Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
395. 200 jaar brandweer in Tilburg
 

Titel:   

200 jaar brandweer in Tilburg

Ondertitel:   

Auteur:   

ir. Rob van Putten

Jaargang:   

III (1985) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

4

Pagina’ s:   

3-64


4. De periode 1944-1985


Na de bevrijding
Op 27 oktober 1944, de dag van Tilburg's bevrijding, kreeg ex-brandweercommandant Esbach van de Orde Dienst het verzoek de leiding van de brandweer weer op zich te nemen, waaraan hij graag gevolg gaf. Wegens een nijpend tekort aan beroepsbrandweerpersoneel werden onmiddellijk zes leden van de vrijwillige brandweer tijdelijk als beroepskracht in dienst genomen. In december traden nog eens vier vrijwilligers in tijdelijke dienst.

Het lag in de bedoeling van het gemeentebestuur, de toestand van voor juni 1944 weer zo snel mogelijk te herstellen door Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht te herenigen. In afwachting van verdere plannen zouden de kantoren van Bouw- en Woningtoezicht voorlopig gevestigd blijven in de Heuvelstraat. In december werd ook de administratie van de brandweer hiernaartoe overgeplaatst. Al spoedig bleek echter "...dat aan de chaotische toestand bij de brandweer slechts een einde kon komen door een radicale reorganisatie van deze dienst." Bovendien was de Inspectie van het Brandweerwezen tegen een hereniging van beide diensten.

In hun vergadering van 18 december 1944 besloten burgemeester en wethouders dan ook de plannen tot samenvoeging op te schorten. Drie dagen later besloot het College van B en W om met ingang van 22 december ir. Mohrmann "in afwachting van een definitieve regeling" tijdelijk aan te stellen als commandant van de Tilburgse brandweer. Burgemeester Van de Mortel had hiermee dus eindelijk zijn zin gekregen.

Dit besluit betekende het definitieve einde van de sedert 1922 bestaande dienst van Brandweer en Bouw- en Woningtoezicht. De heer Mohrmann zou voorlopig echter nog zoveel mogelijk belast blijven met werkzaamheden voor Bouw- en Woningtoezicht, terwijl anderzijds de heer Esbach, die directeur bleef van Bouw- en Woningtoezicht, bij grote branden nog kon worden opgeroepen.


Tilburg krijgt definitief een beroepsbrandweer

Reeds op 6 januari 1945 diende de heer Mohrmann een reorganisatieplan in dat door B en W twee dagen later werd goedgekeurd. Volgens dit plan, dat tot stand gekomen was in overleg met de inspectie van het Brandweerwezen, zou de beroepsbrandweer gaan bestaan uit 47 personen, te weten: een commandant, een ondercommandant, drie brandmeesters (en/of adjunct-brandmeesters), vier onderbrandmeesters (en/of adjunct-onderbrandmeesters), 36 brandwachts (inclusief een magazijnmeester en drie telefonisten), een administrateur en een klerk.

De onderbrandmeesters en de brandwachts zouden dienst doen volgens het al eerder genoemde 24-uurssysteem. Het overige personeel werkte in dagdienst. Wel moest er 's avonds steeds een brandmeester op de kazerne aanwezig zijn. Vier brandwachts werden aan de 24-uursdienst onttrokken; een van hen werd tewerkgesteld als magazijnmeester, de drie anderen deden bij toerbeurt gedurende 8 uren dienst in de alarmcentrale. Na enkele maanden kon dit viertal weer in de 24-uursdienst worden opgenomen, waarna vier andere brandwachts hun plaatsen innamen.

Tot ondercommandant werd benoemd de heer B. Donders, voorheen technisch ambtenaar bij Bouw- en Woningtoezicht. De heer C. van Dun werd benoemd tot administrateur en de heer Ch. Storimans tot adjunct-brandmeester. De administratie van de brandweer, die in december 1944 in handen was gegeven van Bouw- en Woningtoezicht, kon vanaf 5 februari weer door de brandweer zelf gevoerd worden.

Het personeel van de beroepsbrandweer bestond op 31 december 1944 uit 33 personen. Hieronder bevonden zich elf personen in tijdelijke dienst. Zes van hen gingen in de loop van het jaar over in beroepsdienst, de overigen werden ontslagen.

Op 1 mei 1945 trad de heer J.P. Reijnen in dienst als adjunct- brandmeester, en op 14 mei werden twintig aspirant-brandwachts in dienst genomen. In de loop van het jaar deden zich nog enkele kleine wijzigingen voor in de personeelsbezetting, waardoor op 31 december 1945 de beroepsbrandweer bestond uit in totaal 43 personen.


Dagindeling

De dagindeling voor het personeel van de uitrukdienst zag er als volgt uit:
- 07.00 uur: opstaan;
- 07.55 uur: appèl en wisseling van de ploegen;
- 08.00-08.30 uur: exercitie;
- 08.30-12.30 uur: oefenen en het verrichten van werkzaamheden;
- 12.30-14.00 uur: eten en rusten;
- 14.00-18.00 uur: oefenen en het verrichten van werkzaamheden.
Om 23.00 uur moesten alle lichten uit zijn. Om alle personeelsleden de gelegenheid te geven naar de kerk te gaan, begon de dienst op zondag pas om 09.00 uur. Dit betekende dat het personeel dat van zaterdag op zondag dienst had, een uur langer moest blijven. (Zij waren vanaf 9 uur dienstvrij, en konden dus 's middags naar de kerk.)


Bonloze bijvoeding

Met ingang van 28 januari 1945 kreeg het gekazerneerd brandweerpersoneel iedere middag een warme maaltijd, waarvoor geen voedselbonnen hoefden worden ingeleverd, de zogeheten bonloze bijvoeding. Een maaltijd kostte dertig cent, hiervan nam de gemeente twintig cent voor haar rekening. Ieder personeelslid diende zijn eigen bord, lepel en vork mee te nemen (een mes was kennelijk niet nodig!). Doordat nu op de kazerne een warme maaltijd werd geserveerd, mocht het personeel niet meer, zoals vroger gebruikelijk was, tussen de middag naar huis om te eten. Gezien de slechte accommodatie op de kazerne was het echter wel toegestaan dat ieder om de beurt even naar huis mocht voor het avondeten. De verstrekking van bonloze bijvoeding werd in de loop van 1945 weer afgeschaft.


Verbouwing van de kazerne

Behalve een reorganisatieplan diende de heer Mohrmann begin januari 1945 ook een plan in voor de verbouwing van de brandweerkazerne. De totale kosten werden geraamd op 42.790,-. Omdat met ingang van 1 februari 1945 de prijzen van bouwmaterialen van regeringswege met 50 procent werden verhoogd, moest nog eens een aanvullend krediet worden verleend van 6500,-. Geschat werd dat de verbouwing, die in eigen beheer werd uitgevoerd, in vier maanden voltooid kon zijn. Vooral door de enorme schaarste aan bouwmaterialen nam de verbouwing echter aanmerkelijk meer tijd in beslag, en pas in de loop van 1946 kon de geheel vernieuwde kazerne in gebruik worden genomen.


Schaarste

Niet alleen bouwmaterialen waren moeilijk verkrijgbaar. Ook de steeds nijpender wordende schaarste aan andere goederen plaatste de leiding van de brandweer voor grote problemen. Accu's en banden waren nauwelijks verkrijgbaar. Benzine en olie werd gerantsoeneerd. Voor de maand januari 1945 kreeg de brandweer voor 1000 liter aan benzinebonnen toegewezen. Aan het eind van de maand was daarvan nog maar 25 liter over. Alleen al 85 liter was gebruikt voor het dagelijks warmdraaien van de in totaal 17 motoren van de voertuigen en de motorspuiten. Dienstkleding had het personeel al lang niet meer ontvangen, gelukkig kon in de loop van 1945 het personeel worden voorzien van een nieuw uniform. Na veel soebatten kreeg de heer Mohrmann een aantal paren afgedankte, deels al versleten legerschoenen toegewezen. Omdat er echter veel schoenen bij zaten in weinig gangbare maten, was meer dan de helft onbruikbaar. Er waren zo weinig dekens, dat de manschappen die elkaar aflosten onder dezelfde dekens moesten slapen; "...het gevolg hiervan was dat verschillende leden van het personeel huidziekte kregen." Ook papier was schaars: per man werd per maand slechts 1 rol toiletpapier verstrekt.


Engels materieel

Dank zij de bereidwilligheid van Paul Planken, handelaar in brandweermaterialen, kon de door de Duitsers gestolen Ford vrachtauto in november 1944 vervangen worden door een Dodge vrachtauto. Naast de zes eigen voertuigen beschikte de brandweer begin 1945 nog over vier van particulieren gevorderde auto's en over zeven luchtbeschermingsspuitjes. De van particulieren gevorderde auto's zijn na de liquidatie van de Luchtbeschermingsdienst weer aan de eigenaren teruggegeven.

In het voorjaar van 1945 verstrekte de Rijksinspectie van het Brandweerwezen een aantal uit Engeland afkomstige voertuigen en motorspuiten in bruikleen, namelijk twee Austin trekkers (zogeheten bellewagens, een hiervan moest al spoedig worden teruggegeven), twee Bedford legertrucks, een Ford rescuewagen (gereedschapwagen), een draagbare motorspuit van het merk Beresford-Stork en drie draagbare motorspuiten van het merk Coventry-Climax.

Een der Bedford-trucks, geladen met bouwmaterialen, botste op 21 oktober 1945 op de Boschdijk in Eindhoven tegen een boom. Twee inzittenden (J. Reijnen en J. van Boxtel) liepen hierbij lichte verwondingen op, de auto werd totaal vernield. De Rijksinspectie zorgde spoedig voor vervanging door een wagen van hetzelfde type.



De beroepsbrandweer met het materieel op het terrein van de brandweerkazerne, 1948. Van links naar rechts
zien we de volgende voertuigen: Ford-commandowagen, Dodge-personeel-materieelwagen, Delehaye-autoladder, 
kleine Magirus-autospuit, twee Bedford-vrachtwagens, Austin-'belllewagen' en geheel rechts de grote 
Magirus-autospuit. (Coll. RHC Tilburg).


Opening van de brandweerkazerne

Op maandag 1 april 1946 kon de geheel vernieuwde brandweerkazerne officieel in gebruik worden genomen. De opening werd voorafgegaan door een gezongen H. Mis in de kerk van de parochie St. Anna. Deze H. Mis, die werd opgedragen "... voor het overleden brandweerpersoneel en voor de toekomst en het welzijn van het huidige personeel" werd aan het personeel aangeboden door het Premiefonds van het College van Brandmeesters. De openingsplechtigheid was sober en droeg een besloten karakter; ook de pers was niet uitgenodigd. Ter gelegenheid van de opening bood het College van Brandmeesters aan het gemeentebestuur een gebrandschilderd raam aan voor de brandweerkazerne.

Op de dag van de opening ging ook officieel de 24-uursdienst in. De eerste ploeg die aantrad was de 17 man sterke gele ploeg. (De andere ploeg heette de groene ploeg.)


Kampioen van Nederland

In het voorjaar van 1946 werden er onder auspiciën van de Nederlands Vereniging van Brandweercommandanten in het gehele land brandweerwedstrijden gehouden. Een ploeg van de Tilburgse beroepsbrandweer, die zowel bij de kringwedstrijden in mei als bij de afdelingswedstrijden in juli het hoogste aantal punten behaalde, werd afgevaardigd naar de landelijke wedstrijd, die op zaterdag 17augustus te Utrecht plaatsvond. Ook ditmaal behaalde de Tilburgse ploeg het hoogste aantal punten: de Tilburgse brandweer mocht zich kampioen van Nederland noemen. De winnende ploeg ontving een zilveren legpenning, aangeboden door de Minister van Binnenlandse Zaken, en een zilveren beker, ter beschikking gesteld door de organiserende vereniging. De deelnemende manschappen mochten ieder een vergulde medaille in ontvangst nemen.

Commandowisselingen

Enkele maanden voor de glorieuze overwinning van de Tilburgse spuitgasten had ir. Mohrmann het Tilburgse korps verlaten, in verband met zijn benoeming tot directeur Openbare Werken te Venlo. Het commando werd vanaf 1 mei 1946 waargenomen door ondercommandant B. Donders.

Op 1 januari 1947 kon de heer F. Flameling, oud-commandant van de brandweer Leiden, als nieuwe commandant in Tilburg verwelkomd worden. De heer Donders werd kort daarop, met ingang, van 1 april 1947, benoemd tot commandant van de brandweer te 's-Hertogenbosch. Pas op 1 januari 1952 kreeg Tilburg een nieuwe ondercommandant. Het was de heer Jac. Honig, die op 1 mei 1947 in dienst getreden was van de Tilburgse brandweer, en die een jaar later al benoemd werd tot adjunct-hoofdbrandmeester le klas.

De heren Flameling en Honig, verlieten beiden, met ingang van 1 april 1956, gelijktijdig het Tilburgse korps. De heer Flameling vertrok naar Utrecht, waar hij was benoemd tot commandant, de heer Honig had een hoge functie aanvaard bij zijn vroegere werkgever, de Rotterdamse brandweer.

Opvolger van de heer Flameling, werd de heer A.H. Haarmans (ex-commandant Venlo). De plaats van de heer Honig werd op 1 augustus 1956 ingenomen door de heer J.P. Reijnen. Na ruim 21 jaar het commando over de Tilburgse brandweer te hebben gevoerd, nam de heer Haarmans op 31 mei 1977 in verband met zijn pensionering afscheid van de Tilburgse brandweer. Zijn opvolger werd de heer J. Kuyt, die voor hij naar Tilburg kwam, commandant was van de brandweer van Haarlemmermeer. Eveneens in 1977 ging de heer Reijnen met pensioen; tot zijn opvolger werd benoemd de heer M. Formannoy.

 
Mobilofoon

Vrijdag 26 mei 1950: politie, brandweer en GGD in Tilburg worden uitgerust meteen mobilofooninstallatie. De brandweer kreeg de beschikking over één mobiele zender-ontvanger, die werd ingebouwd in de autospuit TB 15. Twee andere voertuigen, TB 12 en TB 13, waren zodanig ingericht, dat bijeen defect aan de TB 15, de mobilofooninstallatie snel in een van deze voertuigen kon worden geïnstalleerd. De centrale zender-ontvanger wasgeplaatst in het hoofdbureau van politie. In de seinkamer van de brandweer was slechts een ontvanger geplaatst. Zodoende kon wel een bericht van het voertuig rechtstreeks ontvangen worden, maar mededelingen bestemd voor het voertuig moesten per telefoon eerst aan de politie worden doorgegeven. Reeds in 1951 kreeg de brandweer echter een eigen zender, zodat vanaf toen rechtstreekse communicatie met de voertuigen mogelijk was.

Eveneens in 1950 werd een nieuw alarmeringssysteem in gebruik genomen. Dit systeem, waarop veertig bedrijven en instellingen waren aangesloten, bestond uit drukknopmelders, die rechtstreeks met de alarmcentrale van de brandweer verbonden waren. Werd een melder ingedrukt, dan kon men op een paneel met lampjes zien welke melder was ingedrukt, waarna onmiddellijk met groot materieel kon worden uitgereden.



De Dodge-autoladder tijdens een demonstratie op het Stuivesantplein, begin jaren vijftig.
(Coll. RHC Tilburg).  


Gestorven in uniform

Op zondag 16 juni 1957 woedde er een middelbrand bij de rijwielhandel P. van Iersel, Enschotsestraat 164. Tijdens de blussingswerkzaamheden overleed plotseling, als gevolg van een hartaanval, de brandwacht le klas Norbertus J. Bertens, oud 48 jaar. Hij werd op woensdag 19 juni met korpseer begraven op het kerkhof aan de Bredaseweg, voorafgegaan door een H. Mis in de kerk van de parochie Noordhoek.


Adembescherming

In 1947 warden alle leden van de beroepsbrandweer uitgerust met een gasmasker. Voor het werken in een zuurstofarme of -loze omgeving had men de beschikking over vijf zuurstofapparaten. In 1956 werden de eerste vier persluchtapparaten aangeschaft.


Watersnood

Op 5 maart 1953 vertrokken de brandwachts A. v.d. Nieuwburg, A. de Bruin, H. Brommert, R. Hendriks en C. Santegoets, na een aan de burgemeester gedaan verzoek van de Minister van Binnenlandse Zaken, naar het door de watersnood getroffen Oude Tonge op het eiland Goeree-Overflakkee. Samen met brandweermensen uit andere gemeenten verrichtten zij daar gedurende veertien dagen opruimingswerkzaamheden, waaronder het bergen van lijken. Voor dit allesbehalve plezierige werk kregen ze een toeslag van 25% op hun loon, en een zakgeld van 2,50 per dag. Van 23 maart t/m 3 april en van 11 t/m 23 mei waren de hoofdbrandwacht J. van Meeuwen en de brandwachts N. Bertens, M. Brouwers, Th. Philipsen en N. Meulenbroek tewerkgesteld in het eveneens door de watersnood getroffen Nieuw Vossemeer, alwaar een groot aantal kelders en putten moest worden leeggepompt.


Slechte opkomst vrijwillige brandweer

De opkomst van de vrijwillige brandweer zou jarenlang veel te wensen overlaten. Zo werd in 1947 in totaal 220 keer een vrijwilligerskring opgeroepen. De gemiddelde opkomst per keer bedroeg 4 personen, dat is een opkomst van minder dan 50 procent. In verband hiermee verzocht commandant Flameling begin 1948 de beroepskern uit te mogen breiden met 8 man. De burgemeester wijst dit verzoek echter van de hand, in plaats daarvan verzoekt hij de heer Flameling na te gaan, of het mogelijk is in Tilburg een plichtbrandweer in te stellen. Een zelfde verzoek wordt ook gericht aan de directeur van Publieke Werken en de directeuren van de gemeentelijke slachtplaats, het gemeentelijk gasbedrijf en het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf. Het idee van een plichtbrandweer wordt echter unaniem van de hand gewezen. Daarop krijgt de brandweer toestemming om één (!) brandwacht in dienst te nemen.

Voor de slechte opkomst van de vrijwilligers zijn wel enkele oorzaken aan te geven. Allereerst bestond de vrijwillige brandweer voor de oorlog voornamelijk uit thuiswerkers, kleine zelfstandigen die hun bezigheden aan huis hadden, en bij alarm onmiddellijk konden uitrukken. Na de oorlog verminderde het aantal thuiswerkers sterk (van de 88 leden die de vrijwillige brandweer in 1959 telde waren er nog 25 zelfstandig, de overigen werkten bij een bedrijf en konden dus overdag niet gealarmeerd worden). Bovendien werd het voor hen steeds moeilijker overdag hun bedrijf te verlaten.

Een tweede oorzaak voor de slechte opkomst was het gebrek aan motivatie, dat was ontstaan doordat de vrijwilligers bij brandalarm dikwijls alleen maar ingezet werden voor nablussing of opruimingswerkzaamheden, of op de kazerne moesten blijven voor een eventuele volgende alarmering. Bovendien waren de vergoedingen van de vrijwilligers, vooral de eerste jaren na de oorlog, erg gering.

De gemiddelde opkomst over het jaar 1956 was wel zeer slecht: die bedroeg slechts 32 procent. Teneinde de slechte opkomst van de vrijwilligers zoveel mogelijk te elimineren, werd in 1957 besloten bij alle leden van de beroepsbrandweer een alarmtelefoontoestel te laten plaatsen, zodat het mogelijk werd het vrijzijnd beroepspersoneel (groepsgewijs) thuis op te roepen.



Ford-gereedschap/materieelwagen annex autospuit. Foto genomen tijdens een bezoek van het 
gemeentebestuur en de raadsleden aan de brandweerkazerne op 1 juni 1951. Geheel rechts de heer 
Ch. Brauers, de huidige hoofdinspecteur van het Brandweerwezen, toen nog officier bij de Tilburgse 
brandweer. (Coll. RHC Tilburg).


Plichtbrandweer

In augustus 1959 krijgt commandant Haarmans van de burgemeester het verzoek om, in overleg met de dienst Personeelszaken van de gemeente, na te gaan of er mogelijk personeel van andere gemeentelijke diensten overdag ingezet zou kunnen worden bij de brandweer. Hierdoor zou de slechte opkomst van de vrijwilligers overdag ondervangen kunnen worden. Haarmans adviseert daarop de Centrale Werkplaats van de dienst Reiniging en Vervoer in de brandweerorganisatie op te nemen. Het personeel van deze Centrale Werkplaats was, evenals dat van de brandweer, belast met het onderhoud en de reparatie van een deel van het gemeentelijk wagenpark.

Met ingang van 29 februari 1960 gingen 13 van de 16 personeelsleden van de Centrale Werkplaats over naar de brandweer. Acht van hen werden goedgekeurd voor brandweerdiensten; zij werden met ingang van 1 juni 1960 aangesteld in de rang van brandwacht 2e klas. In principe konden zij tussen 08.00 en 18.00 nog bij de brandbestrijding ingezet worden. Omdat ze tussen de middag moesten overblijven kregen ze hiervoor een vergoeding van f 10,- per week. Om in geval van brand snel uit te kunnen rukken was er op de Centrale Werkplaats gelegen aan de Insulindestraat steeds een manschappenwagen aanwezig.

In de loop der jaren is het plichtbrandweersysteem afgeschaft, het verrichten van brandweerdiensten geschiedt thans op geheel vrijwillige basis. [Plichtbrandweer: brandweer, waarvan het personeel geheel of grotendeels bestaat uit personen, die uit hoofde van hun dienstverband verplicht zijn een taak bij de brandweer te vervullen.]


Nieuw materieel

Het in 1945 door de Rijksinspectie in bruikleen afgestane brandweermaterieel werd in 1946 en 1947, met uitzondering van twee Coventry-Climax motorspuiten door de gemeente Tilburg aangekocht voor een bedrag van ruim f 22.000,-. De Ford rescuewagen werd in 1948 voorzien van een voorbouwpomp, en in eigen beheer ingericht als gereedschapwagen. In 1949 werd een nieuwe lagedrukautospuit in gebruik genomen, de eerste autospuit van het gesloten type. Het jaar daarop kreeg de brandweer de beschikking over een halfautomatische autoladder. Het vierdelige stalen ladderpakket van het fabrikaat Geesink had een lengte van 26 meter.

In 1953 doet de hogedrukspuit zijn intrede. Door water bij een druk van 40 tot 60 atmosfeer zeer fijn te vernevelen, kon een zeer groot blussend vermogen wordenverkregen, terwijl de waterschade minimaal was. De Bedford hogedruktankautospuit die in 1953 in gebruik werd genomen was uitgerust met een Bean-pomp met een capaciteit van 130 liter per minuut bij 55 atmosfeer druk. De pomp was verbonden met een watertank met een inhoud van bijna 1600 liter. Een nieuwe volautomatische autoladder wordt in 1954 in dienst gesteld. Het voertuig met een Metz ladder, lengte 27 meter, was verder voorzien van een voorbouwpomp. In 1959 wordt de eerste gecombineerde hogedruk/lagedrukautospuit in gebruik genomen. Dit was het eerste van een reeks van 7 voertuigen op een DAF chassis die tussen 1959 en 1966 in gebruik werden genomen in het kader van een algehele vernieuwing van het automaterieel. Een nieuw type redvoertuig, de hoogwerker, wordt in 1972 in gebruik genomen. Deze hoogwerker was het eerste van alweer een nieuwe generatie voertuigen, gebouwd op een DAF-chassis met kantelkabine. In de tien daarop volgende jaren werd het wagenpark nogmaals volledig vernieuwd, met uitzondering van een uit 1962 daterende autoladder, die vanwege de bezuinigingen voorlopig niet zal worden vervangen.


De Regionale Brandweer Midden-Brabant

Op 19 november 1918 werd de Tilburgse brandweer te hulp geroepen voor een brand in het raadhuis te Goirle. Dit voorval was aanleiding voor Tilburg om een regeling te treffen met de gemeenten Goirle, Alphen en Riel en Hilvarenbeek, waarbij werd overeengekomen dat de Tilburgse brandweer bij grote branden in voornoemde gemeenten hulp zou verlenen, en dat de Tilburg door gemaakte kosten werden vergoed. In 1923 werd een zelfde overeenkomst gesloten met de gemeenten Berkel-Enschot, Udenhout, Oisterwijk, Dongen enGilze en Rijen. Met de militaire autoriteiten van het vliegveld Gilze-Rijen werd in 1924 een afzonderlijke overeenkomst gesloten. In 1936 kwam er een geheel nieuwe regeling tot stand tussen de gemeente Tilburg en de gemeenten Alphen en Riel, Berkel-Enschot, Diessen, Dongen, Gilze en Rijen, Goirle, Hilvarenbeek, Loon op Zand, Oisterwijk, Moergestel en Udenhout. Er was echter nog steeds geen sprake van wederzijdse hulpverlening. Alleen de Tilburgse brandweer zou bij catastrofale branden assistentie verlenen aan voornoemde gemeenten, indien daartoe door of namens burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente een verzoek werd gedaan; de Tilburgse brandweer was echter gerechtigd, de hulp te weigeren. Ook volgens deze nieuwe regeling moesten de gemaakte kosten vergoed worden: een motorspuit kostte f 10,- per uur, een autoladder of een bosbrandwagen f 7, 50.

In maart 1949 kwam er, door een gezamenlijk initiatief van commandant Flameling en de Inspectie van het Brandweerwezen, een ontwerp voor een streekbrandweer voor Midden-Brabant tot stand. De regio Midden-Brababant, met Tilburg als centrumgemeente omvatte 29 gemeenten: de twaalf gemeenten van de regeling uit 1936, de gemeenten Drunen, Waalwijk, Waspik, 's-Gravenmoer en Sprang-Capelle en de 11 gemeenten uit het Land van Heusden en Altena. Deze laatste gemeenten stapten in 1950 uit het overleg. De besprekingen waren langdurig en moeizaam. Enerzijds doordat men vreesde dat de gemeentelijke autonomie inzake brandweeraangelegenheden moest worden prijsgegeven, anderzijds omdat men verwachtte dat de uitgaven van de brandweer sterk zouden toenemen.

Uiteindelijk kwam in september 1953 een gemeenschappelijke regeling tot stand tussen de 17 overgebleven gemeenten. De Regionale Brandweer Midden-Brabant was een feit. Heel geleidelijk kwam de samenwerking op gang. De opening van het regionale brandweeropleidingscentrum te Tilburg - het eerste in Nederland - mag zeker een mijlpaal genoemd worden. In 1969 kwam er een nieuwe gemeeschappelijke regeling tussen de zeventien gemeenten tot stand, die op 19 februari 1969 werd gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant. In 1971 traden de gemeenten Baarle-Nassau, Hooge- en Lage Mierde en Oost-, West- en Middelbeers toe, waarmee de Regionale Brandweer Midden-Brabant haar huidige (1985!) omvang kreeg. De commandant van de Tilburgse brandweer is tevens commandant van de Regionale Brandweer Midden-Brabant. Het totaal aantal brandweerlieden van alle 20 aangesloten gemeenten bedraagt circa. 800. Het totaal aantal brandweervoertuigen bedraagt 85 stuks.



Commandant Flameling poseert met een aantal manschappen bij twee nieuwe voertuigen in de Edisonlaan. 
Van links naar rechts: A. Heefer, G. Pijnenborg, K. van Opstal, J. Horvers, H. Roestenberg, A. van Hees, 
A. van Iersel, commandant Flameling, C. van Poppel, P. Claassen, H. van Oudheusden. (Coll. RHC Tilburg).

Plannen voor de bouw van een nieuwe brandweerkazerne Alras bleek in de eerste jaren na de bevrijding dat in de nabije toekomst voor bepaalde delen van Tilburg het tijdsverloop tussen brandmelding en de aanvang van de blussing onaanvaardbaar lang zou kunnen worden. Drie factoren speelden hierbij een rol. Allereerst had men te maken met de geplande stadsuitbreiding, vooral in noordwestelijke richting. Ten tweede nam het gemotoriseerde verkeer in intensiteit sterk toe, en tenslotte bestond er nog altijd het ‘overwegprobleem'. Reeds in 1948 had commandant Flameling aan B en W voorgesteld in het noordelijk stadsdeel een kleine hulpbrandweerpost in te richten. Het gemeentebestuur liet hem daarop weten, het plan te hebben om in genoemd stadsdeel een geheel nieuwe brandweerkazerne te bouwen, ter vervanging van de kazerne aan de Capucijnenstraat. In januari 1951 wordt aan de gemeenteraad de Nota van Aanbieding van een Plan van kapitaalwerken 1951-1959 aangeboden. Dit plan voorzag onder meer in de bouw van een nieuwe brandweerkazerne aan de Ringbaan West. Het plan zou in twee fasen worden uitgevoerd. Het was de bedoeling in 1954, als onderdeel van de toekomstige kazerne, alvast een hulppost te bouwen, met een stallingsruimte voor twee tot drie voertuigen en een bezetting van 12 man. De nieuwe kazerne zou in 1957 (of eventueel op een later tijdstip) gebouwd worden. De totale kosten van het project werden geraamd op een half miljoen gulden. In 1954 waren de plannen voor de aanleg van spoorwegtunnels echter zo ver gevorderd, dat men de bouw van een hulppost voorlopig aanhield. Alle aandacht werd nu geconcentreerd op de bouw van de nieuwe kazerne. Wel stelde commandant Flameling voor, op het terrein van het aannemersbedrijf van de vrijwillige brandmeester Smeulders aan de Textielstraat tijdelijk een nevenpost in te richten. Deze suggestie werd echter door Flameling's opvolger niet overgenomen. Omdat het voor de nieuwe brandweerkazerne bestemde terrein inmiddels een andere bestemming had gekregen (namelijk het nieuwe gebouw van de GGD), moest er naar een andere locatie worden omgekeken. Gedacht werd o.a. het terrein nabij de Vlasspinnerij (Beukenstraat), de Ringbaan-West, nabij de Berkdijksestraat, de Lange Nieuwstraat en de Korte Schijf straat (het complex van Brouwers dat in 1958 was leeggekomen). Ondertussen werd de kazerne aan de Capucijnenstraat regelmatig uitgebreid en verbouwd. Op grond van de resultaten van een brandrisico-analyse adviseerde de Inspec tie voor het Brandweerwezen in 1961 om over te gaan tot de bouw van een nieuwe brandweerkazerne, of, bij handhaving van de kazerne aan de Capucijnenstraat, aan de Insulindestraat een dag en nacht bezette nevenpost in te richten. Het gemeentebestuur voelde hier echter niets voor. Verwacht werd, dat na de voltooiing van het hoogspoorplan en de city-doorbraak, de kazerne aan de Capucijnenstraat voldoende gunstig gelegen zou zijn. De ingebruikneming van een nevenpost zou pas overwogen worden als de stad een inwonertal van 150 à 155.000 bereikt zou hebben.



Chevrolet-autospuit TB 15. Foto genomen tijdens het afscheid van burgemeester Van Voorst tot
Voorst, 27 mei 1957 op het Willemsplein. (Coll. RHC Tilburg).



De zes nieuwe voertuigen op een DAF-chassis, aangekocht in de periode 1958-1960. Foto 1962. (Coll.
RHC Tilburg).



Het automaterieel van de Tilburgse brandweer in 1960 (niet alle voertuigen zijn afgebeeld). Van links naar rechts: 
Opel-commandowagen TB 8 (gedeeltelijk), Volkswagen-blusvoertuig TB 3, DAF-autospuit TB 12, DAF-gereedschapwagen 
TB 17, DAF-autospuit TB 14, Volkswagen-commandowagen TB 11, Bedford-autoladder TB 5, Bedford-autospuit TB 16, 
Chevrolet-autospuit TB 15, Dodge-autoladder TB4, Landrover TB 2 en Magirus-autospuit TB 1. Op de achtergrond zien we 
nog een Opel-Blitx-vrachtwagen (TB6).


Dependance

Begin 1964 wijst commandant Haarmans in een rapport aan burgemeester Becht op het te lang worden van de rijtijden van de brandweervoertuigen bij brand in bepaalde stadsdelen, en hij vraagt zich af of het niet wenselijk is in de nabije toekomst een tweede brandweerpost op te richten. Uit een in opdracht van de burgemeester ingesteld onderzoek bleek zonneklaar dat voor grote delen van Tilburg zoals het plan Wandelbos, het industrieterrein Noord, het uitbreidingsplan Tilburg-Noord en het industrieterrein Oost, de rijtijden reeds te lang waren. Als norm werd namelijk gesteld, dat binnen zes minuten na de melding de blussing een aanvang kon nemen. Geadviseerd wordt in het noordelijk stadsdeel (omgeving Hasseltse Kapel) een dag en nacht bemand steunpunt in te richten. Op 18 maart 1968 verleende de gemeenteraad een krediet van 968.000,- voor de bouw van een brandweerdependance aan de dr. Deelenlaan. In 1970 moest voor de bouw nog een aanvullend krediet worden verleend van 274.105, terwijl voor de inrichting en de inventaris nog eens een krediet van 115.645, werd verleend. De bouw werd uitgevoerd door het aannemersbedrijf Gebr. Torremans, onder architectuur van de dienst Publieke Werken. Op zaterdag 2 januari 1971 is om acht uur 's ochtends het gebouw in gebruik genomen. In het gebouw, dat een permanente bezetting kreeg van zeven man, waren twee autospuiten, een personeel/materieelwagen en een motorspuit ondergebracht. Naderhand is het materieel nog uitgebreid met een hoogwerker, een hulpverleningsvoertuig, eeen dienstauto en een waterongevallenwagen met boot. De personeelsbezetting nam toe tot tien man.



Brandweerkazerne aan de Capucijnenstraat, autospuit TB 509 en autoladder TB 600. Foto 1982.
(Coll. RHC Tilburg).



Brandweerkazerne aan de Dr. Deelenlaan (post Hasselt). Foto 1985. (Coll. RHC Tilburg).



De grote Magirus-autospuit uit 1929 werd in 1961 buiten gebruik gesteld en voor een bedrag van 
f 1212, 15 als schroot verkocht aan de Tilburgse ijzerhandel Gebr. Van Raak. Deze gebroeders, 
zelf eens allen lid van de vrijwillige brandweer, sloopten het voertuig echter niet. Zo kon het
 gebeuren dat het werd 'ontdekt' door onderbrandmeester J. van Wees, die onmiddellijk aktie 
ondernam om het oude beestje te restaureren. In januari 1980 werd gestart met de werkzaamheden. 
Vijfentwintig brandweerlieden, wier namen op een op het voertuig gemonteerde koperen plaat zijn
gegraveerd, werkten in hun vrije uren aan de restauratie. Ruim twee jaar later, op 15 februari 
1982, kon het voertuig in het bijzijn van burgemeester Letschert weer officieel aan het wagenpark
van de Tilburgse brandweer worden toegevoegd. Op de foto: burgemeester Letschert 'op de bok', 
naast onderbrandmeester J. van Wees. (Coll. RHC Tilburg).


Toch een nieuwe kazerne

In mei 1977 komt er opnieuw een plan ter tafel. Dit plan voorzag in een drastische modernisering van het complex aan de Capucijnenstraat. Aan de straatzijde zou een nieuw gebouw van drie verdiepingen komen, terwijl de bestaande bouw grondig zou worden gerenoveerd. Het plan, dat ruim vier miljoen gulden zou gaan kosten, werd door de gemeenteraad in juni 1977 goedgekeurd. De nieuwe commandant, J. Kuyt, die op 1 juni 1977 in dienst was getreden, was echter niet zo gecharmeerd van het plan. Toen bovendien bleek, dat het ‘Plan Capucijnenstraat' in strijd was met het bestemmingsplan en met de gemeentelijke bouwverordening, besloot men het plan verder te laten rusten. Bij het zoeken naar een geschikte plaats voor de bouw van een nieuwe brandweerkazerne viel de keus uiteindelijk op het complex van de voormalige Lagere Textielschool aan de Fabriekstraat hoek Noordhoekring. Het eerste plan voor de kazerne aan de Fabriekstraat kostte 11 miljoen gulden. Dit bedrag bleek veel te hoog te zijn. Een tweede plan, dat 7,4 miljoen gulden kostte, was wel acceptabel. Op 15 augustus 1983 ging de gemeenteraad unaniem akkoord met het plan. Hiermee was tenslotte een eind gekomen aan de jarenlange onzekerheid omtrent de huisvesting van de brandweer. Op maandag 20 augustus 1984 gaf burgemeester Letschert het officiële startsein voor de bouw. De bouw van de kazerne was opgedragen aan het aannemingsbedrijf Heerkens-Van Bavel, het ontwerp was van het architectenbureau Bedaux en Geelen. In het voorjaar van 1985 kon een gedeelte van de staf van de brandweer reeds zijn intrek nemen in het gerenoveerde gebouw aan de Fabriekstraat. De nieuwbouw kon, na een gigantische verhuizingsoperatie, die heel wat bloed, zweet en tranen kostte, op dinsdag 22 oktober 1985 in gebruik worden genomen. Het complex aan de Capucijnenstraat waarin de brandweer, op enkele maanden na, gedurende vijfenzestig jaar gehuisvest is geweest wordt momenteel verbouwd tot onderkomen voor kleinschalige bedrijfjes, terwijl op het kazerneterrein woningen gebouwd zullen worden.



De nieuwe brandweerkazerne op de hoek Noordhoekring-Fabriekstraat, 1985. (Coll. RHC Tilburg).



Binnenplaats nieuwe brandweerkazerne Fabriekstraat. Foto nov. 1985. (Coll. RHC Tilburg).