus zelfs tot eerste burgemeester van de stad Tilburg benoemen. Gerardus Dams heeft ook hoge bestuurlijke functies bekleed. Hij was waarnemend burgemeester (1811), plaatsvervangend vrederechter (1812-1817) en schepen (1810). Vanwege drukke werkzaamheden in zijn fabriek heeft Martinus bedankt voor de functie van armmeester (1802) en voor de functie van gecommitteerde van Tilburg (1803).
Brief van het Ministerie van Binnenlandsche Zaken aan Van Dooren & Dams
d.d. 19 september 1809. De brief
heeft betrekking op de ereprijs die de firma kreeg voor haar inzending naar de nationale tentoonstelling voor
volksvlijt in Utrecht 1808. (Coll. RHC Tilburg).
Laatstgenoemde positie werd aan Gerardus Dams toegewezen, die blijkbaar geen drukke werkzaamheden in zijn fabriek had!
Als in 1811 Martinus overlijdt, wordt het bedrijf voortgezet door Gerardus Dams, bijgestaan door de twee oudste zonen van Martinus, Pieter (1784-1845) en Ludovicus (1785-1821). In 1812 wordt de firma aangeduid met de naam P. en L. van Dooren, G. Dams. Vijf jaar later sterft Gerardus, en aangezien hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, verdwijnt hiermee de familie Dams voorgoed uit het bedrijf. De gebroeders Van Dooren zetten de zaak alleen voort, al dan niet onder de supervisie van hun moeder, de weduwe Van Dooren. Het financiële aandeel van Gerardus Dams in de firma werd er na zijn overlijden niet meteen uitgehaald. De schuld die de familie Van Dooren bij de twee dochters van Gerardus had uitstaan werd pas in 1834 afgelost, zodat het bedrijf geen plotselinge financiële aderlating onderging in 1817. Onder leiding van Pieter en Ludovicus deed Van Dooren & Dams in 1820 mee aan de nijverheidstentoonstelling van Gent, waar ze wederom in de prijzen viel (zie visitekaartje). Ze was inmiddels de op één na grootste producent van legerlakens in heel Brabant, na Diepen, Jellinghaus & Co. In 1812 had Van Dooren & Dams meer arbeiders in de fabriek dan daarbuiten, wat in het begin van de 19e eeuw uniek was voor Tilburg. Verder was het gehele produktieproces van het wassen van de wol tot en met de appretuur van de stoffen in eigen beheer, blijkens een loonstaat van 1814.
Adreskaartje waarop de firma de medailles van de nijverheidstentoonstellingen in 1809 en 1820
afbeeldde. (Coll. RHC Tilburg).
In 1825 verlaat Pieter de firma om zijn eigen bedrijf op te richten: de wolspinnerij Pieter van Dooren. De reden waarom hij niet in het familiebedrijf Van Dooren & Dams bleef, is niet bekend. Misschien was er sprake van een opsplitsing van het produktieproces, waarbij de firma Pieter van Dooren het
spingedeelte van Van Dooren & Dams overnam, zodat
laatstgenoemde zich volledig op het weven en de appretuur kon werpen. Het feit dat Van Dooren & Dams vanaf 1827 op contractbasis 4½ spinassortiment bij Pieter van Dooren voor zich liet werken en ook haar lakens liet vollen in de stoomvollerij van Pieter van Dooren lijkt deze verklaring te staven. Maar ook is het mogelijk dat Pieter meer vooruitstrevende ideeën had met betrekking tot de invoering van stoomkracht. Zijn fabriek was per slot van rekening de eerste in Tilburg die een stoommachine aanschafte in 1827. Ook kan het zijn dat onenigheid binnen zijn familie, Pieter heeft doen besluiten de firma Van Dooren & Dams te verlaten en zelf een bedrijf te beginnen.
Henricus
Rond 1825 - het precieze tijdstip is niet bekend - komt Henricus (1794-1875), de derde zoon van Martinus, alleen aan het hoofd van de firma te staan. Ludovicus was in 1821 overleden en Pieter was, zoals we zagen, zijn eigen bedrijf begonnen. De Tilburgse wollenstoffenindustrie zat op dat moment in de lift. De grote fabrieken konden profiteren van de toegenomen vraag van de kant van het leger en de in 1824 opgerichte Nederlandsche Handel-Maatschappij. De kleinere ondernemingen daarentegen kregen steeds meer grip op de binnenlandse markt. Dit leidde ertoe dat er in geheel Tilburg meer wollen stoffen werden geproduceerd dan ooit tevoren. De welvarende jaren 1810-1813 werden wat de produktie-aantallen betreft ruimschoots voorbijgestreefd. Van Dooren & Dams zou echter van deze opleving in de Tilburgse wollenstoffenindustrie niet optimaal meeprofiteren, zo blijkt uit gegevens van de lakenhal in Tilburg.
Om de kwaliteit alsmede de inlandse herkomst van het geproduceerde te waarborgen, was in 1820 in Tilburg de lakenhal opgericht. Deze lakenhal moest stoffen die voor het leger en de export bestemd waren, controleren en, indien goedgekeurd, van een etiket voorzien. Uit de bewaard gebleven gegevens van dit instituut is het mogelijk om bij benadering de produktie-aantallen bij Van Dooren & Dams te berekenen. Duidelijk wordt dan, dat de firma op het einde van de jaren twintig relatief weinig voor het leger en de export geproduceerd moet hebben. Hoe valt nu te verklaren dat Van Dooren & Dams in deze periode niet in de pas liep met de andere grote Tilburgse wollenstoffenfabrieken? Het is niet mogelijk hierover iets met zekerheid te zeggen, maar een feit is wel dat Henricus van Dooren er niet de man naar was om voorop te lopen met het doorvoeren van veranderingen in de bedrijfsvoering. In tegenstelling tot zijn vader en zijn broer Pieter kan Henricus niet bepaald als een innovatief ondernemer gekenschetst worden.
Henri van Dooren (1794-1875). (Coll. RHC
Tilburg).
Vanaf het midden van de jaren dertig tot aan de eerste wereldoorlog was de overheid veruit de grootste en soms zelfs enige afnemer van de firma. Indien bestellingen van die kant dan ook uitbleven, zoals in het begin van de jaren veertig en zestig, had dat bijna catastrofale gevolgen voor de onderneming. Henricus lijkt in slechtere tijden eerder zijn produktieniveau te hebben verlaagd en te hebben gewacht op betere tijden, dan naar nieuwe afzetmarkten te hebben gezocht. Hierbij dient ook opgemerkt te worden dat het ontbreken van een constante grote vraag de aanschaf van een stoommachine niet zal hebben bespoedigd. Afgezien van het feit dat dit een grote investering in het produktie-apparaat was, welke dus ook tot grotere opbrengsten moest leiden, betekende het eveneens dat de produktiecapaciteit niet meer zo flexibel aangepast kon worden. Arbeiders kon men naar huis sturen, de stoommachine niet!
De voortrekkersrol die Van Dooren & Dams aan het begin van de negentiende eeuw vervulde in de wollenstoffenindustrie is ze in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw kwijtgeraakt. De fabriek en de machines waren rond 1830 verre van modern en ondanks dat Van Dooren & Dams een van de grotere wollenstoffenfabrieken was, zou ze relatief laat op stoom overgaan. Pas in 1850 wordt er door Henricus van Dooren een vergunning tot plaatsing van een stoommachine aangevraagd, die op 14 september van datzelfde jaar werd verleend. Hiermee was ze later dan bijvoorbeeld de firma's Pollet en Zn., P. en H. Vreede en J.N. Diepen en Co.
Kan men hem, achteraf gezien, ongelijk geven inzake zijn voorzichtige, niet bepaald innovatieve bedrijfspolitiek? Voor de periode waarvan de bedrijfsresultaten bekend zijn, namelijk van 1860 tot 1872, wist hij een acceptabele gemiddelde winst te bereiken en zijn vermogen zelfs ruim te verdubbelen. Daarbij komt dat hij, na maar liefst een halve eeuw directeur te zijn geweest, de onderneming na zijn dood zeker niet in een deplorabele toestand aan zijn zoon Adolf (1844-1895) overdeed. Hij mag dan misschien niet de ondernemerskwaliteiten hebben bezeten die anderen uit het geslacht Van Dooren wel hadden, maar vijftig jaar met succes "op de winkel passen" mag men toch ook een verdienste noemen. De belangen van de Tilburgse (wollenstoffen-)industrie heeft hij trouwens nooit uit het oog verloren, getuige zijn lidmaatschap van de Kamer van Koophandel te Tilburg van 1842 (oprichting) tot 1870.
De fabriek van de firma Van Dooren & Dams op Korvel omstreeks 1915. (Coll. RHC Tilburg).
In 1872 werd het bedrijf overgeplaatst van de Nieuwendijk naar Korvel, waar men de fabriek van J.N. Diepen en Co. aan het Korvelplein kocht voor
f 180.000 (f 30.000 voor de fabriek en f 150.000 voor de inventaris en de machinerieën.) Ter financiering van deze overname werd door Henricus een lening bij de Nederlandsche Bank afgesloten. De rest van het bedrag werd betaald uit opgebouwde (winst)reserves. Dat de firma in deze periode niet krap bij kas zat, moge blijken uit het feit dat men, met uitzondering van de bovengenoemde, geen leningen aanging. Op wat familiedeposito's na stond het gehele vermogen op naam van Henricus, die overigens zelf wel geld uitleende. Zo ontving bijvoorbeeld zijn zoon Jules in 1863 een "kapitaalvoorschot" van
f 15.000 voor de oprichting van een machinale linnenweverij te Boxtel. Ook gaf Van Dooren & Dams in deze periode meer krediet aan haar afnemers dan ze zelf genoot van haar leveranciers.
De bemoeienis die Henricus' zoon Adolf had met de aanschaf van de nieuwe fabriek, wekt het vermoeden dat Adolf op het einde van zijn vaders leven al behoorlijk wat in de melk te brokken had met betrekking tot de bedrijfsvoering. Aangezien vanaf Adolfs directeurschap in 1875 grote delen van de boekhouding van de firma bewaard zijn gebleven, is het mogelijk om vanaf die tijd meer te weten te komen over het bedrijfsbeleid van de ondernemers. Aspecten als inkooppolitiek, arbeidersaantallen en omzet zijn dan te onderzoeken.
Adolf
Toen Adolf van Dooren zijn vader opvolgde, had de wollenstoffenindustrie zich stevig gevestigd in Tilburg. Tegen de 40% van alle fabrieken werd inmiddels door stoom aangedreven. De concurrentiepositie was verbeterd, zodat afschaffing in 1862 van de tariefwetten, die de binnenlandse industrie hadden beschermd, niet tot negatieve gevolgen leidde. Nieuwe afzetmarkten werden gezocht en gevonden en ook van de kant van de overheid bleef een grote vraag uitgaan. De infrastructurele situatie leverde ook geen belemmeringen meer op voor handel en industrie. Weliswaar zou het zo gewenste kanaal nog lang op zich laten wachten
(het Wilhelminakanaal werd pas in 1923 in zijn geheel opengesteld), maar Tilburg was intussen wel via verharde wegen en het spoor met de voor zijn handel belangrijkste plaatsen verbonden.
Van Dooren & Dams ging het onder haar nieuwe directeur goed. De winsten namen toe en het vermogen van Adolf van Dooren zelfs spectaculair. Deze, die schijnbaar veel meer dan zijn vader bereid was risico's te nemen, belegde een groot gedeelte van het geld in aandelen en onroerende goederen. Zo werd onder andere een fabriek te Boxtel voor zijn broer Jules gekocht alsook ververij Broekhoven, waarin men weliswaar al langer aandelen had, maar die vanaf 1892 volledig eigendom van de firma werd. Ook werd voor een aanzienlijk bedrag een stuk land in de buurt van Sliedrecht gekocht, dat men vervolgens verpachtte.
Adolf van Dooren (1844-1895). (Coll. RHC Tilburg).
Om de capaciteiten van Adolf als ondernemer te beoordelen dient ook de firma Van Dooren-Motte te Halluin in Noord-Frankrijk in ogenschouw te worden genomen. Adolf, die in 1870 met Léonie Motte getrouwd was, wilde door lakens in Frankrijk te laten fabriceren de Franse in- en uitvoerrechten omzeilen. Hiertoe ging hij in het begin van de jaren negentig de zakelijke betrekkingen met een wollenstoffenfabriek in Halluin, die (mede)eigendom was van de familie van zijn vrouw, intensiveren. Waarschijnlijk kon hij aanvankelijk bij de genoemde firma tegen betaling van het produktieapparaat gebruik maken. In 1895 heeft de firma Van Dooren & Dams echter al delen van deze produktiemiddelen in Frankrijk in eigen bezit. In 1897 verschijnt voor het eerst de naam Van Dooren-Motte boven de balans van de firma te Halluin en wordt Leon van Dooren (1874-1927), de tweede zoon van de inmiddels overleden Adolf, hier directeur. Het jaar daarop wordt, (mede) met geld van Van Dooren & Dams, een nieuwe fabriek te Halluin gebouwd, die onder de directie van Leon van Dooren, vanaf 1899 onafhankelijk van de Tilburgse firma gaat opereren. Hoewel dit uitstapje over de grens geen succes werd - in 1901 keert Leon alweer met z'n familie naar Tilburg terug - kan men het toch beschouwen als een bewijs van de ondernemerskwaliteiten die Adolf van Dooren bezat.
Voor de financiering van dit buitenlands "avontuur" hoefde men geen beroep te doen op (particuliere) leningen. Doordat de winst elk jaar terug in het bedrijf werd gestopt in plaats van "geconsumeerd", bouwde Adolf een gigantisch vermogen op, van waaruit grote investeringen zonder problemen gefinancierd konden worden. Dat hij echter toch geen hekel had aan vreemd vermogen, blijkt wel uit een hypotheek van
F 30.000 die hij in de jaren 1875-1882 had uitstaan. Daarnaast genoot de firma bij tijd en wijle aanzienlijke leverancierskredieten alsook korte-termijnleningen van zogenaamde "kassiersfirma's" of "commissionairs in effecten". Deze laatsten ontvingen en betaalden gelden namens de firma en vervulden aldus een soort functie als een huidige bank. Van Dooren & Dams had relaties met de volgende "kassierskantoren":
* Vrancken & Co.
* Gustave Diepen
* Kerstens & De Charro
* M.C. Brouwers & Zn.
Connecties waren er ook met de banken: Modéra & Co. te Verviers, Union du Crédit de Verviers en de Amsterdamsche en Geldersche Credietvereenigingen.
Gedurende de twee decennia van Adolfs directeurschap is de firma in vele opzichten gegroeid. De personeelsaantallen groeiden; het aantal thuiswerkers steeg van 151 in 1876 tot 190 in 1887 (tot dat jaar zijn hierover gegevens beschikbaar) en het aantal fabrieksarbeiders nam tussen 1892 en 1895 met tien toe van 78 naar 88. Ook de omzet kon fors worden vergroot, doordat met name de leveranties aan overheidsinstellingen toenamen. Gesteld kan dan ook worden dat zowel externe factoren, zoals een verbeterde infrastructuur en een toenemende vraag naar wollen stoffen, alsook de actieve bedrijfspolitiek van Adolf een gunstige invloed op de ontwikkeling van Van Dooren & Dams gedurende het laatste kwart van de vorige eeuw hebben gehad.
Briefhoofd firma Van Dooren Motte, Halluin, Frankrijk (1897).
(Coll. RHC Tilburg).
Henri en Emile
In de laatste periode vóór de eerste wereldoorlog werd de firma geleid door de gebroeders Henri (1871-1928) en Emile van Dooren (1876-1957), de oudste respectievelijk derde zoon van Adolf. Kenmerkend voor de Tilburgse wollenstoffenindustrie in dat tijdvak is de steeds groter wordende afhankelijkheid van de buitenlandse markt. Onder meer door gunstiger tariefverhoudingen lukte het de Tilburgse industrie om meer buitenlandse afzetmarkten te vinden voor haar produkten. Internationale crises en conflicten kregen zo meer en meer invloed op de ontwikkeling van de wollenstoffenindustrie. De enorme opleving in de textielsector in de periode 1905-1914 kan dan ook worden toegeschreven aan een toename van de buitenlandse afzet.
De gebroeders Henri (1871-1928) (boven) en Emile (1876-1957) van Dooren (onder). (Coll. RHC Tilburg).
Raakte Van Dooren & Dams ook steeds meer geörienteerd op het buitenland? In de boekhouding valt dit niet waar te nemen. Weliswaar werden er nieuwe buitenlandse markten gevonden (vooral na 1910) maar dit ging gepaard met het verlies van andere. De firma bleef voornamelijk voor de binnenlandse markt produceren, waarvan ook toen nog tweederde op rekening van de overheid kwam. Qua afzetmarkt wijkt Van Dooren & Dams dus af van de ontwikkelingen in Tilburg. Dat het geen noodzaak voor de onderneming was om haar afzetgebied te vergroten, wordt duidelijk als we de winstcijfers bekijken. De resultaten waren, met uitzondering van 1897, positief en lagen gemiddeld op een hoger niveau dan tijdens Adolfs directeurschap.
Hoe kunnen nu de ondernemers Henri en Emile gekarakteriseerd worden? Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat Henri de feitelijke leiding had. Emile was meer een veredeld boekhouder, die slechts in tijden van Henri's afwezigheid als plaatsvervanger optrad. De verhouding tussen beide broers binnen het bedrijf komt ook tot uiting in de winstverdeling; Henri kreeg 60% van de zuivere winst, terwijl Emile het met 40% moest doen. Het beleid van de gebroeders Van Dooren is ongetwijfeld voorzichtiger geweest dan dat van hun voorganger. Tot aan de eerste wereldoorlog zouden er geen belangrijke investeringen meer plaatsvinden en, in tegenstelling tot de periode hiervoor, zou er geen gebruik meer worden gemaakt van langlopende leningen. Ook verstrekte men, in contrast met onder Adolfs directeurschap, over het algemeen gezien meer krediet aan afnemers dan dat men van leveranciers genoot. Overigens was een dusdanige "politiek" van interne financiering (dus het zo min mogelijk gebruik maken van vreemd vermogen) gemeengoed in het Noordbrabants bedrijfsleven in de 19e eeuw.
Deze behoedzame bedrijfsvoering heeft de firma geen windeieren gelegd. Zoals we al zagen, waren de bedrijfsresultaten goed en, wat misschien op de lange duur nog wel belangrijker was, hevige schommelingen werden vermeden. Kwam het onder Henricus en Adolf nogal eens voor dat een goed jaar werd afgewisseld met een dramatisch slecht jaar, na 1895 werd het beeld veel constanter. Wellicht dat men, mede door veranderingen in het boekhoudkundig systeem, een beter inzicht kreeg in de kostenstructuur.
Het bedrijfsbeleid werd moderner, zo lijkt het, wat betekent dat zaken als kostenbeheersing, ombuigingen en sanering noodzaak werden om in deze snel veranderende tijden te kunnen overleven. De marges waarbinnen gemanoeuvreerd diende te worden waren, in vergelijking met meer dan een eeuw terug, smaller. Was het een uitdaging voor hun overgrootvader om een eigen bedrijf te beginnen, Henri en Emile moesten deze erfenis de twintigste eeuw
binnenloodsen, waar de volgende generatie Van Dooren reeds wachtte. Een generatie die te maken kreeg met nog beduidend smallere marges.
Adreskaartje. (Coll. RHC Tilburg).
Geraadpleegde archivalia en literatuur
-Gemeentearchief Tilburg, Gedeponeerd Bedrijfsarchief "Van Dooren & Dams" 1783-1914.
-Gemeentearchief Tilburg, Genealogische documentatiemappen "Van Dooren" en
"Dams".
-Gemeentearchief Tilburg, Registers van de Lakenhal 1820-1868 .
-P.C. Boeren, Het hart van Brabant. Schets eener economische geschiedenis van
Tilburg, Tilburg 1942.
-"Van Dooren & Dams' Textielfabrieken N.V., Tilburg", in: Economisch archief van Nederland en Koloniën, Amsterdam 1937
-P.J.M. van Gorp, Tilburg eens de wolstad van Nederland; bloei en ondergang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie, Eindhoven 1987.
-G.A.A. Just de la Paisières, Industrieel Nederland, deel II, Haarlem 1921.
-A.W.M. Keune, "De industriële ontwikkeling gedurende de 19e eeuw", in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt & H.J.A.M. Schurink
(red.), De opkomst van Tilburg als industriestad. Anderhalve eeuw economische en sociale
ontwikkeling, Nijmegen 1959.
-H.J.A.M. Schurink & J.H. Mosselveld (red.), Van heidorp tot industriestad. Verkenningen in het verleden van
Tilburg, Tilburg
1955.
-L.G. de Wijs, "Bij het 150-jarig bestaan van de Firma van Dooren & Dams, 19 mei 1783 - 19 mei 1933", in:
Nieuwe Tilburgsche Courant 16 mei 1933.
* Eric Berkers (1965) en Carla Wijnen (1965) studeerden economische en sociale geschiedenis aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Dit artikel is een bewerking van hun doctoraal-scriptie
"Aldus naar waarheid opgemaakt. Een bedrijfs-economische analyse van de wollenstoffenfabriek Van Dooren & Dams, 1783-1914". De auteurs zijn thans tijdelijk verbonden aan het Nederlandsch Economisch-Historisch Archief te Amsterdam.




