Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
370. Van de hoed en de rand, een repliek
 

Titel:   

Van de hoed en de rand, een repliek

Ondertitel:   

   

Auteur:   

B.J. van Spaendonck 

Jaargang:   

XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina´s:   

98-99

“You should learn not to make personal 
remarks,” Alice said with some severity: “it is 
very rude.” The Hatter opened his eyes very 
wide on hearing this.” 
(Lewis Caroll, Alice’s adventures in 
wonderland: A mad tea-party). 


De eerste kennismaking van C.G.W.P. van der Heijden met de auteur van In de wol geverfd lijkt hem, afgaande op zijn recensie, slecht bevallen te zijn. Dat zou in 1984 geweest zijn. Intussen zijn we sinds L.A. vier Olympische zomerspelen verder, zodat zelfs bij een historicus enige vervaging kan optreden. De “hevig geëmotioneerde man”, die hij in de ouverture van zijn recensie ten tonele voert, was niet degene voor wie hij hem houdt, doch de toenmalige secretaris van de Vereniging van Katholieke Werkgevers in de Textielnijverheid. De Vereniging van Tilburgse Fabrikanten van Wollen Stoffen was inmiddels opgeheven en de archieven van die organisatie aan de “rechtsopvolger” toevertrouwd. De mededeling “het was aan mr. B.J. van Spaendonck te zien, dat hij allerminst gelukkig was met mijn aanwezigheid” steunt dus – ook volgens de toenmalige archivaris Frank Versteden – niet op een feitelijke waarneming van Van der Heijden, die zich gelukkig mocht prijzen met de medewerking die hij ondanks aanvankelijke aarzeling toch verkreeg. Reserves bestonden er natuurlijk wel. Op de eerste plaats op grond van de ervaring, dat de raadpleging van de archieven dikwijls uitliep op de onderbouwing van een vooringenomenheid van de scribent. Bovendien vormden de in die tijd nogal eens voorkomende verzoeken tot raadpleging van de archieven een belasting van de archiefbemanning, een argument dat door drs. Paul van ‘t Hooft, toen secretaris van het Bureau en zelf Utrechts historicus, in die periode in een brief aan een andere aanvrager ook als reden werd aangevoerd om geïnteresseerden te verzoeken de opzet van hun onderzoek en een aanbeveling van een hoogleraar over te leggen.

“Schoenmaker, blijf bij je leest!” lijkt Van der Heijden mij voor te houden. Het ware beter geweest, indien deze studie ondernomen ware door een historicus, die van de hoed en de rand weet, in plaats van door een jurist, die niet op de hoogte is “van elementaire spelregels” van het historisch onderzoek. 
Die opvatting wordt door Van der Heijden onderbouwd met een aantal aantijgingen en insinuaties, die ten slotte tot zijn conclusie voeren, dat de academische commissie het manuscript ten onrechte heeft aanvaard als proefschrift. Die promotiecommissie was als volgt samengesteld:
prof. dr. W.A. Arts; leeropdracht: algemene en theoretische sociologie
prof. dr. E.J.J. Schenk; leeropdracht: industriebeleid 
prof. dr. K.F.E. Veraghtert; leeropdracht: sociaal economische geschiedenis
prof. dr. A.A.L.G. Wentink; leeropdracht: management van productiviteit en kwaliteit van en in organisaties.
Hun oordeel en dat van de promotor, prof. dr. H.F.J.M van den Eerenbeemt, heeft meer relevantie dan de uiteenzetting over de aanpak die Van der Heijden zou hebben gevolgd, indien hij zich aan dezelfde studie had gezet. Het is natuurlijk maar de vraag, of een historicus zich snel – naar het voorbeeld van Gabriël van den Brink – de kennis van zaken kan eigen maken met betrekking tot “association management”, arbeidsvoorwaardenbeleid, sociale zekerheid, handelspolitiek, ondernemersovereenkomsten en regionale ontwikkeling. Op deze terreinen, die centraal staan in het proefschrift met de ondertitel De Tilburgse wollenstoffenindustrie vanuit de optiek van een lokale ondernemersvereniging (1896-1940), heb ik door jarenlange betrokkenheid en studie de nodige expertise opgebouwd. 
Overigens vormt mijn promotie geen bekroning van een studie als historicus. Noch de toelating van de Rector Magnificus noch de verleende doctorsbul rept daarover. Daaruit citeer ik: “Krachtens een wijs besluit van onze illustere voorgangers is bepaald dat zij, die in enige wetenschap zijn afgestudeerd en een academisch proefschrift hebben voltooid, een eervol getuigschrift kunnen verkrijgen ten bewijze van hun inspanningen en verworven kennis.” 

Ik heb blijkbaar vooral de gramschap van C. van der Heijden gewekt met de wijze van vermelding van verschillende auteurs. Het was juist mijn bedoeling vooral de geraadpleegde schrijvers over de Tilburgse wolindustrie aan hun trekken te laten komen. Het is jammer dat enkele onvolkomenheden zoveel nadruk moeten krijgen.

Het gegeven dat ik als 75-jarige promovendus niet nog een aantal jaren aan een proefschrift kan besteden, maakt het nog niet tot een “haastklus”. Ik ben ruim vier jaar nagenoeg full time met het onderzoek dat uiteindelijk resulteerde in dit proefschrift, bezig geweest. Dat Van der Heijden pas kort geleden van mijn bezigheid hoorde, lijkt een wat vreemd argument voor de kwalificatie “haastklus”. Bovendien was mijn opzet aanvankelijk niet een proefschrift het licht te doen zien. Een “haastklus” werd het pas bij de afwerking van het geschrift, waarvoor het tijdschema vaststond; toen traden computer-technische problemen op, die door mij – die wat dit betreft op enige ervaring kan bogen, maar niet in alle opzichten van de hoed en de rand weet – maar ook door deskundigen niet geheel onder de knie gekregen werden. Tot mijn verdriet zijn aldus in de tekst een aantal storende fouten blijven staan en zelfs na eerdere correctie teruggekeerd.
Wat betreft de slotvraag van Van der Heijden: “Heeft hij nu echt wat te verbergen?” , ik nodig hem uit dit nader te onderzoeken in de archivalia van de Vereniging van Tilburgse Fabrikanten van Wollen Stoffen, die door toedoen van ondergetekende onlangs zijn overgedragen aan het Gemeentearchief.