Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
395. 200 jaar brandweer in Tilburg
 

Titel:   

200 jaar brandweer in Tilburg

Ondertitel:   

Auteur:   

ir. Rob van Putten

Jaargang:   

III (1985) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

3-64


3. De brandweer in de oorlogsjaren

De Rijksinspectie van het Brandweerwezen
Tot 1940 was de brandweerzorg in Nederland vrijwel uitsluitend een gemeentelijke aangelegenheid. De rol van de centrale overheid was tot dan toe beperkt gebleven tot het nemen van een aantal maatregelen in de preventieve sfeer, zoals de Hinderwet (1875), de Woningwet (1901) en de Veiligheidswet (1934).

Richtsnoer voor de gemeentelijke brandweerzorg vormden de bepalingen van de uit 1851 daterende Gemeentewet. De gemeenten waren, binnen het kader van deze wet, geheel autonoom als het ging om zaken als organisatievorm, aanschaf van materieel, personeelssterkte, bezoldiging, etc. Dit had echter tot gevolg dat er een grote verscheidenheid aan organisatievormen, rangen en distinctieven was ontstaan.

Het kon dan ook niet uitblijven dat de Edelgermaanse indringers met hun drang tot ordening hierin spoedig verandering zouden brengen, want op 15 oktober 1940 werd de Rijksinspectie van het Brandweerwezen in het leven geroepen. Hiermee was een instrument gecreëerd dat het de overheid mogelijk maakte rechtstreeks invloed uit te oefenen op het rellen en zeilen van de brandweer in Nederland. De leiding van de Rijksinspectie, die zou ressorteren onder het Departement van Binnenlandse Zaken, was in handen van de hoofdinspecteur van het brandweerwezen. Hij werd bijgestaan door vijf districtsinspecteurs.

Taken en bevoegdheden van de Rijksinspectie werden vastgelegd in het in maart 1941 verschenen Besluit Brandweerwezen 1941. In dit besluit komen ook een aantal bepalingen voor die betrekking hebben op de organisatie van de gemeentelijke brandweer. Die bleef in beginsel een gemeentelijke aangelegenheid, maar de overheid kreeg er wel een stevige greep op. Bij het inwerkingtreden van het Besluit Brandweerwezen kwam alle macht, voorzover het gemeentelijke aangelegenheden betrof, in handen van de burgemeester. Ook de zorg voor de aanwezigheid en de goede staat van de brandblusmiddelen en het benoemen, schorsen en ontslaan van brandweerpersoneel, taken die volgens de Gemeentewet aan burgemeester en wethouders waren opgedragen, werden nu geheel in handen van de burgemeester gelegd.


Uitbreiding Personeel, 1939-1941

Op 29 augustus 1939 werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. Tot de Tilburgse gemobiliseerden behoorden ook zes vrijwillige brandgasten. Ter vervanging van hen werden tijdelijk zes andere vrijwilligers aangesteld. Na de demobilisatie werden ze, gezien de bijzondere tijdsomstandigheden, in dienst gehouden.
Onmiddellijk na de bezetting van ons land traden verder zes chauffeurs en de chef-monteur van de stadsautobusdienst toe tot de brandweer. Deze chauffeurs werden speciaal belast met het rijden van de ziekenauto's dat immers ook tot de brandweertaken behoorde, terwijl de monteur verantwoordelijk was voor het onderhoud van deze voertuigen. Bovengenoemde chauffeurs gingen in april 1941 over naar de geneeskundige dienst, ze bleven echter wel gedetacheerd bij de brandweer. De monteur, P.A. Bertens, bleef in dienst van de brandweer.

Wegens ruimtegebrek werd de brandweerkazerne eind 1940 uitgebreid met een garage waarin zes voertuigen konden worden gestald. Het ruimtegebrek was ontstaan doordat er steeds drie ziekenauto's voor uitrijden gereed stonden, en doordat er brandblusmaterieel van de Luchtbeschermingsdienst was ondergebracht. Behalve met een garage werd het complex nog uitgebreid met een magazijn en een werkplaats.

De beroepskern van de brandweer werd op 27 december 1940 uitgebreid door de indiensttreding van de aspirant-brandwacht A.Horvers, terwijl op 8 augustus 1941 J. Zweers als aspirant-brandwacht in dienst trad ter vervanging van de in maart 1941 gepensioneerde brandwacht Verhoof. Hiermee was het aantal beroepsbrandweerlieden gekomen op negen.


De eerste aanzet tot een beroepsbrandweer

Kort na de bezetting werd door het Departement van Binnenlandse Zaken bepaald dat gemeenten met meer dan 100.000 inwoners over een beroepsbrandweer dienden te beschikken. Van de zeven daarvoor in aanmerking komende gemeenten hadden alleen Amsterdam en Groningen voor 1940 al een beroepscorps. In 's-Gravenhage kende men een zogeheten politiebrandweer, terwijl de vier overige gemeenten, Rotterdam, Utrecht, Haarlem en Eindhoven de beschikking hadden over een vrijwillige brandweer met een beroepskern.

Op 28 februari 1941 werd in de Van Speykstraat Maria Gertruda Antonia Van Gool geboren; Tilburgs' 100.000-ste inwoner. Dit feit betekende dat er in Tilburg ook een beroepsbrandweer moest komen.

Het zou echter nog heel wat tijd kosten eer het zover was. Om te beginnen stelde de Rijksinspectie van het Brandweerwezen een onderzoek in naar de bestaande organisatie van de Tilburgse brandweer. De algemene indruk was gunstig, de paraatheid werd echter onvoldoende bevonden. Daarom werd het gemeentebestuur verzocht, te bevorderen dat bij een brandmelding onmiddellijk kon worden uitgereden met een autospuit, bemand met 9 personen en een autoladder, bemand met 3 personen.
Een op 2 oktober 1941 te Tilburg gehouden bespreking tussen burgemeester Van de Mortel, wethouder Janssens, brandweercommandant Esbach en de districtinspecteur van het brandweerwezen, ir. Budde, resulteerde in het besluit de beroepskern uit te breiden. "Nader zal nog worden overwogen of en in hoeverre tot het instellen van een afzonderlijke beroepsbrandweer zal worden overgegaan".
Voornoemd besluit werd geëffectueerd op 16 februari 1942 door de indiensttreding van zeven aspirant-brandwachts: J. van Berkel, Th. van Dijk, A. Heefer, J. van Meeuwen, C. van Opstal, C. van Poppel en J. Verhagen.

Inmiddels was in een schrijven van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, gedateerd 3 februari 1942, aan de burgemeester medegedeeld dat het noodzakelijk was geworden dat er in Tilburg een beroepsbrandweer werd geformeerd. De sterkte van een beroepscorps was in principe bepaald op één man per 2000 inwoners. Dit betekende voor Tilburg dus een korps ter sterkte van 50 man. In overleg met de Rijksinspectie werd overeengekomen dat de reorganisatie geleidelijk aan plaats zou vinden. De formering van een beroepsbrandweer zou immers, vooral gezien de oorlogsomstandigheden, de nodige praktische en financiële problemen met zich meebrengen.


Geen bouwvergunning
Niet alleen moest er geschikt personeel worden benoemd, er moest ook gezorgd worden voor de nodige kleding en verdere uitrusting. Verreweg het grootste probleem vormde echter de huisvesting van het personeel. De beroepsbrandweer zou namelijk gaan werken volgens een tweeploegensysteem, waarbij iedere ploeg gedurende 24 uur dienst deed, en daarna 24 uur vrij was. Het personeel zou gedurende de diensturen in de kazerne moeten verblijven. In verband hiermee diende de brandweerkazerne ingrijpend verbouwd te worden: er moest een slaapzaal komen, een keuken, kantine, kantoren, douches en toiletten. Ook was het nodig dat de werkplaats flink werd uitgebreid. De plannen tot verbouwing van de kazerne waren eind 1942 al gereed. De aanvraag van een bouwvergunning, voorzien van een urgentieverklaring van de districtsinspecteur van het brandweerwezen, werd door de Algemeen Gemachtigde voor de Wederopbouw echter niet gehonoreerd. Uiteindelijk kon pas in 1945 een aanvang worden gemaakt met de verbouwing.


Brandweer en Luchtbeschermingsdienst
Wegens de naderende oorlogsdreiging werd aan het eind van de dertiger jaren in alle gemeenten een zogeheten Luchtbeschermingsdienst opgericht. Deze gemeentelijke Luchtbeschermingsdiensten waren een uitvloeisel van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen (april 1936).
De Luchtbeschermingsdienst, afgekort LBD, was onderverdeeld in hulpdiensten. Enkele daarvan dienden ter ondersteuning van bestaande gemeentelijke diensten en bedrijven zoals politie, brandweer en G.G.D.

De bemoeienis van de Tilburgse brandweer met de L.B.D. bleef aanvankelijk beperkt tot het oefenen van het personeel van de L.B.D. in het dragen van gasmaskers. Hiertoe werd de fietsenstalling achter de brandweerkazerne omgebouwd tot ‘gaskamer'. De benodigde gasmaskers waren door het Ministerie van Oorlog in bruikleen verstrekt. Na het totstandkomen van een Luchtbeschermingsplan voor Tilburg in 1938, vormde men uit het personeel van de L.B.D. (dat geheel uit vrijwilligers bestond) 22 brandweerploegen, namelijk acht (waarvan vier als reserve) voor de bediening van het automaterieel van de brandweer, en veertien ploegen, verspreid over de veertien stadswijken, voor de bediening van handslangenwagens of motorspuiten.

Ten behoeve van de L.B.D. werden van overheidswege motorspuitjes ter beschikking gesteld. Deze zogeheten ‘luchtbeschermingsspuitjes' waren van het fabrikaat Bikkers en hadden een capacitelt van 800 liter per minuut. De pomp werd aangedreven door een Ford motor. De spuitjes waren geplaatst op een tweewielig onderstel, maar ze konden ook gedragen worden. Eind 1939 kreeg Tilburg de beschikking over acht van deze spuitjes, een negende werd begin 1940 afgeleverd. Om de motorspuitjes en de manschappen naar de plaats van de brand te kunnen vervoeren werden auto's gevorderd van particulieren.

Na de meidagen van 1940 werd de L.B.D. ingrijpend gereorganiseerd, waarbij het vrijwillige karakter grotendeels werd verlaten. Zo moest er in opdracht van de Inspectie voor de Luchtbescherming een vaste kern gevormd worden uit gedemobiliseerde militairen. Voor wat betreft de brandbestrijding zou die vaste kern bestaan uit 48 personen, verdeeld over twee piketten. Ieder piket bestond weer uit drie ploegen van 8 man, waarvan er steeds 7 dienst hadden. Elke ploeg deed 8 uur dienst volgens een drieploegensysteem. Hierdoor werd bereikt dat er steeds twee ploegen in dienst waren, en dat leder ploeglid per week 48 uur dienst deed. De manschappen kregen 50 cent per uur, ongeacht of ze gehuwd waren of niet. Ook werd er geen onderscheld gemaakt tussen dag- en nachtdiensten. De salariskosten konden bij het rijk worden gedeclareerd, de sociale lasten kwamen echter voor rekening van de gemeente Tilburg.


Hulpbrandweer

In een circulaire van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, gedateerd 30 oktober 1940, werd aan de burgemeesters meegedeeld dat het personeel van de luchtbeschermingsbrandweer met onmiddellijke ingang onder leiding moest komen staan van de commandant van de plaatselijke brandweer. Het gehele personeel en materieel van de luchtbeschermingsbrandweer maakte vanaf dat moment deel uit van de brandweer. Het gebruik van de naam luchtbeschermingsbrandweer was voortaan verboden. Om het personeel hiervan toch te kunnen onderscheiden van het overige brandweerpersoneel, sprak men in het vervolg van hulpbrandweer. Als de brandweer bij luchtaanvallen zou worden ingezet, werd de commandant beschouwd als technisch leider, de algehele leiding was echter in handen van het hoofd van de gemeentelijke L.B.D.

Brandweercommandant Esbach was aanvankelijk niet zo gelukkig met deze personeelsuitbreiding, zoals blijkt uit de notulen van de vergadering van het College van Brandmeesters van 1 mei 1941. Daarom had hij als voorwaarde gesteld dat degene, die niet geschikt was voor de brandweer, door hem ontslagen kon worden, waarmee het hoofd van de L.B.D. accoord ging. Met het nieuwbakken personeel werd regelmatig geoefend en, aldus voornoemde notulen "Na enige wijzigingen is de toestand tans zo, dat men kan verwachten dat ze bij brand niet zullen tegenvallen." Esbach wenste daarbij echter nadrukkelijk te verklaren dat de inzet van de hulpbrandweer nooit ten koste zou gaan van de vrijwillige brandweer "We hopen ze nooit nodig te hebben, maar mocht dit wel zo zijn, dan is dit een goede aanvulling van onze organisatie."

Beide piketten van de hulpbrandweer, die aanvankelijk ondergebracht waren in schuilkelders, werden met ingang van 16 februari 1941 gedetacheerd in de brandweerkazerne. Wegens ruimtegebrek moest echter al weer spoedig worden omgezien naar andere locaties. Voor Vak Noord werd dit het politiebureau aan het Wilhelminapark (dat op last van de bezetter innmiddels was omgedoopt in Noorderpark) en later in een ruimte aan de Kapelstraat 75, die werd gehuurd van de parochie Goirke. De ploegen in Vak Zuid werden eerst ondergebracht in een garage aan de Paleisstraat 2, en later in de garage van de fa. P. Verhagen-Van Opstal aan de Ringbaan Oost 132, waarvoor per week f 8,50 aan huur werd betaald. Begin 1942 werd het nodig geoordeeld het aantal piketten van de hulpbrandweer uit te breiden tot drie. Dit derde piket werd ondergebracht in het voormalige politieposthuis aan de Merelstraat 56.

Inmiddels had de burgemeester bepaald dat de piketten van de hulpbrandweer niet alleen technisch en taktisch, maar ook administratief tot de brandweer zouden gaan behoren. De overdracht van de administratie vond plaats op 3 april 1942, zodat vanaf die datum de hulpbrandweer officieel deel uitmaakte van de Tilburgse brandweer. Oorspronkelijk droeg het personeel van de hulpbrandweer als herkenningsteken een witte katoenen armband, waarop in rode letters BRANDWEER. Met ingang van I januari 1942 werd deze armband vervangen door een zwart geëmailleerd plaatje met lederen riempjes. Op het plaatje stond in witte letters BRANDWEER L.B.D.. Het plaatje van de ploegcommandant was bovendien nog voorzien van een achtpuntige ster. Op 31 december 1942 bestond deze hulpbrandweer uit 63 personen.


De brandweer krijgt een beroepsofficier

Keren we nu terug naar de reorganisatie tot beroepsbrandweer. Blijkbaar waren er nogal wat mensen op de hoogte van de op handen zijnde reorganisatie, want in de loop van 1941 en gedurende de eerste maanden van 1942 kwamen er uit alle delen van het land verzoeken binnen van personen, die voor een of andere functie bij de Tilburgse brandweer in aanmerking wensten te komen. Eind 1941 deed de N.S.B. nog een vergeefse poging om in de brandweer te infiltreren. Zo verstrekte de kringvertegenwoordiger voor sociale zaken van de N.S.B. een opgave van personen die graag bij de brandweer benoemd wilden worden. Vanzelfsprekend werd echter geen van deze personen geschikt bevonden.

Een zekere M.W. Ernens uit Den Helder had, tot tweemaal toe, te kennen gegeven, de functie van commandant van de Tilburgse brandweer te ambiëren. Het lag echter in de bedoeling van burgemeester Van de Mortel om de fungerende ondercommandant, ir. Mohrmann, te benoemen tot commandant.
De Duitsers staken hier een stokje voor, want op 23 mei 1942 deelde de waarnemend hoofdinspecteur van het brandweerwezen mee dat in opdracht van de Höheren SS und Polizelführer beim Beichskommissar für die besetzten Niederländischen Gebiete van een benoeming van de heer Mohrmann moest worden afgezien. De anti-Duitse gezindheid van Mohrmann zal hierbij zeker een rol hebben gespeeld. Evenmin werd toestemming verkregen de commandant van de Bredase brandweer te benoemen tot commandant in Tilburg.

Geheel onverwacht werd, in opdracht van de Rijksinspectie, met ingang van 1 augustus 1942 de al eerder genoemde heer Ernens aangesteld als beroepsofficier bij de Tilburgse brandweer in de rang van eerste luitenant. Hij was voorbestemd om na de reorganisatie commandant van de Tilburgse brandweer te worden. Lang zou hij echter niet in Tilburg blijven, want met ingang van 1 maart 1943 werd hem op eigen verzoek weer ontslag verleend. Inmiddels had hij wel, op kosten van de gemeente Tilburg, gedurende de maanden augustus t/m november 1942 in Duitsland een cursus voor brandweerofficieren gevolgd.


Personeelsuitbreiding, 1942-1943

Zoals we gezien hebben werd de beroepskern in 1942 uitgebreid met zeven personen. Inmiddels hadden in de loop van 1942 ook 35 leden van de vrijwillige brandweer te kennen gegeven, toe te willen treden tot de beroepsbrandweer. Van hen werden er 31 goedgekeurd, maar hun benoeming bleef voorlopig uit, omdat er nog geen aanvang was gemaakt met de noodzakelijke verbouwing van de kazerne.

In het najaar van 1942 onderging de vrijwillige brandweer nog een aanzienlijke uitbreiding. In september van dat jaar liet de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau namelijk aan de burgemeester weten dat vrijwillig brandweerpersoneel was vrijgesteld van tewerkstelling in Duitsland. Het was dan ook zeker geen toeval, dat met ingang van 1 oktober 1942 vierentwintig vrijwillige brandgasten werden benoemd, en met ingang van 5 oktober nog eens twintig.

Voorts werd het noodzakelijk geacht in de omgeving van de Ringbaan Oost/Heikantsebaan een buitenkring op te richten. Met ingang van 1 december 1942 werd het personeel benoemd, en op 1 maart 1943 trad de nieuwe kring, kring 12, officieel in werking. Bevelvoerder van de kring werd brandmeester C. van Ganzewinkel. De slangenwagen werd ondergebracht in een ruimte naast het pand Heikantsebaan 198a (thans Valentijnstraat 26).
Tenslotte werden, op last van de overheid, nog twee bosbrandweergroepen geformeerd, namelijk een voor de omgeving van de Loonseweg en een voor de omgeving van de Bredaseweg. Beide groepen bestonden uit 10 personen.

Op 31 december 1942 bestond de Tilburgse brandweer in totaal uit 242 personen. Met ingang van 25 mei 1943 werd de beroepskern nog eens uitgebreid met de aspirant-brandwachts F. van Beers, N. van den Broek, H. Coolen, L. Cools, J. Heefer, A. Mutsaers, W. Smulders en G. Spijkers.

In 1943 werd ook de 24-uursdienst ingevoerd. Gezien de uiterst primitieve accomodatie van de brandweerkazerne moesten de manschappen, waarvan de meesten in de omgeving van de kazerne woonden, echter thuis eten en slapen. Voor diegenen, die niet in de nabijheld van de kazerne woonden, was provisorisch een slaapgelegenheid gecreëerd.


Brandweer wordt brandweerpolitie

"De bescherming van de gemeenschap tegen brandgevaar (brandweerwezen) is taak der politie." Aldus begint artikel 1 van het Besluit Brandweerwezen 1943. De afkondiging van dit besluit was een rechtstreeks gevolg van het inwerkingtreden van de Verordening Organisatie Politie (V.O.P.), op 1 maart 1943. In deze verordening werd bepaald dat de Rijksinspectie van het Brandweerwezen met ingang van 1 maart 1943 zou vallen onder verantwoordelijkheid van het Departement van Justitie, en dat voorts brandweer en L.B.D. met ingang van diezelfde datum deel uit zouden maken van de politie.

Het politionele karakter van de brandweer kwam duidelijk tot uiting in de taakomschrijving, want naast het nemen van maatregelen ter voorkoming van brand en het bestrijden van brand werd genoemd: "het medewerken bij de opsporing van de oorzaak van branden". In de V.O.P. werd onderschild gemaakt tussen staatspolitie en gemeentepolitie. Staatspolitie werd in 1942 opgericht in de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, ‘s-Gravenhage, Utrecht, Haarlem, Groningen, Eindhoven en Arnhem. De brandweertaak in deze gemeenten werd, na het inwerkingtreden van het Besluit Brandweerwezen 1943, uitgeoefend door de zogeheten staatsbrandweerpolitie.

In gemeenten die over gemeentepolitie beschikten, zoals Tilburg, werd een gemeentelijke brandweerpolitie opgericht. De in deze gemeenten bestaande beroepsbrandweren of beroepskernen werden in deze brandweerpolitie opgenomen.

Het Besluit Brandweerwezen 1943 trad in werking op 1 januari 1944, met uitzondering van artikel 12, dat met terugwerkende kracht op 1 maart 1943 in werking trad. Laatstgenoemd artikel regelde de status en de bezoldiging van het personeel van de brandweerpolitie en luidde aldus: "De ambtenaren van de brandweerpolitie hebben binnen het kader van de hun opgelegde taak de rechten en plichten van politieambtenaren. De Verordening Bezoldiging Politie 1943 is op hen van toepassing." Op grond hiervan werden de leden van de beroepskern van de Tilburgse brandweer in 1944 met terugwerkende kracht benoemd in de rangen hoofdwachtmeester, opperwachtmeester en wachtmeester. De status van politieambtenaar leverde de brandweerlieden enkele voordelen op. Allereerst betekende het een salarisverhoging, want de diverse politierangen waren iets hoger ingeschaald dan de overeenkomstige brandweerrangen. Een tweede voordeel was de opneming in het politie-ziekenfonds, met onder anderen gratis tandheelkundige behandeling.


De bluswatervoorziening gedurende de oorlogsjaren

Aan het begin van 1940 was de waterleiding vrijwel de enige bluswaterbron in Tilburg. De totale lengte van het drinkwaternet bedroeg op 31 december 1939: 153.685 meter. Op dit net waren 1349 ondergrondse en 119 bovengrondse brandkranen aangesloten.

In oorlogstijd is de waterleiding natuurlijk een bijzonder kwetsbaar object, in 1939 verleende het rijk dan ook toestemming voor de aanleg van nortonputten. De eerste zes putten werden in 1940 door de firma Legdeur op de volgende plaatsen geboord: Ringbaan West, Heuvel, Markt, Jan van Beverwijckstraat, Spoorlaan en Goirkestraat. De capaciteit bedroeg ca. 90.000 liter per uur. Geschat werd dat een diepte van 25 meter voldoende zou zijn, maar hierin vergiste men zich: de put aan de Markt had een diepte van 34 meter, terwijl men in de Goirkestraat zelfs moest boren tot een diepte van 48 meter. In 1943 werden nog twee nortonputten geboord; een aan het Rosmolenplein en een op het St. Pietersplein. Voorts waren er op diverse fabrieksterreinen nortonputten aanwezig (in 1943 in totaal 31 stuks). Daarnaast beschlkte men voor de brandbestrijdlng nog over vier brandkuilen in de omgeving van de Heikant en over vijf blusvijvers, namelijk op de fabrieksterreinen van de firma's Van Puijenbroek, Diepen en Brouwers, op het terrein van de gemeentelijke gas- en elektriciteitsfabrieken en de vijver in het Wilhelminapark.

Medio 1944 werd het noodzakelijk geacht meer blusvijvers aan te leggen. De vijvers zouden aangelegd worden op de volgende pleinen: Vondelplein, Lindeplein, Pieter Postplein, Paduaplein, Besterdplein, Rozenplein, St. Pietersplein en Piusplein. Vanwege de naderende bevrijding zijn de plannen echter noolt uitgevoerd.

Hoe kwetsbaar de waterleiding in oorlogstijd kan zijn bleek op de dag van Tilburg's bevrijding, toen de watertoren aan de Bredaseweg werd opgeblazen. "Op 26 october 1944 kwam een vernietigingsploeg in de watertoren, welke reeds 14 dagen onder militaire bewaking stond en waarin reeds enige dagen tevoren een springlading aangebracht was. Ook bij het pompstation aan de Gilzerbaan arriveerde een 'Sprengkommando'."

Toen het zeker was dat de watertoren zou worden opgeblazen, werden door het personeel de afsluiters opengezet, waardoor de inhoud van het waterreservoir teruggebracht werd van 1 mlijoen liter naar 250.000 liter. "Een moedige daad, welke waarschijnlijk de algehele vernietiging van de toren heeft voorkomen, want de zwaar beschadlgde ommanteling had stellig niet de druk van 750.000 liter meer kunnen weerstaan." Tot driemaal toe werd een der technisch-ambtenaren gevraagd, de derde maal zelfs onder bedreiging met een revolver, of met de vernieling van de watertoren de waterleiding in Tilburg buiten werking was gesteld. Steeds werd deze vraag bevestigend beantwoord. De Duitsers, hierdoor misleid, zagen toen af van de vernietiging van het pompstation. Door het opblazen van de watertoren ontstond er o.a. een breuk in de hoofdleiding, waardoor de watervoorziening van Tilburg op 27 oktober om 03.30 uur 's-nachts uitviel. Door het personeel van de Tilburgsche Waterleiding-Maatschappij werd de schade snel hersteld, zodat de waterleiding diezelfde dag alweer normaal functioneerde.


De brandweer krijgt een nieuwe commandant

Vooral vanwege het uitblijven van een vergunning tot verbouwing van de brandweerkazerne verliep de reorganisatie van de Tilburgse brandweer minder snel dan gepland was. De waarnemend directeur-generaal van Politie betichtte burgemeester Van de Mortel er op een gegeven moment zelfs van, de reorganisatie bewust tegen te werken. De burgemeester wist voornoemde politieautoriteit er echter van te overtuigen dat er van een bewuste tegenwerking geen sprake was. (Hiervoor zijn ook geen aanwijzingen gevonden, ofschoon er in Tilburg niemand gebaat was bij een reorganisatie van de brandweer.)

Alle strubbelingen ten spijt was de reorganisatie in januari 1944 toch zo ver gevorderd dat kon worden overgegaan tot de benoeming van een beroepscommandant. De burgemeester schuift ten tweede male ir. Mohrmann als kandidaat naar voren, maar van ‘hogerhand' werd anders beschikt. Door de secretaris-generaal van het Departement van Justitie werd namelijk plotseling, met ingang van1 april 1944, de opperluitenant P.J.A.E. van Nunen belast met de leiding van de gemeentelijke brandweerpolitie te Tilburg.

Burgemeester Van de Mortel voelde er weinig voor Van Nunen (die voordien te Baarn een functie bij de Rijksbrandweer vervulde) te benoemen tot commandant. In een schrijven aan voornoemde secretaris-genraal wijst hij er op dat de benoeming van Van Nunen een feitelijke splitsing van de dienst van Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht zou inhouden. Aangezien de ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht daarmee van hun brandweertaak waren ontheven zou dat onherroepelijk leiden tot chaotische toestanden. De burgemeester vond het onverantwoord de brandweerorganisatie te ontwrichten, en hij wenste dan ook geen enkele verantwoordelijkheid te dragen voor het door de secretaris-generaal genomen besluit. Laatstgenoemde was bereid tot nader overleg, maar de Duitsers wilden hiervan niets weten, en op last van de Höheren SS und Polizeiführer wordt Van Nunen met ingang van 16 april 1944 toch benoemd tot commandant van de Tilburgse brandweer.

De heren Esbach en Mohrmann kregen toestemming om tot 1 juni aan te blijven als commandant resp. ondercommandant. Met ingang van die datum was de scheiding tussen Brandweer en bouw- en Woningtoezicht een feit. Aangezien de Tilburgse brandweer zelf nog niet over officieren beschikte, de nieuwe commandant onbekend was met de situatie in Tilburg, en er bovendien werd getwijfeld aan zijn deskundigheid, werd de ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht verzocht nog enige tijd brandweerdiensten te verrichten.

Betrokken ambtenaren waren zeer verontwaardigd over deze gang van zaken. In een gezamenlijk schrijven aan de burgemeester verzoeken zij dan ook ontslagen te worden van brandweerdiensten "...daar wij ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht zijn en geen beroepsbrandweermensen en dat ook niet wensen te worden."
De burgemeester laat hen echter weten dat hij, gezien de omstandigheden, onmogelijk aan hun verzoek kan voldoen. Bovengenoemde regeling zou nog bijna een jaar van kracht zijn, want pas met ingang van 15 mei 1945 werden de ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht officieel ontheven van hun brandweertaken.


Het materieel gedurende de oorlogsjaren

Op 1 januari 1940 beschikte de Tilburgse brandweer over het volgende materieel:
- 2 Magirus autospuiten;
- 1 Delahaye autoladder met pomp;
- 1 Delahaye materieelwagen met pomp;
- 1 Amag-Hilpert motorspuitaanhanger;
- 2 Ford vrachtwagens;
- 1 aanhanger voor bos- en heidebranden;
- 1 aanhangladderwagen;
- 1 aanhanger voor schuimblussing;
- 11 handslangenwagens;
- 1 spuitkar met twee handbrandspuiten;
- 1 handbrandspuit;
- 7 dienstrijwielen;
- 6683 meter brandslangen.

Het materieel van de Tilburgse brandweer onderging tijdens de oorlogsjaren nagenoeg geen wijzigingen. De aankoop van nieuw materieel bleef beperkt tot een driewielig transportrijwiel met laadbak (gewone stervelingen noemen dit een bakfiets) in 1940, en een hoeveelheld koppelingen en watervoerende armaturen in 1944.
Laatstgenoemde aanschaf was noodzakelijk geworden door de toepassing van het Uitvoeringsbesluit Normalisatie Brandweermaterieel I, dat het gebruik van slangen en koppelingen in de maten 2 en 3 inch voorschreef.

In verband met de enorme benzineschaarste werd besloten de twee Ford vrachtauto's op gas te laten rijden. Beide voertuigen werden dikwijls ten behoeve van andere gemeentelijke diensten gebruikt, en bovendien verbruikten ze veel benzine. Uiteindelijk werd slechts een voertuig ingericht voor gastractie, de Ford uit 1932 met kenteken N 19380. De installatie was van Comprigaz en bestond uit vier drukvaten met een totale inhoud van 186,8 liter. De toelaatbare vuldruk bedroeg 200 atmosfeer. (Overigens werden gedurende de oorlogsjaren ook andere gemeentevoertuigen voorzien van een gasinstallatie, o.a. enkele ambulances.)

In 1941 had de Rijksinspectie al geadviseerd een tweede autoladder aan te schaffen, maar door de enorme schaarste aan allerlei materialen was een dergelijk voertuig niet of slechts tegen zeer hoge kosten leverbaar. Derhalve werd de aanschaf voorlopig uitgesteld. Het automaterieel onderging wel een tijdelijke uitbreiding doordat ten behoeve van de hulpbrandweer eerst twee en later drie particuliere voertuigen werden gevorderd.

Voertuigen, gevorderd ten behoeve van de hulpbrandweer, 1941-1942

Merk Bedford Ford Ford
Bouwjaar 1932 1930 1933
Kenteken N 33705 N 32708 N 31198
Motorvermogen 50 pk 40 pk 85 pk
Laadvermogen 2000 kg 500 kg 750 kg
Eigenaar M.A. Reukers C. Smarius A. Naber
Adres eigenaar Molenstraat 36 Goirkestraat 141 Korvelplein 45
Datum vordering 22 april 1941 29 mei 1941 ? augustus 1942
Al deze voertuigen waren voorzien van een trekhaak voor een motorspuit,van zitbanken en van een bergplaats voor materialen zoals slangen, etc.

 
Gijzeling

Op 13 juli 1942 werd brandweercommandant Esbach plotseling door de Duitsers gegijzeld en overgebracht naar het kamp te Haaren. Enkele leden van het College van Brandmeesters zetten onmiddellijk een actie op touw om het kinderrijke gezin van Esbach zoveel mogelijk te helpen. Op 12 december werd Esbach weer in vrijheid gesteld. Enkele maanden voor Esbach's gijzeling, namelijk op 15 mei, was de administratief ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht en brandmeester in algemene dienst B.B. de Boer in Duitse krijgsgevangenschap weggevoerd.
De ex-beroepsofficier De Boer was nog geen jaar in dienst bij Bouw- en Woningtoezicht. Voorzover kon worden nagegaan is hij niet meer naar Tilburg teruggekeerd.


Inbeslagname van brandweermaterieel

Ondanks de pathologische roofzucht van de Duitsers bleef de inbeslagname van brandweermaterieel gelukkig beperkt. In april 1944 moesten twee motorspuitjes van de hulpbrandweer worden afgestaan aan de Duitse Wehrmacht. De drie voertuigen van de hulpbrandweer, die op 19 mei 1944 ter keuring naar Breda waren gebracht, werden ter plaatse door de Beauftragte fur den Vierjahresplan gevorderd en niet meer teruggegeven.
Ter vervanging van deze voertuigen werden twee andere voertuigen van particulieren gevorderd. Na de bevrijding zijn ze zo snel mogelijk weer aan de eigenaars teruggegeven. Een der vrachtauto's van de brandweer, de Ford met kenteken N 19379, is in oktober 1944 door de Ortskommandant tijdens zijn overhaaste vlucht naar Duitsland meegenomen. Het gerucht gaat, dat dit voertuig later teruggevonden is in Den Haag.


De laatste maanden voor de bevrijding

De ‘periode Van Nunen', die gelukkig nog geen vijf maanden duurde, was voor het brandweerpersoneel allerminst plezierig. "Staande onder een zeer ondeskundige leiding en dagelijks geplaagd door een gehate propaganda, was het alleszins begrijpelijk dat dienstijver en verantwoordelijkheidsgevoel al zeer spoedig geheel en al ontbraken; van discipline was dan ook geen sprake meer."

Ofschoon er nog steeds geen toestemming was verleend voor de verbouwlng van de brandweerkazerne, meende commandant Van Nunen hiermee toch alvast te beginnen. Niet gehinderd door enige bouwkundige kennis en zonder overleg liet hij onder andere muren wegbreken en scheidingswanden verwijderen, "...zodat al spoedig de brandweerkazerne een vervallen aanzlen had."

In september 1944 traden 1 hoofdwachtmeester en 3 wachtmeesters in dienst, allen sympathisanten van Van Nunen. Maar niet voor lang: op de dag van de bevrijding van Tilburg werd dit viertal, samen met commandant Van Nunen, onmiddellijk in hechtenis genomen.
Opvallend is de goede mentaliteit die er onder de leden van het Tilburgse brandweerkorps heerste. Onder hen bevonden zich nagenoeg geen aanhangers van de N.S.B. of lieden die pro-Duits waren. Vanzelfsprekend werd het in de oorlog in dienst genomen personeel aan een antecedentenonderzoek onderworpen. Doch ook onder het personeel dat reeds voor 1940 in dienst was getreden bevond zich slechts een enkeling, die nationaalsocialistische gevoelens koesterde.


Nevenaktiviteiten

Naast het blussen van brand en het verlenen van hulp hield de Tilburgse brandweer zich bezig met enkele - soms illegale - nevenaktiviteiten. Zo was men nogal eens in de weer voor het verkrijgen van voedsel. Vooral in de maanden september en oktober 1944, toen de voedselpositie in Tilburg zeer precair was, hebben leden van de brandweer zich dag en nacht, soms onder zeer gevaarlijke omstandigheden, ingezet door op diverse plaatsen in het land voelsel te halen voor de bevolking.
Voorts zijn een aantal malen door de Duitsers gezochte personen met behulp van de ziekenauto's naar velliger oorden gebracht. Ook het vele illegale werk dat de heer Mohrmann verrichtte, zoals het vervalsen van papieren, mag zeker niet als nevenaktiviteit onverneld blijven.


Telefoonverkeer gestoord

Een dag voor hun definitieve vertrek bliezen de Duitsers de telefooncentrale aan de Spoorlaan op. Het gehele telefoonverkeer werd hierdoor lamgelegd. De brandweer was derhalve ook niet meer telefonisch bereikbaar, zodat die in een aantal gevallen veel te last werd gealarmeerd. Op 23 december kon de telefoondienst weer starten met 10 abonnees, waartoe ook de brandweer behoorde. De brandweer beschikte echter slechts over één lijn voor alle inkomende en uitgaande gesprekken, zodat het tech nogal eens voorkwam dat een brand door middel van een ordonnans moest worden gemeld. Ook het doorgeven van een ‘nader bericht' werd vaak bemoeilijkt. Aan het eind van 1945 kon de brandweer al weer beschikken over twee lijnen.

Staat van het brandweerpersoneel op 26 oktober 1944

Beroepsbrandweer
commandant 1
hoofdbrandmeester 1
brandmeesters in algemene dienst* 4
hoofdwachtmeesters 4
opperwachtmeesters 2
wachtmeesters 4
chauffeur/monteurs 19
Vrijwillige brandweer
brandmeesters 12
onderbrandmeesters en brandgasten 102
reservisten 21
hulpbrandweer 68
bosbrandweer 21
Totaal 259
*ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht