Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
392. Klein leed en groot ongenoegen
 

Titel:   

Klein leed en groot ongenoegen

Ondertitel:   

Wetenswaardigheden uit de Tilburgse politiedossiers 1900-1905

Auteur:   

Wim van Hest*

Jaargang:   

XVII (1999) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

72-79

 

Samen met Willem van Heijst onderzocht de auteur in het archief van de Tilburgse Gemeentepolitie honderden processenverbaal uit de periode 1900 tot en met 1905, die terug te vinden zijn in de dag- en nachtrapporten van de bureaus op de Besterd, het Goirke, Korvel en de Heuvel, de vier politieposten die Tilburg in die jaren kende. Het gaat vaak over kleine criminaliteit zoals dronkenschap, burenruzies en diefstal en soms ook over ongevallen. Aanvullende gegevens van sommige zaken werden uit de kranten en soms uit rechtbankverslagen van de Arrondissementsrechtbank te Breda gehaald. 

Door tijdgebrek was Willem van Heijst genoodzaakt zich uit dit omvangrijke project terug te trekken. Een en ander heeft ertoe geleid dat Wim van Hest uiteindelijk een bundeling heeft gemaakt van 75 korte artikeltjes die ons een aardige blik gunnen op het dagelijks leven van doodgewone Tilburgse mensen uit de beginjaren van de twintigste eeuw. ** Hieronder volgt, bij wijze van voorpublicatie, een vijftal artikelen.


Het schot op de kermis

Het lijkje van Marietje Kessels is nog maar amper gevonden of Tilburg wordt opgeschrikt door een nieuwe misdaad. De Tilburgsche Courant van 29 augustus 1900 brengt het grote nieuws als volgt: "Nog duurt het onderzoek voort in de geheimzinnige zaak, betreffende de verdwijning der onschuldige kleine, verkeert men in spanning omtrent derzelver afloop, of wederom valt een nieuw misdrijf te vermelden. Twee opeenvolgende bladzijden van Tilburg's geschiedboek met bloed bezoedeld! Treurig maar waar. Waar zal het einde zijn."
Een dag later komt de concurrent, De Nieuwe Tilburgsche Courant, met zijn verslag: "De eerste dag der Tilburgsche kermis is wederom geëindigd met een moordpartij. Als wij zeggen wederom dan bedoelen wij daarmede dat maar zelden hier kermis wordt gehouden, zonder dat er vecht- en snijpartijen plaats hebben, met of zonder doodelijke verwondingen".

"Nauwelijks is het kermisvermaak enkele uren aan den gang", zo vervolgt de eerstgenoemde krant, "of nog voor het aanbreken van den tweeden dag moeten wij reeds melding maken van een moordaanslag op niet één maar op vier personen en ook niet langs den meest gebruikelijken weg maar met een schietwapen."
De plek des onheils is het Piusplein, vlak bij de herberg en het "danshuis" van de weduwe Torremans-Bedaux. Op dat gedeelte van het plein, dat zeer slecht verlicht is, bevinden zich de zgn. schouwburgtent van het Hollandsch Tooneelgezelschap en een circustent. Het is rond kwart voor twaalf; de voorstelling in de schouwburgtent is nog maar nauwelijks afgelopen, als een daverend schot over het kermisplein klinkt. "In het eerst dacht men dat in een der nabijzijnde tenten geschoten was geworden, doch weldra was de werkelijkheid gansch anders." Het schot blijkt te zijn afgevuurd in de richting van het café van de weduwe Torremans. Daar wordt op orgelmuziek gedanst en juist op het moment dat er een groepje mensen voor de herberg naar het dansen staat te kijken valt het schot. Het kan haast niet anders of het moet voor een van de dansers of toeschouwers bedoeld zijn. 



Kermis op het Piusplein in 1925 (foto Militair Luchtvaartmuseum Soesterberg).

Groot is de consternatie die de aanslag teweegbrengt; maar liefst vier mensen blijken te zijn getroffen. Voor drie van hen vallen de verwondingen uiteindelijk nog mee. De 20-jarige sigarenmaker Jan Horvers, die in de vensterbank zit voor het raam van het danshuis, wordt door glasscherven bloedig verwond als een van de ruiten stukgeschoten wordt. Pas later bemerkt hij dat er zes hagelkorrels door zijn kleren zijn gegaan. Steendrukker Lucas van den Broek raakt gewond aan de achterzijde van zijn hoofd. Een derde slachtoffer is er al slechter aan toe: Nard Happel, een 32-jarige bankwerker bij de spoor, wordt "in de lendenen en in den schouder" getroffen, en ook in het hoofd en in de linkerarm; hij is in elkaar gezakt en door enkele omstanders naar huis gebracht. Drie weken lang heeft hij niet kunnen werken.

Voor Frans van Stratum, een 16-jarige bakkersknecht uit de Schoolstraat, zijn de gevolgen heel wat ernstiger. Hij wordt in de borst en in zijn rechterarm getroffen. "Hevig bloedende deed hij nog een twintig schreden tot voor het café van P. Roef, waar hij nederstortte. Van alle kanten kwamen maréchaussée en poltieagenten op het schot af. Twee agenten namen den gewonden op en droegen hem het café Roef binnen, waar hij door de bewoners op de meest welwillende wijze in een zijkamer op beddengoed werd neergelegd". De onmiddellijk ontboden geneesheer, dokter Proot, verleent de eerste geneeskundige hulp. "Ook geestelijke hulp was spoedig aanwezig en nadat hij gebiecht had werd v. S. het H. Oliesel toegediend. Zeer liefderijk werd v. S. gedurende den nacht door de familie Roef verpleegd." Gezien de ernst van zijn toestand is het slachtoffer de volgende ochtend naar het gasthuis vervoerd.

Inmiddels is de politie druk doende met het horen van getuigen en het opsporen van de dader. Officier van Justitie Speyaart van Woerden verzoekt per telegram de "brigadier rijksveldwacht" Nieuwenhuijzen te Breda om mr. Hoeffelman "of bij gebreke aan dezen", mr. Cremers met mr. Jellinghaus of Wicherts naar Tilburg te sturen om te assisteren bij het onderzoek. Uit de verklaringen van diverse ondervraagde personen blijkt "dat in de bewuste herberg een niet gunstig bekend staand persoon, zekere v.d. Boer, werkzaam aan het spoor alhier, woordenwisseling heeft gehad, en uit de herberg is gesmeeten." Vervolgens zou hij in zijn kosthuis een geweer zijn gaan halen. Verschillende personen hebben hem daarmee ook zien lopen. Al op dinsdagmorgen wordt Janus van den Boer als vermoedelijke dader naar de strafgevangenis in Breda overgebracht. Janus bekent dat hij op de bewust zondag diverse herbergen heeft bezocht, waaronder ook het danshuis van de weduwe Torremans. Daar is hij, in beschonken toestand, door wel tien personen "mishandeld, geducht geslagen en getrapt en op de keien geworpen". In het bierhuis van Elissen heeft hij vervolgens zijn zwager, bij wie hij in de kost is, om patronen gevraagd. Als die verneemt wat Janus daarmee van plan is, krijgt hij de patronen niet. De zus van Janus weigert hem de huissleutel te geven maar het dreigende gevaar is hiermee niet afgewend. Van den Boer moet en zal zijn geweer hebben. Door een raam dringt hij het huis van zijn zwager binnen, pakt zijn geladen geweer en begeeft zich vervolgens weer naar het Piusplein, waar hij zich tussen de kermiswagens opstelt tegenover het café van de weduwe Torremans. Van den Boer geeft toe dat hij wel met opzet heeft geschoten, echter "zonder een bepaald persoon te willen treffen". De gaten in de gevel van het café tonen aan dat het geweer "niet alleen met hagel doch ook met schroot geladen moet zijn geweest". Na het schot is Janus met het geweer weggelopen door een zijstraatje en vervolgens in een sloot beland. Thuisgekomen heeft zijn zuster het geweer afgepakt.

Van den Boer wordt door de krant terecht "een niet gunstig bekend staand persoon" genoemd; het uittreksel van zijn strafregister laat zien dat hij in 1890 al een keer tot l5 dagen gevangenisstraf is veroordeeld wegens "wederspannigheid". In 1898 volgde een veroordeling tot f 8,- boete of 6 dagen cel voor belediging, en in april 1899 luidde het vonnis 10 dagen gevangenisstraf voor "bedreiging met eenig misdrijf tegen het leven gericht". Ruim een jaar later is het dan weer goed raak: de schietpartij op de kermis. Deze keer luidt de aanklacht: poging tot doodslag; de straf is nu aanzienlijk hoger: twee jaar cel. 

Hoe het met Frans van Stratum is afgelopen, wordt duidelijk uit een bij de processtukken horende verklaring van dokter Deelen. Hierin verklaart deze dat hij enkele weken geleden "in consult is geroepen bij Josephus Alexander Petrus van Stratum, onder behandeling staande van Dr. Proot". Van Stratum verkeerde toen in een levensgevaarlijke toestand ten gevolge "eener verbloeding en vochtuitstoring in de borstholte. Patiënt thans beterende, doch zal nimmer geheel herstellen. Zal zijn verdere leven kortademig blijven." Dat "verdere leven" heeft niet zo heel lang meer geduurd: op 2l september 1906 is Frans overleden.


Vliegend gereedschap

De smederij van "d'n Atelier", de Centrale Werkplaats der Staats Spoorwegen, moet er op woensdag 1 mei 1901 echt feestelijk hebben uitgezien. De Tilburgsche Courant van 5 mei heeft het over "een prachtigen aanblik". Dat heeft alles te maken met het feit dat de "werklieden J.Manni en H. Wijnbergen den dag herdachten dat zij vóór 25 jaren bij de Maatschappij werden aangesteld". Om dit dubbele zilveren jubileum op luisterrijke wijze te vieren is de werkplaats door het personeel omgetoverd in een ware feestzaal: "tusschen levend groen en bloemen waren de geschenken ten toongesteld, door deze afdeeling onderling aangekocht voor hunne mede-werklieden." Zo'n eensgezinde samenwerking van collega's wordt door de krant dan ook gezien als "een bewijs der goede verstandhouding tusschen de werklieden onderling".

De geest van solidariteit die men op deze feestdag onder het personeel van de smederij kan waarnemen, komt men echter niet in het hele bedrijf tegen. Er zijn ook afdelingen die een heel ander beeld te zien geven. "Als treurige tegenhanger moet worden vermeld", zo gaat het krantenbericht verder, "dat in de afdeeling IJzerdraaierij ten half zeven een conflict ontstond tusschen eenige werklieden en den baas B.". Toen baas Biezen de ijzerdraaierij binnenkwam, stond daar een zekere P.L.,"die niet in deze draaierij tehuis behoort, te praten met een zijner kameraden". Biezen pakt L. bij zijn arm om hem te verwijderen. "L., die niet erg hiermeede in zijn schik bleek te zijn, gaf baas Biezen een slag in den hals." Het ongenoegen van de werklui is inmiddels zo groot dat de toestand snel escaleert; in een mum van tijd slaat de vlam in de pan en is de hele afdeling in rep en roer. De ijzerdraaierij verandert in een primitief slagveld: "projectielen als voorhamers, handhamers, moeren, sleutels, bouten en wat verder voor de hand lag werd B. naar het hoofd geslingerd." De situatie wordt voor hem zo bedreigend dat hij zich genoodzaakt ziet op de vlucht te slaan. Ternauwernood slaagt de man erin ongedeerd het kantoor van werkmeester S. te bereiken en snel de deur te sluiten. "De zaak zou zekerlijk een erger aanzien hebben genomen, ware niet den heer S. aangekomen." Deze slaagt erin de gemoederen te kalmeren en iedereen weer aan het werk te krijgen.



De smederij van d’n Atelier omstreeks 1913. (coll. RHC Tilburg).

Het lijkt erop dat Biezen de geweldsuitbarsting van zijn werklui zelf heeft uitgelokt. Het personeel moet zich al langere tijd geërgerd hebben aan het willekeurig optreden van de man, en nu is de bom dan eindelijk gebarsten. De krant schrijft: "Het is te hopen dat aan de willekeurige handelwijze van dien baas voor goed een einde zal worden gemaakt, en daardoor rust en orde op de werkplaats zullen terugkeeren". 
Rust en orde is ook wat de directie wil, maar niet op de manier die de krant aangeeft. De werkmeester en een ingenieur stellen een onderzoek in om te achterhalen wie de aanstichters van de ongeregeldheden zijn geweest. Het draait erop uit dat drie werklieden die als raddraaiers worden beschouwd, voorlopig ontslagen worden. Zo'n straffe maatregel zal de overige werklui weer wel in het gareel brengen, zal men gedacht hebben.

Of de directie dat goed heeft ingeschat moet worden betwijfeld. Op 8 mei wordt in de toneelzaal van J. Schollen "eene protestvergadering gehouden door werklieden der werkplaats van S.S., tegen en naar aanleiding van het gebeurde, betreffende het ontslag der drie werklieden". Spreker op deze bijeenkomst is de heer Dijkstra uit Utrecht. Deze schetst eerst een beeld van "het leven als werkman en baas van B. en het voorval van verleden week", en wekt vervolgens de aanwezigen op - naar schatting ruim 300 mensen - om zich aaneen te sluiten. Bij acclamatie wordt de volgende "nog al krasse" motie aangenomen: 

"De vergadering, gehoord de mededeeling omtrent het voorgevallene met de drie ontslagenen aan de Centrale Werkplaats der Maatschappij van S.S. te Tilburg, tegenover baas Biezen;
overwegende dat 't voorgevallene niet gebeurd zou zijn, indien een humaner man de plaats van baas Biezen had ingenomen; werpt de verantwoordelijkheid van het gebeurde op genoemden baas;
spreekt den wensch uit, dat de directie hem ten spoedigste een andere standplaats aanwijze en onderschrijft de overtuiging, dat slechts vereenigd optreden in een organisatie, in het vervolg er toe kan leiden, dat dergelijke voorvallen niet machteloos door het personeel behoeven te worden geduld."


Twee dagen later, op donderdag 10 mei, gaat het er op de Centrale Werkplaats opnieuw hard toe. Weer is de bankwerkerij het toneel van ernstige ongeregeldheden, en opnieuw is baas Biezen de man op wie alle agressie is gericht. Waarschijnlijk is de schorsing van de drie opstandige collega's een andere werknemer, een zekere Van G., zo in het verkeerde keelgat geschoten dat hij Biezen, de grote steen des aantstoots, met een bankhamer te lijf gaat. En dat doet hij niet bepaald zachtzinnig: Biezen houdt er twee flinke hoofdwonden aan over, die door een van de werklui verbonden worden. 

Hierna maakt de krant geen melding meer van nieuwe ongeregeldheden; de rust in het bedrijf zal dus wel zijn weergekeerd. Op 3 augustus lezen we in de "Nieuwe Tilbursche Courant" nog wel een kort berichtje waarin wordt aangekondigd dat circa 1100 werknemers van de Centrale Werkplaats per dag één uur minder moeten gaan werken. "Dit is zeker geen schoon geval met het oog op de a.s. kermis", schrijft de krant, maar misschien is juist die kermis er de oorzaak van dat deze keer verzet is uitgebleven. Van vliegende hamers, moeren, sleutels en bouten is deze keer in elk geval geen sprake. 


De viool van manke Nol

Het politierapport dat op 11 juli 1904 door agent Van der Heijden, werkzaam op de politiepost van het Goirke, is opgemaakt, laat ons zien dat hij op die dag een bekende Tilburger over de vloer heeft gehad. Een zekere "Van Zomeren, muzikant van beroep en woonachtig in de Korvelsche Nieuwstraat", is aangifte komen doen van de ontvreemding van zowat het belangrijkste wat hij op de wereld bezit: zijn viool. Deze "Van Zomeren" blijkt niemand anders te zijn dan de legendarische volksmuzikant Jan Viool. Door de Tilburgse dialect-dichter pater Piet Heerkens wordt Jan bezongen als:

Jan Viool
die langs de deuren liep
en geurde naor 'n vuil riool
en in de schuren sliep

hij fiedelde zo-mar-ongeveer
ten naoste-bij wè raok;
hij ha bij schoon en lilluk weer
't viooltje aon zijn kaok.


Bij de Burgerlijke Stand staat onze Jan ingeschreven als: Arnoldus van Sommere, in 1842 geboren in het Gelderse Batenburg, maar bij zijn stadgenoten is hij beter bekend onder een serie bijnamen. De meeste daarvan zijn verwijzingen naar het instrument waarop hij zijn muziek ten gehore bracht, zoals: Nol Fiedel; Nol Viool; Nol Kras; d'n Fiedelman; Jan Fiedel en Jan Viool; verder wordt hij ook aangeduid als: d'n Brobbelèèr. En dan zijn er nog twee bijnamen die verwijzen naar Nols verleden: de Zwaaf - Nol maakte van 1866 tot 1870 deel uit van het leger der zoeaven en streed in Italië ter bescherming van de paus tegen de troepen van Garibaldi; hierbij raakte hij in 1867 tijdens de slag bij Mentana gewond: Nol kreeg en kogel in zijn been en moest tengevolge van deze verwonding lange tijd in een hospitaal in Rome doorbrengen. Het is nooit meer helemaal goed gekomen; zijn verdere leven bleef hij altijd trekken met dat been; vandaar ook nog de bijnaam: Manke Nol. 

Na zijn Romeins avontuur keert Nol terug naar Nederland en leidt er een zwervend bestaan; hij voorziet in zijn levensonderhoud door met zijn viool op te treden tijdens kermissen en dansfeesten. Hij wordt een graag geziene gast op trouwfeesten, gouden en zilveren bruiloften, processies en gildefeesten. Rijk is hij er niet van geworden, maar de waardering van het publiek was voor hem de grootste beloning. Na afwisselend gewoond te hebben in Tilburg, Turnhout en Breda komt Nol in l886, samen met zijn vrouw, Cornelia Bakker, en hun dochter definitief in Tilburg wonen. De familie blijkt ook hier niet erg honkvast; ze wonen achtereenvolgens in de Kwetterij, in de Oerlesestraat, in de "Lupkes" en in de Nieuwstraat.



Arnoldus van Sommere (1842-1928), alias Jan Viool.
(coll. RHC Tilburg).

Nol en zijn viool - een onafscheidelijk duo. In heel wat Tilburgse straten en cafés is hij een vertrouwde verschijning. Het is in de stad een publiek geheim dat Nol naast zijn eerste liefde: zijn viool, nog een tweede grote passie heeft: de drank. Hij houdt wel van een borreltje en "hij spierste d'r nie in". Ook dat memoreert Piet Heerkens in zijn ode:

Zeg witte dè nog van Jan Viool,
z'ne kokkerd, rond en rood
toe 't pimpelpèèrs van rooie kool,
hong nie persies int lood.

hij fiedelde mar van tierelier
en zaogde raaw kris - kras.
en-ie dronk 'n stevig pötje bier
ass't gin jenever was.


Zo brengt Nol, alias Jan, avond aan avond met zijn viool gezelligheid in de Tilburgse cafés. Hij speelt met hart en ziel en verdient zo al musicerend zijn dagelijkse portie alcohol. Misschien leverde het hem nog een mooi zakcentje op ook, al zal dat wel snel zijn omgezet in nog een glaasje "snevel". Hoe later het wordt hoe groter de overgave waarmee Nol zijn viool bespeelt; zijn oogjes klein en fonkelend - van enthousiasme of van de drank? - laten zien hoe hij ervan geniet. Op zulke momenten is Nol in zijn element. Zo zal het ongetwijfeld ook wel gegaan zijn op de avond van die zevende juli.

Z'n oogen blonken as van glas
en gluurden dur 'n kier.
ze dreven (ass't gin snevel was)
ze dreven rond in bier.

Een beetje wankel ter been probeert Nol na een avondje muziek maken op de Goirlese kermis zijn weg naar huis te vinden; zijn viool onder zijn arm geklemd. En dan loopt hij daar drie personen tegen het lijf die de populaire muzikant meteen herkennen. Na wat plagende opmerkingen vragen ze Nol of hij iets voor hen wil spelen. Maar die heeft niet veel zin om op dit tijdstip nog eens zijn kunsten te vertonen en probeert door te lopen. De drie houden hem echter staande en blijven aandringen op een stukje muziek. Als Nol blijft weigeren raakt het drietal ontstemd en na wat duwen en trekken eindigt het ermee dat ze hem zijn viool afpakken om zich vervolgens met een vaartje uit de voeten maken. Verbouwereerd blijft Nol achter, amper beseffend wat er gebeurd is. Als ten slotte tot de ontredderde man doordringt wat de drie met zijn viool hebben uitgespookt, is het al te laat: in geen velden of wegen zijn de "helden" nog te bekennen. 

Helemaal in de war en ten einde raad sloft de straatmuzikant naar de politiepost van het Goirke om daar zijn verhaal te doen. Een zielig hoopje mens heeft agent Van der Heijden die avond voor zich zitten. Aanvankelijk kan Nol maar moeilijk uit zijn woorden komen maar als hij door de agent wat op zijn gemak is gesteld, lukt het hem toch duidelijk te maken wat er gebeurd is. Al vertellende ziet Nol het drietal weer duidelijk voor zich en hij kan gelukkig de namen van de drie belhamels noemen: Frans Vermeer uit de Piusstraat, Frans van Gestel en een zekere De Beer. Van der Heijden belooft dat er alles aan gedaan zal worden om de daders op te sporen en de viool weer bij de rechtmatige eigenaar terug te krijgen. Door die toezegging krijgt Nol weer een beetje hoop en hij gaat op weg naar huis. Maar toch is het een gebroken, oude man, zoals hij daar die nacht door de stille Tilburgse straten in de richting van de Nieuwstraat schuifelt. Nooit heeft hij zich zo alleen gevoeld, zo zonder zijn viool......

Soms denk ik nog aon Jan Viool;
Ochèèrm diejen viezen tiep,
die geurde naor 'n vuil riool
en in de schuren sliep.

Want Jan Viool ha aaltij lol
en streek mar: tierelier.....
z'n wangen stonden pèèrs en bol
van bier en van plezier.


Het kleine sprankje hoop waarmee de oude Nol de politiepost weer verlaat, blijkt korte tijd later ijdel te zijn geweest. De viool wordt in een sloot teruggevonden, maar blijkt door de vandalen bruutweg in stukken te zijn geslagen. Ze hebben daarmee niet alleen Nols muziekinstrument verwoest maar ook zijn leven, want zonder die vertrouwde metgezel is er voor Nol natuurlijk weinig plezier meer aan.

Trouwens, zo prettig is Nols leven verder niet verlopen. Twee jaar na dit voorval sterft zijn vrouw. Na haar dood is Nol weer aan het zwerven geslagen, tot hij in 1914 een onderkomen vindt in het Sint Jozefgesticht in de Lange Nieuwstraat. Vanaf dat moment wordt zijn morsige verschijning al minder en minder waargenomen in de Tilburgse straten. Vier jaar later wordt de alom gewaardeerde muzikant opgenomen in de psychiatrische instelling "huize Voorburg" in Vught; na een verblijf van tien jaar is Nol daar in 1928 overleden, 86 jaar oud. Een kleurrijke volksfiguur is voorgoed van het toneel verwenen.


Mensen en machines

De industriële revolutie heeft het leven van onze voorouders ingrijpend beïnvloed. Als in 1827 de nieuwe textielfabriek van Pieter van Dooren aan de Leij op Broekhoven, waar zich nu het Elisabethziekenhuis bevindt, in gebruik wordt genomen doet de eerste stoommachine haar intrede in Tilburg. In de loop van de negentiende eeuw wordt in steeds meer fabrieken de lichamelijke arbeid overgenomen door machines. Het leren omgaan met die machines is voor veel arbeiders een langdurig proces. Vaak is er ook sprake van ronduit onveilige toestanden op de werkplek, en niet zelden leiden in die beginjaren van de mechanisering de geringe vertrouwdheid met de machines, de gebrekkige veiligheid in de fabrieken en ook onvoorzichtigheid van de arbeiders tot de nodige bedrijfsongevallen. Menige Tilburgse werkman verliest op die manier een of meer vingers, een arm, een been, of in het ergste geval: het leven.

Een van die Tilburgers die misschien zijn leven lang de gevolgen van een ongewilde confrontatie met de kracht van zo'n moderne machine met zich mee heeft moeten dragen, is een zekere Peters. Op woensdag 20 augustus 1902 raakt de man, als arbeider werkzaam in de fabriek van de firma Frans Mutsaerts en Zonen in de Noordhoek (op de hoek van de Spoorlaan en de Noordstraat) met zijn rechterhand "zoodanig beklemd tusschen een kamrad dat hij vermoedelijk de twee voorste vingers zal moeten missen". Uit het bericht over dit ongeval in de Tilburgsche Courant van 24 augustus wordt niet duidelijk of Peters zijn vingers ook inderdaad is kwijtgeraakt.

Een stukgesprongen riem richt op 2 augustus 1902 heel wat onheil aan in de fabriek van een andere firma Mutsaers, namelijk die van Bart Mutsaers (later A. en N. Mutsaers)in de Pironstraat. Door het stukspringen van die riem wordt een volkom omvergerukt met het noodlottige gevolg dat een arbeider, een zekere Van I. de volkom op zijn lichaam krijgt. Hoe erg het allemaal is geweest valt te lezen in de Tilburgsche Courant van de volgende dag: "Naar men zegt zou de borstkas van Van I. gedeeltelijk zijn ingedrukt, terwijl een tweede arbeider, zekere L., eenige brandwonden, gelukkig niet ernstig, bekwam." De beide slachtoffers zijn per rijtuig "naar hunne woningen gebracht".

In de namiddag van maandag 1 april 1904 is de machinefabriek van "de heeren Unger", in de Telegraafstraat, het toneel van "een vreeselijk ongeluk". De "werkman v.d.H." is alleen in de fabriek aanwezig in de nabijheid van de stoommachine, juist op het fatale moment dat er een pijp springt, "waaruit de stoom met volle kracht op zijn lichaam drong". Omdat er geen andere arbeiders in de buurt zijn, wordt v.d.H's hulpgeroep niet meteen opgemerkt. "Niet in staat zich zelven te redden lag hij ruim een kwartier hulpeloos in dien toestand." Als dan eindelijk de nodige hulp komt opdagen, treft men daar de ongelukkige arbeider lelijk toegetakeld aan. "Vreeselijk gewond, vooral aan handen en aangezicht, werd hij huiswaarts gevoerd."

Ongelukken met machines kunnen natuurlijk ook wel eens het gevolg zijn van eigen onvoorzichtigheid. Zoals op 10 november 1902, wanneer de draadmaker J.H. van Laarhoven met zijn hand tussen de zgn. "spinners" van een selfactingmachine komt. Onderzoek wijst uit dat het zijn eigen schuld is geweest. Het ongeluk gebeurde namelijk niet met de machine waaraan Van Laarhoven eigenlijk had moeten werken, maar de man was zo onverstandig zijn "eigen" machine even in de steek te laten om te gaan kijken bij een collega. Deze, een zekere Jansen, was met zijn voeten in een zak aan het spelen. Van Laarhoven werd zo in beslag genomen door de activiteiten van zijn collega dat hij ongemerkt te dicht bij de sellfactingmachine komt, "zoodat het ongeluk geheel aan eigen onvoorzichtheid te wijten is", zo schrijft de krant met licht verwijtende ondertoon. Over de ernst van de gevolgen vernemen we niets.



Jeugdige werklieden aan de selfactor bij de Gebr. Diepen 
omstreeks 1905. (coll. RHC Tilburg).

Wel bijzonder treurig is de afloop van het ongeluk dat Johannes Cornelis Reijnen op dinsdag 8 november 1901 overkomt. Deze 20-jarige smidsknecht, zoon van de wever Cornelis Reijnen en Johanna Maria Bertens, en volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant van die dag "een oppassend jonkman, wonende aan de Hasselt", is werkzaam bij de firma Gebroeders Smulders. Omstreeks zeven uur die ochtend is hij in opdracht van zijn baas bezig met "het aanbrengen van herstellingswerkzaamheden" in de wollenstoffenfabriek van de Gebroeders Franken op het Goirke. Bij het wegzetten van een olieflesje heeft Kees even niet goed opgelet en raakt met een slip van zijn kiel tussen een drijfas, "met het treurige gevolg dat de ongelukkige werd rondgeslingerd, armen en beenen brak en bovendien op ernstige wijze inwendig werd gekneusd". Als de inmiddels gewaarschuwde arts, dokter Bloemen, in de fabriek arriveert, ziet hij meteen dat de toestand er voor het slachtoffer niet gunstig uitziet; hij vreest dat de jongeman nog slechts enkele uren te leven heeft. De geneesheer kan niet veel meer doen dan Reijnen verbinden, waarna het slachtoffer door enkele agenten van politie per brancard naar het gasthuis wordt vervoerd.
De sombere vooruitzichten van de dokter worden de volgende dag al bewaarheid: Kees bezwijkt aan de opgelopen verwondingen. Hij zal niet de eerste - en zeker ook niet de laatste - zijn geweest die in de strijd tussen mens en machine het onderspit heeft moeten delven. 


Lastige lotelingen

Aan Napoleon danken we de invoering van de dienstplicht. In de negentiende eeuw en ook nog in de eerste jaren van de twintigste eeuw werd er door middel van loting uitgemaakt wie van de diensplichtigen wel en wie niet 'onder de wapens' moesten komen. Voor de betrokkenen was de tijd van de loting vanzelfsprekend een periode van grote spanning. En of je nu het geluk had te worden vrijgeloot of dat je hoorde tot de categorie pechvogels die wel in dienst moesten, in beide gevallen had je een goede reden om je heil of je troost te zoeken in alcoholica. Dat gebeurde dan ook volop. Het zal dan ook geen verbazing wekken dat de politie in de dagen dat de jaarlijkse loting plaatsvond de handen vol had om te voorkomen dat allerlei groepjes dronken jongelui die zich in de stad ophielden, te veel overlast veroorzaakten. Het jaar 1903 zal, wat dit betreft, niet hebben afgeweken van andere jaren. In de Tilburgsche Courant van 25 oktober van dat jaar valt te lezen hoe het er die dagen in de stad is toegegaan.

Op maandag en dinsdag in die oktoberweek moet het nog zijn meegevallen, op woensdag begint het al een beetje uit de hand te lopen. In het begin van de week "bepaalde zich de beweging nog al grootendeels door het zingen en zwieren langs de straten, doch Woensdagmiddag bleef het daarbij niet meer". Met name op de Heuvel is het dan bijzonder rumoerig. Omstreeks twaalf uur willen enkele dronken lotelingen het café van Oppermans binnendringen. Daar wordt hun aanwezigheid niet erg op prijs gesteld; de jongelui wordt de toegang geweigerd. Dat wordt de kastelein niet in dank afgenomen; een groepje lotelingen reageert hierop met het maken van "alle mogelijk kabaal" en ze beginnen tegen de gesloten cafédeur te trappen. Als ze zien dat het toch niets uithaalt, druipt het groepje af naar café Van Loon. Als ze ook daar niet binnen mogen, herhalen zich dezelfde taferelen.

"Teleurgesteld trokken de oproermakers af, doch keerden te 1 uur terug en zetten den Heuvel op stelten." Nu wordt het politiehuisje aldaar het doelwit van de ontevreden jongelui, want daar zit inmiddels een van de lotelingen "opgeborgen". In het politiehuisje bevindt zich ook een drietal agenten die het erg zwaar hebben om te midden van alle tumult de orde te handhaven. "Twee hunner, de derde bleef ter bewaking van den opgeslotene achter, maanden de rumoerige bende tot kalmte aan, doch dit baatte niet." Integendeel. De jongelui maken het de agenten zo lastig dat die zich genoodzaakt zien "de belhamels" te arresteren. Ze hebben er nog een hele kluif aan, want behalve van de lotelingen (vier in getal), heeft de politie veel last van "het omringende volk, dat de partij koos der arrestanten en met allerlei vuil wierp, zelfs met heete koffie die sommigen in hunne blikken busjes voorhanden hadden". Er heerst een duidelijke antipolitiestemming, waarvan ook blijk gegeven wordt door kreten als: "Slaat ze dood."

Ondanks alle tegenstand lukt het de agenten ten slotte om een van de lotelingen te arresteren. Het transport naar het politiebureau is echter een ware hindernisbaan. Af en toe is er geen doorkomen aan en regelmatig moeten de agenten "om ruim baan te maken, van hunne wapens gebruik maken, waarbij menig omstander duchtige klappen bekwam". Maar ook de agenten zelf komen er letterlijk niet zonder kleerscheuren af: de ene diender "werd bijna de sabel ontnoomen", bovendien wordt hij in zijn gezicht geslagen en worden zijn kleren gescheurd; zijn collega wordt enkele keren flink tegen zijn benen getrapt.
Gelukkig voor de beide agenten is er inmiddels versterking komen toesnellen om de arrestant, een zekere M., naar het hoofdbureau over te brengen. Toch heeft het veel van "dweilen met de kraan open", want terwijl M. wordt afgevoerd, zijn inmiddels bij het politiehuisje op de Heuvel de ruiten ingeslagen, en wat erger is: daardoor is het "den aldaar gearresteerde gelukt te ontvluchten". 

De houten politiepost op de Heuvel omstreeks 1920 (coll. RHC Tilburg).

Er zijn nog enkele arrestaties nodig om te bereiken dat de Heuvelstraat "weer tot hare gewone kalmte terugkeerde". Een kalmte die echter niet van lange duur blijkt. Na deze rumoerige woensdag volgt opnieuw een drukke dag voor de Tilburgse politie. Op donderdagmiddag zijn het weer andere lotelingen die de Heuvel in rep en roer zetten. Ook deze keer vinden er in de buurt van diverse cafés weer opstootjes plaats, "en gaven zoo de politie wederom de handen vol". Van politiezijde wordt er nu hard opgetreden: een viertal lotelingen wordt gearresteerd, "waarvan een zoodanig toegetakeld was, dat zijn hoofd wel één bloedvlek leek". 
En niet alleen op de Heuvel gaat het er hard toe: "Ook nog in andere gedeelten der stad was het vrij rumoerig en tot laat in den avond hosten halfdronken lotelingen door de straten, het den burger nu en dan lastig makende"; met andere woorden: het bleef nog lang onrustig in de stad. 


Bronnen en literatuur

Het schot op de kermis: Gemeentearchief Tilburg (GAT), Tilburgsche Courant (TC) 29.08.1900; Nieuwe Tilburgsche Courant (NTC) 30.08.1900; Rijksarchief Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch (RANB) archief 116.01.02, inv. Nr. 279 rol 687, 1900.

Vliegend gereedschap: GAT, NTC 01.05.1901, 09.05.1901, 11.05.1901 en 03.08.1901; TC 05.05.1901.

De viool van manke Nol: GAT, Politiearchief, inv.nr. 761, 11.07.1904; TC 17.07.1904.

Mensen en machines: GAT, Politiearchief, inv. Nr. 641, 10.11.1902; TC 24.08.1902, 03.08.1902 en 07.04.1904; NTC 08.11.1901.

Lastige lotelingen: GAT, TC. 25.10.1903.

Doremalen, H. van, (met medewerking van Martin van Broekhoven), D'n Atelier; Geschiedenis van de spoorwegwerkplaats Tilburg 1868-1903 (Tilburg 1993).

Janssen, R., We hebben gezongen en niks gehad (Tilburg-Breda 1984), p.9-16.


* Wim van Hest (1944) publiceerde diverse artikelen in 'Actum Tilliburgis' en 'De Lindeboom' naar aanleiding van vondsten in het criminele Oud Rechterlijk Archief van Tilburg. In 1987 verscheen van hem - in samenwerking met Willem van Heijst - in het tijdschrift 'Tilburg' een bijdrage over de familie Van Heyst/Van Hest onder de titel 'De geldzak en de bedelzak'.

** De 75 artikelen zullen vermoedelijk verschijnen in een bundel als deel 11 van de Tilburgse Historische reeks (2002).