Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
395. 200 jaar brandweer in Tilburg
 

Titel:   

200 jaar brandweer in Tilburg

Ondertitel  

Auteur:   

ir. Rob van Putten

Jaargang:   

III (1985) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

3-64


1. De brandbestrijding tot aan het begin van de twintigste eeuw

Brand kon vroeger een ernstige bedreiging betekenen voor de gehele gemeenschap. Slecht geconstrueerde schoorstenen en kachels, het gebruik van kaarsen en primitieve lantaarns als verlichting en de veelvuldige toepassing van hout als bouwmateriaal en het gebruik van riet en stro als dakbedekking maakten het brandgevaar bijzonder groot. Brandbestrijding was dan ook van oudsher een gemeenschapstaak. Als er ergens brand uitbrak, nam iedere burger in beginsel deel aan de blussing, zonder dat hierop van overheidswege een verplichting rustte. Later, toen de overheidsbemoeienis zich ook ging uitstrekken tot de brandbestrijding, werd het blussen van brand een burgerplicht.



Plattegrond van de voormalige kerk aan de Markt. 
Tekening van Hendrik Verhees uit 1790. (Coll. 
Kapucijnenklooster 's-Hertogenbosch).
Links van het orgel stond de brandspuit van de herdgang 
Kerk & Heuvel.

Ook in Tilburg zullen in vroeger eeuwen branden zijn geblust door de bevolking, zonder dat er direct sprake was van een brandweer. Het begrip brandweer veronderstelt immers een zekere vorm van organisatie. In 1727 beschikte Tilburg, dat toen naar schatting 6 à 7000 inwoners telde, reeds over enkele brandspuiten.Van een echte brandweerorganisatie is in Tilburg, althans formeel, echter pas sprake vanaf 1785, na het verschijnen van het eerste brandreglement. Voor een goed begrip van het geheel, lijkt het ons nuttig een korte schets te geven van de maatregelen op het gebied van de brandbestrijding die in Tilburg voor 1785 reeds waren genomen.


1732: De Staten-Generaal grijpen in
In 1731 richtten de Staten-Generaal een verzoek aan de Raad van State om na te gaan of er in de zogeheten generaliteitslanden (waartoe toen het grootste deel van de huidige provincie Noord-Brabant behoorde) voldoende maatregelen genomen waren ter voorkoming van brand. Klaarblijkelijk was dat niet het geval, want op 6 februari 1732 publiceerden de Staten-Generaal een resolutie, gericht aan de officieren en regenten van de dorpen en plaatsen in het district van de generaliteyt. Deze resolutie, die gedurende bijna 70 jaren van kracht zou blijven, omvatte een aantal bepalingen, die we kort de revue zullen laten passeren.

Allereerst kregen de dorpsbesturen de opdracht een brandreglement te maken. In dit reglement moest staan welke maatregelen er genomen dienden te worden ter voorkoming van brand, en wat er gedaan moest worden als er toch ergens brand uitbrak. Daarnaast kregen de dorpsbesturen de bevoegdheid om boetes te heffen bij overtreding van de in het reglement genoemde bepalingen. Deze boetes waren onmiddellijk invorderbaar, of zoals dat toen heette bij parate executie. De boetes mochten echter niet meer bedragen dan drie gulden. Schoorstenen, ovens, brouwerijen en andere vuurplaatsen moesten eens per half jaar worden gecontroleerd op brandveiligheid. Verder dienden de brandkuilen eens per jaar te worden schoongemaakt en uitgediept.
De dorpen en plaatsen die over voldoende financiële middelen beschikten moesten nagtroepers of klapwaakers aanstellen op een betaamelijk salaris.

Tenslotte moesten er de nodige brandblusmiddelen aangeschaft worden zoals emmers, ladders en brandhaken. Als stok achter de deur werd nog bepaald, dat er in geval van brand geen remissie (korting op de aan de staat te betalen belasting) verleend zou worden, indien mocht blijken dat de dorpsbesturen zich niet hadden gehouden aan de in de resolutie genoemde bepalingen.


De situatie in Tilburg omstreeks 1732
Een brandreglement kende Tilburg in 1732 nog niet. Uit de schaarse bronnen uit die tijd kunnen we echter wel afleiden dat aan de meeste andere in de resolutie van 1732 genoemde bepalingen min of meer was voldaan. Zo waren er door het dorpsbestuur reeds diverse maatregelen genomen die het brandgevaar moesten beperken.

Brand ontstond vaak door slordigheid en onvoorzichtigheid bij het roken en bij het gebruik van kaarsen en lampen. Daarom hadden drost en schepenen reeds in 1719 een verbod uitgevaardigd om te roken langs de openbare weg en in stallen en schuren en op zolders die met stro gedekt waren. Kaarsen en lampen moesten bij gebruik in stallen en schuren en op dorsvloeren en zolders goed worden afgeschermd. Overtreding werd beboet met zes gulden. Een derde deel hiervan ging naar de aanbrenger, een derde deel was voor de armen, en het resterende deel was voor de drossaard.

Ook werden schoorstenen en ovens regelmatig gevisiteerd, de zogeheten brandschouw, een taak die volgens het in 1732 verschenen Reglement voor de Huishoudinge en Finantie van de Heerlykheden van Tllborg en Goirle was toebedeeld aan schepenen en dorpssecretaris.

Brandkuilen waren er op verscheidene plaatsen in het dorp, zoals aan het Ven (Piusplein), en in de herdgangen (wijken) Korvel, Heikant, Hasselt en Veldhoven. Wat de brandblusmiddelen aangaat: Tilburg beschikte niet alleen over de voorgeschreven emmers, haken en ladders, maar ook reeds over brandspuiten.


Nachtroepers
Nachtroepers of klapwaakers kende men in Tilburg al voor 1700. In 1732 waren er in Tilburg vijf nachtroepers aangesteld, namelijk voor de herdgangen Kerk & Heuvel, Heikant, Hasselt, Veldhoven en Korvel.
De nachtroeper van Kerk & Heuvel, de belangrijkste herdgang, kreeg per jaar een salaris van twintig gulden. De andere vier kregen ieder twaalf gulden en tien stuivers. Daarnaast kregen ze van de gemeente iedere twee jaar negen gulden voor het laten maken van een nieuwe overrok.
Veel inflatie was er in die tijd blijkbaar nog niet, want zestig jaar later, in 1792, kregen de nachtroepers nog steeds hetzelfde salaris. In laatstgenoemd jaar waren de volgende personen aangesteld als nachtroeper: Nicolaas van Besouw (Kerk & Heuvel), Arn. van Huijgevoort (Korvel), Jan van Gorp (Hasselt). Jan de Beer (Veldhoven) en Jan Corn. Momboirs (Heikant).



Klap, gebruikt door de nachtroepers, 18e of 19e eeuw. (Coll. RHC Tilburg).

Om de mensen te waarschuwen bij brand of onraad, en om de uren aan te geven beschikten de nachtroepers over een klepper of klap, een rechthoekig houten bord dat aan een handvat werd vastgehouden en waaraan scharnierend een houten hamer was bevestigd. De nachtroepers waren bovendien gewapend met een sabel.


Vuurwerk
In hun vergadering van 9 oktober 1728 stelden drost en schepenen vast dat het voorkwam dat dertele en onbesonne lieden vuurwerk afstaken, zonder te beseffen dat zij daardoor de gehele dorpsgemeenschap in gevaar brachten.
De meeste huizen waren immers met riet of stro gedekt. Om een ieder zoveel mogelijk daartoe de lust te ontnemen, werd daarom besloten het afsteken van iedere slang, cisser, cnapper, vuerpijl off moortslagh te beboeten met vijfentwintig gulden. Voorwaar geen gering bedrag voor die tijd. Wie deze boete niet kon betalen werd te waater en te brood geset. Tenslotte werd nog bepaald dat, mocht er ergens brand ontstaan als gevolg van het afsteken van vuurwerk, dit beschouwd zou worden als opzettelijke brandstichting, een misdrijf dat zwaar werd bestraft.


Tilburg krijgt een brandreglement
Veel haast had het Tilburgse dorpsbestuur niet met het maken van een brandreglement, want het eerste brandreglement voor Tilburg en Goirle werd pas in 1785 officieel vastgesteld. (Tot 1803 vormden Tilburg en Goirle samen een zogeheten heerlijkheid.)

Voor 1785 waren er wel al enkele concept-brandreglementen verschenen. Uit 1772 dateert een uit dertien artikelen bestaand handgeschreven concept. Daarnaast bevinden zich in het Tilburgs archief nog twee andere handgeschreven concept-brandreglementen, die echter ongedateerd zijn. Vermoedelijk zijn deze reglementen ouder dan 1772, maar zekerheid hierover hebben we niet. Verder verschenen er in 1769 en in 1783 afzonderlijke concept-brandreglementen voor Goirle.



(Coll. RHC Tilburg).

Dat Tilburg voor 1785 nog geen officieel brandreglement bezat valt ook af te leiden uit de 'correspondentie' tussen het dorpsbestuur en de Leen- en Tolkamer te 's-Hertogenbosch, zoals we die aantreffen in de dorpsrekeningen van 1779 tot en met 1782. De Leen- en Tolkamer was onder meer belast met de controle van de dorpsrekeningen.
Naar aanleiding van uitbetaalde vergoedingen voor het proberen van de brandspuiten, wilde deze Kamer dat er een copie authenticq overgelegd zou worden van het reglement, waarin de hoogte van deze vergoedingen was vastgelegd. De Tilburgse regenten moesten de Kamer echter meedelen dat een dergelijk reglement niet bestond, maar dat de uitbetalingen geschiedden volgens oud gebruijk, zodat niet aan het verzoek van de Kamer kon worden voldaan. Wel kon men de Kamer meedelen dat men bezig was met het ontwerpen van een brandreglement, waarin een bepaling over de vergoedingen zou worden opgenomen.

Het brandreglement voor de heerlijkheden Tilburg en Goirle of zoals het voluit heet, Reglement op het Dirigeeren der Brandspuiten, Blusschen van Brand en tot Voorkominge van dien binnen de Heerlijkheden Tilborg en Goirle, werd gearresteerd (vastgesteld) door drost en schepenen op 3 oktober 1785. Het verscheen het jaar daarop in druk bij de wed. C.A. Vieweg, stadsdrukster te 's-Hertogenbosch, in een oplage van 500 exemplaren.

Het reglement omvat in totaal 33 artikelen. Ongeveer de helft hiervan betreft de organisatie van de brandweer en het optreden bij brand. De overige artikelen hebben betrekking op het voorkomen van brand. Laten we eens nagaan, wat er zoal besproken wordt in dit reglement.


De organisatie van de brandweer in 1785
Tilburg beschikte in 1785 over vier brandspuiten, die geplaatst waren in de herdgangen Kerk & Heuvel, Veldhoven, Heikant en Korvel. Daarnaast had Goirle de beschikking over een eigen brandspuit. Het opperbevel over de brandspuiten was in handen van drost en schepenen. Zij benoemden ook het personeel bij de brandspuiten. Degenen, die tot dienst bij de brandspuit waren aangewezen (de verkoorens), waren verplicht de benoeming aan te nemen, op straffe van een boete van drie gulden. Alleen zij, die konden bewijzen dat ze zestig jaar waren of ouder, waren van brandweerdiensten vrijgesteld.

Bij iedere brandspuit werden twee brandmeesters benoemd. De taak van de brandmeester was drieledig: ze waren verantwoordelijk voor de juiste bediening van de spuiten, ze bepaalden waar de spuit in geval van brand moest worden opgesteld, en ze moesten erop toezien dat de manschappen de hun opgedragen werkzaamheden naar behoren vervulden. Ook werden bij iedere spuit twee spuitmeesters benoemd, die de 'pijp' (straalpijp) moesten bestieren. Zij deden dus het eigenlijke blussingswerk.



Handbrandspuit, 18e eeuw. (Coll. Brandweer Tilburg; foto RHC Tilburg).

Verder werden bij iedere spuit een aantal manschappen benoemd om te pompen en om het water in de pomp te scheppen, en wel voor de spuiten van Kerk & Heuvel, Veldhoven en Goirle ieder 36 man, en voor de spuiten van Heikant en Korvel ieder 24 man. Tenslotte werden er per spuit twee rotmeesters aangesteld, die ervoor moesten zorgen dat er niet over de darmen (de slangen, die toen van leer waren) werd gelopen of gereden. Voor het verplaatsen van de slangen beschikten ze over een stok met een gaffel.

De brandspuiten moesten minstens eenmaal per jaar geprobeerd worden. Dit was een hele gebeurtenis, waarbij ook altijd de drost en schepenen, de dorpssecretaris en de kapiteins (de wijkmeesters) aanwezig waren.

Behalve over brandspuiten beschikte men nog over een waterpomp, die bediend werd door acht manschappen.
Voor het proberen van de brandspuiten kregen de kapiteins, de brandmeesters en de spuitmeesters ieder twaalf stuivers uitbetaald. De rotmeesters, de waterscheppers en de pompers kregen ieder zes stuivers. Degene die bij brand of oefening de spuit of de waterpomp ter plaatse (en weer terug) bracht, kreeg hiervoor één gulden en tien stuivers.

Zonder toestemming weggaan bij brand of oefening was verboden; hierop stond een boete van drie gulden. Na een brand of oefening moesten de brandspuiten worden uitgespoeld en drooggemaakt. Dit behoorde tot de taak van de spuitmeesters en de manschappen. Tot slot moesten de spuitmeesters de spuit nog smeren, waarvoor ze één gulden kregen.


Het optreden bij brand
Als er ergens brand uitbrak, moesten de naaste buren zo spoedig mogelijk de brand melden bij de brand- en spuitmeesters. Vervolgens moesten ze naar de koster om de klok te doen kleppen, en tenslotte moesten ze drost en schepenen van de brand in kennis stellen.
's Avonds en 's nachts was dit de taak van de nachtroepers, die dan bovendien alle inwoners moesten waarschuwen door het klepperen met hun klap en door het luidkeels roepen van brand! De naaste buren moesten ook een emmer naar de brand brengen. Als er 's nachts brand was, moesten ze bovendien een brandende lantaarn aan de deur hangen. Om verzekerd te zijn van voldoende mankracht, was ieder huisgezin verplicht minstens een man te leveren om mee te helpen bij het blussingswerk.

Omdat Tilburg voor het bluswater uitsluitend aangewezen was op brandkuilen, was het niet denkbeeldig dat er een tekort aan bluswater zou ontstaan. Daarom waren de bierbrouwers verplicht zo snel mogelijk vier vaten of halve tonnen met water naar de brand te brengen. [In het concept-brandreglement uit 1772 was zelfs de bepaling opgenomen dat er in geval van nood met bier geblust mocht worden.] Op het niet nakomen hiervan stond de gebruikelijke boete van drie gulden. Dezelfde boete moest ook betaald worden als een brouwer zonder toestemming de brandplaats zou verlaten.

Om een ieder tot zoveel mogelijk spoed te manen, werden er premies uitgeloofd. De brouwer die als eerste water aanvoerde kreeg zes gulden, de tweede kreeg drie gulden. Degene, die als eerste met de brandspuit bij de brand kwam, kreeg eveneens een premie van zes gulden, de tweede kreeg vier gulden en de derde drie gulden.
De spuitmeester die het eerste water gaf kreeg weer zes gulden, de tweede kreeg drie gulden. Indien er bij kwaade of slegte wegen en in tijden van nood voor het trekken van een brandspuit een tweede paard nodig was, kreeg de eigenaar hiervoor twee gulden. Ten slotte moest er bij brand door drost en schepenen of door de kapiteins uit de aanwezige manschappen een wacht worden geformeerd, die onder anderen belast werd met de bewaking van de gevluchte goederen (de geredde inboedel).


Maatregelen ter voorkoming van brand
Smeulende as kon gevaar opleveren, daarom was het verboden as te deponeren op een afstand van minder dan 15 voet (ca. 4,5 meter) van huizen, schuren, stallen, hooimijten, etc. Bovendien moest de as in een stenen of aarden pot worden gedaan. Het verbod om op de openbare weg en in stallen en schuren te roken, iets dat reeds enkele malen door middel van een resolutie aan de bevolking kenbaar was gemaakt, bleef van kracht.

Eveneens bleef het verboden stallen schuren en zolders te betreden met kaarsen of lampen die niet goed afgeschermd waren. Het drogen van vlas was toegestaan, mits de oven 25 treden van huis, schuur of stal verwijderd was.
Verder was het verboden vlas te bewerken bij lamp- of kaarslicht of bij open vuur. Als brandbare stoffen zoals hooi, stro, turf en hout op zolder werden bewaard, moesten ze minstens vier voet van de schoorsteen verwijderd blijven.

Schoorstenen vormden een potentiële bron voor het ontstaan van brand, vandaar dat het brandreglement hieraan nogal veel aandacht besteedt. Ze moesten minstens drie voet boven de nok of vorst van het dak uitsteken, of zoveel als drost en schepenen dat nodig vonden. Verder mochten schoorstenen, evenals ovens en andere vuurplaatzen in het vervolg alleen nog maar gemetseld worden. Het maken van houten of geplakte schoorstenen was voortaan verboden. Wat er met de bestaande houten of geplakte schoorstenen moest gebeuren zou door drost en schepenen bepaald worden tijdens de halfjaarlijkse brandschouw. Houten kapjes op de schoorsteen plaatsen mocht ook niet meer. Indien een van de bepalingen betreffende de schoorstenen werd overtreden, kreeg niet alleen de eigenaar de gebruikelijke boete van drie gulden opgelegd, maar ook de timmerman of dekker die het werk had gemaakt. Bovendien moest de schoorsteen onmiddellijk weer worden afgebroken. Als laatste werd bepaald dat iedereen tweemaal per jaar de schoorsteen moest (laten) vegen, waarbij er op gelet diende te worden dat er zich geen spleten of scheuren in bevonden.


Brandspuiten
Wanneer Tilburg de eerste brandspuit kreeg, is niet precies bekend. Wel weten we, dat er in 1727 al enkele brandspuiten waren. In de dorpsrekening over dat jaar wordt namelijk een bedrag van dertig gulden opgevoerd als onkosten voor het onderhoud en het proberen van de brandspuiten.

Een eerste concrete aanwijzing over het aantal brandspuiten vinden we in de dorpsrekening van 1748. In dat jaar voorzag een zekere Adriaan van Aelst de acht wielen van de karren, die gebruikt werden voor het vervoer van de brandspuiten, van ijzeren banden. Aangezien de brandspuiten werden vervoerd op tweewielige karren, mogen we hieruit de conclusie trekken dat er toen vier brandspuiten waren. (Een aantal dat overigens tot 1870 ongewijzigd zou blijven.). Zoals we reeds zagen, waren deze spuiten geplaatst in de herdgangen Kerk & Heuvel, Veldhoven, Heikant en Korvel.

In 1754 werd een nieuwe brandspuit gekocht voor een bedrag van 561 gulden en tien stuivers. De maker was Hendrik van der Varck te Rotterdam. De brandmeesters Adriaan van Aelst en Adriaen van Dun togen op 26 oktober naar Rotterdam om de nieuwe spuit te inspecteren en te beproeven. Vervolgens werd de spuit naar Tilburg vervoerd, eerst per schip van Rotterdam naar Heusden, en vandaar met paard en kar naar Tilburg. Op 2 november arriveerde men met de spuit in Tilburg.

In 1774 bestelde men een nieuwe brandspuit bij de fabriek van Wybrand en Arend Almenum te Amsterdam voor een bedrag van 608 gulden. Evenmin als de reeds in gebruik zijnde spuiten was deze nieuwe spuit voorzien van een slangenpomp, waarmee men op eenvoudige wijze het bluswater vanuit de brandkuil in de spuit zou kunnen pompen. Een slangenpomp was nogal duur (die van Almenum kostte 170 gulden), en waterscheppers waren er toch genoeg!

Toch bleek het dorpsbestuur na verloop van tijd het nut van een dergelijke pomp wel in te zien, want in 1779 maakte Cornelis de Bresser voor honderd gulden ...een nieuwe pomp en kar om het water uijt de brandkuijlen te pompen tot in de brandspuiten...

Recept van een smeersel voor de brandslangen

Om de lederen brandslangen soepel te houden, ze voor bederf te behoeden, en om te voorkomen dat er ratten of muizen aan zouden knagen, werd het volgende smeersel aanbevolen: 4 pond wagensmeer, 4 pond varkensreuzel, 2 potten traan, 1 pond gele was, 1 pond venetiaanse terpentijn en 1 pond paardenvet.


Een nieuw spuithuisje en een spuit voor De Veldhoven
Bij het testen van de brandspuit aan de Veldhoven op 4 september 1777, kwamen enkele mankementen aan het licht, waarvan melding wordt gemaakt in een rapport. In dit rapport werd er tevens op gewezen dat de kar van de brandspuit in een zeer slechte staat verkeerde, en dat het bovendien voor het behoud van het materieel noodzakelijk werd geacht dat er een nieuw brandspuithuisje zou komen.

Het rapport had niet onmiddellijk het beoogde effect, maar in 1782 kwam er toch een nieuw brandspuithuisje, terwijl het jaar daarop een nieuwe kar en een nieuwe spuit in gebruik konden worden genomen. De openbare aanbesteding voor het brandspuithuisje vond plaats op 20 september 1782. Laagste inschrijver was Gerard van de Zande, die het huisje zou gaan bouwen voor 350 gulden.



Brandspuithuisje aan de Veldhoven volgens de bestektekening, 1782. (Coll. RHC Tilburg).

Uit de bij het bestek aanwezige tekening blijkt dat het huisje de volgende afmetingen moest hebben: een breedte van ca. 4 meter, een lengte van ca. 6 meter en een hoogte tot aan de nok van ca. 4,3 meter. (In de bestektekening is als lengteëenheid de palm gebruikt; 1 palm = ca. 22,3 cm.) De muren van het huisje dienden te worden gemetseld van ijsselsteen, met een dikte van anderhalve steen. Voor de fundering mochten de stenen van het oude huisje worden gebruikt. Ook mocht de aannemer gebruik maken van de vier gelengen en het slot van de deur, alsmede van de muurankers.

De grond waarop het huisje werd gebouwd was voor 21 gulden gekocht van een zekere Gerard van de Pas. De timmerman Cornelis de Bresser kreeg van het dorpsbestuur de opdracht om na te gaan of de bouw van het huisje geschiedde conform het bestek, waarvoor bij drie gulden ontving.

De nieuwe brandspuit voor de Veldhoven werd in 1783 vervaardigd door Antonij Bijvoet en Cornelis Goossens, brandspuitenmakers te Geertruidenberg. Deze brandspuit was voorzien van een roodkoperen waterbak op een slede. Deze waterbak had een lengte van 38 duim (ca. 95 cm) en een breedte van 27 duim (ca. 67,5 cm). Van de diepte wordt alleen maar gezegd dat die na rato (naar verhouding) moest zijn. Bij de uitrusting van de brandspuit behoorden een koperen spuitpijp, ca. 30 meter lederen slang, zeildoekse slangen met een totale lengte van ca. 41 meter, die door middel van koperen bussen aan elkaar geschroefd konden worden, een houten schraag om de waterzak in te hangen, en verder diverse gereedschappen. De spuit kostte 569 gulden en tien stuivers. Voordat de spuit naar Tilburg werd vervoerd, werd hij ter plaatse geïnspecteerd en beproefd door de brandmeester van de spuit aan de Kerk, Antonij Blomjous, die daarvoor twee gulden en tien stuivers ontving.

Een kar voor de brandspuit werd, inclusief waterkuip en ladders, in 1783 gemaakt door Jan Baptist van Dooremaal, die met een bedrag van vierennegentig gulden de laagste inschrijver was bij de openbare aanbesteding. In het bestek lezen we dat de planken van vurehout mochten zijn, al het andere houtwerk moest echter gemaakt worden van goet gesont droog eijkenhout. Zowel de kar als de kuip en de ladders dienden tweemaal geverfd te worden en wel in de kleur boereblauw.

De raey (wielen) van de kar hadden een hoogte van 6 voet (ca. 1.80 meter). De spoorbreedte bedroeg eveneens 6 voet. De dikte van de as bedroeg 8 duim (ca. 20 cm), de velgen hadden een breedte van 31/2, duim (ca. 8,5 cm).
De spaken moesten zijn swaer naer den eisch van het werk. De bury (burrie, inspan) had een lengte van 17 voet (ca. 5 meter), de dikte van de bomen (waartussen het paard liep) bedroeg 3 duim (ca. 7,5 cm).
Wat de overige afmetingen van de kar betreft is het bestek nogal vaag. De waterkuip moest gemaakt worden van grenenhout zonder spint. De diameter diende 4 voet (ca. 1,20 meter) te bedragen en de hoogte 24 duim (ca. 60 cm). Om de kuip kwamen drie ijzeren banden, 2 duim breed en 1/4 duim dik. Bij de kar hoorden voorts drie ladders; twee ervan waren aan één eind voorzien van ijzeren haken. Deze ladders, die gemaakt moesten zijn van Noorse sparre, hadden negen sporten. De derde ladder, die een lengte had van 18 voet (ca. 6 meter), was voorzien van platte sporten.


Een nieuw brandreglement
Tilburg beschikte weliswaar sinds 1785 over een brandreglement, maar kennelijk liet de naleving van de voorschriften te wensen over. Dit moeten we althans concluderen bij lezing van de notulen van de vergadering van drost en schepenen van 24 februari 1798.
De vergadering werd geleid door de drost, Adriaan van der Willigen, die toen bijna drie jaar in functie was. Van der Willigen was een nauwgezet man, die zijn taak ernstig opvatte. Tijdens de vergadering deelde Van der Willigen mee dat hij enkele malen aanwezig was geweest bij een brand, waarbij het hem was opgevallen dat er, ondanks de ijver en de bereidwilligheid die de manschappen aan de dag legden, een soort van wanorder heerste. Dit kwam vooral omdat de manschappen niet voldoende waren geïnstrueerd, en omdat ze bij het blussen veel hinder ondervonden van de grote menigte die altijd samenstroomde. Om verbetering te brengen in deze toestand stelt hij voor, met spoed een commissie te benoemen, die tot taak zou krijgen een nieuw brandreglement te ontwerpen. De vergadering, het hiermee eens zijnde, wees Van der Willigen zelf en de schepen J.F. van Hal aan als lid van de commissie. Inmiddels was in dezelfde vergadering nog een belangrijk besluit gevallen. Zonder toestemming van drost en schepenen was het voortaan verboden daken van huizen en stallen te dekken met riet of stro. Ook mochten er zonder toestemming geen reparaties verricht worden aan rieten of strooien daken. Deze bepalingen golden niet alleen voor de kuijp (de kom) van het dorp, maar voor de gehele plaats.

Het ontwerpen van een nieuw brandreglement kostte nogal wat tijd, want pas op 26 maart 1800 kon het door drost en schepenen worden vastgesteld. Het nieuwe reglement bestond uit 60 artikelen; bijna het dubbele aantal van dat uit 1785. Vooral het aantal artikelen betreffende het optreden bij brand was fors uitgebreid. De artikelen die betrekking hadden op het voorkomen van brand waren vrijwel ongewijzigd overgenomen.
Opvallend is dat het aantal manschappen bij de brandspuiten, vergeleken met het reglement uit 1785, bijna verdubbeld is. Om op de plaats van de brand te kunnen zien wie wie was, werd het gebruik van distinctieven voorgeschreven. Zo kregen de brandmeesters een stok ter lengte van 6 voet (ca. 1,80 meter), wit en bruin geverfd en voorzien van een knop. De stok was bovendien voorzien van het nummer van de spuit. De spuitmeesters kregen een blauwe lakense muts, met het nummer van de spuit in rood laken. De pompers kregen om de rechterarm een rode lakense band met daarop het nummer van de spuit in blauw laken, de waterscheppers een zelfde band als de pompers, maar dan gedragen om de linkerarm. De manschappen voor de brandhaken en ladders (en waarvan er uit iedere herdgang vier werden benoemd) droegen om de rechterarm een blauwe lakense band met daarop de naam van de herdgang in rode lakense letters. De brandmeesters en de darmdragers moesten 's nachts bovendien voorzien zijn van een lantaarn met het nummer van de spuit.

Hoe goed het nieuwe brandreglement ook was, het stuitte van de zijde van de brand- en spuitmeesters op een aantal bezwaren. In een vergadering, gehouden op 26 juni 1802, maakten zij hun bezwaren aan het gemeentebestuur kenbaar. (Van der Willigen, de initiatiefnemer van het reglement, had Tilburg iniddels verlaten.) De brand- en spuitmeesters verklaarden dat het bestaande reglement ...zonder merkelijke verandering niet wel ten uitvoer te brengen is, en dat zij in geval van brand verwarringen en confusien verwachtten.
Het uiteindelijke resuitaat van de bespreking was, dat het reglement op een aantal punten werd gewijzigd. Zo werden de onderscheidingstekens afgeschaft. Verder besloot men dat voorlopig ...de directie zo bij 't probeeren der spuiten als in cas van brand, zal zijn als van ouds.
Het brandreglement van 1800 werd, nadat enkele kleine wijzigingen aangebracht waren, in 1815 weer in ere hersteld.

Overzicht van de brandblusmiddelen, aanwezig in de gemeente Tilburg op 31 januari 1827

4 brandspuiten met bijbehorende lederen slangen
126 brandmemmers
13 brandhaken
11 bijlen
13 ladders
11 zeilen
11 lantaarns
41 gaffels of mikken (deze dienden voor het verplaatsen van de lederen slangen)
4 waterkuipen
8 dakhaken
4 schoppen
5 koperen bussen (om de slangen aan elkaar te kunnen koppelen)
4 hamers
4 linnen 'darmen' (slangen)
1 wagen en 3 karren, voorzien van het nodige paardentuig, om de spuiten te kunnen vervoeren.


Alweer een nieuw brandregelement
In 1851 trad de door Thorbecke ontworpen Gemeentewet in werking. In deze wet, die nog steeds van kracht is, werd aan burgemeester en wethouders o.a. opgedragen de zorg voor het voorkomen, beperken en bestrijden van brand. Daarnaast kregen burgemeester en wethouders tot taak het personeel van de brandweer te benoemen en te ontslaan. Het opperbevel bij brand werd in handen van de burgemeester gelegd.

Het inwerkingtreden van de Gemeentewet was aanleiding voor het gemeentebestuur een nieuw brandreglement te ontwerpen dat op 18 augustus 1856 door de gemeenteraad werd goedgekeurd. Dit nieuwe reglement wijkt inhoudelijk weinig af van het reglement uit 1815, de formulering is echter op een aantal plaatsen aangepast.

Brandkuilen
Brandkuilen vormden tot het eind van de negentiende eeuw de enige bluswaterbron in Tilburg. De riviertjes de Leij en de Donge lagen te ver buiten het bewoonde gebied, terwijl de vele kleinere waterlopen die de gemeente vroeger doorkruisten meestal ook niet benut konden worden, want ze bevatten of te weinig water, of ze werden gebruikt als open riool.

Brandkuilen trof men vroeger aan op een groot aantal plaatsen in de gemeente, zoals het Ven (Piusplein), de Heuvel, de Veldhoven (Wilhelminapark), de Veldhovensche hoek (Veldhovenplein), de Hasselt (Hasseltplein) het Goirke (Julianapark), de Herstal (Bokhamerstraat), de Heikant (de Schans), Korvel (Korvelplein) en Oerle (Transvaalplein).
De brandkuilen werden overigens niet alleen gebruikt om er bluswater aan te onttrekken. Dikwijls deden ze ook dienst als wolspuul, dus om wol te wassen. Verder werden ze ook wel als beestendrinck gebruikt.

Vanzelfsprekend was het uitsluitend aangewezen zijn op brandkuilen dikwijls een handicap. Niet altijd was er een brandkuil in de naaste omgeving van de brand, verder kon het in droge perioden voorkomen dat de kuil geen water bevatte, en natuurlijk kon de kuil ook tijdens het blussen leegraken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de brandreglementen steeds de bepaling was opgenomen dat de bierbrouwers in geval van brand water moesten aanvoeren.



Brandkuil aan het Hasseltplein in 1928. (Coll. RHC Tilburg).

De brandkuilen moesten te allen tijde goed bereikbaar blijven. Daarom was het verboden om in de buurt van brandkuilen hout, hooi of stro op te stapelen, of om er gaten of kuilen te graven.

Door de geleidelijke groei van Tilburg moesten er van tijd tot tijd nieuwe brandkuilen gegraven worden.
Zo werd in 1773 in de Reit een brandkuil gegraven door een meenigte daartoe gecommandeerde manschappen. Deze manschappen ontvingen daarvoor geen loon; om ze aan te moedigen werd er echter regelmatig bier en jenever geschonken. De drank werd geleverd door Corn. Brouwers die daarvoor een bedrag van 14 gulden en 12 stuivers in rekening bracht. In 1778 werden er nog eens drie nieuwe brandkuilen gegraven: in Oerle, op het Heike en in de Noordhoek. Ditmaal werd er voor in totaal 43 gulden, 12 stuivers en 8 penningen aan drank geschonken.

Een nauwkeurige beschrijving van een brandkuil vinden we in een bestek uit 1800. Het betreft hier een brandkuil, die gegraven moest worden aan de Moerstraat. De grootste lengte van de kuil bedroeg 71,6 voet (ca. 21 meter), de grootste breedte 50 voet (ca. 15 meter). De kuil was 12 voet (ca. 3,5 meter) diep. Als de kuil tot de rand toe gevuld zou zijn, kon hij meer dan een half miljoen liter water bevatten. De uit de kuil afkomstige aarde mocht door de aannemer gestort worden op de gemeentewegen. Indien er in de kuil leem gevonden werd, waren de eerste vijfentwintig karren voor de gemeente.
Op 20 september vond de openbare aanbesteding plaats. Laagste bieder was Jan Baptist Jan Mutsaers, die het werk aannam voor vierenveertig gulden. Als de kuil niet voor 25 oktober klaar zou zijn, moest hij drie gulden boete betalen voor iedere dag dat hij er langer aan werkte.

Omdat de brandkuilen gemakkelijk verzandden, en omdat er ook wel afval in zal zijn gestort (hoewel dat laatste natuurlijk streng verboden was), moesten ze regelmatig- worden schoongemaakt en uitgediept. Bij het schoonmaken van de brandkuil op de Heuvel, op 24 september 1818, werden nabij de kant twee schoenen en enkele beenderen gevonden. 's Anderendaags vond men een menschenhoofd (...) omtrent 2,5 voet diep in het slik, alsmede een voet. Helaas zijn er geen nadere gegevens te vinden over deze macabere vondst. Uit de kuil op de Heuvel kwamen naar schatting 800 à 900 11 aardkarren met vuil. Negen arbeiders en vier man met elk een paard en kar deden er circa drie dagen over om de kuil weer schoon te maken.

Na het gereedkomen van de waterleiding in 1898 zijn de brandkuilen geleidelijk aan gedempt. In 1926 waren er nog vijftien. Na de Tweede Wereldoorlog waren er nog maar vier over, alle gelegen in de omgeving van de Heikant. Deze laatste brandkuilen zijn alle in de periode 1965-1970 gedempt.

 

Overzicht van het brandweerpersoneel in 1864

 

Spuit no.1
(Kerk)

Spuit no.2
(Veldhoven)

Spuit no.3
(Heikant)

Spuit no.4
(Korvel)

brandmeesters

3

3

3

3

spuitmeesters

3

3

3

3

waterpompers

37

33

23

24

waterscheppers

39

36

24

24

darmdragers

24

14

16

12

ladderdragers

9

6

2

3

haakdragers

7

4

2

3

totaal

122

99

73

72

 

Meer brandspuiten
In 1868 verzocht een aantal raadsleden aan burgemeester en wethouders de aanschaf van een vijfde brandspuit in overweging te nemen. Het College gaf hieraan gehoor, want op de begroting van 1870 werd een post van 1000 gulden opgevoerd ten behoeve van een brandspuit en een spuithuisje in de wijk Goirke. De aannemer Francis Stalpers bouwde het huisje voor f 405,-, terwijl de brandspuit gemaakt werd door W.H. Smulders voor een bedrag van f 510,-.

Helemaal tevreden was de raad nog niet, want in de raadsvergadering van 21 december 1870 werd besloten een deskundige te benoemen die moest nagaan of de bestaande brandspuiten, zoo door het aanbrengen van zuigbuizen als koppelschroeven al of niet voor eene goede verbetering vatbaar zijn. Het College van B en W wendde zich daarop tot de Rotterdamse brandspuitenfabriek W.C. Pasteur & Co., met het verzoek een deskundige naar Tilburg te sturen, teneinde aan het gemeentebestuur een advies uit te brengen.



Handbrandspuit van de fa. Pasteur, ca. 1870.  (Coll. Brandweer Tilburg; foto RHC Tilburg).

Op 11 februari 1871 kon de raad worden meegedeeld dat de firma Pasteur inmiddels een advies had uitgebracht. Naar aanleiding hiervan werd besloten tot de aanschaf van drie stel nieuwe brandspuiten en de bouw van drie nieuwe brandspuithuisjes, namelijk op het Ven (Piusplein), nabij de Hasseltse Kapel en in de wijk Oerle.
Elk stel brandspuiten zou bestaan uit een afzonderlijke zuigpomp of aanjager en een perspomp (de eigenlijke spuit). Voor het aanzuigen van het water met de aanjager kon men beschikken over een zuigslang ter lengte van 7 meter. Aanjager en spuit waren met elkaar verbonden door 200 meter slang, de slang tussen pomp en straalpijp had een lengte van 30 meter. De drie stel nieuwe spuiten werden geleverd door de firma Pasteur. Het eerste stel, bestemd voor het Ven, werd samen met een materieelwagen geleverd in 1871. De andere spuiten, bestemd voor de Veldhoven en de wijk Kerk werden geleverd in respectievelijk 1872 en 1873. De oude spuiten van de Veldhoven en de wijk Kerk werden na revisie geplaatst in de wijken Hasselt en Oerle. De drie nieuwe brandspuithuisjes werden gebouwd door Cornelis van Eijk Czn. In 1874 werden nog drie aanjaagspuiten aangeschaft, en in 1875 nog eens twee. Hierdoor beschikten alle brandspuiten nu over een aanjaagspuit.


Tilburg krijgt een vrijwillige brandweer
Een verdubbeling van het aantal brandspuiten betekende in de eerste plaats dat er nieuw personeel moest worden aangesteld. Burgemeester en wethouders grepen de gelegenheid echter meteen aan om een aantal flinke wijzigingen aan te brengen in de bestaande brandweerorganisatie. Het resultaat was een nieuw brandreglement, dat op 17 juni 1871 door de gemeenteraad werd goedgekeurd.

Om te beginnen kreeg het voltallige brandweerpersoneel ontslag, en werd er nieuw personeel benoemd. De leiding van de brandweer kwam in handen van een directie, die bestond uit een algemeen brandmeester, twee plaatsvervangend algemeen brandmeesters, waarvan er een tevens de functie van secretaris vervulde, en acht brandmeesters, voor iedere brandspuit één. Verder bestond de brandweer uit assistent-brandmeesters, waarvan er bij iedere spuit drie werden benoemd, en uit manschappen. Deze manschappen bestonden uit vrijwilligers. Dit is een feit, waarbij we even moeten stilstaan, want voor het eerst in de Tilburgse historie is er sprake van een vrijwillige brandweer.

  

Onderscheidingsteken van de assistent-brandmeester, eind 19e eeuw. (Coll. RHC Tilburg).

Als onderscheidingsteken droegen de algemeen brandmeester en zijn plaatsvervangers een zilveren plaat met het gemeentewapen. De brandmeesters droegen een koperen plaat, waarop hun titel en het nummer van de spuit; de assistent-brandmeesters droegen een soortgelijke, doch kleinere plaat. De manschappen tenslotte droegen als onderscheldingsteken een lederen band om de linkerarm, waarop het nummer van de spuit en ...de plaats waar zij bij de spuit werkzaam zijn... Voorts kregen de manschappen een genummerde penning, die bij brand of oefening bij de brandmeester moest worden ingeleverd, zodat kon worden nagegaan wie er weg bleef, of te laat kwam.

Directie van de brandweer in Tilburg, 1871

Ludovicus Gerardus Swagemakers, algemeen brandmeester
Josephus Wilhelmus Bernardus Kerstens, plv. algemeen brandmeester
Johannes Cornelis van den Heuvel, plv. algemeen brandmeester/secretaris
Johannes Ludovicus Donders, brandmeester wijk Kerk
Pieter Janssens Pz., brandmeester wijk Heuvel
Johannes de Beer, brandmeester wijk Veldhoven
Frans. de Wijs, brandmeester wijk Goirke
Hend. Dion. Janssens, brandmeester wijk Korvel
Gerardus Smulders, brandmeester wijk Hasselt
Antonie van de Ven, brandmeester wijk Oerle
Cornelis Somers, brandmeester wijk Heikant

Hoe groot het aantal manschappen moest zijn, werd door het brandreglement in het midden gelaten.
We citeren: Het personeel der brandweer bestaat uit zooveel manschappen als door Burgemeester en Wethouders, in overleg met de directie, zal worden bepaald. Toch kunnen we, door gebruik te maken van andere bronnen, wel een schatting maken van het aantal manschappen. Zo vinden we in de Bijlagen van de Gemeenterekening van 1872 een rekening van de zadelmaker A. Graafmans voor de levering van 500 lederen armbanden à f 0,25, en een rekening van de firma Pasteur voor de levering van 495 koperen armbanden à f 0,13. Rekening houdend met een aantal penningen en armbanden als 'reserve' mogen we toch wel aannemen dat er sprake meet zijn geweest van 400 tot 450 manschappen.
Deze schatting komt goed overeen met de personeelssterkte van de brandweer die genoemd wordt in de Algemeene Politieverordening uit 1896. Volgens deze verordening bestond de brandweer uit 400 manschappen, die als volgt over de spuiten waren verdeeld: spuit Kerk: 60 manschappen, spuit Heuvel 60 manschappen, de spuiten van Veldhoven, Korvel, Goirke en Oerle ieder 50 manschappen en de spuiten van Heikant en Hasselt ieder 40 manschappen.



De brandspuit van kring C (Oerle); tweede van rechts: brandmeester J.C. van 
Roessel. Foto 1923. (Coll. RHC Tilburg).

Formeel bestond het brandweercorps wiliswaar uit vrijwilligers, maar het was natuurlijk de vraag of er zich voldoende vrijwilligers zouden aanmelden. Bij het ontwerpen van het brandreglement was hiermee rekening gehouden, want er was een bepaling opgenomen, dat bij een tekort aan vrijwilligers de manschappen door middel van loting konden worden aangewezen voor het verrichten van brandweerdiensten. Deze aanwijzing gold in principe voor alle mannelijke ingezetenen tussen 30 en 40 jaar. Sommige personen waren hiervan echter vrijgesteld, zoals ambtenaren ter secretarie, raadsleden, geestelijken, godsdienstleraren, artsen, politieagenten en leden van de schutterij. Was iemand eenmaal door loting aangewezen, dan moest hij gedurende tien jaar brandweerdiensten verrichten. De beter gesitueerden verkeerden hierbij in een gunstige positie, want afkoop was mogelijk door betaling van vijf gulden per jaar. Naast afkoop bestond er ook de mogelijkheid om een plaatsvervanger aan te wijzen.

De openbare loting vond ieder najaar plaats ten overstaan van burgemeester en wethouders. In hoeverre men telkenjare gebruik heeft moeten maken van lotelingen valt niet meer na te gaan.
Naast de aanwijzing van personen door loting kon de burgemeester in geval van nood alle mannelijke ingezetenen tot het doen van dienst bij brand verplichten. Bovendien konden van de ingezetenen paarden, voertuigen en andere materialen gevorderd worden.

Alle leden van de directie ontvingen per jaar voor het bijwonen van hun vergaderingen een presentiegeld van f 250,-. De algemeen brandmeester en de secretaris kregen bovendien nog een tegemoetkoming van 50 gulden per jaar. Voor ieder uur werken kregen de manschappen 15 cent, de assistent brandmeesters kregen het dubbele.



(Coll. RHC Tilburg).

In het brandreglement van 1871 waren geen bepalingen meer opgenomen die betrekking hadden op het voorkomen van brand. Deze bepalingen zouden voortaan worden opgenomen in de algemene politieverordeningen.


Nortonputten
In de loop der jaren was het verscheidene malen voorgekomen dat door gebrek aan water de blussing van een brand ernstig was bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Het werd dus zaak te trachten hiervoor een afdoende oplossing te vinden.
In 1880 kreeg de directeur van de gemeentelijke gasfabriek van burgemeester en wethouders de opdracht om ten behoeve van de brandweer proeven te nemen met nortonputten. Jammer genoeg is niet bekend hoe deze proeven zijn verlopen. Evenmin weten we waar de putten zijn geboord, en hoeveel het er waren.

Waarschijnlijk was het experiment niet zo succesvol, want het duurde geruime tijd alvorens men een nieuwe poging ondernam. Eerst in 1892 en 1893 werden er, ingevolge een raadsbesluit van 12 november 1892, opnieuw nortonputten geslagen, en wel 9 stuks in 1892 en 13 stuks in 1893.
Ook ditmaal waren de putten in eerste instantie bestemd voor de brandbestrijding. Mocht het water ook geschikt zijn om te drinken, dan zouden de putten kunnen worden voorzien van een pomp. De onderhavige putten waren van zink, en hadden een diameter van 33 cm. Aan de onderzijde waren ze over een lengte van 4 meter voorzien van kopergaas. De eerste put werd geslagen door J. Broeckx op het Willemsplein; deze beantwoordde volkomen aan haar doel: zij werd beproefd met twee brandspuiten en gaf overvloedig water, terwijl de waterstand in de put niet dieper daalde dan 5,50 meter onder den beganen grond. Het onderzoek naar de kwaliteit van het water werd verricht door dr. H.P.M. van der Horn van den Bos, leraar scheikunde aan de Rijks-HBS. Dit onderzoek toonde aan dat het water uit meer dan de helft van de putten geschikt was als drinkwater. Na de ingebruikneming van de waterleiding zijn deze putten weer, met uitzondering van die aan de Heikant, buiten gebruik gesteld.


Waterleiding
Reeds in 1884 werd uit de gemeenteraad een commissie benoemd die moest nagaan of het mogelijk en wenselijk was een waterleiding te exploiteren. Vooral omdat bleek dat hiermee veel kapitaal gemoeid zou zijn, werd contact gezocht met particuliere investeerders. Het verliep echter allemaal erg moeizaam. Vele onderhandelingen werden gevoerd, concessies werden verleend en weer ingetrokken. Uiteindelijk besloot de gemeenteraad op 20 december 1894 aan G.J. de Groot, civiel-ingenieur te 's-Gravenhage, een concessie te verlenen voor de aanleg en een exploitatie van een waterleiding in de gemeente Tilburg.

De raad keurde de definitieve plannen goed op 25 juli 1895. Op die datum werd tevens de concessie overgedragen aan de (nog steeds bestaande) naamloze vennootschap Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij (in oprichting). De statuten van de vennootschap werden goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 30 oktober 1895.

Met de aanleg van de waterleiding werd begonnen in 1896, de feestelijke ingebruikneming vond plaats op 27 augustus 1898. Van het pompstation aan de Gilzerbaan naar de watertoren aan de Bredaseweg, een afstand van ca. 4,2 kilometer, liep een drukbuisleiding met een diameter van 450 mm. De watertoren bezat een reservoir met een inhoud van 1 miljoen liter. Van de watertoren liep een hoofdleiding (diameter 650 mm) naar het centrum. Vandaaruit vertakte het net zich verder door middel van buizen met diameters van 80 en 500 mm.

Door de ingebruikneming van de waterleiding kreeg de brandweer de beschikking over een nieuw wapen in de strijd tegen het alles vernietigende vuur. In artikel 12 van de concessievoorwaarden lezen we De concessionaris is verplicht de noodige hoeveelheid water aan de gemeente te leveren (...) voor de brandbluschmiddelen, zoowel bij de beproeving daarvan als in geval van brand. De gemeente was hiervoor niets verschuldigd.
In de waterleiding, die een totale lengte had van 28 kilometer, waren 284 ondergrondse brandkranen aangebracht. Deze kranen waren afgesloten met een gietijzeren putdeksel. De onderlinge afstand tussen de brandkranen bedroeg 60 tot 75 meter.


Slangenwagens
Op een brandkraan kon een opzetstuk (standpijp) worden geplaatst. Dit was een koperen pijp met een lengte van ca. 1 meter, met aan de bovenzijde twee afsluiters waaraan slangen gekoppeld konden worden. Nadat het opzetstuk op de brandkraan was geplaatst kon de kraan met een speciale sleutel worden geopend, zodat het bluswater in vrijwel onbeperkte hoeveelheden aan het waterleidingnet kon worden onttrokken. Voor het vervoer van het opzetstuk en de slangen alsmede van een ladder en diverse materialen en gereedschappen, werd gebruik gemaakt van slangenwagens. Dit waren tweewielige wagentjes, die met de hand konden worden voortbewogen.



Brandwacht W. Geertjens met een slangenwagen. Foto 1928. (Coll. RHC Tilburg).

In juli 1898 leverde de Arnhemse firma C.G. de Roos voor een bedrag van f 313,- een slangenwagen met 150 meter linnen slang, 60 meter gummislang, een ladder, en verdere toebehoren. Met deze slangenwagen werden diverse succesvolle proefnemingen gedaan. De begrotingscommissie uit de gemeenteraad stelde in november 1898 voor 15 van deze slangenwagens aan te schaffen. Na overleg met het bestuur der brandweer werd besloten er voorlopig tien te bestellen. Op 3 december keurde de gemeenteraad het besluit goed. Nog voor het eind van het jaar werden de slangenwagens afgeleverd door de Rotterdamse brandspuitenfabriek Bikkers voor een bedrag van f 270,- per stuk.

Vier van deze slangenwagens werden geplaatst in bestaande brandspuithuisjes, namelijk die aan de Zwijsenstraat, de Korvelseweg, de Gasthuisstraat en de Goirkestraat.
De overige zes werden gestationeerd op het terrein van de gemeentelijke gasfabriek aan de Lange Nieuwstraat, op de speelplaats van de gemeenteschool aan het Langepad (Langestraat 12), in de Boterhal aan de Markt, in een magazijn van slager A. Ooms aan de Zwaanstraat, bij de smid A.H. den Ouden aan de Noordstraat 54 en bij de smid J. van Son aan het Haringseind (Korvelseweg).
Het brandspuithuisje aan het Ven (Piusplein) was inmiddels afgebroken, en herbouwd op het terrein van de Algemene Begraafplaats aan de Oisterwijksebaan (thans St. Josephstraat). De slangenwagen aan de gasfabriek werd in 1900 verplaatst naar het nieuwe politiebureau aan het Wilhelminapark.



Brandspuithuisje aan de Goirkestraat. Foto 1923. (Coll. RHC Tilburg).