| 416. Karel Bodden (1892-1974) | |||
|
Titel: |
Karel Bodden (1892-1974) |
|
Ondertitel: |
De bond van Bodden |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
91-96 |
Zie ook: Ten geleide
Karel Bodden was ongehuwd en woonde samen met zijn zuster. "Bodden was getrouwd met de
bond", zo meenden Tilburgse oud-vakbondsmensen. Vanaf 1918 is hij decennialang een bepalende figuur geweest in de Tilburgse standsorganisatie: de RKWV St. Dionysius en, na de Tweede Wereldoorlog, de KAB-afdeling St. Dionysius Tilburg. Bijna veertig jaar lang regelde hij vanuit zijn kantoor aan de Tuinstraat ('de Gildenbond') het secretariaat en de financiën van de overkoepelende Tilburgse katholieke vakbeweging.
Terwijl zowel het algemeen, als het dagelijks bestuur met enige regelmaat wisselde, bleef Karel Bodden op zijn post. Zeven geestelijk adviseurs en negen voorzitters maakte hij mee bij de plaatselijke standsorganisatie. Namens de bond zat hij in tientallen commissie en overlegsituaties. De financiën voor een groot aantal Tilburgse afdelingen of instellingen van de 'R.K. Werkliedenvereeniging' werden door hem geregeld. Als het over de RKWV of KAB ging, sprak men in Tilburg ook wel over de 'bond van Bodden'. Van Kareltje Bodden, zoals hij genoemd werd: een kleine man met bril en onafscheidelijke sigaar. Meer het prototype van een brave beambte dan een strijdbaar vakbondsman. Hij heeft in organisatorisch, financieel en administratief opzicht een groter stempel gedrukt op de Tilburgse vakbeweging tot in de jaren vijftig, dan wie ook. Boddens activiteiten vormen voor een deel de geschiedenis van de Tilburgse vakbeweging zoals die is opgetekend in het boek 'De Handen Ineen'. In deze schets wordt vooral ingegaan op enkele achtergronden van zijn persoon en een aantal van zijn activiteiten.
Spoorweggezin
Carolus Theodorus Ambrosius Bodden is op 7 december 1891 in Tilburg geboren. Het bidprentje bij zijn overlijden meldt 1892, maar met een broer die op 30 april 1893 ter wereld kwam, zou december 1892 wat aan de krappe kant worden. Hij is het tweede kind en de eerste zoon van Theodor Franciscus Johan Bodden en Johanna Maria Verbrugge. Zijn moeder was afkomstig uit Besoijen (later Waalwijk) waar ze op 9 september 1861 geboren was. Bodden betitelde haar in een toespraak eens als een sociaal mens dat sterk met zijn werk meeleefde en van wie hij veel geleerd had.
Zijn vader kwam uit Breda en was op 20 september 1860 geboren. De familie Bodden kwam van oorsprong uit de buurt van Zevenaar en belandde via Breda in 1870 in Tilburg. Op 17 oktober 1888 huwden Theodor Bodden en Johanna Verbrugge daar. Ze vestigden zich aan de Markt naast het huis van de ouders van Johanna. Later verhuisde het gezin Bodden naar de nabijgelegen Mariastraat 26, vervolgens naar de Capucijnenstraat 5 en ten slotte, vanaf 1921 naar de Jan van der Leestraat 3, nabij de Trouwlaan.
Zijn vader was vormer/kopergieter op de werkplaats van de staatsspoorwegen in Tilburg. D'n Atelier, zoals de Centrale Werkplaats bekend stond, was in de laatste decennia van de negentiende en de eerste van de twintigste eeuw de grootste werkgever in Tilburg en het belangrijkste niet-textielbedrijf. Zowel algemene (neutrale of socialistische) als katholieke arbeidersorganisaties in Tilburg vinden hun oorsprong op de werkplaats. Sommige verdwijnen weliswaar weer even snel als ze ontstaan zijn, maar het organisatieleven was op de werkplaats niet onbekend. Vader Bodden stond bekend als een organisatieman. Of daar de vakorganisaties of bekendheid met zadelmaker Joseph Platte op de werkplaats bij hoorden is niet duidelijk. Platte, die in het begin van de twintigste eeuw wat genegeerd wordt, is door Karel Bodden in de jubileumgids bij het 25-jarig bestaan van de Tilburgse RKWV, in 1921, als de
'baanbreker van het R.K. Sociaal Verenigingsleven onder de werklieden omschreven'.
Opleiding tot frater-onderwijzer
Theodor Bodden was bestuurslid van diverse kerkelijke verenigingen zoals de Derde Orde, processiegenootschappen en de H.Familie die in Tilburg veel aanhang had. Twee, in eerste instantie vier, van de acht kinderen van Theodor Bodden en Maria Verbrugge kozen voor het religieuze leven. Henricus (1897) is bekend geworden als frater Antonius van Padua en Antonius (1904) trad in bij de congregatie van de Rooi Harten M.S.C.. Een andere broer Johan (1893) heeft ook de eerste schreden gezet op weg naar een bestaan als frater, maar het is er niet van gekomen.
Hun oudste broer, Karel, leek eveneens het pad op te gaan van frater-onderwijzer. Na de lagere school op het Heike ging hij in 1903 naar het juvenaat van de fraters van Tilburg in Reusel. Op 6 mei 1905 is hij daar ingeschreven als leerling van de
'voorbereidende klassen der kweekschool'. Op 14 april 1906 is hij weer uitgeschreven. Vervolgens komt hij op veertienjarige leeftijd terecht op het fraterhuis aan de Bosscheweg te Tilburg en vindt verdere vorming plaats. Ook de volgende stap op weg naar het fraterschap maakte Karel Bodden: hij gaat naar St.-Stanislaus, de kweekschool van de fraters aan de Lange Nieuwstraat. Op 13 november 1909 gaat hij in noviciaat en neemt de naam frater Nicolaas aan. Hij verblijft nog een jaar op de kweekschool om op 13 november 1910 de driejarige Gelofte af te leggen en twee dagen later naar het fraterhuis in Grave te verhuizen. Hij werkt daar in het onderwijs. Op 27 maart 1912 is hij vertrokken en heeft hij besloten geen frater te worden. De exacte reden is onduidelijk, maar afzien van de Eeuwige Gelofte, die op de Driejarige volgde, was niet ongebruikelijk.
Spoorwegman
Karel Bodden keert terug naar het ouderlijk huis in Tilburg en vindt werk als beambte bij de spoorwegen. Voor de hand liggend is dat zijn vader hierbij een rol heeft gespeeld. Op 3 maart 1913 verhuist hij naar Vlissingen waar hij woonachtig is geweest op Nieuwendijk 7. Hij moet al heel snel in de katholieke arbeidersbeweging terecht zijn gekomen, want er zijn al redevoeringen voor spoorwegarbeiders bekend uit die jaren. Hij wordt in Vlissingen secretaris van de propagandacommissie van St.-Raphaël. Zo houdt hij op 28 december 1913 een redevoering voor spoormannen ter gelegenheid van hun vaandelfeest. De aantekeningen voor die toespraak, maar ook voor vele andere, staan op de (lege) achterzijde van spoorwegpapieren. Tot 1917 zijn die toespraken in de omgeving van Vlissingen gesitueerd waar hij administrateur was; in dat jaar wordt ook Roosendaal genoemd. Wanneer een oproep van de paus verschijnt aan de oorlogvoerende landen geeft de RK Gildenbond in Roosendaal op 2 september 1917 een pamflet uit waarin de arbeiders aangemaand worden de paus door bidden te ondersteunen. Het pamflet is ondertekend door het bestuur van de Gildenbond met als voorzitter: C.Th. Bodden. Hij heeft in de korte tijd dat hij in Roosendaal verbleef een rol gespeeld in de betrekkelijk kleine plaatselijke standsorganisatie.
Op 23 januari 1919 komt Karel Bodden vanuit Roosendaal weer in Tilburg terecht waar hij zich vestigt in het ouderlijk huis aan de Jan van der Leestraat. Later verhuist hij met zijn zuster Elisabeth naar de Hart van Brabantlaan. Zij deed, tot haar overlijden in 1960, het huishouden voor hem.
Benoeming in Tilburg
De werkzaamheden van Karel Bodden voor de Tilburgse Gildenbond dateren al van voor 1919. Hij begint zijn werk op 1 juni 1918. Nog in diezelfde maand, op 24 juni, tekent hij een arbeidsovereenkomst bij de Tilburgsche RK Gildenbond. Jarenlang bedraagt zijn maandsalaris 300 gulden. Het contract is overgenomen van de de standaardovereenkomst die de Bossche Diocesane Werkliedenbond had voor haar beambten.

(Coll. RHC Tilburg).
De vraag rijst waarom Bodden naar Tilburg wordt gehaald als bezoldigd bestuurder. Een aantal gebeurtenissen werpt hier licht op. In de eerste plaats is de katholieke vakbeweging in deze jaren zeer sterk in ontwikkeling. De discussie over het overschakelen van het gildenbondsmodel naar de werkliedenvereniging verloopt in Tilburg moeizaam. De gevestigde namen in deze periode zijn Jan van Rijzewijk en Jos Horvers. Ze hebben tal van andere beslommeringen. Voor de grootste afdeling van de Bossche Diocesane Bond was dagelijks leiding nodig, die zij naast hun werk niet konden geven.
Het is bovendien een roerige tijd met kamerverkiezingen waarbij het socialisme in Tilburg oprukt (in 1919 bij de gemeenteraadsverkiezingen zou dat met 7 SDAPers op 31 raadszetels tot uiting komen). De katholieke voormannen die bij de grote textielstaking van 1917 succesvol met de socialisten hebben samengewerkt zijn blijkbaar beducht voor de neutrale vakbeweging.
Belangrijkste reden voor de benoeming van een bezoldigd secretaris was de reorganisatie, waarbij de RK Gildenbond werd omgezet in een RK Werkliedenvereniging. Dat was meer dan een naamsverandering. In 1916 was door het episcopaat besloten tot een taakverdeling tussen de stands- en vakorganisatie waarbij het primaat bij de standsorganisatie kwam te liggen. In Tilburg was de Gildenbond een verzameling van vakbonden die vertegenwoordigers in een centraal bestuur hadden. Van de nieuwe 'RK Werkliedenvereeniging' als onderdeel van de Bossche Diocesane Werkliedenbond, de standsorganisatie, worden alle arbeiders individueel lid; daarnaast bestond ook het lidmaatschap van de afzonderlijke vakbond. Karel Bodden heeft nadrukkelijk aan de reorganisatie gewerkt. Februari 1919 komt de Tilburgsche R.K. Werkliedenvereeniging St.-Dionysius tot stand; in de loop van dat jaar wordt besloten tot het instellen van de parochiële secties.
Kortom, reorganisatie en betere dagelijkse leiding lijken met de toegenomen omvang van het werk de voornaamste motieven om de functie van secretaris/penningmeester voortaan bezoldigd te laten vervullen. Veel later zal Bodden zeggen dat de bond bij zijn aantreden in 1918 'niets' was. Hij bedoelt de standsorganisatie die in organisatorisch opzicht van de grondaf moest worden opgezet.
Katholieke beginselen
Vanaf het begin is Bodden betrokken bij tal van activiteiten. Op 10 juli 1918 wordt de Gildenbondstichting opgericht die zelf geen woningen wil bouwen, maar het beheer van de door de gemeente gebouwde woningen op zich wilde nemen, al was het alleen maar om te voorkomen dat de SDAP via 'Ontwikkeling' daar al te zeer greep op zou krijgen. Tot zijn afscheid zou hij bestuurslid blijven van deze door de RK Gildenbond en later RKWV beheerste Stichting.
Op 15 juli 1918 vervult hij een van zijn eerste toespraken in zijn nieuwe functie: hij spreekt de vergadering van de RK Lederbewerkersbond toe. Er zouden nog vele toespraken volgen. Bodden hield het jaarlijks nauwkeurig bij zoals verderop zal blijken.
Hij vervult de rol van secretaris van het Comité van Actie en Verweer, dat in november 1918 vanuit de RK Gildenbond wordt opgezet om het 'rode gevaar' te keren. Jos Horvers is er voorzitter van. Het comité staat pal voor God, Vaderland en Oranje, elementen die men in gevaar achtte nu overal in Europa de socialisten mogelijk een machtsgreep zouden willen doen.
De teneur van zijn toespraken in Tilburg was, zoals algemeen gebruikelijk was bij de katholieke voormannen: wijzen op de noodzaak tot organisatie om het gezin een fatsoenlijk en behoorlijk bestaan te verzekeren en afwijzen van de klassenstrijd en het socialisme. Dit ging gepaard met strikt vasthouden aan katholieke beginselen. Het hogere doel van de organisatie was niet het materiële, maar het geestelijke. Juist daartoe bestond de standsorganisatie met al haar instellingen en onderafdelingen. Daar lag ook het werk van Bodden: vorming, culturele ontspanning, verheffing van de arbeider. De noodzaak van de strijd om het bestaan werd niet ontkend; dat was in eerste instantie de taak van de vakbonden. Maar er waren zeker ook materiële aspecten die op het terrein van de standsorganisatie lagen zoals woningbouw, coöperatie, verzekering. Stuk voor stuk zaken die het dagelijks bestaan moeten verbeteren.
381 vergaderingen
De nauwgezetheid waarmee Bodden tewerk ging is het best af te lezen uit zijn verslaggeving. Vanaf het moment dat hij aantreedt, verschijnt jaarlijks een boekje van 40 tot 60 pagina's waarin alle werkzaamheden van de standsorganisatie zijn opgesomd. De opsomming over het jaar 1920 geeft een fraai beeld van de inspanningen van de dan nog jeugdige secretaris/penningmeester in het jaar dat de Tilburgse RKWV even de 10.000 leden overschreed. Op dat moment telt het snelgroeiende Tilburg 63.000 inwoners. In 1920 bestaat het personeel van de RKWV in de Tuinstraat uit Karel Bodden en een bediende L. Oosterlee. In dat jaar komt L. Kuijsters als ambtenaar de gelederen versterken. Het aantal correspondenties bedroeg 2948, er werden 42 circulaires verzonden naar andere bestuursleden (1587 stuks); 23 stuks drukwerk werden gemaakt voor de leden, in totaal 100.000 exemplaren; daarnaast waren er nog 1710 ongenummerde stukken verwerkt. Verder voerde de penningmeester de gehele financiele administratie. Ook de in 1920 opgezette steenkolenadministratie van de coöperatie viel onder Bodden. Tenslotte vermeldt hij nog aan 381 (!) vergaderingen te hebben deelgenomen en 24 spreekbeurten te hebben vervuld. De destijds gebruikelijke 48-urige werkweek overschreed Bodden royaal.
Jaarverslagen
In zijn eerste activiteiten zitten een aantal kenmerken die de rest van zijn carrière van belang blijven: organisatorisch talent, een afkeer van de 'moderne' (lees: socialistische) vakbeweging en onvrede over het aantal ongeorganiseerden.
In de inleidingen of in een woord tot besluit bij de jaarverslagen geeft Bodden telkens een meer persoonlijke kijk op de gang van zaken binnen de bond. Steevast haalt hij daarbij de Vlaamse priester-dichter Guido Gezelle aan, in katholieke kringen voor de oorlog een hooggeprezen auteur. Bodden die zich ook met (katholieke) kunst en cultuur bezighield heeft enkele schriften nagelaten waarin gedichten van Gezelle en Vondel waren opgenomen. Hij wijst op tekortkomingen in de organisatie, moedigt zeker in de vooroorlogse jaren en wat minder nadrukkelijk daarna, steeds aan om vertrouwen te hebben in het geloof en wijst op de verantwoordelijkheid die de RKWV (en KAB) heeft bij de opvoeding (soms nog de verheffing genoemd) van de roomse arbeider.
Grote teleurstellingen in zijn werk waren er ook. Zo kan hij de grote textielstaking van 1935 maar moeilijk begrijpen. Dat de arbeiders de weg van gezagshandhaving en moderne vakactie na 40 jaar organisatiearbeid verlieten stemde hem droevig.
Ook de oorlogsjaren waarin 'zijn' bond opgeheven moest worden, hij via 'veiliggestelde' instellingen en het 'fonds van bizondere noden' aan het werk bleef, maar ook onder moest duiken, behoren tot de minder prettige periodes. Het moeizame rechtsherstel en het negeren van de standsorganisatie van de arbeiders in het eerste na-oorlogse jaar, het weer terugwinnen van wat verloren was gegaan, vielen eveneens onder de tegenvallers.
Breed terrein
Het aantal organisaties, verenigingen en comités waarin Bodden de bond vertegenwoordigde was legio. Een complete opsomming van de activiteiten waaraan hij in 37 jaar als bezoldigd secretaris/penningmeester heeft meegewerkt zou enkele pagina's vergen. Het zegt veel over zijn persoon, maar ook over het brede terrein waarop de Tilburgse standsorganisatie zich bewoog.
Zo is Bodden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog zeer actief in het Comité Oostenrijkse kinderen, waarvoor hij van de Oostenrijkse regering een onderscheiding ontving. In 1926 vertegenwoordigd hij de RKWV in het comité watersnood; ook daarvoor wordt hij onderscheiden. In de jaren dertig volgt het crisiscomité, dat in Tilburg vele activiteiten ontplooide voor de werklozen, enerzijds om ze nuttig bezig te houden; anderzijds om ze weg te houden van meer politiek georienteerde bijeenkomsten. De lijst van zijn bezigheden lijkt bijna eindeloos uit te breiden. Zo was hij medeoprichter van o.a. het H. Hartcomité, het Katholiek Militair Tehuis, de Stichting Kapel van O.L. Vrouw ter Nood, toneelvereniging de Propyleën en de Vrienden van het Brabants Orkest.
Na de Tweede Wereldoorlog heeft hij voor de KAB zitting in zeer uiteenlopende commissies: het comité Oorlogsmonumenten, de adviescommissie Gemeentelijke Studiebeurs, het Sociaal Charitatief Centrum, de commissie Bijzondere Noden, Demobilisatiecommissie, Huuradviescommissie, het comité Vluchtelingenhulp en de plaatselijke commissie voor Sociale Kunstopdrachten.

Karel Bodden met het bestuur van de KAJ in 1947. Zittend v.l.n.r.: Karel Bodden, rector
L. van Helvoirt, voorzitter A. Mels, secretaris Theo Pullens. Staand v.l.n.r.: B. van Vessem,
G. de Vroome, G. Hensen, S. van Vessem, F. Naaijkens en A. van de Sande.
(coll. RHC Tilburg).
Waar het om directe bemoeienis gaat met instellingen van de RKWV/KAB is Bodden betrokken bij de Jonge Werkman, later KAJ waarvoor hij de financiën beheerde. Herwonnen Levenskracht, de instelling die zich bezighield met de tuberculosebestrijding heeft Bodden zowel als voorzitter, secretaris en penningmeester gekend. Het bekende na-oorlogse Goede Weekoffer is (mede) door hem in het leven geroepen. Vanaf 1934 tot het einde van zijn actieve periode bij de KAB had hij zitting in het bestuur van de diocesane Credo Pugno-organisatie. Hij was voorzitter van het plaatselijke comite van Credo Pugno. Voor Credo Pugno was hij betrokken bij de propagandaclub Leo XIII.
Ook het binnen de katholieke arbeidersbeweging opgezette verzekering voor Ziekenhuisverpleging en later het Ziekenfonds heeft in hem een secretaris, dan wel
penningmeester.
Buiten kijf staat dat de bewering, dat hij nadrukkelijk zijn stempel drukte op de KAB, eenvoudig te staven is.
Na zijn pensionering zette hij zijn organisatorische gaven in voor de Bejaardenbond Tilburg waarvan hij secretaris was tot zijn gezondheid dat niet meer toestond. Hij werd toen opgenomen in verpleegtehuis St.-Jozefzorg waar hij op 3 oktober 1974 overleed. Karel Bodden was begiftigd met de pauselijke onderscheiding Pro Ecclesia en
Pontifice.
Waardering
De Tilburgse socialisten en de in het NVV georganiseerde arbeiders, erkenden de grote organisatorische gaven van Bodden. Vanuit het kantoor aan de Tuinstraat had hij greep op tientallen organisaties en commissies. Waar de bond vertegenwoordigd was, verscheen Bodden ten tonele. Hij kwam daar soms ook zijn socialistische tegenstrevers tegen. Zo werkte hij direct na de Tweede Wereldoorlog samen met Bart van Pelt, die zichzelf net als Bodden katholiek voelde, maar meende dat vakbondsorganisatie en belangenstrijd niet met een (persoonlijke) godsdienstopvatting verward moesten worden. Pas in de jaren zestig en zeventig gaat die laatste opvatting in Tilburg meer terrein winnen. Daarvoor bleef neutrale organisatie, ondanks samenwerkingsmomenten, voor de katholieke arbeiders uit den boze. Karel Bodden was bij uitstek een drager van die gedachte.
Toen hij 12 1/2 jaar secretaris was van de RKWV kreeg Karel Bodden een Kunstavond aangeboden waarbij literatuur en muziek een rol speelden. Het paste wel bij Karel Bodden wiens eigen muzikale interesse tot uiting kwam bij het Tilburgs Knapenkoor, waarvan hij meer dan 37 jaar leider is geweest. Ook heeft hij meer dan een halve eeuw deel uitgemaakt van het kerkkoor van de parochie Gasthuisring. En hij was lid van de Verenigde Zangers en betrokken bij de toneelvereniging van de RKWV, de Propyleën.
Zijn 25-jarig jubileum schoot er door de oorlog bij in. Het is in 1943 in vriendenkring gevierd. De huldigingen van Karel Bodden in 1953, bij zijn 35-jarig ambtsjubileum, en in 1955, bij zijn afscheid, vinden plaats in de bloeiperiode van de plaatselijke standsorganisatie. De andere standen zijn vertegenwoordigd, naast de diverse instellingen, organisaties en vakbonden van wat dan de KAB heet. Het ademt, met politieke vertegenwoordigers erbij, volop de sfeer van het rijke roomse leven. Alles en iedereen, waarmee hij vergaderd en overlegd had, waarvoor hij geregeld en georganiseerd had, was aanwezig. Praktisch geheel Tilburg nam afscheid van Karel Bodden, schreef het toenmalige Nieuwsblad van het Zuiden. Karel Bodden moet zich in die overvolle KAB-zaal zeer thuis hebben gevoeld.
Zijn organisatorische capaciteiten ten behoeve van de Tilburgse katholieke arbeidersbeweging en de vele functies die hij ten behoeve van de RKWV (KAB) vervulde, worden heel treffend geïllustreerd met twee opmerkingen op zijn bidprentje:
'Zijn linkerhand wist vaak niet wat zijn rechter deed'. En: 'Voor organiseren had hij twee rechterhanden.'

Cursus in droogzwemmen voor de 'Werkloozen der R.K. Werkliedenvereeniging', 25 maart 1936. Foto genomen in de tuin van de RKWV in de Tuinstraat. Staande op de achtergrond tweede van links Karel
Bodden. (coll. RHC Tilburg).
Bronnen
- Archief Fraters van Tilburg, gegevens Carolus, Henricus en Johan Bodden.
- GAT, Archief NKV, afd. Tilburg waarin opgenomen stukken betreffende de RKWV en
KAB.
- Jaarverslagen RKWV en KAB afd. St. Dionysius Tilburg.
- GAT, bibliotheek, documentatie werknemersorganisaties, biografische documentatie,
kranten.
- Doremalen, Henk van, De Handen Ineen. Geschiedenis van 100 jaar vakbeweging in Tilburg (Tilburg,
1996).
- Dun, Paul van, 'Van de socialisten verlos ons heer'. De verhoudingen tussen kerk, kapitaal en arbeid te Tilburg in de periode
1895-1918. Ongepubliceerde scriptie RU Utrecht (Tilburg, 1989).
- Programma der viering van het 12 1/2 jarig ambtsjubilé van den secretaris der R.K. Werkliedenvereeniging Tilburg de heer C.Th.A. Bodden op zondag 30 november 1930 (Tilburg, 1930).




