| 364. Van de hoed en de rand | |||
|
Titel: |
Van de hoed en de rand |
|
Ondertitel: |
Van Spaendonck over het reilen en zeilen van de Tilburgse wolfabrikanten. Een beschouwing naar aanleiding van een proefschrift (1) |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
2 |
|
Pagina’ s: |
63-68 |
Mijn eerste kennismaking met mr. B.J. van Spaendonck vond in de zomermaanden van 1984 plaats, in de periode dat de Olympische Zomerspelen in Los Angeles in volle gang waren. Ik herinner me deze gebeurtenis nog als de dag van gisteren. Na een stug volhouden mijnerzijds en het aandragen van een karrevracht argumenten, kreeg ik inzage in de bewaard gebleven archivalia van de Vereeniging van Tilburgsche Fabrikanten van Wollen Stoffen (voortaan: VTFWS). Volgens de behulpzame archivaris F. Versteden was ik op dat moment een der eerste buitenstaanders, misschien zelfs de allereerste, die deze in groene mappen (met een ingenieuze sluiting) opgeborgen foliovellen mocht doorlezen en noteren wat ik van belang vond voor mijn historische studie.
Voor mijn doctoraalstudie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht, zoals dat in 1984 nog heette, onderzocht ik destijds enkele aspecten van de gang van zaken in de Tilburgse wolindustrie tijdens het Interbellum, de periode tussen beide wereldoorlogen.
In mijn ogen waren de stukken van de VTFWS onontbeerlijk om het beeld te completeren.(2)
Ik was op een ochtend in het gebouw van Bureau van Spaendonck aan een tafel in een grote open ruimte, omringd door een bovengalerij, bezig met het doornemen van de notulen van de vergaderingen van de VTFWS. Plotseling stormde een hevig geëmotioneerde man, op enige meters afstand gevolgd door archivaris F. Versteden, mijn werkvertrek binnen. Het werd me al snel duidelijk dat het de grote baas was die van zijn archivaris opheldering wilde waarom hij weer “zo’n journalist van Vrij Nederland of De Groene liet snuffelen in hun papieren om de Tilburgse fabrikanten eens goed zwart te kunnen maken”. De kou was na uitvoerige toelichting en verheldering van mijn kant wel uit de lucht, maar het was aan mr. B.J. van Spaendonck te zien dat hij allerminst gelukkig was met mijn aanwezigheid. Dit incident, dat mij achterdochtig maakte (zouden ze dus toch iets te verbergen hebben?), leverde mij onvoorziene voordelen op. Frank Versteden wilde mijn verblijf zo kort mogelijk laten zijn en regelde voor mij een afzonderlijke werkkamer met typemachine en stond mij toe onbeperkt gebruik te maken van het kopieerapparaat, hetgeen me een tijdwinst van weken opleverde.
Rijkdom en tekortkomingen
Groot was dan ook de verrassing toen ik in januari van dit jaar hoorde dat B.J. van Spaendonck, die eerder reeds een waardevolle monografie over zijn betovergrootvader Gerard Cornelis van Spaendonck schreef, ging promoveren op een studie naar de
VTFWS.(3) Als deel 10 van de Tilburgse Historische Reeks is de handelseditie van dit proefschrift verschenen. Dit boek – laat ik dat meteen helder stellen – levert een waardevolle bijdrage aan onze kennis van de geschiedenis van Tilburg in de eerste helft van de twintigste eeuw. Het is een rijk boek met de onvermijdelijke tekortkomingen. Aan beide zaken – de rijkdom en de tekortkomingen - wil ik aandacht besteden.
Van Spaendonck nam een beschrijving en evaluatie van het functioneren van de VTFWS – waarvan zijn vader en hijzelf ongeveer een halve eeuw het secretariaat vervulden – tot uitgangspunt van zijn studie. Hij wilde nagaan of de VTFWS voor de periode vanaf de oprichting in 1897 tot 1940 haar hoofddoelstelling heeft kunnen waarmaken. De formulering van deze doelstelling, waarmee in 1900 koninklijke goedkeuring van de statuten werd verkregen, was heel ruim: “door onderlinge samenwerking der fabrikanten van wollen stoffen datgene aan te wenden, wat bevorderlijk kan zijn aan de verbetering en uitbreiding hunner industrie en aan de goede verstandhouding tusschen patroon en werkman. Zij tracht dit doel te bereiken door gemeenschappelijke behartiging, zoo noodig, van de verschillende belangen, die hunne industrie betreffen, als daar zijn, het gezamenlijk optreden bij inkoopen, het onderhandelen over vrachttarieven, het verordenen van uniforme maatregelen betreffende arbeidstijden en loonen, het voeren, zoo noodig van onderhandelingen met werklieden bonden, het behandelen van door zoodanige bonden of door werklieden ingebrachte onderwerpen en gedane verzoeken, het doen houden van lezingen, het collectief optreden bij tentoonstellingen, het voeren van gedachtewisseling over zoodanige wetsontwerpen als speciaal hunne industrie of het arbeidersvraagstuk betreffen, en verder andere zaken van soortgelijken aard en strekking.” (blz. 48)
Variëteit
Beschrijving van de wijze waarop de VTFWS gestalte gaf aan deze doelstelling kan niet anders dan een omvangrijke verhandeling met een ruime variëteit aan onderwerpen opleveren.
In de wol geverfd poogt een min of meer compleet beeld te geven van de ondernemingsvereniging met een overheersende positie op plaatselijk en een prominente rol op landelijk niveau. Om door de bomen het bos te blijven zien heeft Van Spaendonck ‘existentiële thema’s gezeefd uit het rijke voorhanden materiaal’. Hij koos een drietal hoofdonderwerpen: de arbeidsverhoudingen, de handelspolitiek en het ordeningsidee.
Daarnaast wordt aandacht besteed aan andere onderwerpen waarover in de notulen veel gegevens vermeld zijn, maar die niet of slechts zeer geforceerd bij een van bovengenoemde hoofdonderwerpen te rangschikken zijn. Het is vooral in deze stukjes, die in hoofdstuk 7, ‘Een waaier van activiteiten’ zijn gebundeld, dat het ware gezicht van de Tilburgse fabrikant getoond wordt. Naar buiten toe wekte de Tilburgse fabrikantenbond, zoals deze in de volksmond heette, de indruk een hecht monolitisch bolwerk te zijn. Uit de beschrijving van zaken aan de rafelrand van de vereniging, zoals bijvoorbeeld de pogingen om de rijen te sluiten bij de inkoop van steenkolen, het terugdringen van het betalen van steekpenningen, de uitbreiding van de textielschool en de relatie met de pers, blijkt dat het erg moeilijk, zo niet onmogelijk, was om het belang van de eigen firma ondergeschikt te maken aan het belang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie in het algemeen. Niet alleen bij de hoofdthema’s, maar ook bij de kleinere issues, steken onderling wantrouwen en naijver met grote regelmaat de kop op. Af en toe dringt iets van deze latente spanning in de notulen door. Met het citeren van een zin als deze licht Van Spaendonck een flink stuk van de sluier op: ‘Om dit [een opgelegde boete van ƒ 50,- voor het overtreden van gemaakte afspraken] voor de Kamer van Koophandel te laten komen, daar denk ik niet aan, want de ene Tilburgsche fabrikant kan bij de andere de zon niet in het water zien schijnen’ (blz. 363).
Het kantoor-verenigingsgebouw van de VTFWS
(bij lantaarnpaal) stond in de jaren twintig aan de Heuvel.
Later vestigde zich hier hotel-restaurant Modern (coll. RHC
Tilburg).
Arbeidsverhoudingen
De kern van In de wol geverfd bestaat uit de houding van de Tilburgse wolfabrikanten ten aanzien van de drie hoofdonderwerpen (de arbeidsverhoudingen, de handelspolitiek en het ordeningsidee). Over de arbeidsverhoudingen in de Tilburgse wollenstoffenindustrie is de voorbije jaren inmiddels veel gepubliceerd. Het werk van Ton Wagemakers, Henk van Doremalen, Paul van Dun, Ton Thelen, Jos van Meeuwen en ondergetekende mag bij de trouwe lezer van dit tijdschrift bekend verondersteld worden. Deze auteurs benaderden het thema overwegend vanuit het arbeidersperspectief. Van Spaendonck kiest, zoals hij ook in de titel van zijn boek duidelijk aangeeft, voor het perspectief van de werkgevers. Het belichten van de keerzijde van de medaille is uiteraard waardevol. Het is dan ook bijzonder jammer dat voor een cruciale periode en gebeurtenis – het problematische laatste deel van de Eerste Wereldoorlog, met daarin een van de twee grote conflicten in de geschiedenis van de Tilburgse wolindustrie, de staking en uitsluiting van 1917 – de notulen van de algemene vergaderingen van de VTFWS ontbreken. Over deze belangrijke kwestie kan Van Spaendonck dan ook nauwelijks nieuwe inzichten etaleren. Bij de behandeling van dat andere grote conflict – de ‘wilde’ textielstaking van 1935 – was ik aangenaam verrast door de nadere onderbouwing van wat ik in 1986 nog als een losse flodder lanceerde, nl. dat er een verband bestaat tussen de Tilburgse textielstaking en het loslaten van de aanpassingspolitiek, zoals die onder leiding van Colijn gevoerd werd.(4)
Van Spaendonck poneert de stelling, daarbij zich beroepend op de toenmalige minister van Economische Zaken mr. M. Steenberghe, dat medio 1935 de aanpassingspolitiek in feite was stopgezet en dat voor het gehele land de staking in Tilburg het teken was dat er op loongebied niet verder aangepast kon worden. (blz. 301). Met betrekking tot de Tilburgse textielstaking heeft Van Spaendonck overigens ook nog enkele bijzonder mooie andere uitspraken gevonden over de invloed van dit conflict op vooral de plaatselijke verhoudingen die ik bij mijn eigen onderzoek niet was tegengekomen. (blz. 351/352). Zo ziet men dat een onderwerp niet snel helemaal is leeggemolken.
Handelspolitiek
Aan het tweede hoofdthema, de handelspolitiek, is in de geschiedschrijving aanzienlijk minder aandacht besteed. Bij de uitvoerige beschrijving van dit onderwerp, voornamelijk samengebracht in hoofdstuk 8, blijkt dat de auteur zélf ‘door de wol geverfd’ is – om de titel van de studie maar eens te parafraseren. Zoals reeds vermeld was mr. B.J. van Spaendonck gedurende lange tijd als uitvoerend secretaris betrokken bij de VTFWS. Ook zijn vader mr. B.J.M. van Spaendonck was vanaf 1921 de centrale spil in de Tilburgse Fabrikantenbond. Het kan niet anders dan dat Van Spaendonck jr. informatie over het reilen en zeilen in de Tilburgse wollenstoffenindustrie letterlijk met de paplepel naar binnen kreeg. Tal van fabrikanten die in de VTFWS de trom roerden, moet hij persoonlijk goed hebben gekend. Ik krijg uit het boek de indruk dat B.J. van Spaendonk over veel zaken meer weet dan uit de notulen te destilleren valt of dat hij kan beredeneren wat achter terloopse opmerkingen schuilt. Hij weet van de hoed en van de rand, en dat komt de kwaliteit van het verhaal ten goede.
Van Spaendonck steekt niet onder stoelen of banken dat de Tilburgse fabrikanten, wat de handelspolitiek betreft, een achterhoedegevecht leverden. Het bijna onophoudelijk hameren op het aambeeld van de protectie was – zo maakt Van Spaendonck op een pijnlijke manier duidelijk – een vechten tegen de bierkaai. Als er al het idee leefde dat in de Haagse wandelgangen naar de Tilburgse wolfabrikanten geluisterd werd of dat men daar wakker lag van de jammerklachten uit de Nederlandse wolstad, komt men na lezing van
In de wol geverfd van een koude kermis thuis. Ik persoonlijk krijg uit dit boek zelfs de indruk dat de Haagse politici en de kopstukken uit de grote landelijke werkgeversorganisaties op een nauwelijks verholen hautaine en denigrerende wijze neerkeken op de omhooggevallen provinciale fabrikantjes uit het zuiden des lands. De wijze waarop Van Spaendonck verslag doet van de strubbelingen tussen de in de VTFWS verenigde fabrikanten en ‘hun’ vertegenwoordiger in Den Haag – lange tijd waren dit de gebroeders Henri en Joseph Blomjous – is zelfs ontluisterend te noemen. Zo had ik in dit verband graag het naadje van de kous willen weten van een conflict uit 1925. In een vergadering van het Centraal Bestuur van het Verbond van Nederlandse Werkgevers had Joseph Blomjous uitspraken gedaan die voor de fabrikantenbond in het algemeen en voor haar 2de secretaris B.J.M. van Spaendonck in het bijzonder als “een ernstige belediging” moesten worden beschouwd. (277) Zulke opmerkingen prikkelen de nieuwsgierigheid, die echter niet bevredigd wordt.
Ordening
Ten aanzien van de derde rode draad – de ordening - wil ik er één aspect nader uitlichten. Van Spaendonck maakt aannemelijk dat er hele grote vraagtekens gezet moeten worden bij de veronderstelde symbiose tussen de Tilburgse fabrikanten en de Rooms-Katholieke Kerk en haar vertegenwoordigers in Tilburg. In dit verband is het van belang op te merken dat de VTFWS gedurende een reeks van jaren met het bisdom in de clinch lag over het negeren van bisschoppelijke directieven door de katholieke Tilburgse fabrikanten. Van kerkelijke zijde werd voortdurend langs verschillende kanalen druk op de VTFWS uitgeoefend om zich aan te sluiten bij de R.K. Vereniging van Werkgevers in de Textielnijverheid, maar alle moeite bleek vergeefs. Pas in 1918 werd in de statuten de R.K.-grondslag van de vereniging vastgelegd. Na veel geharrewar berustte de bisschop er uiteindelijk in dat de toevoeging ‘R.K.’ aan de naam van de vereniging achterwege bleef.
Van enige inbreng van betekenis of van directe bemoeienis van de kant van de Tilburgse geestelijkheid op het beleid van de VTFWS blijkt in dit boek nauwelijks iets. Het aantal geestelijken dat in
In de wol geverfd figureert, is op de vingers van een hand te tellen. Twee van hen, die een eigen geluid lieten horen, gingen nadrukkelijk tegen de koers van de fabrikanten in. Dat een van hen kapelaan Lambert Poell is, had iedereen die de studie van Ton Thelen kent wel kunnen bevroeden. De ander is pastoor Henri van Dun, vanaf 1936 geestelijk adviseur van de VTFWS, die, zich beroepend op de encycliek
Quadragesimo Anno, regelmatig de fabrikanten wees op hun verantwoordelijkheid ten aanzien van de arbeiders. Van Spaendonck kenschetst de Tilburgse fabrikanten als een op de eerste plaats conservatieve groep, en pas op de tweede plaats als een (ook) katholieke belangengroep.
Tekortkomingen
In het begin gaf ik aan dat het boek ook de nodige tekortkomingen bevat. Ik wil even inzoomen op drie zaken die mij van het hart moeten. Zoals reeds vermeld, is
In de wol geverfd met succes als academisch proefschrift verdedigd. Langs dit boek mag dus een wetenschappelijk meetlint gelegd worden. Indien ik dit doe, blijft het echter onder de maat. Van Spaendonck hanteert in zijn studie eigenlijk geen serieus te noemen probleemstelling; het vaststellen of de VTFWS in haar functioneren de statutaire doelstelling heeft kunnen waarmaken is voor een dissertatie te mager. Een theoretisch toetsingskader ontbreekt en er wordt nauwelijks of niet over de grenzen van de Tilburgse wollenstoffenindustrie heen gekeken. Slechts terloops komen in het boek de wolindustrie elders in Nederland, de Twentse katoennijverheid of de andere Tilburgse nijverheidssectoren ter sprake. De auteur heeft zich bij zijn beschrijving vooral laten leiden door wat hij in de notulen van de vergaderingen van de VTFWS tegenkwam. In het voorgaande gaf ik al aan dat dat heel wat is, maar als basis voor een academisch proefschrift is deze ene bron te beperkt en vooral te eenzijdig.
Van een systematisch gebruik van andere bronnen blijkt in deze studie niets. Ook erg veel relevante secundaire literatuur is niet door
Van Spaendonck gebruikt. Dit brengt mij tot de tweede grote tekortkoming van In de wol geverfd. De auteur is van huis uit jurist en niet opgeleid als historicus. Dit hoeft op zich geen bezwaar te zijn: een van de beste historische studies die ik de voorbije jaren heb gelezen is geschreven door de filosoof Gabriël van den Brink.
(5) Hij heeft bewezen dat een autodidact zich de spelregels van het historisch onderzoek snel eigen kan maken. Dit laatste is Van Spaendonck wat minder goed afgegaan. Hij zondigt op nogal wat plaatsen tegen elementaire spelregels. Een daarvan is het pronken met andermans veren. In het geval dat het mijn veren zijn, gebeurde dit op zo’n opzichtige manier dat het mij wel moest opvallen. In zijn streven de literatuurlijst en het notenapparaat een wetenschappelijk aanzien te geven, voert hij op veel plaatsen literatuur en archiefbronnen op waarvan ik met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid durf te beweren dat Van Spaendonck deze niet zelf geraadpleegd heeft, maar ze direct overgenomen heeft uit enkele van mijn in noot 2 genoemde artikelen. Ik zal enkele voorbeelden geven. Men leze eerst wat ik in
De Lindeboom, deel IX-X schrijf op blz. 247 met verwijzingen van het werk van achtereenvolgens Alberts c.s. (noot 16), Boomgaard (noot 17) en Von der Dunk (noot 18). Vervolgens neme men
In de wol geverfd ter hand en leze blz. 18 onderaan (noot 2) en blz. 23 midden (noot 6 en 7). De overeenkomst is evident. De enige keer dat Van Spaendonck in een noot verwijst naar het periodiek van textielarbeidersbond St. Lambertus,
Het Hoog-Ambacht, (noot 91 op blz. 341 en 455) is de eigenlijke bron wederom mijn artikel in
De Lindeboom (blz. 277, noot 152). Zo had Van Spaendonck bij het aanhalen van een niet malse karakteristiek van diens vader niet de indruk moeten wekken dat hij dit zelf in een dossier in het archief van de Arbeidsinspectie in Breda op het spoor was gekomen, maar hij had daar in de noot behoren aan te geven: ‘Aangehaald in: Van der Heijden, ‘Loonherzieningen in de Tilburgse wolnijverheid’ 246’. Ik kan deze opsomming nog met vele uitbreiden en ik kan niet bevroeden hoeveel verwijzingen bij andere auteurs geleend zijn.
Het is mij ook een raadsel waarom Van Spaendonck veel relevante literatuur niet heeft geraadpleegd en waarom de commissie die het manuscript moest beoordelen hier niet op heeft gewezen. Ik meldde reeds dat de auteur niet verder heeft gekeken dan de Tilburgse wolnijverheid. Dus in de literatuurlijst komt men, afgezien van het gedateerde werk van A.L. van Schelven, niets tegen over het vernieuwende onderzoek dat naar de gang van zaken in de Twentse katoenindustrie is verricht. Bij het doornemen van de literatuurlijst viel het me op dat Van Spaendonck in bijvoorbeeld
Textielhistorische Bijdragen en in Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur veel artikelen over het hoofd heeft gezien die zijn verhaal meer diepgang en context hadden kunnen verschaffen. Ook belangwekkende recente studies over het C.B.S. en de industrialisatie in Nederland van 1913 tot 1965 hadden de passages over de conjuncturele ontwikkeling in de wolnijverheid (op basis van de productiestatistieken van het C.B.S.) meer reliëf kunnen geven.(6) Met relatief weinig moeite had het eindresultaat veel een kwaliteit kunnen winnen.
Dat dit niet gebeurd is, hangt samen met wat ik als de derde tekortkoming zie. In de wol geverfd draagt in alles de sporen mee dat het een ‘haastklus’ is geweest. Hoewel ik redelijk goed op de hoogte ben van wat er aan historisch onderzoek over Tilburg lopende is en ik zelf – als promovendus aan de KUB – goed op de hoogte gehouden wordt van promotie-onderzoeken op sociaal- en economisch-historisch gebied, hoorde ik pas zeer recent van het onderzoek van B.J. van Spaendonck. Het feitelijke onderzoek en het schrijven van het manuscript waren toen reeds afgerond. Naar ik begrepen heb, heeft prof. dr. H.F.J.M. van den Eerenbeemt kennisgenomen van dit manuscript en het rijp genoeg beoordeeld om als proefschrift voor te leggen. Een probleem was dat – gezien het feit dat Van den Eerenbeemt reeds in 1995 met emeritaat gegaan was en daarna nog slechts vijf jaren de bevoegdheid heeft als promotor op te treden – er haast geboden was. Kennelijk woog het belang van Van den Eerenbeemt om als promotor van ‘zijn buurman’ op te treden zwaarder dan het wetenschappelijke belang (zoals ik hierboven heb uiteengezet) en het belang om een boek zonder al te veel onnodige en storende fouten en onjuistheden op de markt te brengen.(7) Gezien het grote aantal taal- en stijlfouten, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat er geen tijd of behoefte aanwezig was om de onvolprezen Wil Sterenborg, vaste corrector voor de Historische Reeks en dit tijdschrift, naar de tekst te laten kijken. Anders zouden – om enkele volstrekt willekeurige voorbeelden te noemen – opzichtige fouten als deze opgemerkt en verbeterd zijn: ‘Het budgettekort van een arbeidersgezin wordt nu op
f. 3,-- becijfert!’ (135); ‘Men ging men eveneens’ (136); ‘Het voorstel haalt wel haalt het quorum’ (137); ‘De secretaris ging nog een polshoogte nemen bij Beka’ (232), terwijl er op blz. 320 ‘poolshoogte’ genomen werd, hetgeen de correcte schrijfwijze is.
Panoramafoto van Tilburg als nijverheidsstad (foto coll. RHC Tilburg).
Notenapparaat
Ernstiger is echter de warrige, inconsequente, onvolledige en soms zelfs onjuiste wijze waarop Van Spaendonck de literatuurlijst en het notenapparaat heeft verzorgd; op dit punt valt ook de redactie van de Tilburgse Historische Reeks het nodige aan te rekenen. Dat er bij de nummering van de eindnoten van hoofdstuk 5 iets in het technische vlak is misgegaan, is op een bijgevoegd velletje met ‘Errata en aanvullingen’ uitgelegd en dat valt de redactie (die inhoudelijk geen invloed had op het kant-en-klare als proefschrift al goedgekeurde manuscript) niet aan te rekenen. Maar zij hadden de tijd moeten nemen voor het corrigeren van de warboel aan het eind van het boek. In plaats van dat ik in de noten pakweg een keer of vijf de mededeling tegenkom dat het proefschrift van Ton Wagemakers
(Buitenstaanders in actie) ‘deel LXXXIII in de reeks ‘Bijdragen tot de geschiedenis van het zuiden van Nederland’ (soms nog met de toevoeging ‘van de Stichting Zuidelijk Historisch Contact’) is, had ik het correcter gevonden als één keer in de literatuurlijst de volledige titel van het boek was opgenomen; nu ontbreekt aldaar de ondertitel. Andere in de noten genoemde titels ontbreken in de literatuurlijst, zoals de studie van A.M. Eijkens en de werken van F. Vuysters, terwijl weer andere (zoals mijn artikel over de textielstaking) met een onjuiste titel zijn vermeld. Van alle in de literatuurlijst opgenomen artikelen in tijdschriften of bundels ontbreekt de pagina-aanduiding. Ook met de verantwoording van literatuurverwijzingen in de noten volstaat Van Spaendonck in veel gevallen met slechts het noemen van de titel en moeten we gissen naar de betreffende pagina. Zo maakt Van Spaendonck het de lezer wel onnodig moeilijk zijn verhaal te verifiëren. Bijna bekruipt mij hetzelfde gevoel als dat ik kreeg na onze eerste kennismaking in 1984: wil hij nu echt wat verbergen?
Noten
(1) Naar aanleiding van: B.J. van Spaendonck, In de wol geverfd. De Tilburgse wollenstoffenindustrie vanuit de optiek van een lokale ondernemersvereniging (1896-1940) (Tilburg, 2000) Uitgave van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed; Tilburgse Historische Reeks deel 10; ISBN 90-74418-12-0; 472 blz.
(2) In het kader van dit onderzoek verscheen een uitvoerige voorstudie over de Tilburgse textielstaking van 1935 en mijn eigenlijke doctoraalscriptie werd ‘verknipt’ tot vier artikelen. Het betreft: C.G.W.P. van der Heijden, 'De Tilburgse textielstaking van 1935. Een wisselwerking van economische, sociale en politieke factoren' in:
Noordbrabants Historisch Jaarboek, 3 (1986) 115182; Idem, 'De oprichting van het pensioenfonds voor de Tilburgse wolnijverheid 19271929' in:
Tilburg; tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jg. 4, nr. 3 (1986) 1316; Idem, 'Personeel in de Tilburgse wolnijverheid, 19201940' in:
Textielhistorische Bijdragen, 26 (1986) 93111; Idem, 'Loonherzieningen in de Tilburgse wolnijverheid als indicator voor het 'succes' van de textielarbeidersbonden, 19201940' in:
De Lindeboom, IXX, (1985/1986) 245301; Idem, 'Personeelsbezetting, grondstoffenverbruik, mechanisatie en arbeidsproductiviteit in de Nederlandse wolnijverheid, 1920-1940' in:
Textielhistorische Bijdragen, 27, (1987) 53-75.
(3) B.J. van Spaendonck, Gerard Cornelis van Spaendonck (1804-1873). Enkele facetten van de Tilburgse samenleving in het midden van de negentiende eeuw (Tilburg, 1995).
(4) Van der Heijden, ‘De Tilburgse textielstaking van 1935’, 167-168.
(5) G. van den Brink, De Grote Overgang. Een lokaal onderzoek naar de modernisering van het bestaan. Woensel 1670-1920 (Nijmegen, 1996).
(6) Het betreft: H.J. de Jong, De Nederlandse industrie 1913-1965. Een vergelijkende analyse op basis van de productiestatistieken (Amsterdam, 1999) en: A.-M. Kuijlaars,
Het huis der getallen. De institutionele geschiedenis van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en de Centrale Commissie voor de Statistiek (CCS), 1899-1996 (Voorburg/Amsterdam, 1999).
(7) Van den Eerenbeemt en Van Spaendonck wonen hemelsbreed ruim 100 meter van elkaar.
Cor G.W.P. van der Heijden (Hulsel, 1957) is historicus en docent geschiedenis aan het Cobbenhagencollege. Hij publiceerde een groot aantal artikelen in boeken en tijdschriften die betrekking hebben op (ondermeer) de geschiedenis van Tilburg. In 1995 promoveerde hij aan de Katholieke Universiteit Brabant op een proefschrift over de zuigelingen- en kindersterfte in Tilburg 1820-1930. Hij werkte als auteur en redacteur mee aan
Ach Lieve Tijd Tilburg.




