| 386. De juiste katholieke moraal en ethiek in handel & industrie | |||
|
Titel: |
De juiste katholieke moraal en ethiek in handel & industrie |
|
Ondertitel: |
Hoe de corporatieve gedachte aan de Katholieke Handelshogeschool te Tilburg werd vormgegeven |
|
Auteur: |
Ton van Zeeland* |
|
Jaargang: |
XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
62-78 |
Het ideaal van een organische samenleving, waar werkgever en werknemer in harmonie konden samenwerken, werd jarenlang door vooral katholieken uitgedragen.
De Katholieke Handelshogeschool in Tilburg vervulde vanaf de oprichting in 1927 een bepalende rol in de concretisering van die idealen. Tot 1950, het jaar waarin de wet op de bedrijfsorganisatie werd aangenomen, was het met name prof. dr. M.J.H. Cobbenhagen die de rooms-katholieke gedachten over de bedrijfsorganisatie stem gaf. Een van zijn collegae, prof. dr. F.J.H.M. van der Ven, speelde een belangrijke rol bij het tot stand komen van de uiteindelijke wet.
Dit artikel (1) beschrijft de ontwikkeling van de katholieke gedachten over de
bedrijfsorganisatie (2) vanaf de pauselijke encycliek Rerum Novarum (1891) tot ongeveer 1950. Hoe werden die katholieke gedachten over de inrichting van maatschappij en economie vormgegeven? De nadruk valt op de tijd rond de oprichting van de Tilburgse Hogeschool en op de periode na de Tweede Wereldoorlog, vanaf de bevrijding van het Zuiden van Nederland. Centraal staan Cobbenhagen en Van der Ven, twee hoogleraren aan de Katholieke Handelshogeschool te Tilburg.

Mgr. prof. dr. M.J.H. Cobbenhagen (1893-1954).
(coll. RHC Tilburg).
In 1950 was met de wettelijke regeling van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie (PBO) het katholieke ideaal om de organisatie van de economie op publiekrechtelijke wijze te regelen tot stand gebracht. Het enthousiasme aan de Katholieke Handelshogeschool was zo groot dat in 1944, net na de bevrijding van het Zuiden van Nederland, in de stad Tilburg een kleinschalig, maar daarom niet minder interessant, economisch experiment werd uitgevoerd.
Rerum Novarum
De katholieke ideeën over de organisatie en structurering van het bedrijfsleven waren voor een belangrijk deel geďnspireerd door twee pauselijke encyclieken,
Rerum Novarum en Quadragesimo Anno. In 1891 schreef paus Leo XIII zijn encycliek
Rerum Novarum. De sociale kwestie werd nadrukkelijk aan de orde gesteld: een "zeer klein aantal machtige kapitalisten, die een bijna slavenjuk hebben opgelegd aan de onafzienbare menigte proletarirs", zoals de paus het
uitdrukte.(3)
Deze pauselijke boodschap leek een antwoord te zijn op de gerezen problemen binnen de kerk ten aanzien van de liberale vrijheid en het opkomende socialisme. De nadruk lag op naastenliefde en sociale rechtvaardigheid, echter met respect voor privé-bezit.
De encycliek, die geschreven was in de geest van het thomisme, een wijsgerige stroming, verkondigde o.a. dat het christendom niet per definitie op gespannen voet hoefde te staan met de (hedendaagse) maatschappij.
Rerum Novarum maakte ook in Nederland grote indruk. De opkomende katholieke arbeidersorganisaties maakten veel en driftig gebruik van passages uit de encycliek. De bisschoppen maanden hun priesters om de woorden van de paus goed te bestuderen. De kerk moest een alternatief voor het liberalisme en de gedachten van de socialisten
ontwikkelen.(4)
Voordat de katholieke clerus doordrongen was van de noodzaak om ook op sociaal gebied actief te zijn, ging er nog wel enige tijd voorbij. De (lokale) geestelijken hadden zich veeleer geďdentificeerd met de hogere klassen, althans veel minder met de arbeidende stand, die de paus op het oog had. Het kwam toch tot de oprichting van de Katholieke Sociale Actie. Hierdoor werden de verschillende activiteiten op sociaal gebied
gecoördineerd. De katholieke zuil kreeg hierdoor een nieuwe dimensie. Langzaam werden de katholieken, ook in de armste gebieden, mondiger. De leiding van de katholieke organisaties bleef weliswaar stevig in handen van de kerk, maar de vooruitzichten van de individuele katholiek waren beter geworden.
De leidende katholieke geestelijkheid deed er alles aan om de ideeën van Rerum Novarum juist in de industriegebieden gestalte te geven en te propageren. Dit werd overigens niet altijd in dank aanvaard door de zich nog met de elite identificerende plaatselijke geestelijkheid en door katholieke fabrikanten. De arbeiders, met name die in de grote steden, werden steeds rumoeriger en stelden hun sociale (en economische) eisen nadrukkelijker aan de orde.
In katholieke kring werd niet alleen gestreefd naar een oplossing voor de maatschappelijke sociale problemen maar ook naar een fundamentelere oplossing. Werkgevers en werknemers, toen meestal arbeiders en patroons genoemd, zouden samen in een organisatie tot overeenstemming moeten gaan komen over bijvoorbeeld de werkgelegenheid, de lonen en de sociale voorzieningen. Een dergelijke structuur diende wettelijk geregeld te zijn net als de organisatie van Rijk, provincies en gemeenten. Deze ordening van het bedrijfsleven werd publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie genoemd. Het was een verzamelterm voor de vele ideeën die er op dit gebied in de maatschappij leefden.
Na het jaar 1918, waarin door Troelstra een mislukte poging werd ondernomen een revolutie op gang te brengen in Nederland, kwam J.A. Veraart in 1919 met het zogenaamde Paasmanifest. Het was een poging om het revolutiegevaar af te wenden en te blokkeren. De sociale problemen, die mede de oorzaak van de onrust in het land waren, konden in de visie van Veraart opgelost worden door per bedrijfstak een ordening aan te brengen waarin werkgevers en werknemers een rol speelden, een vorm van bedrijfsorganisatie die goed paste binnen de katholieke denkbeelden over de PBO. In elke bedrijfstak diende een r.-k. bedrijfsraad te worden opgericht. Hierboven werd, in de ideeën van Veraart, een r.-k. centrale raad van bedrijven
geplaatst.(5) Het manifest was een moeizaam bereikt compromis. Het kreeg weinig aandacht en werd niet al te serieus genomen. Het was wel een exponent van de nieuwe weg die katholiek Nederland was ingeslagen: een halt toeroepen aan het socialisme en afstand nemen van de liberale ideeën. De corporatief georganiseerde maatschappij werd het katholieke antwoord aan de socialisten. Veraart bleef de nieuwe economische ordening stimuleren en uitwerken; hij kreeg daarin steun van katholieke economen. Het organische wereldbeeld dat veel romantische katholieken aanhingen, werd gecombineerd met dat van een industriële maatschappij. De christelijke charitas en solidariteit met de medemens speelden een belangrijke rol bij de introductie van het corporatieve ordeningsprincipe.
Veraart was in de tijd rond de Eerste Wereldoorlog een van de bekendste katholieke propagandisten voor een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Staatsbemoeienis was voor Veraart een vanzelfsprekendheid. Juist door staatsingrijpen konden o.a. arbeiders en ondernemers in een organisatie bijeenkomen en zo de klassentegenstellingen in harmonie oplossen en niet door middel van
strijd.(6) De standsverschillen zelf werden in Rerum Novarum beschreven als onvermijdelijk. Bovendien werd de arbeider voorgehouden dat hij zich niet hoefde te schamen voor zijn armoede: Jezus was immers ook arm geweest. Strijd om de klassentegenstellingen teniet te doen was uit den boze. Problemen dienden in harmonie opgelost te worden. Ondanks de ronkende volzinnen waarmee de nieuwe ordening werd aangeprezen, was de winst voor de arbeidende stand gering. Veraart wenste de inspraak van arbeiders slechts op zeer beperkte gebieden en in zeer beperkte mate. Sommige vormen van invloed van arbeiders waren "onmogelijk" of "ondraaglijk". Er was een beperkte vorm van meebeslissen en christelijke
solidariteit.(7) Dit sloot aan bij de tekst van Rerum Novarum. Een van de belangrijkste doelstellingen van de kerk bleef, volgens de pauselijke encycliek, het bijbrengen aan de arbeiders van vroomheid en liefde voor de "aller gemeenschappelijke moeder, de
kerk".(8) In de katholieke pers viel niet zelden te lezen dat God de standen gewild had en dat het derhalve geen pas gaf ertegen te protesteren of te trachten er iets aan te doen.
In 1921 wilde de Roomsch-Katholieke Staatspartij (RKSP) de totstandbrenging van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in het verkiezingsprogram opnemen. Maar de ondernemers gingen dwarsliggen. Na de ook in sociaal opzicht roerige oorlogsjaren 1917 en 1918 waren de economische vooruitzichten minder goed geworden en konden ondernemers zich meer veroorloven. Bedrijfseigenaren en directies vreesden hun absolute macht als gevolg van de PBO, die ook medezeggenschap inhield, kwijt te raken. Zij wensten geen concessies meer te doen. Na veel gediscussieer en veel publiciteit werd de PBO niet in het verkiezingsprogram opgenomen.
De sterke 'stroming' binnen de RKSP was nog niet sterk genoeg om de Bedrijfsorganisatie in het katholieke verkiezingsprogramma te krijgen. Pas na het verschijnen van de encycliek
Quadragesimo Anno, die het gedachtengoed van Rerum Novarum benadrukte, kon de PBO ook in politiek opzicht meer aandacht krijgen.
In kringen van katholieke wetenschappers waren de bedrijfsorganisatie en de daarmee samenhangende ethisch-katholieke oplossingen voor de sociale problemen een belangrijk studieobject en zaak van voortdurende bespreking. Katholieke economen die bijvoorbeeld aan de liberale Rotterdamse Handelshogeschool hun opleiding hadden genoten, streefden naar de komst van een handels- en economieopleiding op katholieke leest geschoeid, waar zij hun kennis konden uitbreiden en overdragen.
De Katholieke Handelshogeschool
In Tilburg hoopte men, na de vestiging van Mollers Katholieke Leergangen in 1918, ook op de komst van de Katholieke Universiteit. Na rijp beraad en veel discussie kwam die echter in 1923 in Nijmegen. Tilburg kon zich al wel verheugen in het vooruitzicht op de vestiging van een katholieke handelshogeschool.
Aan een katholiek economisch opleidingsinstituut konden de in katholieke kring levende gedachten over de economische ordening bestudeerd en verdiept worden. De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zou vanzelfsprekend een belangrijk object van studie en onderzoek zijn. De katholieke universiteit was er, maar na de oprichting was er een groot tekort aan geld.
De gedachten aan een eigen R.K. Handelshogeschool kregen in 1924 en 1925 weer wat meer perspectief in Tilburg. Er was thans steun van de gemeente te verwachten, zodat er financieel wat meer ruimte kon komen. Er werd al gezinspeeld op toekomstige hoogleraren. Onder de al in eerste instantie 'professorabele' personen bevonden zich de economisch redacteur van de Maasbode H.A. Kaag en zijn studievriend M.J.H. Cobbenhagen. Een van de leden van het curatorium schreef een brief aan Cobbenhagen om hem te polsen en om namen te vragen van personen die hij geschikt achtte om een functie te vervullen aan de op te richten r.-k. hogeschool. Cobbenhagen zou in de hogeschool een centrale rol gaan vervullen.

Het gebouw uit 1924 van de R.K. Leergangen aan
de Bosscheweg (de latere
Tivolistraat) was sinds de oprichting in 1927 tot 1962 tevens de huizvesting
van
de R.K. Handelshogeschool. Foto jaren twintig. (coll. RHC Tilburg).
Martinus Joseph Hubertus Cobbenhagen (9) werd op 10 september 1893 te Gulpen geboren. Hij volgde in Rolduc het gymnasium en deed in 1911 eindexamen alpha. In 1913 ging hij naar het groot-seminarie in Roermond. Al tijdens zijn studie theologie aan het groot-seminarie werd hij in Rolduc benoemd tot docent in dat vak. Op 24 maart 1917 werd hij in Roermond priester gewijd. In dat jaar begon hij met zijn studie aan de 'Nederlandsche handelshoogeschool' te Rotterdam. In 1921, op 27 oktober, behaalde hij zijn doctoraaldiploma economie. Hij werd in Rolduc benoemd tot leraar in de economie en de godsdienstleer. Hij was lid van de commissie die de examens handelskennis LO afnam. Tevens vervulde hij een belangrijke rol bij het vaststellen van de vragen van de examens boekhouden
MO.(10)
Cobbenhagen maakte vanaf het eerste contact met de initiatiefnemers voor de oprichting van een hogeschool duidelijk dat hij een heldere signatuur, vanzelfsprekend een katholieke, wenste en dat die signatuur in een geprononceerde richting vorm moest krijgen. Om op economisch gebied verantwoord te kunnen handelen was (katholieke) ethische scholing
noodzakelijk.(11) Toen al werd duidelijk dat het op te richten instituut de katholieke opvattingen over economische ordening voor het voetlicht zou gaan brengen. Dat was een van de belangrijke argumenten voor de oprichting van een instituut voor katholiek economie-onderwijs.
Voordat Cobbenhagen van zijn superieuren toestemming kreeg om een hoogleraarschap in Tilburg te aanvaarden, verliep er nog enige tijd. In het 'chronologisch verhaal van mijn relaties tot de R.K. Handelshoogeschool te Tilburg', een soort dagboekje over de eerste contacten van Cobbenhagen met de Hogeschool dat voor de testamentaire beschikking van Cobbenhagen bewaard is gebleven, is hij erg duidelijk over zijn idealen en
twijfels.(12) Hij schreef al op de eerste bladzijde dat hij aan zijn vriend Kaag had medegedeeld dat in Tilburg de katholieke ethiek in het centrum van de opleiding geplaatst moest worden. Omdat het curatorium van de Leergangen aan Cobbenhagen om namen van
potentiële docenten had gevraagd, had hij, zonder resultaat,"den geheelen Staatsalmanak af(ge)zocht tot de departementen
toe".(13) Cobbenhagen hechtte veel waarde aan het eigene van een katholieke handelshogeschool. Hij wilde vermijden dat er een kopie van de liberale handelshogeschool te Rotterdam ging komen.
Cobbenhagen werd door de opvolger van dr. H.W.E. Moller, dr. Th.J.A.J. Goossens, voorzitter van het curatorium, uitgenodigd voor een oriënterend gesprek in diens villa te Tilburg. Cobbenhagen was teleurgesteld over het gesprek. Hij vond dat Goossens zich niet voldoende had voorbereid en dat er te weinig interesse was. Cobbenhagen had hetzelfde enthousiasme verwacht dat hij zelf voelde: "...er moet iets goeds komen, Roomsch Nederland mag niet geblameerd
staan."(14) Cobbenhagen besloot na het minder geslaagde gesprek zelf met voorstellen te komen. Hij schreef voor Goossens een rapport waarin hij zijn ideeën uiteenzette. Tevens stuurde hij later zijn artikel 'Ethische problemen in de moderne
onderneming'(15), om zijn opvattingen nog duidelijker te maken. Na nog een bespreking met een vertegenwoordiging van het curatorium van de Leergangen werd Cobbenhagen gevraagd om theoretische economie en balansleer te gaan doceren. In zijn dagboekje spreekt hij de vrees uit geen toestemming te zullen krijgen van de bisschop van Roermond. Na enige verzoeken en wat aandringen kreeg hij toch toestemming om één dag per week naar Tilburg te
gaan.(16) De spanning bracht hem eerst tot wanhoop maar later tot berusting: "ik ben met elke beslissing tevreden, als de zaak maar behandeld wordt voor wat ze is, een groot Roomsch belang, waarbij mijn eigen voorkeur niets
beteekent."(17)
Mgr. prof. dr. M.J.H. Cobbenhagen
(1893-1954) getekend tijdens zijn
internering in het gijzelaarskamp Beekvliet te St. Michielsgestel in 1943,
door de Limburgse pater J. Scheijen (coll. Cobbenhagencollege, Tilburg).
De wording van het nieuwe onderwijsinstituut begon nu vaste vorm aan te nemen. Goossens schreef voor de Bossche bisschop een kanselbrief, die echter door de andere bisschoppen niet geschikt werd geacht ter voorlezing van de
preekstoel.(18) Uiteindelijk verscheen de brief, die gedateerd was op 7 maart, de feestdag van Thomas van Aquino, op 11 maart 1927 in de dagbladpers. De brief was gesteld in hooggestemd proza. Er werd de gelovigen voorgehouden dat er veel geld nodig was om de nieuwe hogeschool van de grond te krijgen. Zij werd door de bisschoppen dermate belangrijk gevonden dat de katholieke bevolking werd opgeroepen om geld te geven om een zogenaamd stamkapitaal bijeen te brengen. "Een grootsche en zeer verantwoordelijke taak is voor deze Hoogeschool weggelegd. Daar moeten niet alleen de juiste beginselen van katholieke moraal en ethica worden onderwezen, maar ook hun practische toepassing op handel en industrie moet daar worden geleeraard....Zoo zal ook deze Hoogeschool een voortreffelijk middel kunnen worden om den vrede van Christus in Christus' rijk te helpen vestigen, verbreiden en
versterken."(19)
Niemand kon na deze woorden nog twijfelen aan de richting van het onderwijs in de economie aan de Tilburgse handelshogeschool.
De katholieke idealen over de maatschappelijke en economische ordening speelden een hoofdrol. De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, als belangrijk concreet doel van die katholieke idealen, zou een centrumpositie gaan bekleden. De nieuwe hogeschool stak van wal met financiële bijdragen van de provincies Noord-Brabant en Limburg, de gemeente Tilburg, de Brabantse en Limburgse kamers van koophandel en nog bijdragen van enkele gemeenten in Noord-Brabant en
Limburg.(20)
Cobbenhagen en zijn collegae-hoogleraren en lectoren lieten nadrukkelijk de ethiek (en moraaltheologie) naast de praktische kanten van de studie aan de orde
komen.(21) Door het onderricht in deze vakken werden de studenten opgeleid tot economen die de katholieke oplossing voor de sociale problemen en spanningen konden helpen benadrukken en toepassen. Zo gaf prof. F.N.M. Weve na het propaedeuse-examen het vak algemene zielkunde, dat als voorbereiding diende voor het kandidaatsvak psychotechniek, dat werd gegeven door drs. J.E. de Quay.

Prof. dr. J.E. de Quay (1901-1985)
omstreeks
1938. (coll. RHC Tilburg).
De in 1901 geboren Jan de Quay promoveerde kort na zijn benoeming bij de Utrechtse prof. F. Roels op de psychologische studie 'Het aandeel der sensorische en motorische componenten in het verloop van leer- en
arbeidsproces'.(22) In deze dissertatie bespreekt De Quay, ook aan de hand van experimenten, dat het voor het verrichten van bepaalde arbeid van belang kan zijn of iemand tot het 'motorische' danwel tot het 'intellectuele' type behoort.
De Quay was een vroom katholiek en hij kon zich ten volle achter de door katholieke wetenschappers en voormannen gepropageerde corporatieve ordening scharen. Daarvan gaf hij ook blijk in het tijdschrift van de handelshogeschool
Economie.(23) Hij schrijft er naast meer vakinhoudelijke artikelen ook propagandistische stukken over de gewenste economische ordening: 'Het doel is de ideeën over een maatschappelijke hervorming, zooals deze is aangegeven in de Pauselijke Encyklieken, te propageeren en te laten doorsijpelen in alle lagen van de bevolking; de menschen te doen begrijpen, dat deze richtlijnen, die aansturen op maatschappelijk herstel - inderdaad gebouwd op een katholieke en christelijke basis - aanvaard kunnen en moeten worden door eenieder, omdat deze katholieke leerstellingen wederom gefundeerd zijn op door eenieder te aanvaarden ethische
normen.'(24) In zijn verslag van het congres van het R.K. Werkliedenverbond merkt De Quay op dat het een vraag blijft of niet-katholieken mee zullen
doen.(25) Dit was een voortdurende zorg voor De Quay. Hij wilde zich niet in de katholieke zuil opsluiten maar veeleer samenwerken met andere zuilen en/of groeperingen. Hij achtte verzuiling in strijd met een organische samenleving te zijn. Hij nam dan ook deel aan de Woudschoten-conferenties, waar plannen ontvouwd werden om de maatschappij te verbeteren door haar te veranderen.

Prof. dr. C.P.M. Romme (1896-1980) omstreeks
1938. (coll. RHC Tilburg).
Naast De Quay werd er een aparte lector voor sociale wetgeving benoemd. Hiervoor werd de Amsterdamse advocaat C.P.M. Romme gevraagd en benoemd. Romme had er nooit een geheim van gemaakt dat hij vond dat het voor katholieken hoog tijd werd om een nieuwe economische orde te initiëren, teneinde het in zijn ogen verderfelijke liberalisme te pareren. De mens moest weer de mens worden die naar Gods beeld en gelijkenis was geschapen, heette het in een van zijn vele
redevoeringen.(26) In zijn 'openbare les' die hij bij de aanvaarding van zijn lectoraat hield, toonde hij zich een waar geestverwant van Cobbenhagen door zich achter de katholieke ideeën van een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie te
stellen.(27)
De Tilburgse docenten waren niet onopgemerkt gebleven. Hun voortdurende propaganda voor een andere maatschappij werd langzaam bekend. Toen H. Colijn in 1937 voor zijn kabinet ministers zocht, werd hij door de fractievoorzitter van de RKSP, C.M.J.F. Goseling, attent gemaakt op De Quay en Romme. Colijn koos Romme, ondanks de afkeer van Colijn voor de veelheid van geschriften en woorden over
'ordening'.(28)
Na 1931 was de PBO in katholieke kring weer sterk gaan leven. In dat jaar was ook de Bedrijfsradenwet in de Tweede Kamer ingediend.
1931 was het jaar van de pauselijke encycliek Quadragesimo Anno die het economisch liberalisme veroordeelde. Dat had immers de verschrikkelijke uitwassen van het kapitalisme toegestaan. Paus Pius XI wilde dat werkgevers en werknemers eendrachtig samenwerkten in een corporatief geordende maatschappij. Werknemers dienden meer te zeggen te krijgen binnen de onderneming waar zij werkten. De Nederlandse grondwet was in 1922 al gewijzigd om de mogelijkheid tot instelling van dergelijke publiekrechtelijke lichamen mogelijk te
maken.(29) Van die mogelijkheid was nog geen gebruik gemaakt.

Bij de opening van het nieuwe studiejaar van
de R.K. Handelshogeschool op 15 september 1930,
vond de ambtsoverdracht plaats van de tot dan toe functionerende
rector-magnificus dr. Th. Goossens
(vooraan 2e van links) aan prof. F. Weve O.P. (vooraan 3e van links). Geheel
links prof. dr. M.
Cobbenhagen; direct achter hem dr. J.E. de Quay. (coll. RHC Tilburg).
Toen Romme de Hogeschool verliet om minister van Sociale Zaken te worden, werd de vacature die hij achterliet, opgevuld door twee personen. Een hoogleraar voor staatsrecht en administratief recht in de persoon van mr. A.L. de Block en een lector voor arbeidsrecht. Hiervoor werd de in 1907 te Tilburg geboren dr. F.J.H.M. van der Ven benoemd. Nadat deze in Tilburg de rijks-HBS had doorlopen, was hij economie gaan studeren in Rotterdam. Hij promoveerde er op het proefschrift 'Over de gemeentelijke zelfstandigheid'. Toen Van der Ven in 1937 bij Cobbenhagen werd geroepen, verwachtte hij dat hij de lector in het Staats- en administratief recht zou gaan worden. Cobbenhagen vroeg hem echter voor arbeidsrecht; Van der Ven was
teleurgesteld.(30)
In zijn openbare les 'Critische inleiding tot de systematiek van het arbeidsrecht' bekeek hij het arbeidsrecht niet op ethische maar op strikt juridische gronden. Het werd door hem ook in dat opzicht te licht
bevonden.(31) Toen hij aan het einde van zijn les de verzamelde studenten toesprak, toonde ook hij zich een voorstander van corporatieve maatschappijordening en hij legde direct verband met de crisis: "De maatschappelijke nooden zijn evenwel zoo groot geweest, dat de directe voorziening daarin door wettelijk ingrijpen noodzakelijker leek dan het rechtens doen ontstaan van corporatieve organen, die zich de rechtsnooden zouden moeten
aantrekken."(32) Nog tijdens zijn lectoraat werkte Van der Ven ter gemeentesecretarie van Tilburg. Hij had er weinig interessant werk en een lage
rang.(33) Hij besteedde zijn tijd, na zijn promotie, aan activiteiten voor het Brabants Studenten Gilde en vooral aan Brabantia Nostra. De laatste organisatie was een regionale vereniging die voor de verheffing van het (achtergestelde) Brabantse volk wilde zorgdragen.
Cobbenhagen en de katholieke wetenschap
De meest bekende uit het Tilburgse hoogleraren- en lectorencorps uit de begintijd van de handelshogeschool was professor Cobbenhagen. Het enthousiasme dat hij tijdens de gesprekken over de oprichting van een katholiek opleidingsinstituut in de economie ten toon spreidde, bleef hij houden. Cobbenhagen werd als de geestelijke vader van de handelshogeschool gezien. Hij was ook degene die in en buiten Tilburg, en dan met name in katholieke kring, gezien werd als de propagandist van de corporatieve maatschappijordening. Cobbenhagen liet geen moment onbenut om de
katholieke(34) oplossing voor de economische malaise te verkondigen. Cobbenhagen was uitgesproken gegrepen door de toepassingsmogelijkheid van wetenschap in de praktijk. Hij wilde een synthese bewerkstelligen tussen de vele ideeën en theorieën die in zijn tijd aanhangers kenden. Cobbenhagen zocht, ook in de op te richten handelshogeschool, naar de "organische samenhang tussen de economische en de zedelijke
orde".(35) De sociale en economische problemen wilde hij oplossen door middel van samenwerking tussen de verschillende sociale klassen. Cobbenhagen wenste wetenschap te bedrijven in katholieke zin. Ten aanzien van de economie betekende dat uiteraard dat hij met name de mogelijkheden van een andere economische ordening in de geest van de pauselijke encyclieken onderzocht. Hij weigerde de meest eenvoudige, star-theoretische, thomistische oplossingen aan te
dragen.(36)

Redevoering van rector-magnificus H.A. Kaag
tijdens de eerste Tilburgse Hogeschooldag op 13
juni 1934. Aan de tafel 2e van links prof. Cobbenhagen. (coll. RHC Tilburg).
Economische ordening, afgeleid uit de pauselijke encyclieken, moest liggen bij de bedrijfsorganen en 'opdat deze organen hun taak kunnen vervullen, moet gewerkt worden aan de opvoeding ener andere mentaliteit'.(37) Hij beschouwde de ethiek en de economie als weliswaar zelfstandige wetenschappen, maar hij verbond daaraan niet de conclusie dat ze daarom ook onafhankelijk konden zijn van elkaar. Hij sloot hiermee nauw aan bij de aan het eind van de negentiende eeuw ontstane stroming van het neo-thomisme. Het werd in de opvattingen van de neo-thomisten van belang geacht dat katholieke ethiek en (economische) wetenschap gekoppeld woeden. In deze visie was zo'n verbinding onvermijdelijk vanwege de steeds verdergaande invloed van wetenschap op de (industriële) ontwikkeling. De scholastieke wijsbegeerte(38) in de geest van het neo-thomisme kon volgens Cobbenhagen de zin en het doel van de schepping achterhalen en eiste derhalve een normatieve wetenschap.(39) Wetenschap kon volgens deze specifieke, katholieke, normen juist of onjuist zijn. Vooral in samenhang met de sociaal-maatschappelijke problemen die gepaard gingen met industrialisatie en de inschakeling van een groot potentieel aan arbeiders, werd gezocht naar een juiste oplossing. Die werd gevonden door, mede in de geest van de encyclieken, een harmoniemodel te presenteren. De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie werd een in economisch opzicht en in de katholieke visie geslaagd model geacht.
Cobbenhagen schreef een grote hoeveelheid artikelen in het Tilburgse tijdschrift Economie. Hij richtte zich niet alleen tot vakgenoten, maar door de thematiek en het taalgebruik ook tot anderen. In het tijdschrift kon hij zijn maatschappijtheorie en -kritiek naar buiten brengen. In een na de oorlog in De Nieuwe Eeuw herdrukt artikel legde Cobbenhagen de katholieke visie duidelijk uit. De nadruk diende te liggen op 'de zedelijke beginselen die de encycliek Quadragesimo Anno de sociale rechtvaardigheid en de sociale liefde noemt' en een economisch systeem diende dááraan te voldoen en óók economisch doelmatig te zijn: de katholieke visie in samenhang met praktische economie. In het artikel gaf hij verder aan waarom het economische leven niet geheel vrij kon zijn, maar dat absolute gebondenheid (staatsdictatuur) ook ongewenst
was.(40) Cobbenhagen ging hier in op de kritiek die er was op de katholieke wensen. Men vreesde voor totalitaire ingrepen op de (economische) vrijheid. De staat kreeg weliswaar invloed op de bedrijfsorganen, maar de staat mocht zijn wil niet op ondemocratische wijze afdwingen, verduidelijkte Cobbenhagen hier.
In een artikel over het kapitalisme schaarde hij zich zonder meer achter de opvattingen van katholieke wetenschappers over de ordening en aanpassing van maatschappij en economische bedrijvigheid. Hij citeert Veraart als hij het (liberale) kapitalisme aanvalt: "Het eenige middel dat in aanmerking komt, om systhematisch en realistisch het kapitalisme in zijn geheel aan te grijpen is de invoering van de publiekrechterlijke
bedrijfsorganisatie."(41) De sociale rechtvaardigheid en de economische mogelijkheden verkeerden voor Cobbenhagen bij voortduring op gespannen voet. Er was immers nog geen systeem van economische ordening ingevoerd dat aan zowel de economische als aan de katholieke sociale waarden recht deed. De economische orde leek voor de Tilburgse hoogleraren een oneindig discussiepunt en altijddurend object van studie.

In het midden prof. Cobbenhagen bij de
aanvaarding van het ambt van rector-magnificus
van de R.K. Handelshogeschool op 19 september 1932. 2e van links prof. Goossens.
Cobbenhagen was rector-magnificus van 1932-1934, 1939-1940 en 1947-1948. (coll.
RHC Tilburg).
Cobbenhagen was een enthousiaste aanhanger van het corporatisme, ook als bestrijding van de economische crisis van de jaren
dertig.(42) Maar toen er overeenkomsten met het in Duitsland opkomende nationaal-socialisme bespeurd werden, verwoordde Cobbenhagen het (katholieke) standpunt: "De beginselen nu, waarvan het Nationaal-Socialisme zijn hogere doeleinden afleidt, zijn voor ons volkomen
onaanvaardbaar."(43) Cobbenhagen had geen banden met radicale (katholieke) en/of fascistische groepen. Dergelijk autoritair-gericht denken was hem vreemd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Cobbenhagen gegijzeld; hij werd tot 1943 gevangen
gehouden.(44)
De "Tilburgse school" onder leiding van Cobbenhagen kreeg in de jaren tussen de wereldoorlogen ook landelijk gezien invloed. Afgestudeerde economen uit Tilburg kregen betrekkingen aan o.a. het departement van Economische Zaken en werkten daar verder in de geest van katholieke opvattingen. Het was in de politieke constellatie van het interbellum in Nederland echter bijna onmogelijk om belangrijke veranderingen door te voeren. De invloed van katholieke economen moet met name gezocht worden in het voorbereiden van de latere wetgeving ten aanzien van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Het bij voortduring benadrukken van de harmonie die tussen "arbeiders en patroons" diende te bestaan, hoe vaag ook op concreet politiek terrein, werd door veel katholieken als een welkom tegenwicht gezien voor de socialistische gedachten over de economie in bijvoorbeeld Het Plan van de Arbeid. Voor veel praktische oplossingen voor de crisis van de jaren dertig konden de ideeën van Cobbenhagen nog onvoldoende doorwerken, omdat de Tilburgse handelshogeschool nog te kort
bestond.(45)
Experimenteren te Tilburg
Begin september 1944 begon de bevrijding van Nederland. De geallieerde troepen kwamen tot aan de grote rivieren. Nederland was gesplitst in een bezet en een bevrijd deel. Zuid-Nederland was bijna geheel bevrijd. De stad Tilburg werd op 27 oktober 1944 bevrijd. Het stemgeluid van Cobbenhagen was spoedig weer te horen in het huis van het Tilburgse studentencorps. Hij hield als vanouds enthousiaste redevoeringen. Cobbenhagen achtte het van belang dat de Hogeschool in Tilburg een belangrijke plaats zou gaan innemen in het wel bevrijde, maar niettemin, ontredderde deel van
Nederland.(46)
In het bevrijde gebied werd de bijzondere staat van beleg afgekondigd, conform het in Londen voorbereide scenario. In Londen had men een korte overgangsperiode voorzien. Het bestuur zou tijdelijk in handen komen van het Militair Gezag. De periode van overgang duurde, vanwege de stagnerende opmars van de geallieerden, echter aanmerkelijk langer dan de periode waar men op had gerekend. Het aan kritiek onderhevige Militair Gezag, stond onder leiding van generaal H.J. Kruls.
Cobbenhagen was vrijwel onmiddellijk na de bevrijding ook maatschappelijk actief. De plaatselijke krant berichtte op 18 november 1944: "In het Tilburgse Paleis-Raadhuis is op dinsdag 14 november door den Burgemeester van Tilburg een Comité voor Maatschappelijke Wederopbouw geďnstalleerd."(47) Tijdens zijn rede ter gelegenheid van de installatie, wees Cobbenhagen erop dat er veel was afgebroken van het oude en dat nieuwe organisatievormen nog niet opgebouwd waren. Hij gaf aan dat men tijdens de oorlog nader tot elkaar was gekomen. Het comité wilde invloed om bepaalde zaken te
veranderen.(48) Het doel van het comité werd omschreven als: "In deze moeilijke overgangstijd een Comité van contact zijn tussen personen uit verschillende maatschappelijke groepen". Het idealisme van voor de Tweede Wereldoorlog was versterkt en aangevuld door de ervaringen tijdens de oorlog. De katholieke idealen omtrent de economische ordening, waar solidariteit en het samenleven binnen bedrijven en bedrijfstakken in een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie gestalte konden krijgen, leken dichter bij realisering dan ooit. Cobbenhagen was voorzitter van het comité, wethouder L. Janssens vice-voorzitter en drs. L. de Mast secretaris. Er werden drie secties opgericht, die elk een deel van het maatschappelijke veld zouden bestrijken. De Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie ging er spoedig komen, daarvan was Cobbenhagen overtuigd. Hij kon echter niet wachten tot het hele land bevrijd was en de reguliere bestuursorganen weer gingen functioneren. Cobbenhagen begon een kleinschalig experiment te Tilburg. Het comité ging het eerste initiatief nemen om een bedrijfsorganisatie tot stand te brengen. Cobbenhagen kon zijn theorieën over de maatschappij(ordening) thans in praktijk beproeven en toepassen. Hij achtte dit een taak van de hogeschool als geheel: "Groeiende is weer het bewustzijn dat de academie niet staat naast en buiten, maar in de maatschappij, een organisch deel van deze, hetgeen consequenties meebrengt voor hoogleraar en student
beide."(49)
Voordat het comité officieel werd geďnstalleerd, was er in de plaatselijke pers al een oproep verschenen. De oproep was ondertekend door ruim vijftig min of meer vooraanstaande personen uit
Tilburg.(50) Door deze brede ondersteuning kon het comité zich verzekerd weten van de steun van het militaire en in opbouw zijnde burgerlijke bestuur.
Het is opvallend hoeveel tijd en energie werd gestoken in de activiteiten van het comité. De gemeentelijke organen functioneerden weer redelijk snel, het Militair Gezag vervulde zijn niet onomstreden taken. Maar het comité vergaderde, maakte verslagen, correspondeerde en kreeg niet zelden invloed of ten minste een voet tussen de deur bij de reguliere en tijdelijke autoriteiten. De activiteit leek een energieke nieuwe start na de oorlog.
Publiciteit werd niet vergeten. De leden van het comité schreven voor kranten en tijdschriften en hielden redevoeringen. Cobbenhagen zelf hield op 29 november 1944 een toespraak voor Radio Herrijzend Nederland, waarin hij de oprichting van het Comité voor Maatschappelijke Wederopbouw bekend
maakte.(51) Cobbenhagen wilde zijn comité niet voor Tilburg alleen houden. Hij wilde in andere plaatsen van bevrijd Nederland ook dergelijke organisaties opgericht zien. Zijn ideeën droeg hij mede uit door publikaties in het weekblad De Nieuwe Eeuw, dat na de bevrijding weer was gaan verschijnen. In de aflevering van 5 januari 1945 verscheen het artikel van Cobbenhagen 'Katholicisme en Kapitalisme'. Cobbenhagen geeft een interpretatie van de encycliek Quadragesimo Anno: "... dat het Katholicisme als levensbeschouwing en levenspraktijk alle gebieden van het menselijk leven zowel individueel en persoonlijk, alsook maatschappelijk bezien, moet omvatten, derhalve ook het gebied dat als het economische wordt aangeduid". Het kapitalisme zoals Cobbenhagen dat zag in grote ondernemingen, werd afgewezen. Het is naar zijn mening onaanvaardbaar voor het katholicisme dat de mens niet meer centraal staat, maar alleen een puur economisch doel is. Dit werd, aldus Cobbenhagen zich aansluitend bij Veraart, voorkomen door economische en sociale
ordening.(52) Net als voor de oorlog bleef Cobbenhagen zijn idealen propageren. Het comité werd zijn spreekbuis buiten de hogeschool. Door middel van het comité kon Cobbenhagen zijn experiment met een nieuwe bedrijfsorganisatie tot stand brengen.
De Tilburgse bevolking werd verschillende keren vanwege het comité toegesproken via de stedelijke distributieradio, Radio Van Boxtel. De nadruk lag in deze toespraken op de aansporing tot samenwerken. De sprekers wilden de Tilburgers vertrouwen schenken in de toekomst. Steeds werd benadrukt dat men in de moeilijke tijd één moest zijn. Dit moest dan wel een eenheid binnen de katholieke (christelijke) leer
zijn.(53)
Comité voor Maatschappelijke Wederopbouw
Het comité voor Maatschappelijke Wederopbouw had drie secties: I: Opvoeding, onderwijs en voorlichting; Sectie II: Economische reconstructie; III: Sociale verhoudingen. Deze laatste sectie was de belangrijkste. Zij trachtte de corporatieve ordening van het Tilburgse bedrijfsleven tot stand te brengen. Naast de secties werd de algemene of centrale leiding, onderscheiden. Die werd gevormd door Cobbenhagen, Janssens en De Mast.
Sectie I vergaderde tienmaal. De hervatting van het onderwijs was de grote zorg van deze sectie. In samenwerking met de gemeente werden beschikbare lokalen en andere faciliteiten geďnventariseerd.
De sectie Economische reconstructie, sectie II, was zesmaal in vergadering
bijeen.(54) Deze afdeling van het comité behandelde vooral het vraagstuk van de voedselvoorziening. De actualiteit speelde een grote rol. Er werd door oplettende leden van het comité ingegrepen als er onnodige publieksonvriendelijke ingrepen in de rantsoenering dreigden. De sectie II organiseerde voor het comité een bijeenkomst met de voedselcommissaris van het Militair Gezag om te vernemen hoe de regelingen en vooruitzichten voor de bevolking waren. Men maakte zich zorgen over de werkgelegenheid en daarom werd een rekest aan de ministerraad gezonden, met kopie aan de chef Militair Gezag en de Nederlandse missie bij de geallieerde strijdkrachten, waarin werd gepleit voor betere en nadere voorzieningen ten aanzien van de energievoorziening en de toelevering van
grondstoffen.(55) De sectie II achtte het uiteraard van groot belang dat de industrie weer ging produceren. Het rekest werd ook verzonden aan de al opgerichte andere comités voor maatschappelijke wederopbouw in Noord-Brabant met het verzoek om adhesie. Er ontstonden na het feest dat de bevrijding was, allerlei moeilijkheden en "dat waren geen theoretische problemen van Cobbenhagen, dat waren de problemen van hoe overleven
wij."(56)
De derde sectie van het comité, 'sociale verhoudingen', werd in aanvang voorgezeten door F. van der Ven. Deze sectie is in dit verband de belangrijkste, omdat door de activiteiten van deze sectie een begin van nieuwe bedrijfsorganisatie binnen Tilburg tot stand werd gebracht. Later speelde de commissie Bedrijfsvrede hierin een belangrijke rol. Er is zeven keer vergaderd door deze
sectie.(57) Van der Ven heeft slechts in het begin een rol gespeeld binnen de vergaderingen van deze afdeling. Al vrij spoedig ging Van der Ven werken voor het Militair Gezag in Eindhoven. Van der Ven beschouwde de 'sociale sectie' vooral als een sectie voor de publiekrechtelijke
bedrijfsorganisatie.(58) De eerste twee vergaderingen waren het meest constructief, latere bijeenkomsten lijken meer op een periodiek vragenuurtje zonder begin of
einde.(59)
Bij de eerste vergadering van de sociale sectie op 21 november 1944, lichtte voorzitter Van der Ven toe wat het bereik van deze sectie moest zijn, namelijk: "sociale vraagstukken uit de economische sector van het maatschappelijk leven". De sectie moest zich vooral bezighouden met sociale aspecten van zaken, waarna de gehele kwestie in een van de twee andere secties van het comité aan de orde kwam. Een van de zaken waaraan de sociale sectie zich diende te wijden, was de vernieuwing met betrekking tot de vak- en standsorganisaties. De vraag die hieraan door de sectie III werd gekoppeld, was of de vakbeweging bij een 'goede corporatieve opbouw van de maatschappij' nog wel bestaansrecht
had.(60) In de vergadering werd de verhouding tussen werkgevers en werknemers belangrijk genoeg geacht om als punt van bespreking te dienen. Ook hierbij werd het tot stand komen van de Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie met nadruk genoemd.
Leden van de sociale sectie namen deel aan de werkzaamheden van de plaatselijke 'corporatieve contact- en studiekring', terwijl deze sectie ook een rol speelde bij de totstandkoming van de commissie 'Bedrijfsvrede', die de arbeidsverhoudingen nader zou gaan behandelen en bestuderen.
Naast de secties en de algemene leiding stelde het comité een aantal commissies in. Deze commissies bestonden voor een deel uit leden van de secties of de algemene leiding, en voor een deel uit niet-leden van het comité voor maatschappelijke wederopbouw.
De commissie herstel onderwijs bracht rapport uit over de situatie en vooral het ruimtegebrek voor het geven van onderwijs.
De commissie voedselvoorziening trachtte te stimuleren dat de distributie van voedsel zo efficiënt mogelijk verliep, terwijl de werkcommissie voorlichting voordrachten in de Tilburgse wijken verzorgde. Deze commissie onderhield, evenals de perscommissie contacten met de plaatselijke pers. Men wenste tot "coördinatie" te komen. Er werden "geen resultaten bereikt, evenredig aan het gepresteerde
werk".(61) De werkcommissie vakopleiding spande zich in om het nijverheidsonderwijs in Tilburg weer op gang te brengen en te verbeteren.
De bioscoopcommissie achtte het van belang dat het medium film "dienstbaar (moet) worden gemaakt aan de culturele en zedelijke verheffing van de
bevolking".(62) Cobbenhagen had het voorzitterschap van deze commissie op zich genomen. De onderwijscommissie legde zich toe op de inhoud van het onderwijs, met het oog op de verbetering van de
samenleving.(63)
De commissie van advies inzake leesbibliotheken was vooral bezorgd over de in de oorlog opgerichte leesbibliotheken, waar alleen was gelet op strijdigheid van het gebodene met de Duitse verordeningen. Of de boeken 'een slechte invloed uitoefenden' werd volgens de commissie minder nauwgezet bekeken. Er waren in deze commissie afgevaardigden van alle religieuze gezindten in Tilburg: drie vertegenwoordigers van de R.K. Openbare leeszaal, de enige openbare bibliotheek in de stad, en een vertegenwoordiger van zowel de Nederlands Hervormde Gemeente als de Gereformeerde
Kerk.(64)
De commissie Bedrijfsvrede
De grootste en in dit verband belangrijkste commissie die door het comité werd gevormd, was 'Bedrijfsvrede'. Deze commissie telde 27 leden. Verschillenden behoorden niet tot het comité. Deze voor Cobbenhagen ongetwijfeld meest essentiële commissie had tot doel, zo bericht het verslag van het comité uit 1946: "werkgevers en werknemers in een rustige atmosfeer bijeen te brengen". De eerste vergadering van Bedrijfsvrede vond plaats op woensdag 21 februari
1945.(65)
Professor Cobbenhagen opende de bijeenkomst en hield een redevoering, waarin hij betoogde dat de vergaderingen van Bedrijfsvrede moesten gaan leiden tot blijvend goede verhoudingen in het bedrijfsleven. Hij gaf aan dat beide partijen, werkgevers en werknemers, naar vernieuwing streefden en dat daarvoor "de goede geest en mentaliteit aanwezig was". Het streven was erop gericht om de goede sfeer te behouden en produktief te maken. Vooraleerst wilde Cobbenhagen zich richten op het Tilburgse bedrijfsleven. Het bedrijf werd aan de toehoorders voorgesteld als een gemeenschap. Niet zozeer een leefgemeenschap maar een werkgemeenschap. Het bedrijf als leefgemeenschap aan te duiden achtte hij middeleeuws, patriarchaal en primitief. Cobbenhagen sloot niet uit dat Tilburg met dit initiatief een voorbeeld voor anderen kon gaan zijn. Dit werd in de tweede vergadering van Bedrijfsvrede nog eens benadrukt "dat nu Brabant ook eens laat zien, dat het iets kan regelen en alzo tot voorbeeld kan dienen aan de rest van het
land".(66) Men wilde meteen beginnen. Omdat de strenge winter toch al wat vertragend had gewerkt, werd besloten elke woensdagavond in vergadering bijeen te
komen.(67) Het enthousiasme kon blijkbaar niet op.(68)
Een van de voorstellen uit de commissie Bedrijfsvrede, was een concept-reglement voor een ondernemingsraad. Tijdens de bespreking van het reglement werd de vraag opgeworpen of zo'n ondernemingsraad wel nut had. In een nieuw-geordende economie waar een PBO tot stand was gebracht, was het kleinste onderdeel immers de bedrijfsraad. Verschillende vragenstellers wilden weten wat de positie van de ondernemingsraad was, gezien vanuit de corporatie en de verhouding tot andere
organen.(69) Op deze vragen kon geen concreet antwoord worden gegeven. De aanwezigen stonden, volgens de verslaglegger, weliswaar positief tegenover de voorstellen om een ondernemingsraad in te stellen, maar achtten het van groot belang de taken van een ondernemingsraad zorgvuldig vast te stellen. Gevreesd werd dat anders de goede verstandhouding tussen werkgevers en werknemers zou kunnen verslechteren. Tevens werd gevraagd, waarschijnlijk door een vertegenwoordiger van de vakbond, om bescherming van het ondernemingsraadslid. De werknemer diende beschermd te worden tegen 'represailles' van de werkgevers. De vertegenwoordigers van de arbeiders uit de textielindustrie herinnerden zich wellicht maar al te goed de machtspositie die de werkgevers sedert lange tijd hadden. Uit deze angst vloeide waarschijnlijk ook het voorstel voort om de werknemer volledige bescherming te geven tegen repressieve beslissingen van de kant van de werkgevers. Hiertoe kon een beroepsinstantie in het leven geroepen worden.
Over de voorstellen voor een Bedrijfsraad voor de Tilburgse wollenstoffenindustrie, was men eensgezinder op de vergadering. De inleider gaf als belangrijkste uitgangspunten met betrekking tot zijn voorstel 'de belangengemeenschap tussen werkgever en werknemer, waarin de onderlinge liefde een overheersende rol moet
spelen."(70) Hij had zich hier ongetwijfeld laten inspireren door de ideeën van vooral Cobbenhagen over de katholieke signatuur van de bedrijfsorganisatie, waarbij ook de economische belangen niet uit het oog werden verloren. In een ongedateerd stuk uit het archief van het comité, worden de liberale maatschappijopvattingen veroordeeld en de katholieke nader
uiteengezet.(71) Op 21 maart 1945 was er al een concept-statuut voor een 'bedrijfsraad voor de Tilburgse wollenstoffenindustrie', dat volgens Cobbenhagen ook wel model kon staan voor andere bedrijfstakken. Als er onvoldoende bedrijven zouden zijn om een eigen bedrijfsraad voor die bedrijfstak in het leven te roepen, werden de belangen van die bedrijven door een Sociaal-Economische Raad (SER) behartigd. Zo'n SER ging als bindend en stimulerend orgaan functioneren. De vergadering keurde het statuut voor de Bedrijfsraad goed. In de statuten werd onder artikel 2, "doel" gesproken over een 'manifestatie enerzijds van de hechte eenheid waartoe in de Tilburgse wollenstoffenindustrie de werkgevers onderling, de werknemers onderling en deze beide groepen met elkaar zijn samengegroeid, en anderzijds van den vasten wil van die eenheid om aan den maatschappelijken wederopbouw van het vaderland in optimalen vorm deel te
nemen'.(72) In het tweede lid wordt gesteld dat de Tilburgse Bedrijfsraad opgericht is om als basis te dienen voor ordening in de Tilburgse wollenstoffenindustrie en om de economische en sociale taak te vervullen, dit alles in afwachting van de 'publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, welke de naaste toekomst ook voor de textielindustrie moge
brengen'.(73) Het leek op een beginselverklaring van Cobbenhagen over de PBO: Cobbenhagen c.s. was er blijkbaar al van overtuigd dat de PBO haalbaar
was.(74) De Bedrijfsraad, die totdat de zo lang gewenste wettelijke en landelijke regeling voor de PBO er was, een privaatrechtelijk lichaam moest zijn, zou o.a. taken krijgen met betrekking tot de registratie van arbeiders, het textielonderwijs, het verzamelen van (statistische) gegevens, het adviseren in lonen, uitbreiding van bedrijven, mechanisatie, en vooral het regelen en vaststellen van de arbeidsvoorwaarden. Er zou een "sociaal-economisch deskundig
persoon"(75) tot voorzitter gekozen worden door de 14 leden, 7 door werkgevers en 7 door werknemers aangewezen. In de vergaderingen van Bedrijfsvrede werden wel vragen gesteld over de onpartijdigheid van de voorzitter. Sommigen dachten dat het nuttig kon zijn om afwisselend een werkgever en werknemer als voorzitter dienst te laten doen. Maar er werd toch ingestemd met het voorstel, omdat een voorzitter ook verschillende kwesties met een "meer wetenschappelijken kant" kon bezien. In de vergadering van 27 maart werd alweer een nieuw concept aanvaard. Het betrof een concept-reglement voor een ondernemingsraad, waar men het over eens was
geworden.(76)
Hoe optimistisch de sprekers op de vergaderingen van Bedrijfsvrede ook waren en hoeveel werk er ook verzet was door het comité voor maatschappelijke wederopbouw, de Bedrijfsraad haalde het niet. De statuten voor de ondernemingsraad werden wel in enige mate gebruikt door de ondernemingen, maar toch was de teleurstelling groot. De statuten voor de Bedrijfsraad werden wel goedgekeurd door het comité, maar verworpen door de Tilburgse
fabrikantenkring.(77) De Tilburgse fabrikanten wensten hun absolute macht over de bedrijven voorlopig niet uit handen te geven door medezeggenschap van arbeiders in een Bedrijfsraad.
De Tilburgse Sociaal-Economische Raad
Cobbenhagen en zijn comité gaven zich nog niet gewonnen. Nadat duidelijk was geworden dat de Bedrijfsraad voorlopig niet gerealiseerd zou worden, zette het comité zich in voor de totstandkoming van een Siciaal Economische Raad (SER) voor de stad Tilburg. De Tilburgse SER zou niet de speciale bevoegdheden krijgen die aan de Bedrijfsraad voor de wollenstoffenindustrie waren toebedacht, maar een meer algemeen karakter hebben. Werkgevers en werknemers van verschillende bedrijven en beroepsgroepen zouden elkaar daar ontmoeten en zonodig regelingen kunnen treffen.
Cobbenhagen ging in september 1945 praten met de leden van de verschillende standsorganisaties. Na twee maanden waren zij het met het comité voor maatschappelijke wederopbouw eens over het 'statuut' voor de Sociaal-Economische Raad. Op 12 december 1945 werd prof. dr. F. van der Ven tot voorzitter
gekozen.(78) Hij aanvaardde deze functie.
Sedert de bevrijding was Van der Ven in verschillende functies werkzaam geweest. Naast zijn werk in dienst van de gemeente Tilburg had hij zijn lectoraat weer opgepakt. Toen het Militair Gezag zich in Tilburg vestigde, werd hij door de burgemeester aan de commandant van het Militair Gezag toegevoegd. Niet lang erna ging Van der Ven werken bij de staf van het Militair Gezag in Eindhoven. Hij verveelde zich en nam ontslag, op gevaar in actieve dienst terecht te komen. Maar de burgemeester van Tilburg intervenieerde. Van der Ven werd voorzitter van het kiescollege voor de verkiezing van leden van de tijdelijke gemeenteraad te
Tilburg.(79) Bovendien werd Van der Ven in juli 1945 benoemd in het college van Rijksbemiddelaars, waardoor hij werd vrijgesteld van militaire dienst. In oktober 1945 kreeg hij zijn benoeming aan de hogeschool tot hoogleraar 'sociale wetgeving en sociale politiek'. Net als Cobbenhagen publiceerde Van der Ven in het periodiek De Nieuwe Eeuw; het waren artikelen over arbeidsrecht en sociale
rechtsorde.(80)
In december 1945 werd in het paleis-raadhuis van Tilburg de 'Sociaal-Economische Raad' voor Tilburg geďnstalleerd in het bijzijn van het college van burgemeester en wethouders en andere genodigden. De totstandkoming ervan was voor het comité voor maatschappelijke wederopbouw, maar vooral voor Cobbenhagen, een triomf. Weliswaar was de instelling Bedrijfsraad niet gelukt, er was toch een deel van een corporatieve ordening in het leven geroepen.
Cobbenhagen schetste bij de installatie van de SER de geschiedenis van de commissie Bedrijfsvrede. Hij had het ontwerp voor de SER zelf vervaardigd. Hij benadrukte dat de Tilburgse SER de eerste in het land was. Tevens memoreerde hij dat de minister, ir. H. Vos, een landelijke SER wilde instellen 'als toporgaan van de komende
bedrijfsorganisatie'.(81) Cobbenhagen stelde Tilburg tot voorbeeld voor het hele land: "Tilburg, het hart van Brabant heeft, gesteund door de wil zijner bevolking, door zijn krachtige sociale organisaties, door de jarenlang bestudeerde en uitgedragen ideeën zijner Hogeschool, iets te geven. Het is ook zijn plicht dat te geven."
Nadat Cobbenhagen Van der Ven als voorzitter had geďntroduceerd, werd staande de vergadering, de stichtingsakte
verleden.(82) De taak van de economische en sociale sectie werd overgenomen door de SER. Prof. Van der Ven hield als voorzitter van de stedelijke SER een rede. Hij relativeerde de bevoegdheden van deze SER. Alleen de wet, zo hield Van der Ven de toehoorders voor, kon aan zo'n lichaam een publiekrechtelijk karakter schenken. Het publieke karakter van de Tilburgse SER achtte hij evident, maar zo stelde hij, deze SER heeft geen bevoegdheid in juridische zin om taken uit te voeren of beslissingen af te dwingen, omdat het geen publiekrechtelijk lichaam was.
De Tilburgse SER werd wellicht overbodig. Van der Ven schilderde het ontstaan van de Stichting van de Arbeid, alsmede de voorontwerpen voor de Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie.(83) Hij eindigde, ironisch genoeg op deze installatiebijeenkomst, ermee te zeggen dat als de doelstellingen van de Tilburgse SER beter door een ander orgaan bereikt konden worden, de SER het veld moest
ruimen.(84)
Cobbenhagen zag met het instellen van deze SER de katholieke idealen enigszins in vervulling gaan. Hoe klein de invloed van deze instelling ook mocht zijn, het feit dat er zo'n orgaan tot stand was gekomen, was van groot belang voor de toekomst. Het was mogelijk gebleken om werkgevers en werknemers bijeen te brengen in één gremium. Deze doelstelling was bereikt. Voor het wetgevende werk gereed was en voor de landelijke PBO tot stand gebracht werd, duurde het nog een enkel jaar. Maar ook daarin speelde de Tilburgse hogeschool in de persoon van professor F. van der Ven een bepalende rol. Het experiment in Tilburg was een unieke vingeroefening.
Einde van het Tilburgse experiment
Het comité voor maatschappelijke wederopbouw te Tilburg werd in een vergadering van 30 januari 1946
opgeheven.(85) Door de oprichting van organen als de SER leek de taak van het comité voorbij, te meer daar het bestuur van de gemeente, provincie en Rijk weer normaler ging functioneren. In een rapport over de liquidatie van het comité werd gesuggereerd dat het comité in afgeslankte vorm zich bezig zou kunnen gaan houden met vraagstukken van sociale (en culturele)
ordening.(86) In het rapport werd gesteld dat het van belang kon zijn de 'maatschappelijke wederopbouw' te laten voortbestaan in de vorm van een raad. De ideeën uit het rapport lijken niet te zijn opgevolgd. Het comité verdween. De SER voor de stad Tilburg heeft, voorzover na te gaan, ook geen lang leven gekend. De landelijke ontwikkelingen maakten, zoals Van der Ven voorspeld had, de Tilburgse SER overbodig.
Het Tilburgse comité heeft naast allerlei activiteiten die te maken hadden met de directe noden na de bevrijding van het Zuiden, ook de aan de hogeschool ontwikkelde theorie in praktijk omgezet. Dit alles geschiedde onder leiding van Cobbenhagen en werd mede praktisch vormgegeven door Van der Ven. Het belangrijkste resultaat van het experiment was de Tilburgse SER, de Bedrijfsraad bleek niet haalbaar. De SER lijkt meer een geslaagd experiment te zijn dan een orgaan dat functioneerde of veel invloed kon uitoefenen. Uit de bronnen valt niet af te leiden dat de SER langer heeft bestaan dan
1946.(87)
Landelijke regeling
In de landelijke politiek was de wettelijke regeling van de bedrijfsorganisatie een zaak van voortdurende bespreking. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog waren vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers overeengekomen dat er, zodra het vrede was, een "Stichting van de Arbeid" zou worden opgericht, hierin zouden werkgevers en werknemers vertegenwoordigd zijn. In de 'Nota sociaal-economische ordening' van de Stichting van de Arbeid, was de oprichting van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie
bepleit.(88) Het lijkt erop dat voor wat betreft de zeggenschap in de individuele ondernemingen, van de kant van de werknemers concessies zijn
gedaan.(89) Op landelijk niveau kregen de vakcentrales echter wel zeggenschap. Na de bevrijding publiceerde de Stichting van de Arbeid een manifest: 'Aan de werkgevers en werknemers van Nederland', waarin de plannen uiteen gezet
werden.(90) Deze stichting, uiteraard een privaatrechtelijk lichaam, werd een van de belangrijke adviseurs van de regering.
Eind 1945 werd het 'Voorontwerp van wet op de bedrijfsorganisatie' gepubliceerd, genoemd naar de eerste ondertekenaar, sociaal-democratisch minister van Handel en Nijverheid Vos, het voorontwerp-Vos. Dit ontwerp ging uit van sterke overheidsinvloed in de bedrijfschappen, o.a. tot uiting komend in de door de minister te benoemen commissarissen die in de bedrijfschappen grote bevoegdheden zouden
krijgen.(91) De commissarissen konden verordeningen uitvaardigen en die, desnoods, met politiedwang kunnen doen uitvoeren. De werkgevers waren in het geheel niet gelukkig met de ideeën uit het voorontwerp. Zij waren nog meer verontrust over de te verwachten koppeling van de op deze wijze voorgestelde bedrijfsorganisatie met een op te richten Planbureau. In kringen van werkgevers en van liberale politici was men bevreesd dat de sociaal-democraten een planeconomie wilden gaan invoeren. Ook in katholieke kring was men niet gelukkig met de grote rol van de -centrale- overheid. Dit betekende een miskenning van het subsidiariteitsbeginsel.
Het voorontwerp haalde het niet. Het werd nimmer ingediend. Minister Vos kreeg geen tweede kans. Bij de verkiezingen van 1946 werd de Katholieke Volkspartij (KVP) de grootste partij. In het kabinet-Beel werd dr. G. Huysmans van die KVP de verantwoordelijke minister voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Huysmans stelde een commissie samen onder leiding van prof. dr. F. van der Ven. Deze commissie-Van der Ven kreeg de taak een nieuw voorontwerp te vervaardigen. Deze arbeid vorderde slechts moeizaam. De vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers in de commissie kwamen dezelfde problemen tegen die ook bij de discussie rond het voorontwerp-Vos aan het licht waren gekomen. Een nieuwe katholieke minister nam de taak van de overleden Huysmans over. Het was de in Tilburg gepromoveerde dr. J. van den
Brink.(92) Hij wenste het advies van de commissie snel gereed te hebben. Op 1 maart 1948 bracht de commissie-Van der Ven haar advies uit. Het advies werd zonder veel wijzigingen aan de volksvertegenwoordiging aangeboden. In de memorie van toelichting werd de door het Centrum voor Staatkundige vorming van de KVP gepubliceerde 'proeve van een ontwerp van wet op de Bedrijfschappen en de Sociaal-Economische Raad', naast het voorontwerp-Vos, als belangrijkste inspiratiebron
aangegeven.(93) Het ontwerp van wet droeg een duidelijk katholiek stempel. De ideeën van Vos over staatsinitiatief bij het ontstaan van de -schappen waren niet overgenomen. De bedrijf- en andere -schappen dienden op initiatief van de 'bedrijfsgenoten' (werkgevers en werknemers) in het leven geroepen te worden. Ook in andere opzichten speelde de staat een minder prominente rol. De rijksoverheid speelde in het voorontwerp niet de rol van initiatiefnemer bij het ontstaan van bedrijf- en produktschappen. Het ontstaan werd aan de belanghebbenden zelf overgelaten. De verschillende maatschappelijke organisaties konden tijdens de kamerbehandeling van het wetsontwerp geen directe invloed uitoefenen. Zij trachtten echter wel de besluitvorming te benvloeden door het schrijven van adressen aan de Tweede Kamer. Voorbeelden hiervan zijn het adres van het Nederlands Vakverbond, van het Verbond van Protestants-Christelijke Werkgevers in Nederland, en van de Kamers van Koophandel in
Zuid-Holland.(94) Het wetsontwerp werd onder het nieuwe kabinet-Drees-Van Schaik aangenomen door de Eerste en Tweede Kamer in respectievelijk 1949 en 1950.
Zoals hierboven al geschetst, was lang niet iedereen het eens met de nieuwe wet. Sommigen waren zelfs fanatiek tegen de Wet op de Bedrijfsorganisatie. De EVC (Eenheidsvakcentrale) had er geen goed woord voor over: "...de omvang van de medezeggenschap der arbeiders zal steeds een strijdpunt vormen tot het ogenblik waarop de volledige zeggenschap, met uitsluiting van de zeggenschap van het kapitaal, is
verkregen'.(95) Het communistische De Waarheid beschouwde de wet als een poging tot gelijkschakeling van de arbeidersbeweging als
klassenstrijdorganisatie.(96) In katholieke kring was men meer dan tevreden met de het bereikte. De Volkskrant schreef "...de opzet heeft volle instemming, omdat hij recht doet wedervaren aan het juiste beginsel der subsidiariteit." 'De Maasbode' was eveneens mild gestemd, maar had toch een r.-k. vermaning in die zin dat men meer nadruk had gewenst op de ethische doeleinden van de
PBO.(97)
De fractievoorzitter van de KVP in de Tweede Kamer, Romme, sprak de partijraad in 1950 toe : "... het leggen van de wettelijke grondslag voor de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Waar tientallen jaren door tientallen van de beste katholieke geesten aan is gewerkt, in binnen- en buitenland, wat door het geslacht dat ons ouderen is voorafgegaan, steeds is genoemd 'de kroon op het werk', dat is politiek thans bereikt, dat ligt voor de maatschappij ter harer uitvoering thans
gereed..."(98) Op het gebouw van de Katholieke Arbeidersbeweging in Utrecht werd de vlag uitgestoken toen de wet was
aangenomen.(99) De KVP gaf een inleidende brochure uit over de PBO, waarin voor een groot publiek de zegening, die de bedrijfsorganisatie in katholieke ogen was, uit de doeken werd
gedaan.(100)

Brochure uit 1950, uitgegeven door de
Katholieke Volkspartij in samenwerking met
de katholieke sociale organisatie.
Slot
De verwachtingen waren, niet alleen in katholieke kring, hoog gespannen. Een alle bedrijvigheid omvattend net van bedrijf- en produktschappen is niet het resultaat geweest van de Wet op de Bedrijfsorganisatie. Met name in de industriële sector en de financiële dienstverlening lijkt de bedrijfsorganisatie slecht van de grond te zijn gekomen. In hoeverre dat werkelijk zo is en in welke mate de PBO in andere bedrijfstakken wel tot bloei is gekomen, valt buiten het bestek van dit artikel en zou veel nader onderzoek vergen.
De gedachte om economische bedrijvigheid op een andere manier te structureren is niet verdwenen. In binnen- en buitenland blijven de ideeën hierover actueel. De bedrijfsorganisatie lijkt in onze tijd in het kader van Europese integratie weer meer aandacht te krijgen, terwijl men in Oost-Europa, met name in Hongarije, denkt over de instelling van produktschappen. In eigen land sluit een discussie over PBO aan bij de nog niet afgeronde gedachtenvorming over functionele decentralisatie.
De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie heeft een lange geschiedenis en het tot stand komen van de wet en de uitvoering ervan in Nederland na 1950 vormen de boeiendste voorbeelden van de pogingen vorm te geven aan de solidariteitsgedachte in economie en maatschappij. De Katholieke Handelshogeschool in Tilburg heeft stimulerende bijdragen geleverd aan theorievorming en praktische uitvoering.
Noten
(1) Dit artikel is een bewerking van een deel van mijn doctoraalscriptie. De scriptie werd geschreven onder leiding van prof. dr. J.Th.M. Bank aan de Rijksuniversiteit te Leiden.
Ik ben behalve aan prof. Bank dank verschuldigd aan drs. W.K.N. Schmelzer en dr. B.R. Bot, die bereid waren de oorspronkelijke scriptie door te lezen en van kritisch commentaar te voorzien. Bijzondere dank ben ik verschuldigd aan prof. dr. F.J.H.M. van der Ven, die bereid was mij tweemaal langdurig te woord te staan. Ook dank ik mevr. Van der Ven, die bij de gesprekken aanwezig was.
(2) De staat ging in deze situatie economisch gezien vooral regeren door middel van bedrijftaksgewijze organen, corporaties of bedrijfsraden genoemd.
(3) Frans van Waarden, 'Corporatisme als probleemoplossing', in: H.G.J. Verhallen e.a.,
Corporatisme in Nederland. Belangengroepen en democratie (Alphen aan den Rijn 1981) p. 28.
(4) Theo Salemink, Katholieke kritiek op het kapitalisme. Honderd jaar debat over vrije markt en verzorgingsstaat (Amersfoort/Leuven 1991).
(5) W.G.J.M. Tomassen, Het R.-K. bedrijfsradenstelsel(1919-1922) De eerste poging tot publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie op organisch-solidaristische grondslag binnen de moderne industriële samenleving
(Z.pl. en j.), p. 107.
(6) Pim Fortuyn, Sociaal-economische politiek in Nederland 1945-1949.
(Alphen aan den Rijn 1981), p. 13.
(7) Fortuyn, 1945-1949, p. 15.
(8) Geciteerd bij: Van Waarden, 'Corporatisme als probleemoplossing', p. 41.
(9) Cobbenhagen heeft nauwelijks archief nagelaten volgens Bornewasser. Hij zou zijn papieren bij testamentaire beschikking hebben doen vernietigen. Hans Bornewasser,
Katholieke Hogeschool Tilburg, deel I 1927-1954. Economie-Ethiek-Maatschappij (Baarn 1978), noot 75, p. 63. In het centraal testamentenregister is echter geen verwijzing aangetroffen naar een notarieel opgemaakt testament.
(10) De biografische gegevens zijn, tenzij anders vermeld, ontleend aan een 'levensbericht', dat zich in de 'mappen Cobbenhagen' in het archief van de Katholieke Universiteit Brabant (KUB) bevindt, en aan het
Biografisch woordenboek van Nederland, deel 2 (Amsterdam 1985), p. 95 - 97.
(11) M.J.H. Cobbenhagen, De Tilburgse Hogeschoolgemeenschap (Tilburg 1945), p. 10.
(12) Archief KUB, Mappen Cobbenhagen 'Chronologisch verhaal van mijn relaties tot de R.K. Handelshoogeschool te Tilburg'
, 20(+1) blz.
(13) Archief KUB, Chronologisch verhaal, p. 2.
(14) Archief KUB, Chronologisch verhaal, p. 4.
(15) Verschenen in De naamloze vennootschap, 5 (1926) no. 4, p. 97-99.
(16) Archief KUB, Chronologisch verhaal, p. 17.
(17) Ibidem, 16.
(18) Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, p. 57.
(19) Nieuwsblad van het Zuiden, 11 maart 1927.
(20) Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, p. 91.
(21) Smulders laat de studie van economie op katholieke grondslag in ons land, met Cobbenhagen beginnen in het jaar van de oprichting van de Katholieke Handelshogeschool te Tilburg; A.A.J. Smulders, 'Economie en geloof', in:
De identiteit van katholieke wetenschapsmensen, (Baarn 1980), p. 247 en 286 bij noot 6.
(22) J.E. de Quay, Het aandeel der sensorische en motorische componenten in het verloop van leer- en arbeidsproces (Nijmegen/Utrecht 1927).
(23) Economie Tijdschrift voor algemeen economische bedrijfs-economische en sociale vraagstukken, later Maandschrift economie.
(24) J.E. de Quay, 'De actie: Naar een nieuwe gemeenschap', in: Economie 4 (1937/1938), p. 101 -104.
(25) De Quay, 'De actie', p. 103.
(26) J. Bosmans, Romme. Biografie 1896-1946 (Utrecht 1991), p. 227.
(27) Bosmans, Romme, p. 230.
(28) Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, p. 114.
(29) In 1938 werd erin opgenomen dat er ook openbare lichamen voor beroep en bedrijf konden worden ingesteld.
(30) Interview Ton van Zeeland (TvZ) met F. van der Ven 150292. Cobbenhagen stelde bij deze ontmoeting voor eerst een onzevader te bidden, waarna hij Van der Ven op de hoogte bracht van zijn plannen en hem het voorstel deed.
(31) P.A.J.M. Steenkamp en G.J.M. Veldkamp (red.), Sociale politiek opnieuw bedacht Opstellen aangeboden aan prof. dr. F.J.H.M. van der Ven ter gelegenheid van zijn afscheid als gewoon hoogleraar aan de Katholieke Hogeschool Tilburg en buitengewoon hoogleraar aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen
(Deventer 1972), p. 8.
(32) 'Critische inleiding tot de systhematiek van het arbeidsrecht', in: F.J.H.M. van der Ven,
Arbeidsrechtelijke en sociaal-politieke opstellen (Hilversum 1945), p. 99.
(33) Interview TvZ met F. van der Ven 130990.
(34) Zie bijvoorbeeld M.J.H. Cobbenhagen, Solidarisme en sociaal-economische ordening (Tilburg z.j.). In deze in 1934 voor Rotterdamse, Amsterdamse en Tilburgse studenten gehouden rede, op een conferentie van economische studenten te Doorn, legt hij het verband tussen de wijsgerige opvattingen van Thomas van Aquino en sociaal-filosofische en sociaal-ethische opvattingen van Van Pesch waar het vragen over individu en gemeenschap betreft.
(35) Ibidem, p. 41.
(36) Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, p. 142.
(37) Rede voor het R.K. Werkliedenverbond 1934: 'Duurzaam economisch herstel alleen mogelijk door ordening in productie en handel', in:
De economist Cobbenhagen (Amsterdam 1957), p. 239.
(38) De systematiek tussen wijsbegeerte en godgeleerdheid.
(39) Smulders, 'Economie en geloof', p. 248-249.
(40) J.M.H.(!) Cobbenhagen, 'Economische karaktertrekken der geordende maatschappij. I.', in:
Economie 4 (1938) 1-6. Later overgenomen in: De Nieuwe Eeuw van 7 juli 1945, inclusief de foutieve volgorde van de voorletters.
(41) M.J.H. Cobbenhagen, 'Enkele gedachten over het kapitalisme', in: Economie 3 (1938), p. 571.
(42) Zie ook: M.J.H. Cobbenhagen en J.A. Veraart, Praedviezen over grondslagen voor een sociaal-economische reconstructie van Nederland
('s-Gravenhage 1936). Uitgegeven door de 'Vereeniging tot het bevorderen van de beoefening der wetenschap onder de katholieken in Nederland'.
(43) Cobbenhagen, 'Gedachten', p. 571.
(44) Van der Ven werd tegelijk met Cobbenhagen (en De Quay) op 15 juli 1942 gearresteerd. Van der Ven kwam op 15 oktober 1942 vrij; Cobbenhagen in 1943. De Quay was, na zijn activiteiten binnen de Nederlandse Unie, in het gijzelaarskamp politiek actief. Hij vervulde na de bevrijding van het Zuiden van Nederland een politieke rol en werd minister.
(45) Smulders, 'Economie en geloof', p. 253-254.
(46) Bornewasser, Katholieke Hogeschool Tilburg, p. 203-204.
(47) Nieuwsblad van het Zuiden, zaterdag 18 november 1944.
(48) Comité voor Maatschappelijke Wederopbouw Tilburg november 1944 - januari 1946
(Tilburg z.j.), p. 6.
(49) M.J.H. Cobbenhagen, 'Het vaderland getrouw!', in: Viking. Tilburgs studenten weekblad 11 (1944) no. 1 (11 december) 1944, p. 3.
(50) Nieuwsblad van het Zuiden, vrijdag 17 november 1944.
(51) Nieuwsblad van het Zuiden, donderdag 30 november 1944.
(52) De Nieuwe Eeuw XXVI (1945) 5, no. 1 (5 januari 1945), p. 3 en 8.
(53) Gemeentearchief Tilburg (GAT), Archief comité voor maatschappelijke wederopbouw (AC), zonder inventaris, teksten van toespraken. Het archief is niet compleet.
(54) Comité, p. 22.
(55) Comité, p. 13-14.
(56) Interview TvZ met Van der Ven, 130990.
(57) Comité, p. 22.
(58) Interview TvZ met Van der Ven, 150292.
(59) GAT, AC. Er zijn in het archief van zes van de zeven vergaderingen verslagen bewaard gebleven.
(60) GAT, AC, Verslag van de vergadering van de sociale sectie 21 november 1944.
(61) Comité, p. 24.
(62) Comité, p. 24.
(63) Comité, p. 25.
(64) Comité, p. 26.
(65) GAT, AC, Verslag van de vergadering van Bedrijfsvrede 21 februari 1945.
(66) GAT, AC, Verslag vergadering Bedrijfsvrede 28 februari 1945.
(67) GAT, AC, Verslag vergadering Bedrijfsvrede, 21 februari 1945.
(68) De Quay sprak rond deze tijd met het comité. Hij vond dat de 'commissie Maatschappelijke Wederopbouw' zich met te veel ging bemoeien. Zie: Rijksarchief in Noord-Brabant, Den Bosch (RANB), AQ, inv.nr. 29, Uittreksels uit de dagboeken, 1 maart 1945. Zie voor de verklaring van de weggelaten passages 'alle gebeden van De Quay en zijn notities omtrent echtgenote, kinderen en familie'. Jan Vriens, 'Oppassen met moderne archieven. De dagboeken van Jan de Quay', in:
Brabantia 38 (1988), nr. 5.
(69) GAT, AC, Verslag vergadering Bedrijfsvrede 28 februari 1945.
(70) GAT, AC, Verslag commissie Bedrijfsvrede 28 februari 1945.
(71) GAT, AC, 'Toelichting ter samenstelling van een reglement op personeelsraad en ondernemingsraad', z.d.
(72) Comité, p. 35.
(73) Comité, p. 35.
(74) In het julinummer van De Nieuwe Eeuw liet Cobbenhagen nog eens zijn artikel uit
Economie (4) 1938, over de geordende maatschappij afdrukken, waarin hij zijn ideeën over de geordende economie uiteenzette.
De Nieuwe Eeuw XXVI (1945), no. 27, 1 en 4.
(75) Ongetwijfeld iemand afkomstig van de Katholieke Handelshogeschool.
(76) GAT, AC, Vergadering Bedrijfsvrede 27 maart 1945.
(77) Comité, 27. Zie ook L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10-A, het laatste jaar ('s-Gravenhage 1980) 687-688. De Jong weet weinig verheffends te vermelden over de activiteiten van 'pater' (Quod non) Cobbenhagen. Bovendien verwart hij de ondernemingsraad met de Bedrijfsraad.
(78) Comité, 27.
(79) GAT, Secretariearchief na 1937, code -2.07.51' "tijdelijke gemeenteraad".
(80) De Nieuwe Eeuw, XXVI (1945), nrs. 25, 26, 26a, 38 en 39. Uiteraard werden in het tijdschrift van de R.K. Handelshogeschool Economie, verschillende artikelen over economische ordening van de hand van Van der Ven afgedrukt. Zie o.a. de bundel F.J.H.M. van der Ven,
Arbeidsrechtelijke en sociaal-politieke opstellen (Bussum 1945).
(81) GAT, AC, Verslag installatie SER Tilburg, 20 december 1945.
(82) De stichting werd opgericht door 8 personen, vertegenwoordigers van werknemers, een vertegenwoordiger van de 'overheidsbedrijven', werkgevers en boeren.
Stichtingsakte, archief notaris Goijaerts, 1945, aktenummer 161, berustend bij de arrondissementsrechtbank te Breda. Zie ook Secretariearchief gemeente Tilburg, code '-2.07.25', doos 28/4 brief van Cobbenhagen aan het college van B&W, dd. 19 november 1945 over de instelling van de Tilburgse SER.
(83) Het voorontwerp-Vos.
(84) GAT, AC, Verslag installatie 20 december 1945.
(85) Comité, 3.
(86) GAT, AC, Rapport omvang liquidatie of omvorming van maatschappelijke wederopbouw, z.d. Zie voor de lotgevallen van soortgelijke comités: J.L.G. van Oudheusden en J.A.M. Verboom,
Herstel- en vernieuwingsbewegingen in het bevrijde Zuiden. Eindhoven, 's-Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945 (Tilburg 1977).
(87) Vgl. GAT, secretariearchief, code '-2.07.25', doos 28/4.
(88) H.J. Langeveld, 'Het NVV en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie', in:
Exercities in ons verleden (Assen 1981), p. 172.
(89) Langeveld, 'Het NVV', p. 173.
(90) Dirk U. Stikker, Memoires ('s-Gravenhage 1966-2), p. 64.
(91) W.S.P. Fortuyn, Sociaal-economische politiek in Nederland 1945-1949 (Alphen aan den Rijn 1981), p. 205.
(92) Hij was als laatste voor de sluiting van de Katholieke Handelshogeschool te Tilburg, op 2 december 1942 met lof gepromoveerd op het proefschrift 'Maatschappijstructuur en werkgelegenheid'. Zijn promotor was prof. Cobbenhagen.
(93) Handelingen van de Tweede Kamer 1947-1948, bijlagen 873-3, p. 12.
(94) Zie hiervoor o.a. het Archief van de afdeling arbeidsverhoudingen van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe) Den Haag, blok 1941-1950, -1.826.361/07.76 Wet op de Bedrijfsorganisatie, commissie PBO, wetsontwerp deel I, 1946-1949.
(95) SoZaWe, Archief van de Afdeling Arbeidsverhoudingen, ibidem, Samenvatting van de commentaren.
(96) SoZaWe, Archief van de Afdeling Arbeidsverhoudingen, ibidem.
(97) SoZaWe, Archief van de Afdeling Arbeidsverhoudingen, ibidem.
(98) Katholiek Documentatiecentrum, Utrecht, Archief Katholieke Volkspartij, inv. nr. 48, partijraad 17 en 18 februari 1950.
(99) P.A.J.M. Steenkamp, 'Het einde van een droom', in: Steenkamp en Veldkamp, Sociale
politiek, p. 165.
(100) Samen sterk in de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie (Z.pl. en j.). Uitgave van de Katholieke Volkspartij in samenwerking met de katholieke sociale organisaties.
* Drs. Ton van Zeeland is historicus. Hij is werkzaam bij het ministerie van Binnenlandse Zaken te 's-Gravenhage en publiceerde over historische en letterkundige onderwerpen. Thans werkt hij aan een dissertatie over de Publiekrechtelijke
Bedrijfsorganisatie.




