Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
395. 200 jaar brandweer in Tilburg
 

Titel:   

200 jaar brandweer in Tilburg

Ondertitel  

Auteur:   

ir. Rob van Putten

Jaargang:   

III (1985) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

3-64


2. Van dorpsbrandweer tot keurkorps
Het functioneren van de brandweer in Tilburg aan het begin van twintigste eeuw

In 1909 werd de Tilburgse brandweer ingrijpend gereorganiseerd. Geen overbodige maatregel, want de brandweer in Tilburg functioneerde aan het begin van de twintigste eeuw verre van optimaal.

Dit slechte functioneren wordt door het bestuur van de brandweer overigens volmondig toegegeven in het jaarverslag van 1909. Hierin lezen we: "Gaarne bekennen wij dat de toestand der brandweer voor de reorganisatie veel te wenschen overliet en vergeleken bij den tegenwoordigen, nauwelijks een brandweer genoemd kon worden."

Het bestuur geeft ook de oorzaken aan voor het feilen van de brandweer "Er bestond niet voldoende materieel, geen geoefend personeel, geen alarmering of telefonische verbinding, geen instructie of verordening en ten gevolge daarvan ook geen orde, terwijl dit alles bij een brandweer zoo dringend noodzakelijk is."

We moeten hierbij toch wel enkele kanttekeningen maken. Allereerst was er niet zozeer sprake van een gebrek aan materieel als wel van het niet of althans zeer slecht onderhouden ervan. Een rapport, opgemaakt door de chef van de gemeentereiniging toont dit duidelijk aan. We citeren: "Behoudens een enkele uitzondering waren de 13 bergplaatsen voor slangenwagens geheel vervuild en grotendeels met allerhanden rommel gevuld. De meeste wielen der wagentjes waren, door niet op tijd gesmeerd te zijn, genoegzaam aan de assen vastgeroest, zoodat bij het vervoeren deze meer een slepende dan wel een rollende beweging maakten."

Uit het rapport blijkt verder dat een groot deel van de slangenvoorraad in slechte staat verkeerde; voornamelijk het gevolg van het na gebruik onvoldoende drogen. Bovendien ontbraken bij diverse slangenwagens materialen zoals bijlen, breekijzers, lantaarns en ladders.

Ten aanzien van het ontbreken van een alarmering kan worden opgemerkt dat er wel een alarmeringssysteem bestond, maar dat was zeer primitief. Alleen de drie algemeen-brandmeesters waren per telefoon te alarmeren, al het overige personeel moest worden gewaarschuwd zoals het al eeuwen lang gebeurde, namelijk door het luiden van de brandklok (de klok in de toren van de kerk van het Heike aan de Markt). Deze wijze van alarmeren leidde er onvermijdelijk toe dat er bij een brand ook een groot deel van de burgerij te hoop liep.

Tot slot nog een opmerking over het ontbreken van een brandweerverordening: formeel was het brandreglement uit 1871, dat in 1896 nog eens in zijn geheel was opgenomen in de Algemene Politieverordening, nog steeds van kracht. Bij het in gebruik nemen van de slangenwagens in 1899 is het echter niet aangepast, zodat het een groot deel van zijn waarde had verloren.

Ter illustratie van het weinig succesvol optreden van de brandweer in die dagen, volgen hieronder enkele citaten uit krantenverslagen van een brand bij de ijzergieterij Van der Schoot aan de IJzerstraat 16, op 23 augustus 1905.
Bij deze brand gingen twee ijzermagazijnen en twee magazijnen met gietmodellen verloren. De Nieuwe Tilburgsche Courant van 24 augustus 1905 zegt hierover: "…doch eerst drie kwartier nadat de brandweer op het terrein des onheils aanwezig was, begon men, naar ooggetuigen mededeelden, water te geven. Men wist niet waar de brandputten waren, men wist niet hoe de slangen, waarvan verschillende lek waren, aan elkander pasten en hoe men ze moest vastschroeven en toen alles eindelijk gereed was, wist men tenslotte niet, waarop men de waterstralen het eerst zou richten. In een woord het was een echte Jan-Klaassenboel en ‘t is dringend noodig, dat daarin eens flinke verbeteringen worden aangebracht." Toen men omstreeks 23.00 uur dacht de brand meester te zijn, bleek het dak in brand te staan van de naastgelegen parapluiefabriek van de firma Gimbrère, waarschijnlijk als gevolg van overspringende vonken. "Vrij spoedig had men hier het vuur gebluscht; alleen een gedeelte van het dak is vernield, doch de aangebrachte waterschade is aanzienlijk en heeft de firma meer schade veroorzaakt dan wanneer de geheele fabriek in vlammen zou zijn opgegaan."

De Tilbursche Courant van 27 augustus 1905 was niet milder in haar oordeel: "Dat de brandweer hier nogal wat te wenschen overlaat, is wederom dezen avond gebleken. Wij hopen hierop nog wel eens nader terug te komen, doch vestigen de aandacht op de bevoegde autoriteiten die voor eene goed georganiseerde brandmacht hebben te zorgen." Verder deelt deze krant ons nog, mee dat de brandweer in haar werk ernstig werd gehinderd door de enorme mensenmassa die was toegestroomd, terwijl bovendien slangen werden doorgesneden door baldadige jongelui.


De totstandkoming van een nieuwe brandweerorganisatie

Gelukkig was het ook het gemeentebestuur niet ontgaan dat de brandweer in Tilburg niet optimaal functioneerde.
Op 19 juli 1907, kort na de installatie van mr. G. Raupp tot burgemeester van Tilburg, schrijft het College van B en W aan het bestuur van de brandweer "Reeds meermalen kwam bij ons ter sprake de niet voldoende regeling der brandweer in deze gemeente, wij zijn dan ook voornemens een reorganisatie aan den raad voor te stellen." Aan het bestuur van de brandweer wordt verzocht alvast een ontwerp-regeling te maken. Reeds op 28 juli kwam het antwoord. In een inleidende brief benadrukte het bestuur der brandweer het belang van een goed alarmeringssysteem.

De gemaakte ontwerp-regeling, die was geënt op de bestaande organisatie, was erg summier en zal hier verder onbesproken blijven. Nadat de nodige besprekingen tussen het College van B en W en het bestuur der brandweer hadden plaatsgevonden, kon begin 1909 een nieuw ontworpen brandreglement aan de leden van de gemeenteraad worden voorgelegd. Het werd, nadat nog enkele kleine wijzigingen waren aangebracht, door de gemeenteraad goedgekeurd op 12 februari 1909. Drie dagen later werd het personeel benoemd. In maart werden de verschillende instructies voor het personeel vastgesteld en aan hen uitgereikt.

Daar een groot deel van het personeel nieuw was, en nog nooit met brandweermaterieel had gewerkt, werden met alle manschappen ‘droge oefeningen' gehouden. Deze oefeningen werden geleid door de heer Grondijs, wachtcommandant van de Utrechtse brandweer.


Afdelingen en kringen
Tilburg werd voor wat betreft de brandweer verdeeld in een noordelijke en een zuidelijke afdeling. De grens tussen beide afdelingen werd gevormd door de spoorlijn Breda-'s-Hertogenbosch. Aan het hoofd van iedere afdeling stond een opperbrandmeester. Voor de noordelijke afdeling was dat de fabrikant Alphons Swagemakers en voor de zuidelijke de fabrikant Pierre Donders (beiden waren voor de reorganisatie algemeen brandmeester). De afdelingen waren weer verdeeld in kringen; zeven in de noordelijke en acht in de zuidelijke afdeling. Aan het hoofd van iedere kring stond een brandmeester. Het materieel van de kringen, brandspuiten en slangenwagens, was opgeborgen in brandspuithuisjes (die overigens officieel brandwacht heetten).


Personeel
De opperbrandmeesters werden terzijde gestaan door een opzichter van het materieel en door een secretaris. Tot eind 1913 waren deze functies verenigd in de persoon van de beer F. Stalfoort, chef van de gemeentereiniging. Naast het reeds genoemde personeel bestond de brandweer uit 18 adjunct brandmeesters en 72 brandgasten, in totaal dus 108 personen. Bij een slangenwagen waren ingedeeld: 1 brandmeester, 1 adjunct-brandmeester en 6 brandgasten.

De kringen die toen alleen maar over een brandspuit beschikten (Oerle, Heikant en Hasselt) bestonden slechts uit 1 brandmeester en 2 adjuncten. De voor de brandspuit benodigde manschappen werden door de brandmeester aangewezen "...ten getale als door hem noodzakelijk wordt geoordeeld". Het hing dikwijls van de omstandigheden af, of er veel of weinig personeel voor de bediening van de brandspuiten nodig was. De ervaring leerde dat mensen die in de buurt van de brand woonden gewoonlijk goed meehielpen. (N.B.: De brandspuit aan de Oisterwijksebaan werd bediend door het personeel van kring 7, de slangenwagen bij de gasfabriek door het personeel van de gasfabriek.)


Colleges van Brandmeesters
De opperbrandmeesters vormden elk, samen met de brandmeesters van hun afdeling en de opzichter-secretaris een College van Brandmeesters. Er waren derhalve twee van deze colleges, en formeel beschikte Tilburg dan ook over twee afzonderlijke brandweercorpsen. De Colleges van Brandmeesters vormden een adviesorgaan voor het College van B en W. Ze moesten minstens tweemaal per jaar een vergadering beleggen.


Bezoldiging
Ieder personeelslid van de brandweer kreeg een jaarwedde: de opperbrand meester voor de zuidelijke afdeling kreeg per jaar f 200,--, die van de noordelijke afdeling f 150,--. (In de zuidelijke afdeling kwamen meer branden voor.). De opzichter-secretaris kreeg f 150,--, een brandmeester f 25,--, een adjunct-brandmeester f 15,-- en een brandgast f 5,--. Voor iedere brand waarbij zij werden ingezet kregen de brandmeesters, de adjuncten en de opzichter-secretaris f 2,50, de brandgasten kregen een gulden per uur voor de eerste twee uur, en daarna 50 cent per uur. Spoed werd extra beloond: de twee brandgasten die het eerst bij het spuithuis aankwamen na een brandmelding kregen een premie van 25 cent. Hiertoe hingen in ieder spuithuis twee premiepenningen, die bij de brandmeester moesten worden ingeleverd.


Distinctieven
De opperbrandmeesters, de opzichter-secretaris, de brandmeesters en de adjuncten droegen bij brand als herkenningsteken een marinepet. De pet van de opperbrandmeesters was voorzien van een brede gouden band, de andere petten hadden een smallere gouden band. Voorts waren de petten van de brand meesters en de adjuncten voorzien van het nummer van de slangenwagen. De brandgasten kregen als ‘onderscheidingsteken' een koperen penning met daarop het nummer van de slangenwagen. Uniformen, laarzen of helmen kende men nog niet, de brandgasten blusten gewoon in hun ‘burgerkloffie'.


Alarmering
De opperbrandmeesters, de opzichter-secretaris en de brandmeesters bij de slangenwagens waren per telefoon met het Centraal Telefoonbureau verbonden. Het overige personeel was met het telefoonbureau verbonden door middel van elektrische alarmschellen. Een brand werd gewoonlijk gemeld bij de dichtstbijzijnde politiepost of bij een der brandmeesters. Van daaruit werd de brand dan gemeld aan het telefoonkantoor, alwaar men per telefoon en door middel van de alarmschellen het personeel kringsgewijs kon alarmeren. Welke kring(en) moest(en) worden opgeroepen, kon de dienstdoende telefonist aflezen in een stratenlijst. Bij brandalarm werden de alarmschellen gedurende een halve minuut in werking gesteld. Iedere zaterdagmiddag om een uur werden de alarmschellen en de telefoons getest door het houden van een proefalarm.



Brandweeroefening op het kazerneterrein, gehouden
door kring 6 (Piusstraat) op 31 maart 1923. Tweede
van rechts: brandmeester J. van der Meijs. Links
daarvan: hoofdbrandmeester H. Janssen.
(Coll. THC Tilburg).


Eedsaflegging
De eerste vergadering van (beide) Colleges van Brandmeesters vond plaats op maandag 5 juli 1909, 's avonds om half negen. Plaats van handeling: het gebouw van de Nieuwe Koninklijke Harmonie aan de Stationsstraat. Tijdens deze vergadering, die voor deze gelegenheid werd geleid door burgemeester Raupp, werd door alle aanwezige leden van de Colleges van Brandmeesters en de adjunct-brandmeesters de volgende eed afgelegd: "Ik zweer, dat ik mij in mijne bij den dienst der brandweer in de gemeente Tilburg opgedragen betrekking zal gedragen naar de voorschriften, die mij zijn of zullen worden gegeven, terwijl ik, om iets in mijne betrekking te doen of te laten, van niemand eenige giften of beloften aannemen of aan anderen geven zal Zoo waarlijk helpe mij God almachtig".


Nieuw materieel
Het materieel van de brandweer, dat begin 1909 hoofdzakelijk bestond uit 13 slangenwagens en 8 stel brandspuiten, werd in de loop van het jaar o.a. uitgebreid met een materieelwagen (een soort slangenwagen met extra materieel), een mechanische ladder, een schuifladder, 2 trapladders, 2500 meter slang en diverse materialen en gereedschappen. De school aan de Zwijsenstraat, waar een slangenwagen was gestationeerd, werd in 1909 in gebruik genomen als hoofdbureau van politie. Voor de slangenwagen werd hierin een geheel nieuwe bergplaats ingericht. In datzelfde jaar werd de slangenwagen van de Boterhal verplaatst naar een bergplaats bij het politiebureau aan het Besterdplein, terwijl de slangenwagen van de Noordstraat werd verplaatst naar een bergplaats op de speelplaats van de school aan de Korte Schijfstraat.

Brandwachts

In verband met het sterk verhoogde brandrisico in circussen en theaters besloten burgemeester en wethouders in 1915 dat bij circus- en toneelvoorstellingen, etc. steeds een brandwacht aanwezig moest zijn. Aanvankelijk werden hiervoor brandgasten van de slangenwagens aangewezen, maar in 1918 werden vier speciale brandwachts benoemd. Samen verrichtten zij in dat jaar 137 wachtdiensten. Eénmaal moest er in dat jaar worden ingegrepen: op 2 maart bluste de brandwacht H.J. van Trier tijdens een toneelvoorstelling een begin van brand in zaal ‘Amicitia' aan de Koestraat. Eveneens in 1918, van 15 november tot 31 december, werd door de brandweer permanent wacht gehouden in de fabriek van de fa. Van Puijenbroek aan de Goirleseweg, alwaar Franse vluchtelingen verbleven.

 

De brandweer krijgt een commandant
In de loop van 1917 dienden de beide opperbrandmeesters Donders en Swagemakers bij B en W hun ontslag in. Reden voor hun besluit was het te omvangrijk worden van de taak van opperbrandmeester. De werkzaamheden, verbonden aan deze functie waren in de loop der jaren dusdanig toegenomen, dat ze niet meer naar behoren waren uit te voeren door iemand die al een volledige dagtaak had. Het aftreden van beide heren was voor het gemeentebestuur een goede aanleiding om de organisatie van de brandweer te herzien. Men besloot de leiding van de brandweer voortaan in handen te geven van een commandant, die zou worden bijgestaan door een opperbrandmeester. Zowel de commandant als de opperbrandmeester zou een ambtenaar in vaste dienst van de gemeente moeten zijn. Hierdoor kon er een nauwere band ontstaan tussen brandweer en de gemeente, in casu de burgemeester, die volgens de gemeentewet bij brand immers het opperbevel voert. De brandweer zelf bleef overigens in beginsel een geheel uit vrijwllllgers bestaand korps. De dagelijkse leiding van de brandweer, de administratie en het beheer van de financiën kwam in handen van de commandant; de opperbrandmeester kreeg de verantwoordelijkheid over de blusmiddelen en het materieel. Tot commandant werd benoemd de heer J.J. Haarselhorst, chef van de afdeling bouw- en woningtoezicht van Publieke Werken, tot opperbrandmeester werd benoemd de heer H.M. Molthoff, chef van de afdeling reiniging van Publieke Werken.
Beide heren waren sedert 1 januari 1914 in dienst van de brandweer als secretaris van het College van Brandmeesters, respectievelijk opzichter van het materieel. In deze hoedanigheid waren zij de opvolgers van de heer Stalfoort, die in 1913 was overleden.

De benoeming van de commandant en de opperbrandmeester ging in op 1 januari 1918. Met ingang van diezelfde datum werd eervol ontslag verleend aan de heren Donders en Swagemakers, die "...gedurende vele jaren op bijzonder tactvolle wijze de lelding der brandweer op zich hebben genomen en die (...) zich voor de gemeente in oogenblikken van gevaar en nood groote verdiensten hebben verworven."

 

Het College van Brandmeesters

De beide Colleges van Brandmeesters, opgericht in 1909, -werden in 1918 bij de benoeming van de heer Haarselhorst tot commandant samengevoegd tot één nieuw College. Het jaar daarop besloot men met algemene stemmen een vereniging op te richten van brandmeesters en adjuncten onder de naam College van Brandmeesters. Bij besluit van 11 juni 1919 verkreeg de vereniging Koninklijke goedkeuring. Eind 1919 telde het College 40 leden. Gedurende vele jaren zette het College zich in voor de behartiging van de belangen van de Tilburgse brandweer. In 1949 vierde het College van Brandmeesters, dat toen bestond uit de commandant, de officieren, de brandmeesters en de administrateur van de beroepsbrandweer en de brandmeesters van de vrijwillige brandweer, op luisterrijke wijze zijn 40-jarig bestaan. Hiermee was het hoogtepunt echter bereikt. Het 50-jarig bestaan werd nauwelijks gevierd, en geleidelijk aan werden de regelmatige vergaderingen van het College stopgezet. Het College bestaat thans slechts nog op papier.

 



De brandmeesters van de vrijwillige brandweerkringen met enkele leden van het brandweerkader, 14 april 1923.
Eerste rij, v.l.n.r. (zittend): F. Waterschoot, P.J.A. van Merendonk, commandant Haarselhorst, F.J. Hovers, J.C. van
Roessel, J. van der Meijs. Tweede rij: hoofdbrandmeester J. van Raak, J.H. Lepelaars, A. Raaijmakers, J. van Huijkelom,
J.Th.J. Jongen, H.C.H. Simons, J.C. Kennis. Derde rij: hoofdbrandmeester H. Janssen, A.A. Donders, J.M. Smulders,
J.C. van Son, F. van Son, A.J. Remmers, H.F. Vorselaars, A.W. Bierings en P.W. Poos. (Coll. RHC Tilburg).

Meer inwoners, meer materieel
Tussen 1909 en 1918 nam het inwonertal van Tilburg toe van 50.326 tot 60.225. Met de toename van het aantal inwoners en de daarmee gepaard gaande uitbreiding van de stad, nam ook het aantal brandweerkringen toe. In 1913 werd kring 13 opgericht, de slangenwagen werd geplaatst bij het politieposthuis aan het Goirke [thans Julianapark]. Kring 14 werd in 1915 opgericht. De slangenwagen van deze kring kreeg een standplaats aan de Driehuizendijk hoek Koningshoeven.
Op 27 september 1918 besloot de gemeenteraad over te gaan tot plaatsing van een slangenwagen aan de Broekhovenseweg (kring 15) en bij het klooster van de ‘Rooi Harten' aan de Bredaseweg (kring 16).
In de wijken Heikant en Hasselt was inmiddels waterleiding aangelegd; de daar gestationeerde kringen G en H, die voorheen waren aangewezen op handbrandspuiten, kregen nu ook de beschikking over een slangenwagen.
In 1919 besloot men een nieuwe mechanische ladder aan te schaffen Het jaar daarop kon de ladder in gebruik worden genomen. Het was een tweedelige houten ladder gemonteerd op een tweewielig onderstel. De totale lengte bedroeg 14 meter. De ladder werd geplaatst in de Boterhal aan de Markt. De bediening geschiedde door het personeel van kring 1, dat daartoe werd uitgebreid met vier brandgasten.


De brandweer wordt gemotoriseerd
Reeds enkele malen had de heer Haarselhorst er het College van B en W op gewezen dat aan de aanschaf van een autospuit op den duur niet meer te ontkomen zou zijn, want de druk op de waterleiding was te gering om grote branden doeltreffend te kunnen bestrijden. Zo memoreerde hij dat er al zoveel mogelijk gebruik werd gemaakt van met gummi gevoerde slangen, teneinde wrijvingsverlies te voorkomen. Desondanks kon men met een waterstraal - verticaal gemeten - niet hoger komen dan ca. 8 meter, en horizontaal niet verder dan 20 à 25 meter. Dat dit onvoldoende was zal duidelijk zijn als we bedenken dat de vele tientallen fabrieksgebouwen in Tilburg gemiddeld 12 tot 15 meter hoog waren, en een lengte hadden van 40 tot 80 meter. Met een autospuit kon niet alleen de druk van het water sterk verhoogd worden (waardoor het over grotere afstanden kon worden getransporteerd), ook de capaciteit, d.w.z. het aantal liters per minuut kon ermee worden opgevoerd.

Alvorens tot aankoop van een autospuit te besluiten, wilden B en W eerst advies inwinnen bij een deskundige. Men zocht hiertoe contact met de heer C.F.H. Tuckermann, commandant van de brandweer te 's-Gravenhage, en voorzitter van de Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging. "Op 22 december [1919] werden onder toezicht van den heer Tuckermann in deze gemeente eenige debietmetingen verricht. Voorts werd de werking der brandweer nagegaan en het materieel in oogenschouw genomen." De heer Tuckermann stelde een lijvig rapport samen, en op grond van de adviezen in dit rapport besloot men twee autospuiten aan te schaffen, namelijk een voor het stadsdeel ten noorden van de spoorlijn en een voor het stadsdeel ten zuiden ervan.



Delahaye-autospuit. Foto 1922. (Coll. RHC Tilburg).

De aankoop van de autospuiten was door B en W in handen gegeven van de heer Tuckermann. De keus was gevallen op het merk Benz. Autospuiten van dat merk waren goedkoop, vanwege de op dat moment zeer lage koers van de Duitse Mark. Voor de twee autospuiten samen moest omgerekend f 22.115,worden neergeteld. Omdat er, in verband met mogelijke koersstijgingen, snel beslist moest worden, wachtte men niet de goedkeuring van de gemeenteraad af, maar werden de Marken alvast gekocht. De raad maakte geen enkel bezwaar tegen deze gang van zaken, waarna de aankoop van de autospuiten formeel door de raad werd bekrachtigd.
Al gauw bleek er echter een addertje onder het gras te zitten, want de Benz autospuiten bleken niet leverbaar in de uitvoering en onder de voorwaarden zoals met de gemeente Tilburg waren overeengekomen. In overleg met de heer Tuckermann werd daarom maar besloten de autospuiten te bestellen bij het Parijse automobielconcern Societé des Automobiles Delahaye.


Aankoop van de Witte Bioscoop
De bestelde autospuiten zouden eind 1920 geleverd worden, en dus moest er snel worden uitgekeken naar een geschikte stallingsruimte. Hiervoor diende zich onverwacht een uitstekende oplossing aan. Burgemeester en wethouders hadden namelijk vernomen dat de Witte Bioscoop aan de Capucijnenstraat te koop was. Tijdens een geheime raadsvergadering op 15 oktober 1920 konden B en W aan de gemeenteraad meedelen dat er contact was geweest met de eigenaar van de bioscoop, kapelaan A.J.G. Verschure van de parochie St. Anna. Deze vroeg in eerste instantie f 65.600,- voor het gebouw met inventaris en drie bijbehorende woningen.



De voorgevel van de brandweerkazerne aan de Capucijnenstraat. Foto omstreeks 1922. (Coll. RHC Tilburg).

Na enige onderhandelingen zakte de vraagprijs tot 60.600,-. De gemeenteraad verleende aan B en W in principe de machtiging om tot aankoop van het gebouw over te gaan. Er werd echter nadrukkelijk bij gezegd dat getracht moest worden nog iets van de prijs af te krijgen. Dit laatste lukte echter niet Op 12 november 1920 besloot de gemeenteraad definitief het complex, bestaande uit een bioscoop met bijbehorende foyer, tuin en muziektent, gelegen aan de Capucijnenstraat 45-47, de woningen Capucijnenstraat 43 en 49 en de woning St. Annastraat 19 voor het eerder overeengekomen bedrag aan te kopen. De overdracht van het complex vond plaats op 1 december 1920.

 

De Witte Bioscoop

De Witte Bioscoop was gevestigd in het in 1907 geopende parochiehuis van de parochie
St. Anna, gelegen aan de Capucijnenstraat. Het forse gebouw, met kiosk en tuin, verrees indertijd op een terrein dat oorspronkelijk bedoeld was als projectstraat tussen de Capucijnenstraat en de Akkerstraat. In het parochiehuis had de stichting Katholieke Kring haar domicilie. Geestelijk adviseur van de stichting was kapelaan A. Verschure. Tot de ‘Kring' behoorden o.a. een leesbibliotheek, een toneelvereniging, een handbooggezelschap en een gymnastiekvereniging. Op 31 december 1912 verleenden B en W aan het bestuur van de ‘Kring' een vergunning "... tot het oprichten van een bioscoopinrichting met 3 electromotoren en een dynamo..."
De toneelzaal van het parochiehuis werd omgetoverd in een echte bioscoopzaal, en op 29 maart 1913 werd de Witte Bioscoop, toen de vierde bioscoop in Tilburg, geopend. Het doel was goede films te brengen, en het publiek uit de 'slechte' theaters weg te houden.
De bioscoop was echter geen lang leven beschoren: in de jaren 1914-18 werd het gebouw gebruikt voor de huisvesting van gemobiliseerde militairen, en eind 1920 werd het gebouw door de gemeente gekocht om er de brandweer in onder te brengen.

 

Dat de aankoop van de Benz autospuiten niet doorging vonden B en W niet zo erg Daar de gemeente de Marken reeds gekocht had tegen lage koers, zullen deze nog een zoet winstje kunnen opleveren. Was er echter wel zoveel reden tot vreugde? De Delahaye autospuiten kostten samen 146.000 Frank (f 29.200,--), en waren daarmee een stuk duurder dan de Benz autospuiten. Hoeveel het ‘zoet winstje' heeft opgeleverd weten we niet, maar het was waarschijnlijk niet voldoende om het prijsverschil te dekken.


De brandweer krijgt beroepskrachten
Burgemeester en wethouders achtten het noodzakelijk dat er een autospuit in het noordelijk en in het zuidelijk stadsdeel werd geplaatst. Dit niet alleen vanwege de uitgestrektheid van Tilburg, maar vooral vanwege het overwegprobleem. Zolang er nog geen geschikt gebouw gevonden was in het noordelijk stadsdeel, kon ook de tweede autospuit echter tijdelijk in de Witte Bioscoop gestationeerd worden. Zodra de autospuiten werden afgeleverd, kon worden overgegaan tot de aanstelling van beroepspersoneel. Omdat het blussen van brand geen dagtaak was (in 1920 moest de brandweer 47 keer uitrukken), zouden deze beroepskrachten, naast hun bezigheden voor de brandweer, ook werkzaamheden kunnen verrichten voor andere gemeentelijke diensten. Gedacht werd o.a. aan het onderhoud van de rijwielen van de verschillende gemeentelijke diensten. Daarom moest het personeel bestaan uit eerste klas vakwerklieden.

Vooruitlopend op een en ander was in 1920 al iemand in vaste dienst gekomen bij de brandweer. In 1919 had commandant Haarselhorst namelijk verzocht iemand aan te mogen stellen voor het repareren en onderhouden van het brandweermaterieel. Na een gesprek met de commandant stemde het College van B en W erin toe, bij de brandweer een smid aan te stellen. De man, die de heer Haarselhorst hierbij op het oog had, was de smid Theo de Natris, sinds 1918 brandgast bij kring 5, die tijdens brandweeroefeningen opvallend veel interesse had getoond voor het brandweermaterieel. De Natris werd met ingang van 2 januari tijdelijk aangesteld als smid bij de brandweer op een salaris van f 27,90 per week.

Zijn werkzaamheden, die onder meer bestonden uit het reviseren van de handbrandspuiten en slangenwagens, het reinigen en repareren van slangen en het invetten van brandkranen (tegen de vorst), verrichtte De Natris voornamelijk op de gemeentewerf aan de Lange Schijfstraat [thans Noordhoekring]. Op 1 januari 1921 kwam De Natris in vaste dienst van de brandweer. In 1921 werden nog vier vaste krachten benoemd. De eerste was de smid H.A.J. Kuipers, die op 1 mei in dienst trad. Daarna volgden op 17 mei de timmerman B.J. van Wees en de schilder Th. J. Mols, en op 22 augustus tenslotte de smid A.J. Verhoof. Alle vier kregen ze de rang van brandwacht le klasse. Th. de Natris, die met ingang van 26 juli was benoemd tot hoofdbrandwacht, kreeg als voorman de leiding over de werkplaats.

Hoewel er aan de voormalige bioscoop nog het nodige verbouwd moest worden, kon de brandweer het gebouw toch, zij het met de nodige improvisatie, in het voorjaar van 1921 in gebruik nemen. Het nieuwe personeel werd meteen goed in de kleren gestoken: ieder van hen kreeg een pantalon, een jekker, een overjas, een pet en een paar laarzen. Voor het vrijwillig personeel werden in 1921 aangekocht: 70 helmen, 14 jekkers en 12 paar laarzen. Op 8 juni 1921 werd door de brandweer een aanvang gemaakt met het uitvoeren van werkzaamheden voor andere gemeentelijke diensten. Aan het eind van 1921 waren er diverse werkzaamheden verricht voor Publieke Werken, de gemeentelijke Woningdienst, de GGD en het gemeentelijk gasbedrijf. Deze werkzaamheden leverden voor een totaal bedrag van f 1655,01 aan inkomsten op.


Het overwegprobleem
Het overwegprobleem was belangrijk genoeg om er even bij stil te blijven staan. De basis voor het probleem werd gelegd in 1863. In dat jaar werd de spoorlijn Breda-Tilburg aangelegd. Twee jaar later kwam het traject Tilburg-Boxtel gereed. Deze spoorlijn deelde de gemeente Tilburg in oost-westelijke richting in tweeën, zodat al het noord-zuidverkeer in de stad deze spoorlijn moest passeren. Het overwegprobleem werd vooral na 1900 manifest. Door het grote aantal treinen dat dagelijks passeerde, en door het veelvuldig rangeren waren de spoorwegovergangen in totaal vele uren per dag gesloten. Dit betekende vanzelfsprekend een ernstige belemmering voor het verkeer dat van het ene stadsdeel naar het andere wilde. Veruit de voornaamste spoorwegovergangen waren die van de Heuvel-Koestraat (thans Heuvelring-N.S.-plein) en van de Noordstraat-Gasthuisstraat (thans Noordhoekring-Gasthuisring). Beide spoorwegovergangen waren in het centrum van de stad gelegen. In meer westelijke richting bevonden zich nog enkele (on)bewaakte overgangen, die echter slechts een lokale betekenis hadden. Het viaduct in de Bosscheweg was toen voor het noord-zuidverkeer van geen belang, omdat de Ringbaan Oost nog niet was aangelegd. Ter illustratie van het probleem volgen hier de resultaten van tellingen, die gehouden zijn op 4 en 5 februari 1914, tussen 07.00 en 21.00 uur. Overweg Heuvel: 93 keer gesloten; totale tijdsduur 8 uur en 21 minuten. Overweg Gasthuisstraat: 75 keer gesloten; totale tijdsduur 5 uur en 43 minuten. In het seizoen 1913-1914 passeerden er op een winterdag in Tilburg gemiddeld 94 goederentreinen en 63 personentreinen.

 

Delahaye autospuiten

De eerste autospuiten waarover de Tilburgse brandweer in 1921 de beschikking kreeg waren twee identieke voertuigen van het merk Delahaye, type 39 premier secours. Achter de open cabine (met de chauffeursplaats aan de rechterzijde) bevond zich in de lengterichting van het voertuig een houten opbouw met kasten voor het opbergen van allerlei materialen en gereedschappen. Bovenop de opbouw was een ladderrek geplaatst. Aan weerszijden van de opbouw bevonden zich houten banken, die elk plaats boden aan vier personen. In totaal konden er tien personen op het voertuig plaats nemen.
In het voertuig was een zelfaanzuigende centrifugaalpomp ingebouwd, zodat zowel vanaf een brandkraan als vanaf open water gewerkt kon worden. De capaciteit van de pomp bedroeg 1000 liter per minuut, bij een opvoerhoogte van 80 meter. Tussen de chassisbalken was een watertank geplaatst met een inhoud van 400 liter. Hierop kon door middel van een 1-duims storzkoppeling een ‘eerste hulpslang' worden aangesloten.
Het voertuig was verder voorzien van drie rijdbare slangenhaspels: een aan de achterzijde en een aan iedere zijkant. Voor de tractie van het voertuig en de aandrijving van de pomp zorgde een viercylinder zijklepmotor met een vermogen van 40 pk. De wielbasis van het voertuig bedroeg 3,5 meter. De wielen zelf waren houten spaakwielen met massieve rubber banden. Opmerkelijk is dat de achterwielen niet werden aangedreven door een cardanas, maar door middel van kettingen. Voor de verlichting zorgden carbidlantaarns, elektrische lampen werden later pas gemonteerd. Het gerucht gaat, dat beide autospuiten omgebouwde Franse legerauto's waren, die zelfs nog in de Slag om de Marne (juli 1918) dienst gedaan zouden hebben. Er is echter geen enkele aanwijzing te vinden, die dit gerucht zou kunnen bevestigen.

 

Fusie met Bouw- en Woningtoezicht
Het College van B en W was van mening dat voor een stad als Tilburg de werkzaamheden van de brandweer te gering van omvang waren, om die als een zelfstandige dienst te kunnen laten functioneren. Een bijkomend probleem was dat de taak van de (vrijwillige) commandant veel te zwaar werd. Het gemeentebestuur stelde daarom voor de afdeling Bouw- en Woningtoezicht los te koppelen van de dienst Publieke Werken, en samen te voegen met de brandweer tot één nieuwe dienst. De gemeenteraad gaf op 31 maart 1921 zijn goedkeuring aan het voorstel van B en W, en op 1 februari 1922 werd de samenvoeging van brandweer en bouw- en woningtoezicht een feit.

Tot hoofd van de nieuwe dienst werd benoemd de heer J.J. Haarselhorst. De nieuwe dienst zou in zijn geheel worden ondergebracht in de voormalige Witte Bioscoop. De kantoren van Bouw- en Woningtoezicht zouden op de bovenverdieping komen. Alvorens het gebouw door de nieuwe dienst betrokken kon worden moest er eerst het nodige aan verbouwd worden. Voor deze verbouwing stelde de gemeenteraad op 22 juli 1921 een krediet van f 30.000,- beschikbaar. Het werk werd gegund aan de aannemer E.J. Torremans, die op de openbare aanbesteding de laagste inschrijver was. De officiële opening van het nieuwe dienstgebouw vond - zonder veel feestelijk vertoon - plaats op 1 september 1922.

De samenvoeging tussen Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht hield onder meer in dat de ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht ook belast konden worden met brandweertaken. In deze nieuwe opzet zou er geen plaats meer zijn voor de functie van opperbrandmeester. De heer Molthoff werd derhalve met ingang van 1 juli 1922 ontslagen, waarbij een wachtgeldregeling met hem werd getroffen. Drie ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht werden met ingang van 26 oktober 1922 benoemd tot hoofdbrandmeester. De chef technisch ambtenaar L. Esbach en de technisch ambtenaar H.Th.A. Jansen beiden tot hoofdbrandmeester voor het zuidelijk stadsdeel en de technisch ambtenaar J.C. van Raak tot hoofdbrandmeester voor het noordelijk stadsdeel.

Inmiddels was de vaste kern van de brandweer uitgebreid met 1 man. Op 1 augustus 1922 trad de smid A.L. Schults in dienst in de rang van brandwacht le klasse en op 21 augustus de chauffeur/bode W. Geertjens in de rang van brandwacht 2e klasse. De smid H. Kuipers had inmiddels per 1 augustus de brandweerdienst verlaten. De administratieve werkzaamheden voor de dienst van Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht werden verricht door de klerk P.W. Poos, die reeds op 17 oktober 1921 als administrateur in dienst was getreden.

Op 31 december 1922 bestond de dienst van Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht uit 16 personen, namelijk 1 directeur/commandant, 1 chef technisch-ambtenaar/hoofdbrandmeester, 7 technisch-ambtenaren, waarvan 2 tevens hoofdbrandmeester, 1 administrateur, 1 hoofdbrandwacht, 4 brandwachts le klasse, 1 brandwacht 2e klasse.


Motorkringen en buitenkringen
Bij de ingebruikneming van de autospuiten werd kring 16 (Bredaseweg) opgeheven. Er werd een nieuwe kring no. 16 geformeerd die, samen met kring 2, de Witte Bioscoop als standplaats kreeg. Beide kringen werden - samen met het vast personeel - belast met de bediening van de autospuiten en de mechanische ladder, die inmiddels van de Boterhal naar de Witte Bioscoop was verplaatst. De kringen 2 en 16 werden aangeduid als motorkringen, de overige kringen werden in het vervolg buitenkringen genoemd.


Ladderauto
Het vervoeren van de mechanische ladder, dat met de hand moest gebeuren, bleek in de praktijk verre van gemakkelijk, ondanks de gelagerde wielen. Vandaar dat men nogal terughoudend was in het gebruik van de ladder, vooral wanneer grotere afstanden moesten worden afgelegd.
Om de dikwijls toch onmisbare ladder sneller en gemakkelijker te kunnen vervoeren werd daarom in 1923 een (tweedehands) Benz-chassis aangeschaft. Het chassis werd in eigen beheer aangepast naar een ontwerp van brandmeester Horvers. Het geheel was zodanig geconstrueerd, dat door twee personen de ladder in een minuut van het voertuig kon worden genomen. Het voertuig was voorts nog uitgerust met een opzetstuk, straalpijpen, een slangenhaspel, een springzeil, een rookmasker en diverse gereedschappen. Door het plaatsen van zij- en achterschotten kon het voertuig bovendien gebruikt worden als vrachtwagen.



Benz-auto met afneembare mechanische ladder. Foto 1923. (Coll. RHC Tilburg).

In 1925 besloot men de ladderauto te voorzien van een draagbare Amag-Hilpert motorspuit met een capaciteit van 800 liter per minuut. Hierdoor kon er voortaan ook geblust worden op plaatsen die met de zware autospuiten niet bereikbaar waren. De aanschaf van deze motorspuit kon worden bekostigd uit de verkoop van vier stel oude handbrandspuiten, die f 1331,- opbracht. In 1926 werd het materieel nog eens uitgebreid met een (alweer tweedehandse) Spyker vrachtwagen.


Ambulances
In 1922 kreeg de Tilburgse GGD de beschikking over een ambulance. Met het rijden ervan werd het vast personeel van de brandweer belast. Vanaf 1oktober 1933 waren er permanent twee chauffeurs van de brandweer beschikbaar voor het besturen van de (inmiddels twee) ziekenauto's. Het salaris van deze chauffeurs kwam geheel ten laste van de GGD. Het rijden van de ziekenauto's door personeel van de brandweer werd in 1945 afgeschaft.


Alarmcentrale
Met ingang van 1 januari 1919 was het Tilburgse telefoonnet, dat tot dan toe werd geëxploiteerd door een particuliere maatschappij, door de staat genaast. Aangezien het rijk geen verantwoordelijkheid wenste te dragen voor de bediening van de wekschellen, werd de brandweer verzocht voortaan zelf zorg te dragen voor de alarmering van het personeel. Vooral vanwege de hoge kosten zou het echter nog tot 1 september 1926 duren eer de nieuwe alarmeerinrichting in de seinkamer van de brandweerkazerne in gebruik kon worden genomen.


Bos- en heidebranden
Het blussen van bos- en heidebranden behoorde aanvankelijk niet tot de taak van de brandweeer. Nog in 1921 waren B en W de mening toegedaan dat het hierbij in het algemeen ging om de bescherming van particulier bezit, "...zonder dat daarbij de persoonlijke of algemeene veiligheid ter sprake komt ..." Derhalve vond men het onjuist, de brandweer hiermee te belasten. Indien het zou gaan om gemeentelijk bezit, zou primair de dienst van Publieke Werken belast worden met de brandbestrijding.
Inzichten kunnen echter snel veranderen, want op 28 september 1926 besloten B en W dat het blussen van bos- en heidebranden voortaan zou geschieden door de brandweer, in samenwerking met de Nederlandsche Heide Maatschappij. In 1930 werd de heer M. Oonk, hoofdopzichter bij de Ned. Heide Mij., die steeds een belangrijk aandeel had in het blussingswerk, benoemd tot hoofdbrandmeester bij bos- en heidebranden.



Gecombineerde oefening met de handbrandspuit van kring C (Oerle) en een der Delahaye-
autospuiten, maart 1923. (Coll. RHC Tilburg).

Het ontstaan van bos- en heidebranden bleek nogal eens het gevolg te zijn van ‘kwaadwilligheid'. Daarom werd in 1932 besloten een premie van f 50,-- uit te loven aan degene, die aanwijzingen zou kunnen geven die zouden leiden tot aanhouding en veroordeling van de brandstichter(s).


Nieuwe autospuiten
In 1927 doet commandant Haarselhorst in een rapport aan B en W zijn beklag over de Delahaye autospuiten. Hoewel beide voertuigen waren voorzien van een zelfaanzuigende centrifugaalpomp, kwam het toch regelmatig voor dat de pomp bij het aanzuigen vanaf open water (brandkuil, kanaal) afsloeg en niet meer aan de gang kon worden gebracht. Om verrassingen te voorkomen werd daarom altijd afgelegd op een brandkraan.
Omdat het euvel, ondanks herhaalde pogingen daartoe, niet verholpen kon worden, verzoekt de heer Haarselhorst de aanschaf van een goede autospuit aan de gemeenteraad voor te leggen. Het rapport had effect, want op 12 juli 1929 besluit de gemeenteraad tot de aankoop van twee nieuwe autospuiten.



Het automaterieel van de brandweer in 1927, bemand met het vast personeel en het personeel van de motor-
kringen. Van links naar rechts: Benz met afneembare mechanische ladder, Spyker-vrachtauto van de
twee Delahaye-autospuiten. (Coll. RHC Tilburg).

In het voorjaar van 1930 wordt de Tilburgse brandweer de gelukkige bezitter van twee autospuiten van het merk Magirus, de 'grote Magirus' met een pompcapaciteit van 2000 liter per minuut en de 'kleine Magirus' met een pompcapaciteit van 1200 liter per minuut. Deze voertuigen zouden jarenlang de trots zijn van het Tilburgse corps. Na de ingebruikneming van de nieuwe autospuiten werden de beide Delahaye's in eigen beheer - met behoud van pomp - omgebouwd tot materieelwagen resp. autoladder. Het ladderpakket van dit laatste voertuig bestond uit een op een draaibaar onderstel gemonteerde, driedelige houten Metz ladder met een lengte van 18 meter. De overbodig geworden mechanische ladder werd verkocht en het Benz-chassis werd in gebruik genomen als vrachtwagen. De draagbare Amag-Hilpertpomp was inmiddels door de fa. Geesink te Weesp (die ook de Magirus autospuiten had geleverd) omgebouwd tot een motorspuitaanhanger. Tenslotte werd in 1930 nog de Spyker vrachtwagen vervangen door een Ford vrachtwagen.


Bezuinigingen
Het gemeentebestuur drong in de twintiger jaren voortdurend aan op bezuinigingen. Als gevolg hiervan werd het personeelsbestand van de brandweer tussen 1922 en 1930 fors ingekrompen. Als eerste maatregel waren met ingang van 1 oktober 1922 alle adjunct-brandmeesters ontslagen. Tussen 1923 en 1926 werd het aantal kringen met vier verminderd, terwijl door de ingebruikneming van de nieuwe Magirus-autospuiten met ingang van 1 oktober 1930 nog eens zes kringen konden worden opgeheven. Wel bleek het in 1927 noodzakelijk een derde motorkring te formeren, terwijl in 1930 de drie motorkringen, die ieder bestonden uit 8 brandgasten een een brandmeester, gehergroepeerd werden tot vier kringen van zes brandgasten en een brandmeester. Per saldo nam het aantal kringen tussen 1922 en 1930 af van 19 tot 11. Het aantal personeelsleden daalde in diezelfde periode van 138 tot 93 personen.


Bijna veertig cent per inwoner
In 1930 moest de brandweer 103 keer uitrukken, waarvan acht keer voor een zware uitslaande brand. 88 keer rukte een autospuit uit, acht keer de autoladder, 11 keer de materieelwagen en zes keer de motorspuit. Het beroepspersoneel kwam 94 keer in actie, 113 keer werd een motorkring en 22 keer een buitenkring gealarmeerd. Met de twee ziekenauto's werden 929 ritten gemaakt. De totale kosten van de brandweer bedroegen in 1930 f 31.160,44 dat is 39,6 cent per inwoner.
In de loop van 1930 werd begonnen met de plaatsing van bovengrondse brandkranen. Aan het eind van het jaar waren er achttien geplaatst. Daarnaast kwamen er 67 ondergrondse brandkranen bij, zodat het totaal aantal brandkranen op 31 december 1184 stuks bedroeg.


Aanrijding
Op 19 mei 1932 reed de brandwacht C. van Erve met de Benz vrachtauto, komend uit de Van Sonstraat, tegen de gevel van het pand Capucijnenstraat 51. Hij kon daarbij nog net een groep schoolkinderen ontwijken. Een onderzoek wees uit dat de remmen niet meer functioneerden, doordat de achteras was gebroken. Dit laatste hoefde geen verwondering te wekken, aangezien het voertuig jarenlang te zwaar belast was geweest. Reeds in 1927 had men geconstateerd dat door de grote druk op de achteras de spaken van de achterwielen in de velgen vraten. Hetzelfde jaar nog werd het voertuig vervangen door een Ford vrachtauto.


Afscheid van commandant Haarselhorst
Wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd werd de heer Haarselhorst met ingang van 5 juni 1935 op de meest eervolle wijze ontslag verleend als directeur van de dienst van Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht. Korte tijd werd overwogen de dienst op te heffen en samen te voegen met een andere gemeentelijke dienst, maar men liet dit plan al snel varen, en met ingang van 1 november 1935 werd de heer Esbach benoemd als opvolger van de heer Haarselhorst. Op 15 april 1936 trad ir. J.J.M. Mohrmann als nieuwe onderdirecteur in dienst.



De heer en mevrouw Haarselhorst, temidden van het brandweerkader, tevens ambtenaren van Bouw-
en Woningtoezicht. Deze foto is gemaakt ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van de heer 
Haarselhorst op 1 november 1932.
Staand van links naar rechts: H. v.d. Borght, F. van Rijswijk, A. Storimans, G. Vrins, J. van Raak,
A. Wijman, H. Leffers, L. Esbach, P. Poos, H. Janssen. Ch. Hendriks, onbekend, B. Donders.
(Coll. RHC Tilburg). 

Joannes Jacobus Haarselhorst werd geboren op 5 juni 1870 te Obdam (N.H). Oorspronkelijk was hij als architect werkzaam, maar in 1907 trad hij bij de gemeente Tilburg in dienst als chef van de afdeling bouw- en woningtoezicht van de dienst Publieke Werken. In 1914 werd hij benoemd tot secretaris van het College van Brandmeesters, en in 1918 tot commandant van de brandweer.

Haarselhorst was een sterke persoonlijkheid, die zijn personeel voortdurend wist te inspireren en te motiveren. Hij had een sterk verantwoordelijkheidsbesef jegens de manschappen, die vaak onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden hun werk moesten doen. Een kundig brandweerman was hij zeker: onder zijn vakbekwame leiding wist het Tilburgse corps zich te ontwikkelen tot een der beste brandweercorpsen van ons land. Brandpreventie was voor hem heel belangrijk. Zo wist hij reeds in 1920 te bewerkstelligen dat de filmapparatuur in de Tilburgse bioscopen alleen maar bediend mocht worden door personen die in het bezit waren van het diploma filmoperateur. Tilburg was een van de weinige gemeenten in ons land, waar een dergelijk diploma verplicht was gesteld. Ook werd er op advies van de heer Haarselhorst in de bioscopen noodverlichting aangebracht. Omdat het voorheen in de bioscopen aardedonker was, sprak men wel van de ‘zedelijkheidsverlichting'.

Zeker niet onvermeld mag blijven dat de beer Haarselhorst het nu nog steeds in gebruik zijnde kleurcoderingssysteem voor de interne alarmering heeft bedacht. In iedere ruimte van de kazerne kwam een paneel te hangen, met daarop een gele , een rode, een groene en een blauwe lamp. Aan de kleur of de kleurencombinatie kon (en kan) men zien wat voor soort uitruk het betreft. Zo betekende rood: groot alarm, geel: klein alarm, blauw: schoorsteenbrand, groen bos- en heidebrand, rood-blauw-groen: auto-ongeval met bekneld slachtoffer en geel-groen: bijzondere hulpverlening. (Tegenwoordig geeft een vijfde lamp aan, of de andere post is uitgerukt).

De bemoeienis van de heer Haarselhorst met de brandweer bleef niet beperkt tot Tilburg. In 1924 was hij een van de medeoprichters van de Noorbrabantsche Provinciale Brandweerbond. Vele jaren was hij adviseur van deze bond. In 1927 werd hij gekozen tot lid van het uitvoerend bestuur van de Koninklijke Nederlandsche Brandweervereeniging. Voorts had hij zitting in vele landelijke commissies.

Tot op hoge leeftijd bleef de ontwikkelingen bij de Tilburgse brandweer volgen. Hij overleed te Tilburg op 15 juni 1968, in de leeftijd van 98 jaar.