Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
366. Tilburg, eens de wolstad van Nederland
 

Titel:   

Tilburg, eens de wolstad van Nederland

Ondertitel:   

Auteur:   

Cor van der Heijden

Jaargang:   

V (1987) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

86


Van een van de oudgedienden als het gaat om de geschiedschrijving van Tilburg, ing. Van Gorp, verscheen onlangs een lijvige studie die de ups en downs van de Tilburgse wolnijverheid tot onderwerp heeft. Het boek is prachtig geïllustreerd en zonder meer een sieraad voor de boekenkast. Maar het uiterlijke aspect is voor mij slechts bijzaak: het moet gaan om de inhoud. Van Gorp is zonder meer de grote specialist in Nederland als het gaat om de stand der techniek in de wollenstoffenindustrie. In het voorwoord citeert de inleider, dr. F.B.A.M. Verhagen, een brief van de Culturele Raad Noord-Brabant waarin hij een ‘uniek deskundige op het terrein van de technische kant van de textielindustrie’ genoemd wordt. In enkele hoofdstukken maakt Van Gorp deze reputatie meer dan waar. Vooral hoofdstuk I kan mijn bewondering wegdragen. Tot in lengte van jaren zal dit gedeelte van het boek als standaardwerk dienst kunnen doen als men iets te weten wil komen over de verschillende fasen en deelbewerkingen bij de productie van wollen stoffen. Vanaf het wassen van de ruwe wol tot en met het verven van de lakens passeren alle facetten de revue. Over de meeste van deze deelbewerkingen is her en der verspreid al wel het nodige geschreven, maar nergens (bij mijn weten althans niet) is dit op zo’n heldere, compacte en overzichtelijke manier gebeurd. In de volgende hoofdstukken wordt op min of meer chronologische wijze de aard en omvang van de mechanisering van de wolnijverheid beschreven. Hierbij worden vele soorten, maten en merken van spinmachines, weefgetouwen, etc. genoemd, vaak met de vermelding van het bedrijf waar ze geplaatst werden. Dit maakte op mij een vrij willekeurige indruk, en ik zet dan ook vraagtekens bij de mate van volledigheid van deze beschrijvingen en opsommingen 

Zoals reeds opgemerkt vormen de onderdelen waarin de techniek (zowel in de betekenis van aspecten van het arbeidsproces als in de mate van mechanisering) centraal staat, de sterke kant van het boek. Minder geslaagd zijn naar mijn mening de hoofdstukken met een sociaal-economisch stempel. Hierbij kan Van Gorp niet varen op een kompas met ‘eigen ervaringen’ of ‘eigen onderzoek’ als richtsnoer, maar is hij afhankelijk van standaardwerken en overheidspublicaties. Van Gorp kan wat betreft deze onderdelen niets anders doen dan bestaande oordelen (vaak vooroordelen) bevestigen. Op een aantal plaatsen slaat de schrijver de plank duidelijk mis of trekt hij wel erg voorbarige conclusies. Op basis van welke argumenten een uitspraak als de volgende gedaan kan en mag worden, is mij een raadsel: ‘Binnen tien jaar tijd werden 2000 à 3000 handwerkslieden in Tilburg overbodig, omdat vijf à zes grote fabrieken textielmachines gingen installeren’ (blz. 99). De juistheid van de op blz.118 gedane uitspraak ‘mede door de onderlinge concurrentie ... daalde de kostprijs van de Tilburgse stoffen’ durf ik ook stellig in twijfel te trekken. Het is weinig passend om op elke slak zout te gaan leggen. Ik noem deze zaken om aan te geven dat met de kortere hoofdstukken, die de sociale en economische ontwikkelingen beschrijven, een smet geworpen wordt op de kwalitatief veel betere hoofdstukken waarin de techniek beschreven wordt. Ik durf zelfs stellen dat de auteur er beter aan had gedaan zich tot het laatste te beperken.

Tot slot moet me nog iets van het hart dat een wrange nasmaak bij me achterliet. Velen beschouwen de periode vanaf 1945 - of in andere gevallen vanaf 1960 - als een periode die door geschiedschrijvers beter niet bestudeerd en beschreven kan worden omdat de ‘tijd voor historische reflectie’ nog ontbreekt. Dat deze stellingname in een aantal gevallen juist is, heeft onder andere Van Gorp met zijn voorlaatste hoofdstuk bewezen. Hij was uit hoofde van zijn functie - docent aan de Hogere Textielschool - actief betrokken bij het verdwijnen van de wolindustrie uit Tilburg. Zijn beschrijving van deze voor hem treurige episode getuigt steeds van een ‘parti pris’: de fabrikanten hebben gedaan wat ze konden doen en de schuld voor de ondergang ligt bij de arbeiders. Een onderzoek waarin op basis van een sociologische invalshoek het proces van verval en ondergang van de Tilburgse wolnijverheid op een ‘kritische’ manier bekeken wordt, wordt als ‘ontegenzeglijk marxistisch’ (blz. 196) afgedaan. De manier waarop aldaar (= blz. 195/233) een stuk recente geschiedenis geschreven wordt, is eerder ‘polemiek’ te noemen. Mijn negatieve uitlatingen wegen niet op tegen het positieve dat in dit boek aangetroffen wordt. Niemand die zich met het Tilburgse verleden bezighoudt, kan om dit boek van Van Gorp heen. Maar het gemis van een goede beschrijving van de sociaal-economische situatie blijkt ook hier weer manifest. Laat ons hopen dat de subsidiegevers, zoals die op blz. 335 genoemd worden, ook dan van de partij willen zijn. 

P.J.M. van Gorp, Tilburg, eens de wolstad van Nederland. Bloei en ondergang van de Tilburgse wollenstoffenindustrie, Eindhoven, 1987, 335 blz.; ISBN 90 6404 0192; prijs ƒ 45,-.