Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
382. De Rijks-HBS ‘Koning Willem II’
 

Titel:   

De Rijks-HBS ‘Koning Willem II’

Ondertitel:   

Plannen, stichting en eerste jaren

Auteur:   

G.H. Franssen

Jaargang:   

VIII (1990) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur
N.B. Herdrukt in maart 2003, Vincent van Gogh in Tilburg (1866-1868), p. 14-24

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

42-52



Thorbecke's wet van 2 mei 1863, die de hbs introduceerde, was een van de vele vernieuwingen van de staatsman, die Nederland zouden voorbereiden op de eisen van de moderne samenleving ter vervanging van de zelfgenoegzame maatschappij van voor 1850.
Het voortgezet onderwijs was tot dan toe nauwelijks gereglementeerd. De Latijnse school, het latere gymnasium, beperkte zich tot Latijn en soms Grieks, vaak enige geschiedenis en aardrijkskunde en de beginselen van de wiskunde. Ze was bedoeld als voorbereiding tot wetenschappelijk onderwijs, niet tot functies in handel en industrie. 

Sommige Latijnse scholen bezaten sinds 1838 Tweede Afdelingen die hbs-achtige trekjes vertoonden, maar hun niveau was te uiteenlopend en vooral hun aantal te gering. Daarnaast was er een groot aantal zogenaamde Franse scholen, waar na de lagere school iets aan moderne vreemde talen en wiskunde werd gedaan. Maar door hun geringe niveau en hun uiteenlopend aanbod konden deze scholen geen rol spelen in de economische vernieuwing.

De situatie in Tilburg

Anders dan een twaalftal andere Brabantse plaatsen bezat Tilburg geen Latijnse school. Er waren vier openbare en vijf bijzondere lagere scholen. Wie verder wilde, kon in de stad zelf alleen naar de in 1850 gestichte Normaalschool (kweekschool) van de fraters om frater-onderwijzer te worden. Daaraan was sinds 1854 een kleinseminarie verbonden, een zeer klein instituut, dat uitsluitend bedoeld was voor de opleiding van toekomstige paters van de door Zwijsen gestichte fraterscongregatie.
Wel had Tilburg een Franse school annex kostschool met ongeveer 120 leerlingen. Ze stond later bekend als de school van Chr. L. Borsten, een bijzondere school gesubsidieerd door de gemeente.
In oktober 1868 nam de stad de school over ‘met het oog op de verbetering van het onderwijs’, mogelijk omdat de gemeente voor de aandrang van het rijk bezweek om een betere voorbereiding op de rijks-hbs mogelijk te maken en om op die manier aan de verplichting tot het stichten van een tweejarige burgerschool, een soort ulo, te ontkomen. De latere gemeentelijke mulo in de Langestraat, sinds 1968 geïncorporeerd in de Rijksscholengemeenschap ‘Koning Willem II’, was de voortzetting van ‘de school van Borsten’.

Plannen

Dat Tilburg een hbs moest krijgen, driejarig of vijfjarig, stond voor Thorbecke vast. Op een eerste lijst van gemeenten ‘welke in aanmerking behooren te komen voor hoogere burgerscholen’ staan voor Noord-Brabant vermeld: ‘s-Hertogenbosch vijfjarige cursus, Breda, Bergen op Zoom, Tilburg, Eindhoven en Grave driejarige cursus. Bij Tilburg staat de aantekening ‘met eenige uitbreiding ten behoeve van het fabriekswezen; gemeenteschool met rijkssubsidie’.
Een latere lijst noemt als geplande rijksscholen: 's-Hertogenbosch driejarig, Tilburg vijfjarig, Helmond driejarig, en als gemeentescholen: Breda en Eindhoven, driejarig.
In juli 1863 verzond Thorbecke brieven naar achttien steden die in aanmerking kwamen voor vestiging, waaronder Tilburg, ‘dat zich in de laatste jaren meer en meer heeft ontwikkeld, en waar vooral het fabriekwezen eene aanzienlijke uitbreiding heeft erlangd... Te meer daar thans in uwe gemeente geen inrigting van onderwijs aanwezig is waardoor ook slechts eenigermate in die behoefte wordt voorzien’.

Intussen hadden enkele Brabantse plaatsen al uit eigen beweging gereageerd: Bergen op Zoom en Grave vroegen in juni om een hbs, Veghel zou op 20 augustus volgen en Eindhoven op 5 september. Behalve Veghel bezaten deze plaatsen Latijnse scholen, met een of twee leraren en gemiddeld nog geen tien leerlingen.
Thorbecke’s brief werd na beraad op 29 juli 1863 van burgemeester Suys en wethouder van onderwijs J.H.A. Diepen (1) aan de orde gesteld op de raadsvergadering van 8 augustus. Deze besloot B en W te laten overleggen met de schoolcommissie over ‘de plannen tot inrigting van scholen voor het onderwijs in kunsten en wetenschappen’.

Op 22 oktober bracht Diepen aan de raad verslag uit van zijn contacten met de inspecteur van het middelbaar onderwijs, dr. J. Bosscha (2), en Thorbecke zelf. Bosscha wist op 29 september al aan Thorbecke te melden dat er kans was het paleisje van Willem II te verkrijgen als schoolgebouw. Als Diepen daarvan al op de hoogte was, heeft hij het zorgvuldig geheim gehouden. Op 1 oktober 1863 was Thorbecke in Tilburg bij gelegenheid van de opening van de spoorlijn Breda-Tilburg, en mogelijk is er toen ook contact geweest tussen de minister en Diepen over de school. In ieder geval besloot de gemeenteraad op 22 oktober een verzoek in te dienen tot verkrijging van een hbs, maar hij weigerde een besluit tot stichting te nemen.

Thorbecke liet op 7 november nogal bits weten dat Tilburg niet erg meewerkte; hij kon een verzoek pas overwegen als de gemeente een gebouw beschikbaar stelde en zou, indien dat niet gebeurde, andere plaatsen voor laten gaan. Op 19 november zeiden B en W toe moeite te zullen doen het paleis van Willem II als schoolgebouw te verkrijgen en op 25 november beloofde Thorbecke een rijks-hbs te stichten, mits het paleis beschikbaar zou komen.
Daarop richtten B en W zich op 30 november tot de erfgenamen van de koning met de bedelbrief: ‘niet in staat zelf een gebouw te financieren zien ze om naar een geschikt verblijf, en het enige dat ze kunnen vinden, is het leegstaande paleis.’ De school werd wel gewenst, zo lijkt het, maar geld mocht ze in geen geval kosten.

Zuinigheid zal ook de reden geweest zijn waarom Tilburg er niet over gedacht heeft een gemeente-hbs te stichten. In Maastricht zijn begin 1864 raadsdiscussies gevoerd over de vraag of de hbs daar rijks- of gemeenteschool zou worden.
De Tilburgse raad besprak op 26 juni 1864 in een besloten vergadering een rapport dat aan de Maastrichtse raad was aangeboden door een commissie uit zijn midden en dat de overwegingen uiteenzette. De Tilburgse notulen spreken van een omslachtig rapport, dat na weinig overleg en zonder conclusies te trekken voor kennisgeving werd aangenomen. Bemoeizucht met een rijksinstituut door de Tilburgse commissie van toezicht en ergernis daaromtrent bij o.a. de inspectie blijken later natuurlijk toch.

Het gebouw

De erfgenamen van Willem II stonden het paleis af op voorwaarde dat de hbs erin gevestigd zou worden en met de wens dat ze Willem II zou heten. Bosscha had daarvan zekerheid op 13 april 1864 blijkens een brief aan Thorbecke. Een eventuele verkoop van het paleis zou niet verwonderlijk zijn geweest; al geruime tijd was het Koninklijk Huis bezig de Tilburgse bezittingen af te stoten. De afstand om niet geschiedde wel om een cultureel doel te dienen en om de stad van Willem II ter wille te zijn.
Het ontwerp-contract dateert van 4 augustus 1864. In de raadsvergadering van 24 augustus passeerde het niet zonder opmerkingen. Veel raadsleden (namen worden niet genoemd) hadden bezwaar tegen de in het contract opgenomen bedongen afsluiting, een muur met daarop te plaatsen een hek, die voor de gemeente aanzienlijke kosten tot gevolg had, maar ze zagen wel in met het oog op de schenking van paleis, erf en ‘plaisiertuin’ moeilijk een ander voorstel te kunnen doen.
De schenkingsakte werd gepasseerd in september en op 6 december 1864 verscheen het Koninklijk Besluit dat ‘eene Rijks hoogere burgerschool van vijfjarigen cursus in de gemeente Tilburg zal gevestigd zijn en den naam zal dragen: Rijksschool Willem II’. Op 31 december droeg de stad het gebouw over aan het rijk.

Het gebouw van de Rijks-HBS Koning Willem II in 1892. 
Thans paleis-raadhuis (coll. RHC Tilburg).


De stichting was er, nu nog de verbouwing, de leraren en de leerlingen. De verbouwing nam het hele jaar 1865 in beslag, en nog langer. Aan het interieur viel een en ander te veranderen: een trappenhuis werd aangebracht tussen de bel-etage en de verdieping, waardoor de grote zaal van ruim zes bij twaalf meter in drieën werd gedeeld en verdween. Enkele binnenmuren vervielen, andere werden nieuw opgetrokken. In het oog vallend is de vervanging van de ronde ramen in de bovenverdieping door rechthoekige, en het aanbrengen van een zolder. Aan de noordzijde van het paleis werd binnen de nieuwe omheining een gebouw neergezet waarin het gymnastieklokaal en het scheikundelokaal met de laboratoria werden ondergebracht. Nog in februari 1866, toen de eerste lerarenvergadering al had plaatsgehad, werd er gewerkt, o.a. aan de verbouwing van de tekenzaal.
Was de verbouwing in handen van de aannemer Blomjous, de levering van meubilair en hulpmiddelen berustte bij de afdeling van Waterstaat te Den Bosch. Verliep de eerste niet al te vlot, over de tweede schrijft Bosscha in maart 1866: ‘de heeren van den Waterstaat schijnen gewoon te zijn aan langzaam werken, en niet dan door krachtigen aandrang tot spoed te bewegen.’

Directeur en docenten

Tegen het einde van 1865, toen het ernaar uitzag dat de verbouwing van het paleis tot school het einde naderde, werden serieuze pogingen gedaan leraren aan te trekken. Er werd terdege rekening gehouden met de plaatselijke verhoudingen, en met name voor het zuiden van het land werden zoveel mogelijk leraren gezocht die katholiek waren. Bosscha beval bijvoorbeeld Huijsmans aan bij Thorbecke met de woorden: ‘Door godsdienstige gezindheid is hij meer dan anderen geschikt de bevolking van Tilburg en Brabant vertrouwen in te boezemen voor de school.’

Het zwaartepunt van een hbs lag bij de natuurwetenschappen en de wiskunde; uit leraren in die vakken werden ook liefst de schoolleiders gekozen. En in die sector schoten de katholieken met hun seminariecultuur en hun aversie tegen de materialistisch genoemde en als gevaarlijk voor het geloof geschuwde natuurwetenschap tekort. Vandaar dat gezocht werd in Duitsland, waar in de Rijnstreken blijkbaar wel voldoende katholieke natuurwetenschappers te vinden waren, met als gevolg dat van de zeven hbs’en in Brabant en Limburg er vier geleid werden door Duitse wis- en natuurkundigen: Maastricht, Roermond, Venlo en Breda, terwijl in Den Bosch de Nederlander geworden Lamers uit Maastricht werd benoemd. Alleen Tilburg en Helmond kregen een geboren Nederlander als directeur, die in Tilburg overigens in 1868 en in 1873 werd opgevolgd door een Duitser.

De eerste sollicitanten naar de Tilburgse hbs meldden zich, toen de school nog niet officieel was gesticht. Dr. F.H.A. Wolters te Den Bosch solliciteerde op 6 september 1864 naar het directoraat van de eerlang te Tilburg te openen hbs. De merkwaardigste sollicitatie kwam op 18 januari 1865 van mr. Gerrit Rinse Voormeulen van Boekeren, notaris te Stadskanaal, kandidaat in de letteren, die een leraarsbetrekking aan de Tilburgse hbs wilde. Hij was het leven in Stadskanaal zo moede, schreef hij, dat hij naar Zuid-Afrika zou zijn vertrokken als zijn familie hem niet had tegengehouden. Tilburg leek hem een voor de hand liggend alternatief.

Dr. F.H.A. Wolters (Maastricht 1819-Den Bosch 1872) was leraar klassieke talen en conrector aan de Latijnse school te Den Bosch. Hij vroeg in 1863 om een aanstelling als inspecteur van het middelbaar onderwijs, in juli 1864 om het directoraat van de rijks-hbs te Roermond en toen dat op niets was uitgelopen, op 6 september om het directoraat te Tilburg. Dat herhaalde hij op 19 november 1865, weer vergeefs. Ook zijn sollicitatie naar het directoraat van de op te richten rijks-hbs te Den Bosch liep op niets uit.
Van zijn sollicitatie in september 1864 stelde hij Tilburg op de hoogte. Op 30 september arriveerde zijn adres waarin hij de medewerking van het Tilburgse gemeentebestuur vroeg. Per omgaande riep burgemeester Suys zijn raad bijeen, ‘aangezien het van zeer veel belang is om teneinde de school te doen bloeijen iemand aan het hoofd derzelve geplaatst te zien die daartoe de noodige geschiktheid bezit.’ In de besloten vergadering van 1 oktober 1864 werd eenparig het voorstel aangenomen de adressant gunstig aan te bevelen aan de minister. Zo trachtte het stadsbestuur zonder een gemeente-hbs te willen toch invloed uit te oefenen op het benoemingsbeleid. Dat gebeurde ook bij Fengers ontslag in 1873, met als gevolg zowel ergernis als hilariteit in Den Haag.

Bosscha oordeelde anders dan het gemeentebestuur. ‘Voor deze betrekking schijnt de Heer Wolters, wegens zijne persoonlijke hoedanigheden ongeschikt’, tekende hij aan op zijn lijst van docenten die in aanmerking kwamen voor Tilburg. Op deze lijst, door Thorbecke zelf van aantekeningen voorzien, vermeldt Bosscha de naam Fles nog niet; ze dateert dus van voor november 1865. Ze begint met dr. F. van Calker en L. J. Steyns, de eerste als leraar natuurwetenschappen, de tweede als leraar Nederlands, geschiedenis en aardrijkskunde. Beiden zijn geschikt voor de betrekking van directeur volgens ingewonnen inlichtingen, maar Bosscha gaf de voorkeur aan Steyns gezien diens rijpere leeftijd en grotere ervaring in het onderwijs. Van Calker was op dat ogenblik 24 jaar, en had sinds 1860 ervaring als assistent en lector in het hoger onderwijs, eerst in Bonn, later in Berlijn en sinds 1864 in Leiden. Steyns was 45 jaar, en leraar eerst aan het Koninklijk Atheneum en later de gemeente-hbs in Maastricht. Dat Van Calker, achter wiens naam Thorbecke het woord directeur doorstreepte, gezien zijn prille leeftijd niet als schoolleider benoemd werd, is waarschijnlijk te betreuren; mogelijk heeft ook zijn Duitse nationaliteit een rol gespeeld. Uit wat van hem bekend is, spreekt een grote zorg voor het onderwijs en een goed inzicht in menselijke verhoudingen. Fles’ opvolger Fenger, ook een Duitser, was nog geen 28 jaar toen hij in Venlo directeur werd, en pas 29 bij zijn benoeming in Tilburg. Zijn voornaamste opponent werd Van Calker!

Een ander tweetal uit wie te kiezen viel, waren de leraren Duits Joseph Frantzen, die in Kleef woonde, en Johan Carl Friedrich Okon (Wesel 1820-Rijen 1898), een Duitser die sinds 1854 in Tilburg huisonderwijzer was, o.a. voor Duits, en ook vermeld staat als organist. Bosscha tekende aan: ‘Spreekt vrij goed Nederlandsch’, en Thorbecke onderstreepte ter attentie achter zijn naam de woorden ‘te Tilburg’. Toen Bosscha aan Frantzen de voorkeur gaf, waarom dan ook, vertrok Okon naar de hbs in Zaandam en later naar die van Zwolle. In 1883 meldde hij zich weer voor Tilburg aan ‘met grooten aandrang’, toen Frantzen gepensioneerd werd.

Bosscha liet de functie van directeur in zijn lijst open. Hij noteerde: ‘omtrent de staathuishoudkunde, statistiek, kennis der Nederl. staatsinstellingen en handelsregt kan de ondergeteekende geen voorstel doen. Is dit onderwijs welligt aan een advokaat of regterlijk persoon te Breda op te dragen?’, waarop Thorbecke op de conceptlijst van Bosscha schreef: ‘Directeur mr. Fles, regter in de arr. regtb. te Breda, te belasten met de vakken op de vrg. bl. omhaald.’
Waarom Steyns, die volgens Bosscha later ‘zeer gewenscht had directeur te Tilburg te worden’, afgewezen en Fles wel benoemd werd, is niet duidelijk. Misschien om de hbs van Maastricht niet te benadelen. Fles werd gesignaleerd door Bosscha in een brief aan Thorbecke van 21 oktober 1865. Door ‘den jongen professor Modderman’ werd hem als geschikt leraar voor de vakken geschiedenis, staathuishoudkunde, statistiek en kennis der Nederlandse staatsinstellingen genoemd mr. F.J.A. Fles, die ook kandidaat in de letteren was, een weinig voorkomende combinatie.
‘De Heer Fles is katholiek en geniet in Breda algemeene consideratie.’ De vraag is of hij zijn rechterlijke betrekking zou willen opgeven, maar de kans is er, meent Bosscha, als het salaris op f 2400 bepaald zou worden. ‘Naardien hij, zoo ik verneem, zonder fortuin is, zou hij welligt over te halen zijn.’

Mr. F.J.A. Fles, de eerste directeur van de Tilburgse 
Rijks-HBS Koning Willem II (coll. Willem II College, Tilburg).


Misschien heeft Thorbecke zich zijn oud-leerling herinnerd, die hem een tiental jaren tevoren een brochure toegezonden had met zijn voorstel van en toelichting op een ‘Wets-ontwerp op de regterlijke organisatie en het beleid der justitie.’ Fles kreeg in een schrijven van Thorbecke van 27 november 1865 de uitnodiging directeur te Tilburg te worden, zonder gesolliciteerd te hebben. Het verzoek noemde hij vleiend, de betrekking lachte hem toe, maar er bestond één bezwaar dat hij de minister mondeling wilde toelichten. Welk bezwaar dat was, blijkt niet. Het probleem moet zijn opgelost, want in een brief van 4 december 1865 stelde Fles zich - na een bericht van Thorbecke van 1 december - beschikbaar voor het directeurschap en het leraarschap. Ervaring in het onderwijs had hij intussen niet. Wel was hij sinds mei 1862 lid van de schoolcommissie in Breda, en op 7 september 1865 werd hij benoemd tot schoolopziener voor het lager onderwijs in het 10e district van Noord-Brabant, een functie die hij ondanks bezwaren van Bosscha tot 1870 bekleed heeft.

Zoon van een joodse vader geboortig uit Amsterdam en een katholieke moeder geboren in Parijs werd hij katholiek opgevoed. Hij studeerde rechten en letteren in Leiden, waar hij colleges bij Thorbecke volgde. (‘De man van wien ik geleerd heb, hoe men de Regtsstudie moet beoefenen’, schrijft hij op 4 februari 1866). In 1852 werd hij advocaat in Breda, in 1859 plaatsvervangend kantonrechter en in 1862 rechter aan de arrondissementsrechtbank te Breda. Na zijn korte periode in het middelbaar onderwijs, ‘geëindigd eerst met de door godsdienstige onverdraagzaamheid geprovoceerde ontneming van de Directie en later door de onaangename en valsche positie tegenover mijn opvolger’, vertrok hij naar de Arnhemse rechtbank, vanwaar hij raadsheer werd aan het Gerechtshof in Amsterdam.

Ten slotte ontbrak nog een leraar Nederlands en aardrijkskunde. Steyns, aan wie Thorbecke de voorkeur gaf boven Wolters, weigerde toen hij het directoraat niet kreeg, en evenzo Wolters, om dezelfde reden. Bosscha ried Fles aan zelf te zoeken, maar de 62-jarige Verwayen, rector van het gymnasium te Maastricht, noch Steyns lieten zich overhalen. Steyns, die hoog in Bosscha’s achting stond, exploiteerde in Maastricht een kostschool verbonden aan de scholen voor middelbaar en hoger onderwijs, en typerend voor Bosscha en voor Tilburg zijn diens woorden in een verzoek aan Fles te polsen naar de mogelijkheid voor een dergelijk instituut in Tilburg: ‘Is het gemeentebestuur, dat nog niets voor de school deed, niet te bewegen dergelijke inrigting tot stand te brengen?’

Al die weigeringen noodzaakten Thorbecke en Bosscha de laatste te benoemen die ze wilden benoemen: dr. F.C. Soer, rector te Oldenzaal. Deze had al op 8 mei 1865 gevraagd directeur te mogen worden in Tilburg, ‘den schoonsten werkkring, geheel in overeenstemming met mijn aard en rigting’. In zijn als altijd bloemrijke brief solliciteerde hij niet rechtstreeks, maar liet hij als vaker kamerleden voor hem pleiten. Na veertien jaren toevens in het grijze Oldenzaal ‘snakt ons hart en vooral dat eener teergeliefde gade nog altijd naar Noord-Brabant’.

Nu zijn kansen op het directoraat verkeken waren, probeerde Soer er toch nog iets meer dan een leraarsbetrekking uit te slepen. Eerst liet hij telegrafisch weten voorlopig voor de eer te bedanken; vervolgens wilde hij de betrekking aanvaarden ‘als daaraan met een paar honderd guldens verhooging een vice-directeurschap kan worden verbonden. In dat geval kan de Minister aanstonds over mijne diensten beschikken. Van ter zijde ingelicht dat een en ander te Tilburg ook voor den bloei der school den gunstigsten indruk zou maken, heb ik hoop dat de openingen hieromtrent gedaan tot een gewenscht resultaat kunnen leiden.’ Wie met ‘ter zijde’ werd bedoeld, is helaas niet te achterhalen.

Bosscha meldde aan Fles dat Soer met zijn condities een ongunstige indruk had gemaakt en dat hij hem daardoor misschien bespaard zou worden. Hij had Thorbecke intussen het bericht vernomen te hebben (van wie?) ‘dat ook in Brabant, bepaaldelijk te Breda, de Heer Soer bekend staat als een zoo exclusief ultra-katholijk, dat zijne benoeming aan gematigde Katholijken niet welkom kan zijn’. Hij verwees naar een Bredase episode in 1855, toen Soer voor de rectorsbenoeming aan het gymnasium ‘voornamelijk door invloed van den Heer Pastoor Werden als eerste kandidaat op de voordracht werd geplaatst. Informatiën door den Minister van Binnenlandsche Zaken genomen deden zijne benoeming niet wenschelijk achten.’

In zijn Utrechtse studentenjaren was Soer intiem bevriend met de katholieke emancipator Le Sage ten Broek te Grave. Hij werkte mee aan diens tijdschriften De Godsdienstvriend en Catholijke Nederlandsche Stemmen; van het laatste was hij van 1847 tot 1850 redacteur naast Josué Witz. Beiden gaven het blad een uitgesproken democratisch karakter, kozen partij voor de verpauperde volksmassa’s en sympathiseerden met de gevaarlijk geachte en ‘revolutionaire’ Van Bevervoorde.(3)
Als rector in Oldenzaal had Soer in 1857 de kleine Herman Schaepman onder zijn hoede, voor die zijn studies voortzette aan het seminarie van Culemborg, ‘en misschien was het wel Soer, die zijn leerling begrip leerde hebben voor de democratie en de arbeidersbeweging’.(4)

Soers ‘ultramontaanse’ activiteiten zullen Thorbecke, Bosscha en de chef van de afdeling onderwijs, mr. H. Vollenhoven, de laatste twee zeker geen vrienden van katholieke scherpslijpers, niet hebben aangestaan. De toenemende agitatie van katholieke en ook protestantse cultuurdragers tegen de school die de natuurwetenschappen zo benadrukte, zal hun aarzeling vergroot hebben. Nog in 1877, toen directeur Hülsmann Tilburg dreigde te verlaten en Soer mede solliciteerde naar zijn opvolging, schreef inspecteur Salverda dat Legebeke bepaaldelijk de voorkeur verdiende boven twee andere heren, ‘en vooral boven den heer dr. Soer’.
Maar Thorbecke had in 1866 geen keus, en op 16 januari werd Soer benoemd. Het college was voltallig, de school kon beginnen.

De eerste jaren

Toen Bosscha in augustus 1865 Huijsmans trachtte over te halen tekenleraar aan de Tilburgse hbs te worden, spiegelde hij hem bijna een illusie voor: ‘De Rijksschool Willem II zou dan een centrum voor onderwijs van kunst kunnen worden. Wie weet hoeveel leerlingen gij daarheen zoudt trekken, die zich onder Uwe leiding alleen voor het teekenen kwamen bekwamen.’ En bij zijn aanbeveling aan Thorbecke heet het: ‘Van hem is te verwachten dat hij de Rijksschool tot een centrum van industrieele kunst zal maken.’ Die verwachting, misschien gebaseerd op de vrijheid van inrichting der scholen, aan te passen aan de plaatselijke behoefte, zou niet uitkomen.

Advertentie in het ‘Weekblad van Tilburg’ van 31 maart 1866 (coll. RHC Tilburg).

Fles riep zijn leraren bijeen voor de openingsvergadering van 2 februari 1866. Helaas zijn er uit de negentiende eeuw geen notulen meer voorhanden en evenmin leerlingenregisters. Gezien Bosscha’s adviezen aan Fles hield men zich onder andere bezig met het programma voor de eerste leerjaren en met een huishoudelijk reglement. Omdat de verbouwing nog niet rond was, en er ook nog geen meubilair beschikbaar was, ging ieder weer zijns weegs, hetgeen de kranten tot enig ironisch commentaar verlokte. ‘Het een en ander doet vermoeden dat onze nieuwe school nog in langen tijd niet zal geopend worden’, schreef de Bredasche Courant, tot woede van Bosscha. Ook Thorbecke was ontstemd en liet dat aan Fles weten, maar Bosscha stelde Fles gerust: de minister had ditmaal ongelijk. Bosscha werd langzamerhand echter ook ongeduldig, hij hoopte op opening in maart, en drong ten slotte aan op begin april.
De aanmelding van leerlingen vond plaats op 4 en 5 april, en op 9 april volgde de feestelijke opening. Het verslag daarvan openbaarde al iets van de komende oorlog tegen het instituut dat leerlingen van welke godsdienstige herkomst dan ook wilde onderwijzen in zaken die nuttig waren voor de geïndustrialiseerde samenleving. Tolerantie en natuurkennis schenen gevaarlijk.

In een kort en zakelijk artikeltje berichtte De Noordbrabander van de gebeurtenis. De Provinciale Noordbrabantsche en ‘s-Hertogenbossche Courant bracht op 13 april een verslag. De plaatselijke overheid begaf zich om elf uur naar het koninklijk lokaal, waar zich de inspecteur, directeur en professoren der school, de reeds ingeschreven leerlingen en een talrijk publiek bevonden. Van een aantal gebouwen wapperde de nationale driekleur. Fles’ openingsrede, blijkbaar zeer lang, werd weergegeven, evenals Bosscha’s en Diepens toespraken. ‘s Avonds bracht de Koninklijke Harmonie een luisterrijke serenade; president Verbunt sprak een welkomstgroet, die de directeur met een blijk van aandoening beantwoordde.

Des te merkwaardiger is het ‘feestartikel’ in het Weekblad van Tilburg van 14 april; wel op de voorpagina, maar onder de titel ‘Ingezonden’, als het ware buiten verantwoordelijkheid der redactie. Tussen een lange openingstirade, die erop neerkomt dat de vermogens der aanstaande industriëlen met zorg moeten worden ontwikkeld, wil Tilburg zijn concurrentiepositie behouden, en in een loflied op koning Willem II staat weinig te lezen over de plechtigheid en niets van de toespraken. Wel wordt nadrukkelijk genoteerd ‘waarachtige wetenschap voert tot God, en slechts de waanwijze, de in zonden diep gezonkene zint in zijn hart op ‘t versmaden van God en godsdienst.’ Daar konden de ‘professoren’ het mee doen. En de Tilburgers waren gewaarschuwd.
De lessen begonnen op 10 april, met twaalf leerlingen volgens de ene notitie, of zestien volgens een bericht van Fles aan Thorbecke. Aan het einde van de korte cursus telde de eerste klas, in werkelijkheid een voorbereidende, achttien leerlingen, van wie er drie slechts een of enkele vakken volgden. Er zijn zeventien Tilburgers, en een ‘uit de omstreken’. Elf werden er in juli bevorderd naar de eerste klas.

De beperking tot een eerste klas moet teleurstellend zijn geweest. In januari was er sprake van mogelijke leerlingen voor de derde klas, maar Bosscha liet al weten dat hij aanvankelijk niet veel leerlingen verwachtte. De voorbereiding voor voortgezet onderwijs op de Tilburgse lagere scholen sloeg hij niet hoog aan. Bovendien ontbrak het Tilburg aan instellingen die leerlingen voor de hogere klassen konden leveren, iets waardoor bijvoorbeeld Maastricht van het begin af een volledig aantal klassen telde.

Het jaar 1866-1867, toen Vincent van Gogh in de eerste klas zat, telde de voorbereidende klas twaalf leerlingen, de eerste klas negentien, en er waren vijf leerlingen die slechts een of een paar vakken volgden. Van de 36 woonden er nu 32 in Tilburg en vier in de omgeving. Er worden ook leeftijden opgegeven: de jongsten waren 11 jaar (2), de oudsten 18 of ouder (ook 2); verder waren er vier van 12, zeven van 13, eveneens zeven van 14, zes van 15 en drie van 16 jaar. De oudere leeftijdscategorieën behoorden in het algemeen bij de leerlingen voor een of enkele vakken. De meesten van deze groep zijn in 1867-1868 18 jaar of ouder. De leeftijdsopbouw was volgens Bosscha niet anders dan op andere hbs’en, eerder iets gunstiger.

Uit het ‘Programma van het onderwijs der Rijks Hoogere Burgerschool met vijfjarigen cursus 
Willem II, te Tilburg, 1867-1868’, Vincent behaalt bij zijn overgangsexamen naar de tweede klas 
7,36 punt gemiddeld (coll. RHC Tilburg, Archief Willem II College Tilburg).

Vincents leraren waren Soer (Nederlands en aardrijkskunde), Frantzen (Duits en schoonschrijven), Reinders (Frans), Von Rosenthal en Krecke (rekenen en wiskunde), Van Calker (biologie), Fles (geschiedenis), Huijsmans (tekenen) en Pfaff (gymnastiek). Wapenhandel was voorbehouden aan de hogere klassen! In de tweede klas kwamen daarbij Gomm voor Engels, die al in november vertrok en werd opgevolgd door B. Kouwenbergh, en F.F.A. Eick, de opvolger van Von Rosenthal, voor lijntekenen en een deel van de wiskunde.

In het jaar 1867-1868 (Van Gogh zat in de tweede klas) telde de voorbereidende klas een leerling, de eerste tien leerlingen, de tweede negen. Aanvankelijk waren er meer leerlingen, maar door de verwijdering van twee tegen het einde van het schooljaar en door de verhuizing van Van Gogh in maart 1868 daalde het aantal. Vincent van Goghs vertrek vindt nergens een verklaring. Misschien heeft het iets te maken met het nieuwe en blijkbaar ijzig strenge bewind van directeur Fenger, waardoor Vincent zich niet meer op zijn plaats voelde.

Buiten het genoemde aantal van twintig waren er bovendien 27 leerlingen voor een of enkele vakken; van hen volgden 22 scheikunde, vier tekenen en een Duits. Het aantal dat alleen tekenen volgde, groeide in het jaar daarop tot twaalf.
De leerlingen voor volledig onderwijs bevolkten geleidelijk alle jaarklassen. In 1871 deden de eersten eindexamen. Het totaal aantal leerlingen bleef schommelen tussen 20 en ruim 30, met als dieptepunten 1872 (20) en 1878 (23) en als hoogtepunten 1874 (39) en 1884 (37).

Over de dagelijkse gang van zaken en het verloop van vergaderingen over bevordering en dergelijke zijn van deze jaren geen gegevens voorhanden. De enige woorden die opduiken in de vergaderingen van de Commissie van Toezicht en de correspondentie van Bosscha zijn de positie van Fles en ordeproblemen. Van welke aard deze laatste waren, wordt niet precies duidelijk. De orde in de lessen liet blijkbaar te wensen over bij Krecke en Frantzen, zo blijkt uit Bosscha’s wens naar informatie dienaangaande. Krecke deed beter een ander vak te kiezen, verzuchtte hij. Over wantoestanden in de lessen van Fles blijkt nergens iets.

De gemeentelijke commissie van toezicht, benoemd op 21 augustus 1866, vergaderde voor het eerst op 3 september. Voorzitter was de arts dr. L.Th. Pompe; secretaris was Ign. Mutsaers, fabrikant; leden waren de wijnhandelaar A.F. Verhoeven, W.P.A. Mutsaers, zonder beroep, en A.J. Janssens, koopman. Allen waren katholiek. Voor zover bekend zijn, anders dan bijvoorbeeld te Venlo, nooit niet-katholieken benoemd, hoewel steeds van allerlei zijden, ook in de gemeenteraad, benadrukt werd dat de rijks-hbs niet bedoeld kon zijn voor katholieken.

Op 8 juli confereerde de commissie met de inspecteur. Aan de orde was de vraag naar de oorzaken van de kwijnende toestand der hbs. Allereerst werd als een der hoofdoorzaken genoemd de benoeming van Fles, die geroemd werd als leraar maar gelaakt als directeur. Zijn benoeming werd destijds ongaarne gezien; reeds voor zijn komst was de publieke opinie te zijnen opzichte ongunstig gestemd. Ouders betwijfelden of hij wel bezield was met de hier gewenste geest van godsdienst en tucht. Vermeld werden handelingen tegen de heersende godsdienstzin, weigering leerlingen te verplaatsen (verwijderen?) die zedenkwetsende gesprekken voerden of daden verrichtten en er waren klachten dat leerlingen in hun vrije tijd koffiehuizen bezochten.

Ook de slechte verhouding tussen de directeur en de leraren werd genoemd: autocratisch handelen, gebrek aan tact en vertrouwelijkheid, kleingeestige vitterijen. Afgezien van Fles’ tekortkomingen werden als oorzaken ook vermeld de sociale samenstelling van de Tilburgse bevolking, kortzichtigheid bij velen inzake scholing, en gelovige huiver om kinderen aan een school toe te vertrouwen waarin men ook maar een zweem van rationalisme of materialisme vermoedde.
Veelbetekenend is de opmerking dat een gelukwens aan de leraren wegens de goede uitslag van de overgangsexamens naar school zou worden gezonden, en niet openlijk in het Weekblad van Tilburg zou worden gepubliceerd, ‘omdat dit onder de gegeven omstandigheden minder voorzigtig wordt geoordeeld’.

De kritiek op Fles lijkt in tegenspraak met 'de vaderlijke, gezelligheid uitstralende' figuur die Jan Meyers in hem ziet.(5) In zijn correspondentie met de bioloog en Shakespeare-vertaler dr. L. A. J. Burgersdijk schrijft Huijsmans: ‘Fles is goed, maar het is een advocaat. Gelukkig heeft hij te veel verstand om zich met iets te bemoeijen dat hij niet kent’ (11 april 1867).
Op 15 januari 1869, in een beschrijving van de positie van de hbs-leraren in de Tilburgse gemeenschap, van wie sommigen ‘het voorbeeld geven dat men goed katholijk kan zijn en toch een zelfstandig mensch uitmaken…. Begrijp eens welken indruk de onhandige keuze van Fles als Directeur der H. B. school hier maken moest - die overal en een ieder stootte, zonder dat hij zich daarvan bewust was.’

Docenten en leerlingen van de Rijks-HBS Koning Willem II aan de achterzijde van het gebouw. 
De foto dateert uit de begintijd van de school. De derde van rechts op de voorste rij is vermoedelijk 
Vincent van Gogh (zie ook uitvergroting op blz. 30; Coll. Willem II College, Tilburg).


Na de bespreking tussen de inspecteur en de commissie liet Bosscha Fles zonder meer vallen, en dan stuiten we pas op kritische passages in zijn correspondentie over Fles. Toen deze eervol ontslagen was als directeur maar aanbleef als leraar, en de Venlose directeur dr. Wenceslaus H. Fenger (geboren 1838 te Wevelinghoven bij Keulen) benoemd was per 1 januari 1868, was het zaak Fles uit zijn dienstwoning in het gebouw van de hbs te krijgen. Op dat terrein leverde hij inderdaad passief verzet, hetgeen Bosscha tot de kreet bracht dat de last van Fles voornamelijk lag in de hinderlijke vertoning van zijn weinig ordelijke huishouding; maar geen woord over wanorde in zijn lessen.(6) Evenzo ergerde hij zich aan de diensten die de portier hem bleef bewijzen en aan zijn geit, die van het koninklijk grasveld moest verdwijnen. Fles revancheerde zich door vergoeding te vragen voor de graszoden die op zijn kosten gelegd waren. Fles werd met Soer het zwarte schaap, dat bij elk incident verdacht werd mee te intrigeren. Bij Fengers installatie kon Bosscha niet aanwezig zijn en hij verzocht Huijsmans die taak waar te nemen. Later bleek tot Bosscha’s verbazing dat Fles de introductie op zich had genomen: een slechte winnaar en een nobele verliezer.

In november 1868 werden de leraren, allen lid geworden van de sociëteit Philharmonie, geconfronteerd met de afwijzing van een van hun nieuwe collega’s en traden zij en bloc uit. Er ontstond weer een conflict in de Tilburgse samenleving en een door de leraren opgerichte sociëteit, die bovendien in de concurrent van het Weekblad van Tilburg, de in hoge kerkelijke kringen verdachte Tilburgerbode, een bondgenoot vond. Bij gebrek aan exemplaren van dit weekblad zijn over dit conflict weinig bijzonderheden bekend.

De strijd tussen een instituut dat tolerant wilde zijn, alle gezindten gelijkelijk wilde bedienen, óók de katholieke, en dat verplicht was onderwijs te geven dat niet kwetsend was voor welke geloofsovertuiging ook, en de stad die zich als de meest katholieke stad van Nederland beschouwde, scheen ongelijk. Clerus en pers, en daardoor ook iedereen die in Tilburg wilde meetellen, trachtten de school terug te dringen tot een terrein dat te klein was voor de pretenties van de landelijke overheid: ze zou alleen bedoeld zijn voor de zeer kleine groep niet-katholieken.

De Tilburgse pers bestreed de school furieus, ofwel openlijk, ofwel door uit binnen- en buitenland incidenten op openbare scholen breed uit te meten. Dat de katholieke kerk, die in Tilburg oppermachtig was, zich op de achtergrond zou houden, was niet te verwachten. Het leek onbestaanbaar: een school waarop die kerk geen enkele invloed zou hebben. Inspecteur Bosscha en tekenleraar Huijsmans doelen in hun correspondentie op geruchten en persoonlijke kritiek waardoor leraren en instituut in een kwaad daglicht werden gesteld en waarvan inhoud en woordkeus ons wel moeten ontgaan, evenals op waarschuwingen tegen de hbs vanaf de preekstoel. Een tipje van de sluier wordt opgelicht door de aantekening in het parochieboek van het Heike in april 1866: ‘Registrum memoriale Paroechiae in decem capita distinctum. Caput decimum. Narratio rerum memoratu dignarum. Aprili mense 1866 inaugurata est Rijks hoogere Burgerschool Willem II. A rege Guillielmo II extructum sed non inhabitatum palatium hoc traditum fuerat a familiâ regiâ communitati civili eâ lege ut inserviret instructioni publicae. Magistratus mutatus est aedificium afferens fenestras superiores quadratas loco rotundorum et elevans tectum. Infelix gubernium in electione docentium. Primus director erat quidam Flesch advocatus Bredanus, olim Judaeus nunc Catholicus. Nobis in Votis!’ Vermeld wordt dus de stichting van de school, de verbouwing van het paleis en de weinig gelukkige keuze van docenten. Directeur Fles wordt getypeerd als een Bredase advocaat en als ‘vroeger jood, nu katholiek’. De formule daarna, herinnerend aan Horatius’ ‘hoc erat in votis - dat was wat wij altijd wensten’, kan men moeilijk anders opvatten dan als een uiting van tevredenheid: ‘dat komt ons goed van pas’, het is een mooie aanleiding ter bestrijding. En de aandacht valt allicht meer op ‘vroeger jood’ dan op ‘Bredase advocaat’: een halfslachtige katholiek van verdachte herkomst. 

Fengers opvolger dr. Hülsmann trachtte in 1876, als hij eerder in Breda had gedaan, in ingezonden stukken begrip te vinden voor zijn instelling, met gevolg dat ook De Maasbode gericht vuur begon te geven, nu zelfs door leraren als Fikkert en Pfaff te bekladden.
Dat niet overal zo werd gedacht, getuigt L.J. Rogier. Belangstelling voor de hbs had bij de katholieken lange tijd ontbroken, althans in schijn. In werkelijkheid wemelde het bijna, althans in de grote steden van Holland, reeds voor 1900 op de openbare hbs’en van katholieke jongens.(7)

Genuanceerde oordelen vinden we pas zeer laat, bijvoorbeeld veelvuldig bij J.A. Bornewasser(8), die bovendien de apostolisch bezielde leraren prijst, die geloof, cultuur en vaderland naar best vermogen aan de openbare middelbare school hebben gediend.(9)
Als oud-leerling van een stedelijk gymnasium weet hij waar hij over spreekt.
Het kanonvuur duurde tot na 1880. In 1899 lijkt het rijk met het benoemen van de protestant Dijksterhuis tot directeur na vier katholieke directeuren het hoofd in de schoot te leggen. Daarna legde ook de school zich blijkbaar neer bij de plaatselijk gewenste situatie, en berustte ze in de periodieke waarschuwingen van de kansels, de jubel over exclusief katholieke stichtingen en hun subsidiëring en het stilzwijgen rond het eigen instituut.

De afwijzing moet ook gevolgen hebben gehad voor de emancipatie van de katholieken in Brabant. De toch al aanwezige gettomentaliteit werd nog versterkt. En veel klachten, terecht en ten onrechte, over de achterstelling, die voor een groot gedeelte werd veroorzaakt door ongeschooldheid, zijn terug te voeren op de weigering geschoold te worden. ‘De zogenoemde intellectuele emancipatie van de katholieken in het middelbaar onderwijs is door deze conservatieve stroming lang afgeremd en pas na 1945 op gang gekomen’, aldus J.G.B. de Frankrijker.(10)

Niet alleen orthodoxe en liberale katholieke leraren, maar ook leraren van welke andere overtuiging ook, fijnzinnige en idealistische mensen als zij in het algemeen waren, moeten zich geschoffeerd hebben gevoeld bij de aantijgingen tegen hen ingebracht over ongeloof en zedeloosheid die door hen in de hand zouden worden gewerkt. Bosscha kon in 1869 nuchter melden dat het bepaald en streng verbod der rooms-katholieke geestelijken om kinderen naar de hbs te zenden, tot gevolg had dat enkelen hun reeds aangemeld kind weer terugtrokken. Maar Van Calker schreef in 1873: ‘Dat de overheid aan iedereen van ons dankbaar zal zijn, te meer wij hier in Tilburg een veel moeilijker, met veel meer verdriet en veel minder voldoening verbonden taak hebben dan onze collega's aan andere scholen.’ En de sociaal-voelende Armand Sassen (11) schreef in 1881 bij zijn afscheid: ‘Menigmaal heb ik gedurende dat twaalfjarig levenstijdperk een dronk gedaan uit den lijdenskelk. Grievende miskenningen ontbraken mij niet. Baatzuchtige, onoprechte, onedele karakters, zich voornamelijk openbarende in den onzaligen partijstrijd, onder vaak eerbiedwaardige, maar niet zelden misbruikte leuzen - ik leerde ze kennen, in overvloed.’


Het docentenkorps

Mr. Frederik Jacob Alexander Fles (Breda 1827-Amsterdam 1889) Geschiedenis, staathuishoudkunde, staatsinrichting, handelsrecht. Katholiek. Directeur tot 31.12.1867, leraar tot juli 1869. Was rechter te Breda, wordt raadsheer aan het gerechtshof in Amsterdam. Salaris f 3000 per jaar.

Dr. Friedrich Julius Peter van Calker (Bonn 1841-Groningen 1913) Scheikunde, biologie. Katholiek. Leraar tot 1874. Was assistent mineralogie te Leiden, wordt hoogleraar te Groningen. Salaris f 2400.

Frederik Wilhelm Krecke (Nijmegen 1843-Utrecht 1895) Natuurkunde, mechanica, kosmografie, wiskunde. Nederlands hervormd. Leraar tot 1869. Promoveert in 1867. Was leraar aan de Technische School te Utrecht, wordt Assistent scheikunde in Utrecht. Salaris f 1800.

Ir. Johan Hendrik Louis Anne Ziegenhirt von Rosenthal (geboren Amsterdam 1838) Wiskunde, technologie, rechtlijnig tekenen. Nederlands hervormd. Leraar tot sept. 1867. Was adjunct-ingenieur bij de spoorwegen, wordt leraar aan de rijks-hbs te Zaltbommel. Salaris f 1800.

Dr. Franciscus Clemens Soer (Zutphen 1825-Ginneken 1897) Nederlands, aardrijkskunde. Katholiek. Leraar tot 1891. Was rector van het gymnasium te Oldenzaal. Salaris f 2400.

Jean Maurice Auguste Reinders (Maastricht 1823-Ginneken 1893) Frans. Waals hervormd. Leraar tot 1892. Was leraar aan het gymnasium en de hbs te Leiden. Salaris f 1800.

Frank (Francis) Stuart Gomm (geboren Londen 1841) Engels. Nederlands hervormd. Leraar tot november 1867. Was leraar aan de bijzondere inrichting voor middelbaar onderwijs (instituut van de heer De Vos) te Rijswijk. Wordt leraar aan de hbs te Den Haag. Overleden voor 1891. Salaris f 1800.

Joseph Frantzen (Aken 1815-Oisterwijk 1896) Duits, schoonschrijven, boekhouden. Katholiek. Leraar tot 1883. Was leraar te Kleef. Salaris f 2000.

C.C. Huijsmans (1810-1886) (coll. KMA Breda).


Constantijn Cornelis Huijsmans (Breda 1810-Den Haag 1886) Handtekenen. Katholiek. Leraar tot 1877. Was leraar aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda. Salaris f 1800.

Hendrik Pfaff (Bergen op Zoom 1841-Tilburg 1905) Gymnastiek en wapenhandel. Katholiek (later, in 1880 en 1900: geen kerkgenootschap; in 1890: Oud Roomsch). Leraar tot 1903. Was sergeant-tamboer in het 1e Reg. Inf. te Nijmegen; gymnastiekleraar op kostscholen. Salaris f 600.

Martinus Brooymans (Teteringen 1836-Tilburg 1900). Katholiek. Conciërge tot 1899. Was hovenier, huisknecht, en vervolgens werkzaam bij de gasfabriek te Breda. Salaris f 250.

Hendrik Wessel (Beuel bij Bonn 1826-Tilburg 1896) Amanuensis tot 1891. Katholiek. Salaris f 600.


Bronnen

Algemeen Rijksarchief ‘s-Gravenhage: Thorbecke-archief (onderwijs 1862-1866; correspondentie); Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, vijfde afdeling, onderwijs, 1848-1876; Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, afdeling onderwijs, 1876-1918. 
Gemeentearchief Amsterdam: Bevolkingsregister. 
Gemeentearchief Breda: Archief van de curatoren der Latijnse school; Bevolkingsregister; Collectie dagbladen.
Gemeentearchief Deventer: Correspondentie Burgersdijk.
Gemeentearchief Tilburg: Secretarie-archief 1810-1907 (bestuur; bevolking; onderwijs); Archief van de commissie van toezicht op het middelbaar onderwijs; Archief van de sociëteit Philharmonie; Parochiearchief Heike, 2.08.00.02, nr.1; Programma van het onderwijs te geven aan de Rijks hoogere burgerschool Willem II, schooljaar 1867-1868, v.v.; Bevolkingsregister; Collectie dag- en weekbladen.
Koninklijke Bibliotheek ‘s-Gravenhage: Collectie dagbladen.
Schoolarchief Rijksscholengemeenschap ‘Koning Willem II’: Correspondentie 1865 vv.
Regeringsverslagen van den staat der hooge, middelbare en lagere scholen over 1865 vv., in: Handelingen der Staten-Generaal.
De Economist, tijdschrift ... tot bevordering van volkswelvaart, door verspreiding van eenvoudige beginselen van staathuishoudkunde, Amsterdam, 1868 vv.
Staatkundig en staathuishoudkundig jaarboekje, Amsterdam, 17e jaargang, 1865 vv.

Noten

(1)
Johannes Hendrik Arnold Diepen, 1815-1897; wolfabrikant, lakenhandelaar; wethouder van onderwijs 1851-1892; schoolopziener 1858-1880; bestuurslid van de Kamer van Koophandel 1858-1890; lid van de Provinciale Staten 1862-1886.
(2) Dr. Johannes Bosscha, Breda 1831-Heemstede 1911; assistent natuurkundig laboratorium Leiden 1854; hoogleraar theoretische mechanica Koninklijke Militaire Academie Breda 1860-1863; inspecteur van het middelbaar onderwijs 1863-1873; hoogleraar natuurkunde Polytechnische school Delft 1873; directeur Polytechnische school/Technische hogeschool Delft 1878.
(3) G.A.M. Beekelaar, Rond grondwetsherziening en herstel der hiërarchie. De Hollandse katholieke jongeren 1847-1852. Hilversum 1964. pp. 37-38.
(4) Beekelaar, a.w. p. 37.
(5) Jan Meyers, De jonge Vincent. Jaren van vervoering en vernedering. Amsterdam 1989, p. 72. Zie ook: H.F.J.M. van den Eerenbeemt, De onbekende Vincent van Gogh. Leren tekenen in Tilburg 1866-1868. Tilburg 1972, p. 17.
(6) Vergelijk: Jan Meyers, a.w. p. 78. 
(7) L. J. Rogier, Katholieke herleving. Geschiedenis van katholiek Nederland sinds 1853. ‘s-Gravenhage 1956, pp. 530-531. Zie voor Noord-Brabant: L.J. Rogier, Noord-Brabant gisteren en nu, in: herdenken en herzien. Verzamelde opstellen. Bilthoven 1974, p. 241.
(8) J.A. Bornewasser, Vijftig jaar Katholieke Leergangen. Tilburg 1962, pp. 12-13, pp. 192-193.
(9) Bornewasser, a.w. p. 14. J.G.B. de Frankrijker, De katholieke onderwijzersopleiding. Organisatie en ideologie 1889-1984. Meppel 1988, p. 23. 
(10) Bornewasser, a.w. pp. 196-197. 
(11). Armand Prosper Théodore Sassen, Roermond 1844-Amsterdam 1909, leraar economie, staatsinrichting en handelsrecht 1869-1881. Daarna directeur van de Rijkspostspaarbank. Landelijk actief op sociaal en politiek gebied. In 1870 werd hij lid van het jong-liberale Comité ter bespreking der sociale quaestie. Publiceerde in het Staatkundig en Staathuishoudkundig jaarboekje nr. 23, 1871 , pp. 229-243, een schets van economisch en sociaal Tilburg: ‘Een blik op de nijverheid en den toestand der arbeiders te Tilburg’. Hij stond als adviseur van de oprichters aan de wieg van de Tilburgse Spaarbank. Zie: Geschiedenis van Nederland o.r.v. Verberne en Brugmans, deel 8, 1938; Verberne: Geschiedenis van Nederland in de jaren 1850-1925, deel 2, 1957, p. 142; Brugmans: De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw, Utrecht 1963, 162 vv.


* G.H. Franssen is oud-conrector van de Rijksscholengemeenschap ‘Koning Willem II’ Tilburg. G.H. Franssen schreef met J. de Veer en J. Wolfs een gedenkboek, gewijd aan het 125-jarig bestaan van de RSG KWII, gevierd in september 1990.