Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
359. Tilburg en de nijverheidstentoonstellingen
 

Titel:   

Tilburg en de nijverheidstentoonstellingen

Ondertitel:   

Auteur:   

Henk van Doremalen

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

4-11

 

In 1909 herdacht Tilburg het feit dat het 100 jaar eerder tot stad was verheven. De gelegenheid werd aangegrepen om het industriële karakter van de stad in de vorm van een nijverheidstentoonstelling uit te dragen. De tentoonstelling ‘Stad Tilburg 1809﷓1909’ was de eerste grote nijverheidsexpositie die in de stad gehouden werd. Toch had een gedeelte van het Tilburgse bedrijfsleven toen al een eeuw ervaring met deze mogelijkheid om producten te exposeren en kennis te nemen van nieuwe ontwikkelingen. De Tilburgse (wollenstoffen)industrie was vanaf 1808 met individuele of collectieve inzendingen vertegenwoordigd bij diverse nationale en internationale tentoonstellingen.

In een in 1955 verschenen artikel wees Van den Eerenbeemt al op de deelname van de Tilburgse nijverheid aan de ‘Eerste Algemene Tentoonstelling voor Volksvlijt’ die in 1808 in Utrecht werd gehouden.(1) Tilburg was met elf inzendingen van lakenfabrikanten een van de belangrijkste deelnemers aan deze nijverheidstentoonstelling. De grondlegger van deze tentoonstelling, koning Lodewijk Napoleon, heeft bij een bezoek aan Tilburg in 1809 de industriële belangrijkheid van de plaats bevestigd door het dorp op 18 april 1809 het predikaat ‘stad’ te verlenen.

Na een minder succesvol vervolg in 1809 in Amsterdam duurde het tot 1820 (Gent) en 1825 (Haarlem) voor er weer nijverheidstentoonstellingen werden gehouden.(2) Bekend is dat in ieder geval de firma P. & H. Vreede op deze vroeg-negentiende-eeuwse tentoonstellingen succesvol aanwezig was. Uit een briefhoofd blijkt dat de firma Vreede zowel in 1808, 1820 als 1825 voor de door haar geproduceerde lakens bekroond werd.

De volgende nationale nijverheidstentoonstelling met Tilburgse representanten vond eerst in 1852 in Arnhem plaats.(3) De Tilburgse fabrikant J.H.A. Diepen maakte deel uit van de tentoonstellingscommissie. De Tilburgse wollenstoffenindustrie was met vier bedrijven op het eerste gezicht wat schaars vertegenwoordigd. De firma’s Mutsaers en Kerstens, Pollet en Zonen, J.N. Diepen en Comp. en P. & H. Vreede en Comp. gaven acte de présence. Duffel, baai, vries en domets waren de belangrijkste stukken stof die zij inzonden; met andere woorden zware, grove wollen stoffen, die toen als voorbeeld golden voor het typisch Tilburgse product.
Was het in het begin van de 19e eeuw vooral de firma P. & H. Vreede die bij tentoonstellingen op de voorgrond trad, vanaf de jaren vijftig komen we ook telkens dezelfde namen tegen. De wollenstoffenfabrikanten Gebr. Diepen, L. Ledeboer en Zn., Gebr. Mutsaerts, Pollet en Zn. en P.& H. Vreede zijn vast terugkerende namen, terwijl ook de firma gebr. Bressers (handboog- en pijlenfabrikanten) en het bedrijf Smits-Lommen, dat ‘alcoholische vernissen’ produceerde, meer dan eens aanwezig waren.

Briefhoofd Paulus & Hendrik Vreede & Co. met vermelding van behaalde tentoonstellingsprijzen.
(Coll. Regionaal Archief Tilburg).


Opvallend is overigens dat de Tilburgse industrie op twee tentoonstellingen die in 1855 en 1857 in ’s-Hertogenbosch werden gehouden slechts mager vertegenwoordigd was. In 1855 vond in de provinciehoofdstad een ‘algemeene tentoonstelling van landbouw en nijverheid’ plaats, die georganiseerd werd door de afdeling ’s-Hertogenbosch van de Noordbrabantse Maatschappij ter bevordering van Nijverheid.(4) Slechts de gebroeders Bressers hadden de moeite genomen om zowel voor de afdeling landbouw (honing en was) als nijverheid (bogen, pijlen en pezen) producten in te zenden. De textielindustrie in het algemeen was vrijwel afwezig op deze tentoonstelling, de Tilburgse textielnijverheid ontbrak volledig. Overigens laat de catalogus zien dat het nijverheidsaspect van deze tentoonstelling eerder betrekking had op de ambachtelijke dan de industriële productiewijze. Bovendien stond de landbouw centraal.

Dat gold niet voor de eerste provinciale tentoonstelling van nijverheid, die in 1857 werd gehouden. 238 deelnemers zonden 781 voorwerpen naar Den Bosch.(5) Ook hier valt weer op dat Tilburg relatief mager vertegenwoordigd was (dertig nummers ingezonden door acht deelnemers). Slechts de firma’s Ledeboer, Diepen en Vreede waren aanwezig. Het vrijwel afwezig zijn van de wollenstoffenindustrie leidde in het eindverslag van de tentoonstellingscommissie tot de opmerking dat van het vak wollen manufacturen met recht een veel aanzienlijker inzending had mogen worden verwacht. Ledeboer en Diepen behaalden op deze tentoonstelling een zilveren medaille. Vreede werd voor ‘verschillende soorten flanel, allen van goede hoedanigheid’ beloond met brons, terwijl ook perkamentfabrikant P.C. de Bont en de fabrikant van stoom﷓ en andere werktuigen De Bruyn-Kops en Co. een derde prijs ontving. Vernisfabrikant Smits en Lommen, schrijnwerker J. van Hoof en A. van der Vrande (die een tuinbank vervaardigd had) waren de andere representanten op deze provinciale nijverheidstentoonstelling.

Houten paneel met prijzenmedailles van de firma M. Bressers 
(paneel berust in coll. RAT).


Beperken we ons verder tot de textielindustrie, met de landbouw het hoofdbestaansmiddel voor de Tilburgse bevolking in de 19e eeuw. Bij een tentoonstelling in 1858 in Middelburg was de bijdrage op het gebied van geweven stoffen uit Helmond en Leiden aanzienlijk omvangrijker dan die uit Tilburg.(6) Alleen de firma Ledeboer was (weer) aanwezig met duffel en (lam)baai. Evenals Vreede was Ledeboer afkomstig uit Leiden.
De algemene nationale tentoonstelling die in 1861 in Haarlem werd gehouden bracht eerste prijzen voor de lakens, flanellen en domets van de firma P.& H. Vreede. Vreede kreeg de prijs overigens niet uitgekeerd, omdat hij zitting had in de jury. Ook Ledeboer en Pollet werden in Haarlem met een gouden medaille bekroond. Kerstens en Diepen zagen hun inzendingen met zilver bekroond, terwijl de Goirlese firma W. van Enschot en Zonen een eervolle vermelding ontving.(7)

Nationale nijverheidstentoonstellingen vonden in het derde kwart van de 19e eeuw plaats in Arnhem (1853), Haarlem (1861), Amsterdam (1866) en nogmaals Arnhem (1868) en Amsterdam (1877). Het is toch op zijn minst opmerkelijk dat in belangrijke centra van de industrie als Twente, Maastricht en Tilburg geen (grote) tentoonstellingen werden gehouden. Een mogelijke verklaring wordt gegeven door Eliëns.(8) Hij meent dat de eerste nijverheidstentoonstellingen vooral bedoeld waren om het peil van de nationale nijverheid te verbeteren, terwijl in de tweede helft van de 19e eeuw het ontwikkelen van de smaak bij het publiek een rol ging spelen. Het kunstzinnige element, de wijze waarop kunst toegepast was op het industriële product, werd van meer belang.
Gedeeltelijk geeft dit een verklaring waarom de Tilburgse fabrikanten op een enkele uitzondering na ontbraken op de meeste nijverheidstentoonstellingen. Mogelijke andere verklaringen zijn te vinden in de tot 1863 ronduit slechte verbindingen vanuit Tilburg en in de omstandigheid dat het traditionele afzetgebied afgezien van de legerorders voor de meeste bedrijven niet op Holland was georiënteerd.

Advertentie in Weekblad van Tilburg 24 maart 1866. (Coll. RAT).


Pas in het laatste kwart van de 19e eeuw raakte men in Tilburg meer algemeen tot de overtuiging dat deelname aan nijverheidstentoonstellingen de naamsbekendheid van het Tilburgse product ten goede zou komen. Het directe effect dat de fabrikanten ervan verwachtten, bleef overigens dikwijls uit.
In de tweede helft van de 19e eeuw worden te beginnen met London 1851 de grote massaal bezochte wereldtentoonstellingen gehouden. Met wisselend succes heeft de Tilburgse wollenstoffenindustrie aan de tentoonstellingen in Parijs (1867), Wenen (1873), Philadelphia (1876) en Parijs (1878) deelgenomen. Bij deze exposities en bij de Amsterdamse wereldtentoonstelling van 1883 was de Tilburgse wollenstoffenindustrie met collectieve inzendingen aanwezig. Voor het eerst zijn dan de (tot in de jaren zestig en zeventig van deze eeuw bestaande) grote bedrijven zoals L.E. van den Bergh, Beka, G.Bogaers en Zn., W. Brands en Zn., J. Brouwers, Van Dooren en Dams, Pieter van Dooren, H. Eras en Zn., Janssens de Horion, C. Mommers en Co., Gebr. Pessers, G. van Spaendonck & Zonen, B.F. Sträter, F.A. Swagemakers als deelnemer aanwezig.(9) Diepen, Kerstens, Pollet en Vreede hadden zich al eerder op nijverheidstentoonstellingen laten zien.

‘Catalogus der Tilburgsche Afdeeling op de Internationale, Koloniale en Uitvoerhandel tentoonstelling in 1883 te Amsterdam’. De inzendingen van de firma’s Swagemakers- Caesar en C. Mommers & Co.

Van de tentoonstellingen in Wenen, Philadelphia en Parijs zijn diploma’s en medailles voorhanden.(10)
Terwijl Tilburg het industriële centrum was van Noord﷓Brabant, vonden de belangrijke tentoonstellingen of buiten de provincie plaats of werden ze in ’s-Hertogenbosch of Breda georganiseerd. Niet onbelangrijk is in dezen de houding van de wollenstoffenindustrie geweest. De noodzaak om deel te nemen aan exposities elders werd inmiddels onderschreven, het organiseren van een nijverheidstentoonstelling in de eigen stad werd (nog) niet relevant geacht. Het initiatief hiertoe kwam dan ook uit een andere hoek.

Stad Tilburg 1809 – 1909 (11)

De vereniging Tilburg Vooruit is de initiator geweest van de tentoonstelling ‘Stad Tilburg 1809-1909’. Deze op 10 juli 1907 opgerichte organisatie had als algemeen doel ‘het groot maken van de stad’. Centraal stond daarbij het bevorderen van handel, industrie en vreemdelingenverkeer. Daarnaast werd het bevorderen van letterkundige, muzikale en kunstlievende bijeenkomsten beoogd.
Het voorstel om het 100-jarig bestaan van de stad Tilburg op 19 april 1909 niet ongemerkt voorbij te laten gaan was afkomstig van dr. B. Dijksterhuis. In de vergadering van Tilburg Vooruit van 28 oktober 1907 werd volgens de geschiedvorser Lambert de Wijs het besluit genomen om een grote tentoonstelling voor handel en industrie te houden.

Overzicht tentoonstellingsterrein ‘Stad Tilburg 1809 ﷓ 1909’. Op de achtergrond de fabriek van 
Kessels en de Noordhoekse kerk. (Coll. RAT).


Het initiatief om een eeuwfeest te houden was niet bij voorbaat van brede steun verzekerd. Het gemeentebestuur stelde zich aanvankelijk aarzelend op. Men had daarvoor twee redenen. In de eerste plaats vond de verheffing van Tilburg tot stad in 1809 onder Franse overheersing plaats. Volgens het gemeentebestuur bij monde van burgemeester G. Raupp ‘geen aanleiding om het op bijzondere feestelijke wijze te herdenken’. Vooral ook niet - en dat was de tweede reden - omdat ‘de ‘gemeente’ Tilburg niets meer heeft aan de voorrechten, die zij verkreeg door in den rang der steden te worden opgenomen’ . De aarzeling van het gemeentebestuur moet overigens snel verdwenen zijn toen men ontdekte dat de vorm waarin het eeuwfeest gegoten werd, een nijverheidstentoonstelling, niet beperkt bleef tot een plaatselijke expositie van de lokale middenstand. Raupp en de Tilburgse wethouders P.F. Bergmans, L. Goijaerts en J.M.J. Kerstens hadden naast onder anderen de minister van landbouw, nijverheid en handel A.S. Talma en de commissaris van de Koningin in Noord-Brabant baron Van Voorst tot Voorst zitting in het ere﷓comité van de tentoonstelling. De gemeenteraad besloot voor een bedrag tot 5000 gulden deel te nemen in het waarborgfonds van de tentoonstelling. Daarnaast nam hij de kosten van het verbeteren van de toegangswegen naar het tentoonstellingsterrein en de aanleg van gas- en waterleiding voor zijn rekening. Het ging hier om een bedrag van 4.000 gulden.
Ook de Vereniging van Tilburgse fabrikanten van Wollen Stoffen, de VTFWS, representant van een groot deel van de belangrijkste industrietak van de stad, de wollenstoffenindustrie, had in eerste instantie bezwaren. We komen daar verderop nog op terug.

Het comité dat zich met de voorbereiding van de tentoonstelling bezighield, bestond uit Leon Bruyelle, voorzitter van ‘Tilburg Vooruit’, dr. B. Daamen, E. Elias, A. Weijers, mr. A.C.B. Arts, Albert van Beurden, J.K. Merckx, H.C.Milius, Jos van der Schoot, H. van den Muijsenbergh en M. Schreinemacher. Deze elf leden vormden het uitvoerend comité van de tentoonstelling. Daarbij hielden Milius, Schreinemacher (eigenaar van een technisch installatiebureau) en Merckx zich in het bijzonder bezig met de bouwtechnische aangelegenheden. Daamen had de commissie ‘Kunst’ onder zijn beheer, terwijl Arts voorzitter was van de perscommissie.
In het hoofdcomité waren de belangrijkste industrietakken vertegenwoordigd. Dat gold in ieder geval voor de wollenstoffenindustrie (Elias) en de metaalsector (machinefabriek Merckx, ijzerwarenhandel Van den Muijsenbergh en rijwielenfabriek Van der Schoot).(12)

Het tentoonstellingscomité, v.l.n.r. zittend: M. Schreinemacher, E. Elias, L. Bruyelle, H. v.d. Muijsenbergh 
en B. Daamen; staand: J.K. Mercx, A. v. Beurden, A. Weijers, J. v.d. Schoot, A.C.B. Arts en H.C. Milius.
(Coll. RAT).


Op 15 oktober 1908 kwam dit comité tot de definitieve vaststelling van een reglement voor de tentoonstelling. Hierin stond omschreven waaruit de tentoonstelling zou gaan bestaan. Bovendien werd aangegeven op welke voorwaarden en tegen welke kosten men kon deelnemen. Het reglement werd met een inschrijvingsbiljet en een toelichting toegezonden aan tal van bedrijven. De tentoonstelling in het ‘Nederlandsche Leeds’, zoals Tilburg werd omschreven, zou uit twee afdelingen gaan bestaan. Afdeling A betrof de plaatselijke nijverheid, handel en kunst; afdeling B bestond uit een internationale tentoonstelling van kracht- en ambachtswerktuigen.
In het voorjaar van 1909 wist men te melden dat het aantal exposanten dat ingeschreven had ‘reeds het drievoudige bereikt had van het getal op vorige dergelijke in Nederland gehouden Tentoonstellingen’. Toen stond ook vast dat de Tilburgse wollenstoffenindustrie geen verstek zou laten gaan.

De kunstzaal, 1909. (Coll. RAT).

De textielindustrie

‘Het idee om de Tilburgsche textielindustrie, door een retrospectieve tentoonstelling te doen deelnemen, (werd) door onze leden met zeer weinig sympathie begroet’, zo schreef de Vereeniging van Tilburgsche Fabrikanten van Wollen Stoffen toen haar door het college van B. & W. om advies werd gevraagd m.b.t. de tentoonstelling.(13)
De belangrijkste industrie van Tilburg gaf daarmee aan dat zij niet zonder meer wenste bij te dragen aan de tentoonstelling. De VTFWS was van mening dat het niet mogelijk was een ‘eenigsinds getrouw beeld’ te geven van de Tilburgse textielhistorie vooral ook niet omdat ‘al deze verouderde Machineriën en gereedschappen bereids onder sloopershamers zijn verdwenen’.
De VTFWS zag ook wel in dat ze moeilijk kon ontbreken op een zo groots opgezette manifestatie. Ze was tot de overtuiging gekomen dat een collectieve inzending de beste vorm van deelname was. Wel zag men graag
dat de stedelijke weefschool in dezelfde ruimte een plaats zou krijgen.

Uit de discussie die binnen de VTFWS over de tentoonstelling was gevoerd, kwam verder naar voren dat verschillende fabrikanten van mening waren dat deelnemen aan de tentoonstelling meer nadeel dan voordeel zou hebben, vooral omdat de artikelen die men vervaardigde in het buitenland werden afgezet. Kortom, men zag het directe eigenbelang van de tentoonstelling niet en men was aanvankelijk niet gevoelig voor het promotionele argument. Een groot deel van de fabrikanten (twintig) nam uiteindelijk toch aan de tentoonstelling deel. Een van de argumenten voor deelname was gelegen in het feit dat diverse buitenlandse constructeurs machines en hulpmiddelen zouden tentoonstellen.


Ontwerptekening voor de tentoonstelling 1909. Gouache, waterverf 110 x 81 cm. 
(coll. Nederlands Textielmuseum, inv. nr. P 0152).


Bekende Tilburgse bedrijven die op de tentoonstelling ontbraken, waren ondermeer Beka (destijds een van de grootste bedrijven in Tilburg), Pieter van Dooren, G. Bogaers & Zonen, Sträter, Blomjous, Kerstens en de Goirkese firma’s A. Franken, gebr. Franken en De Rooy van Dijk.
Met de collectieve inzending van de Tilburgse wollenstoffenindustrie en de bijdrage van de Tilburgsche weefschool, de textielvereniging (vakvereniging) Unitas en een aantal leveranciers van machines of onderdelen voor de (textiel)industriële productie was de textielsector toch royaal vertegenwoordigd. Op de foto van de nijverheidszaal is de textielindustrie duidelijk aanwezig, op de opname van de machinehal is ze zelfs dominerend.

In onderstaande tabel wordt een beeld gegeven van de deelname van het Tilburgse bedrijfsleven aan de tentoonstelling.(14) Naast de textielindustrie was de metaalindustrie en de leer- en schoenenindustrie het belangrijkst in Tilburg. Bij de metaalindustrie moet men denken aan de machinefabrieken van Gebr. Deprez, H. Vorselaars, Jan Mandos en het bedrijf van de gebr. Merckx.
Ook de Singer (naaimachine) Maatschappij, A. Hovers, N. van Blerk en de firma’s Van der Schoot en Van den Muijsenbergh behoren tot deze categorie.
In de sector leerindustrie komen we ondermeer de fabriek van Jan van Arendonk tegen, destijds een van de grootste schoenfabrieken in Nederland.


Deelname van Tilburgse bedrijven aan ‘Stad Tilburg 1809-1909’, per indelingsgroep (klasse)

groep soort totaal Tilburg
1. machines voor het algemeen bedrijf 13 2
2. werktuigen voor: textielindustrie
overige industrie
18
15
4
4
3. elektriciteit 5 5
4. nijverheidsprodukten
1. wol-draden-garens-weefsels
4. leer-schoenen-lederwaren
6. bewerkte metalen
- overige klassen (22)
-
21
6
6
64
-
21
4
4
23
5. delfstoffen 3 -
6. machinebehoeften 7 5
8. vloer- en dakbedekking 4 1
9. vervoermiddelen 11 10
10-13. kunstafdeling 53 10
  overige tentoonstellingsonderdelen 6 3
  totaal aantal deelnemers 232 96


De catalogus van bedrijven die aan de tentoonstelling deelnamen, laat zien dat sommige nog steeds bestaande Tilburgse bedrijven al een lange historie hebben. Drijfriemenfabriek D.P. van Maren (nu een bewerkingsbedrijf voor garens), kunsthandel Ant. de Jong, oliehandel Van Vollenhoven-Smulders, zadelmakerij Hamers van Hooff, glashandel Van Erp van Gorcum en de fabriek voor kantoorbehoeften J. van Laarhoven zijn er voorbeelden van.
De tentoonstelling ‘Stad Tilburg 1809-1909’ werd gehouden op een ongeveer 10 ha groot terrein ten westen van de toenmalige bebouwde kom van de stad.
Het terrein lag tussen de spoorwegen Breda-Tilburg en Turnhout-Tilburg. Deze lijnen kwamen in die tijd bij de Gasthuisstraat (nu Gasthuisring) bij elkaar. De hoofdingang lag aan de 1e Herstalse dwarsstraat. Het tentoonstellingsterrein wordt nu grotendeels in beslag genomen door het raccordement van de NS en Van Gend en Loos. De bezoekers die door de poort het terrein betraden, zagen een ruim aangelegd park met een kiosk en enkele kleine gebouwtjes. Dominerend waren echter drie grote gebouwen. Aan de rechterzijde (de noordelijke kant) was de grote nijverheidszaal met daartegenaan de kunstzaal. Een even groot (gelijksoortig) gebouw stond aan de linkerzijde tegen de spoorlijn naar Turnhout. Dat was de machine- en werktuigenzaal. Aan de oostkant van de tentoonstelling lagen het restaurant en de feestzaal met daarachter de sportterreinen en het kermisterrein.

Tussen de machinezaal en het restaurant was ‘Venetië’ geconstrueerd, 1909. (Coll. RAT).


Tussen de machinezaal en het restaurant was ‘Venetië’ geconstrueerd. Door een weekblad uit die tijd werd het de ‘clou van de tentoonstelling’ genoemd. Waterpartijen, terrasjes, standjes, bruggetjes en gondels zorgden dat hier de sfeer van Venetië was nagebootst.
De tentoonstelling stond gepland voor de periode 15 juli tot 8 augustus. Al spoedig bleek dat de tentoonstelling, niet in de laatste plaats door de manifestaties (speciale feesten ter gelegenheid van de 50.000ste inwoner van Tilburg), sportfeesten, kermisachtige attracties en dans- en feestavonden waarmee ze omgeven was succesvol verliep. Exacte bezoekerscijfers zijn niet bekend, maar in de pers werd melding gemaakt van dagbezoeken van 20.000. In totaal moeten enkele honderdduizenden mensen een bezoek gebracht hebben aan de expositie. De tentoonstelling werd met een week verlengd, al werd daar bezwaar tegen gemaakt door de gezamenlijke koffiehuishouders. Zij zagen hun klanten naar de tentoonstelling trekken en waren bovendien bevreesd dat de koopkracht van de Tilburgers danig te lijden had onder de tentoonstelling. Met het oog op de naderende kermis wilden zij dan ook sluiting op de afgesproken datum.


Het feestterrein, 1909. (Coll. RAT).


De machinehal, 1909. (Coll. RAT).

Resultaten

De tentoonstelling van 1909 is ondanks de bezwaren die er vooraf tegen gemaakt waren een succes geworden. De begroting die 78.000 gulden besloeg (waarvan 50.000 gulden voor de enorme tentoonstellingshallen, de aanleg van ‘Venetië’ en alle verdere gebouwtjes en omheiningen), bleek achteraf sluitend te zijn, zodat de gemeente niet verder hoefde bij te springen. Ook handel en industrie in Tilburg waren over de tentoonstelling tevreden.(15)
De pers had lovende kritieken.

In dit artikel hebben we met name de rol van de textielindustrie bij de tentoonstellingen extra belicht. De textielnijverheid had geaarzeld deel te nemen aan ‘Stad Tilburg 1909’. De Tilburgse textielindustrie en de buitenlandse en Nederlandse leveranciers van machines voor die industrie kregen een prominente plaats op de tentoonstelling van 1909. Ook bij de in 1913, 1924, 1934 en 1959 gehouden grote Tilburgse tentoonstellingen zou de textiel een voorname plaats innemen, ondanks de aarzelingen die er ook in die jaren waren.

Speciale tentoonstellingskrant. (Coll. RAT).

Noten

(1)
H.F.J.M. van den Eerenbeemt, ‘De Tilburgse nijverheid en de eerste algemene tentoonstelling van volksvlijt te Utrecht in 1808’, in: H.J.A.M. Schurink en J.H. van Mosselveld (red.), Van Heidorp tot industriestad. Verkenningen in het verleden van Tilburg, (Tilburg, 1955) 177-181.
(2) Titus Eliëns, ‘De nationale nijverheidstentoonstellingen in Nederland in de 19de eeuw’, in: Industrie en vormgeving in Nederland 1850-1950. Tentoonstellingscatalogus Stedelijk Museum Amsterdam 1985-1986, (Amsterdam, 1985).
(3) Catalogus der voorwerpen ingezonden op de tentoonstelling van voortbrengselen der nationale nijverheid van Nederland en zijne overzeesche bezittingen te Arnhem, 1852, (Arnhem, 1852).
(4) Lijst van Voorwerpen ingezonden op de Algemeene tentoonstelling van landbouw en nijverheid te houden door de afdeeling ’s-Hertogenbosch der Noordbrabantsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, (’s-Hertogenbosch, 1855).
(5) Lijst van Voorwerpen ingezonden ter eerste Provinciale Tentoonstelling van nijverheid te ‘s-Hertogenbosch, (’s-Hertogenbosch, 1857).
Verslag van de eerste provinciale tentoonstelling van nijverheid te ‘s Hertogenbosch 6-26 augustus 1857, (‘s-Hertogenbosch, 1858).
(6) Tentoonstelling van voorwerpen van nijverheid te houden te Middelburg, van 2 tot 14 augustus 1858, (Middelburg, z.j.) 45-51.
(7) Algemeene nationale tentoonstelling Haarlem, 1861. Verslag uitgebragt door de jury van beoordeeling, (Haarlem, z.j).
(8) Eliëns, a.w., 55-56.
(9) Catalogus der Tilburgsche afdeeling op de internationale, koloniale en uitvoerhandel tentoonstelling in 1883 in Amsterdam, (‘s-Hertogenbosch, z.j.).
Nieuwe Tilburgsche Courant 26 februari 1926. Over de internationale tentoonstellingen zijn verslagen gepubliceerd. Een opsomming zou hier te ver voeren. Zie ondermeer bij: P.C. Boeren, Het Hart van Brabant. Schets eener economische geschiedenis van Tilburg, (Tilburg, 1942) 84-86. A.W.M. Keune, ‘De industriële ontwikkeling gedurende de 19e eeuw’, in: H.F.J.M. van den Eerenbeemt en H.J.A.M. Schurink (red.), De opkomst van Tilburg als industriestad. Anderhalve eeuw economische en sociale ontwikkeling, (Nijmegen, 1959), 11-60.
(10) Al in 1926 werd daarover het volgende meegedeeld: ‘Collectieve diploma’s van inzendingen op tentoonstellingen bezit de Gemeente en zij kunnen dus wandversieringen voor een komend museum worden’. Dit (stedelijk) museum dat ooit beoogd werd, is uiteindelijk het textielmuseum geworden.
(11) De belangrijkste bronnen zijn:
GAT, Secretarie-archief 1908-1937, stukken 1909, map tentoonstelling.
Eveneens op het gemeentearchief berust een documentatiemap met knipsels betreffende de in Tilburg gehouden tentoonstellingen.
Tilburgsche Courant en Nieuwe Tilburgsche Courant 1908 en 1909.
Catalogus ‘Tentoonstelling Stad Tilburg 1909’.
In Actum Tilliburgis jrg. 6 nr. 1 (mei 1975) is van de hand van P.J. van Berkel eerder een artikel over deze tentoonstelling verschenen. Daarin wordt een beschrijving gegeven van met name de opening op 15 juli 1909 door minister A.S. Talma en het bezoek van Prins Hendrik op 26 juli 1909.
GAT, Secr. Arch. 1908-1937, 1909, ‘tentoonstelling’, brief Tilburg Vooruit en Tentoonstellingscomité d.d. 12 okt. 1908. Zie ook bijlage bij de catalogus van de tentoonstelling.
GAT, Secr. Arch. 1908-1937, 1909, ‘tentoonstelling’, brief VTFWS aan B. & W. van Tilburg d.d. 2 maart 1909.
(14) Samengesteld op basis van de catalogus en twee lijsten met deelnemers, die aangetroffen werden in de map ‘tentoonstelling’ (zie noot 11). De lijsten waren genaamd: ‘Tentoonstelling Stad Tilburg 1909. Indeeling der inzendingen’ en ‘ ... Tilburgsche firma’s...’
(15) GAT, Gemeenteverslag 1909, 133. Verslag KvK (bijlage bij het gemeenteverslag 5).

Sluitzegel, 1909. (Coll. RAT).

Janssen Waijers was een van de standhouders op de tentoonstelling van 1909. Links een tekening van
de expositiestand. (Coll. RAT).