Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
417. Hein Meijs (1933-1994) 
 

Titel:   

Hein Meijs (1933-1994) 

Ondertitel:   

Altijd opkomen voor een ander

Auteur:   

Henk van Doremalen

Jaargang:   

XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina´s:   

120-123


Zie ook: Ten geleide

Traditioneel was de katholieke arbeidersbeweging in Tilburg nauw verweven met de Katholieke Volkspartij. In de jaren zestig werden de banden losser en schaarde de arbeidersbeweging zich niet meer per definitie achter de KVP. Van de toenmalige Tilburgse KVP-coryfeeën Piet van Zon of Piet Vriens moet NKV-voorzitter Hein Meijs in die tijd te horen hebben gekregen "Jongen weet je wel waar je doet, we hadden in jou een toekomstig wethouder gezien."

Vriens en Van Zon maar eerder ook Frans Hoogers, Antoon van Rijen en Jan van Rijzewijk waren afkomstig uit de katholieke arbeidersbeweging. Voor Miet van Puijenbroek gold later hetzelfde. Het was een 'goede' gewoonte bij de KVP om uit alle standen vertegenwoordigers voor de gemeenteraad te doen kiezen. Decennialang heeft Tilburg ten minste één katholieke wethouder gehad die voortkwam uit de vakbeweging. 
Of Hein Meijs daadwerkelijk dat pad had kunnen betreden, blijft onduidelijk. Zijn carrière binnen de vakbeweging en de KVP-logica van de jaren vijftig en zestig wijzen in die richting; anderzijds was het evenzeer de gewoonte dat wethouders met een vakbondsverleden niet uit de plaatselijke vrijwilligers, maar uit de kringen van de gesalarieerde bestuurders voortkwamen. En die weg van beroepsbestuurder heeft Hein Meijs nooit betreden. Behalve het KVP-lidmaatschap hield hij zich ook niet meer met partijpolitiek bezig dan noodzakelijk was voor zijn vakbondsvoorzittersfunctie. Slechts in 1972 maakt hij even een 'uitstapje' als hij zich door 'KVP-dissident' Jos van der Aa laat strikken als eerste voorzitter van de Partij Midden Brabant (PMB). 

Onderwijs

Henricus Johannes Gertrudis Maria Meijs kwam als zesde kind van Hendrikus Meijs en Wilhelmina Jansen op 23 januari 1933 in de Gasstraat nummer 20 in Tilburg ter wereld. Na Hein kwamen nog twee kinderen. Vader Meijs was timmerman en afkomstig uit het Gelderse Ubbergen (bij Nijmegen). Moeder Wilhelmina was een geboren en getogen Tilburgse, een dochter van een wagenmaker bij de Werkplaats van de Staatsspoorwegen. Voor zijn huwelijk woonde vader als kostganger in Tilburg. Daar leerde hij zijn vrouw kennen. Nog een generatie verder terug komen we Johannes Meijs tegen, zijn opa, die in Ubbergen hoofdonderwijzer was. Gedeeltelijk moeten we daar zijn voor een inspiratiebron in het jonge leven van Hein. Hij kwam na de lagere school op de Besterd, in Goirle op het fraterhuis terecht. Zijn levenspad leek richting onderwijs te lopen. Maar in de naoorlogse jaren liepen de ontwikkelingen in de familie Meijs anders. Zijn moeder was langdurig ziek en stierf in 1948, vader was longpatiënt en werd later invalide. Toen de oudste zoon naar Indië moest, later gevolgd door nog een tweede, werd het voor Hein geen kweekschool maar de textielfabriek. 

Textiel

Hein ging, 15, 16 jaar oud, werken bij Jurgens, toen nog gevestigd in de Tuinstraat. Naast en na het werk was er de textielschool, waar hij vele jaren de avonduren doorbracht om cursussen te volgen die hem beroepsmatig verder konden en zouden brengen. De werkgevers wisselden met enige regelmaat. Feitelijk heeft hij nog het langst bij Jurgens gewerkt. Dat bedrijf wordt door zijn familie ook als een van de betere werkgevers aangewezen. Hij begon daar op wat in Tilburg als de twernerij wordt aangeduid. Andere werkgevers waren Van Dooren & Dams, A & N Mutsaerts, Swagemakers-Caesar en Elias. Dat laatste bedrijf was al in 1960 samengegaan met Wijnand Janssens en was overgenomen door de groep Van Kimmenade. In 1974 kwam Elias bij de Hollandse Textiel Industrie in Goirle terecht, die in 1976 in de problemen raakte.



Lidmaatschapskaart KAJ afd. Tilburg van Hein Meijs (part. coll.).

Door zijn scholing en werkervaring was Hein inmiddels opgeklommen tot werkmeester en vervolgens assistent-appretuurleider. In een nieuw te vormen bedrijf zou hij mogelijk appretuurleider worden. Deze onderneming kwam nooit goed van de grond, het werd kunstmatig in stand gehouden met overheidsgeld. Na een half jaar volgde een faillissement. Voor Hein betekende dit na ongeveer dertig jaar het afscheid van de textiel.
In bijna alle bedrijven waar Hein werkte, heeft hij ook deel uitgemaakt van de ondernemingsraad. De invloed van die instelling was in veel Tilburgse bedrijven marginaal, al betekende elke verbetering voor de mensen op de werkvloer er een. Zijn werk in de ondernemingsraden wordt getypeerd met 'altijd kooltjes uit het vuur halen voor een ander, nooit voor zichzelf'. Nog maar amper twee decennia terug waren de arbeidsverhoudingen in Tilburg dusdanig dat de ondernemingsraad waarvan Hein Meijs bij HTI lid was, niet op de hoogte bleek van sluitingsplannen, terwijl dat nieuws al wereldkundig was gemaakt. Phil Meijs, zijn vrouw: "Hein belde op om te zeggen dat hij wat later thuiskwam in verband met een speciale vergadering met de directie. Ik vertelde hem dat ik dat al wist, want op de radio was al bekendgemaakt dat het bedrijf ging sluiten. Hein was woedend."

Bij de sluiting van de Tilburgse textiel was behalve in de beginjaren voor afvloeiingsregelingen zelden of nooit geld. Allerlei sociale maatregelen en wetten zijn aangegrepen om mensen zo goed en zo kwaad als het ging in een regeling onder te brengen. Na een periode van werkloosheid en tijdelijke dienstverbanden via het ten behoeve van textielwerknemers in het leven geroepen Personeel Service Bureau (PSB) kwam Hein Meijs ("hij wilde werk ook al leverde het minder op") via de DACW (later WSW en nog later DSW) bij Piusoord terecht. Daar nam hij met enkele anderen de zorg voor het terrein op zich en heeft hij prettig gewerkt. 

KAJ

Hein Meijs werd toen hij ging werken bijna automatisch lid van de vakbond. De stap naar de vakbeweging, of beter gezegd de arbeidersbeweging, was logisch. "Dat hoorde zo." Zoals iedereen in huize Meijs vanzelfsprekend lid werd van de KAB. Zijn vader was trouw lid van de bond, zonder dat hij bestuursfuncties ambieerde; hij sloeg geen vergadering over. 'Een enkeling is helemaal niets', was het motto dat hij zijn kinderen meegaf. De vakbond maakte deel uit van de alomvattende katholieke arbeidersbeweging, waarin tal van organisaties en instellingen nadrukkelijk een stempel drukten op het dagelijks leven. Als jonge arbeider kwam Hein Meijs terecht in de Katholieke Arbeiders Jeugd, een organisatie die in Tilburg (zoals ook veel andere instellingen) parochieel opgezet was. De KAJ, waar hij op 1 augustus 1950 ingeschreven werd, was een vereniging die de jonge arbeider in zijn schaarse vrije tijd ontspanning en ontwikkeling bood. Naast de textielschool slokte de KAJ gaandeweg al zijn vrije tijd op. 

De eerste schreden op het pad van de KAJ werden gezet in de Besterd. Na een paar jaar werd hij als voorzitter gevraagd voor de KAJ-Besterd, hij was toen amper 19 en vond zichzelf nog wat te jong. Een van zijn eerste optredens betrof een toespraak bij de opening van een fancyfair. De burgemeester zou ook aanwezig zijn, dus Hein was dagenlang nerveus. Na enkele zinnen verklaarde hij de fancyfair voor geopend en had hij besloten dat hij niet weggelegd was voor toespraken. De praktijk was anders. Bestuursleden die met hem gewerkt hebben roemen Hein Meijs juist om zijn makkelijke manier van praten. Hij kon zonder al te veel op papier te kijken een betoog houden.
Toen in 1955 (?) de voorzitterszetel van de afdeling Tilburg van de KAJ vacant kwam, werd Hein Meijs voor deze functie gevraagd. Hij had toen al zitting in het bestuur van de KAJ dat haar eigen onderkomen had in de Korte Tuinstraat. 

Verkering

Tot 1962 bleef Hein Meijs voorzitter van de plaatselijke KAJ. Eind 1961 is hij voor de wet getrouwd, op 18 april 1963 volgde het kerkelijk huwelijk; de lange tussenperiode had te maken met het krijgen van een woning. Hein wilde daarbij zeker geen voorrang via de Gildenbondsstichting, die namens het NKV woningen beheerde. Zijn huwelijk betekende een afscheid van de jeugdbeweging. 
Het kon bijna niet anders of hij moest Phil Clijsen wel tegenkomen op zijn levenspad. Ze was op 11 december 1938 geboren op Loven als dochter van een bakker. Ook zij kwam in de arbeidersbeweging terecht; eind jaren vijftig was dat de VKAJ, de vrouwelijke pendant van de KAJ. Als er activiteiten waren in de parochies, in het patronaat, dan trokken de jongens en meisjes gescheiden op. In het plaatselijke KAJ-gebouw aan de Korte Tuinstraat lag dat anders. 

Phil, die werkzaam was als administratief medewerkster bij de Tilburgse KAB (Tuinstraat en Nazarethstraat) en later bureausecretaris van de VKAJ bisdom 's-Hertogenbosch (St. Annaplein), leerde Hein Meijs kennen toen ze ruim 17 jaar was. 
Maart 1957 kregen ze verkering. De anekdote die ze erover vertelt typeert de tijd. "We gingen al lang met elkaar om, omdat we regelmatig in dezelfde vergaderingen of bij dezelfde bijeenkomsten waren. Hein bracht mij - met anderen - ook wel naar huis zeker als het heel laat geworden was. Niemand zei daar iets van. Tot we officieel verkering kregen. Toen moest ik plotseling om tien uur thuis zijn." Hein kon de goedkeuring van de familie wegdragen. Meer dan dat zelfs. "Mijn vader had altijd wel op- of aanmerkingen op de verkeringen die bij ons aan huis kwamen. Het was niet gauw goed. Over Hein zei hij: 'Meiske dat is een jongen die iets voor een ander overheeft, daar zul je geen slechte aan hebben'."

Uit het gesprek met Phil Meijs-Clijsen en Heins broer Ad Meijs komt naar voren dat de privésituatie niet los gezien kan worden van het vakbondswerk. Hein was geen betaald bestuurder, maar investeerde veel tijd in de vakbeweging. Zijn twee kinderen groeiden op in een echt vakbondsgezin waarin vader wel tijd wilde maken, maar de bond voortdurend aandacht vroeg. Als hij eens een avond thuis was, vroegen de kinderen 'moette gij niet weg?' Het beperken van de tijd voor de vakbond tot drie avonden en hooguit een dag van het weekeinde was een streven dat achterhaald werd door de werkelijkheid. 
Phil Meijs-Clijsen: "Toen we huwden, moest ik zoals dat in die tijd gebruikelijk was, mijn werk opgeven." Ze was door haar vroegere baan op de hoogte van het werk dat Hein Meijs binnen de KAB en later het NKV verrichtte. Ze wekt zeker niet de indruk daar helemaal buiten te zijn gebleven. In de archieven van de KAB/NKV afdeling Tilburg bevond zich een uitgebreid historisch overzicht van de Tilburgse katholieke arbeidersbeweging samengesteld ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan. Geschreven door Hein Meijs. Phil Meijs heeft er nadrukkelijk aan meegewerkt.

Voorzitterschap

Hein Meijs was na zijn KAJ-voorzitterschap enkele jaren secretaris van de textielarbeidersbond St.-Lambertus. In het voorjaar van 1965 werd hij, volgens Phil Meijs door de werkmeestersbond, gevraagd voor het voorzitterschap van de (nieuwe) plaatselijke centrale van het NKV. Feitelijk is zijn verkiezing niet los te zien van de nieuwe lijn die de katholieke vakbeweging landelijk en plaatselijk insloeg. In een drukbezochte vergadering kreeg Hein Meijs meer stemmen achter zich dan de zittende voorzitter Jan Hovens, die ruim tien jaar de KAB had geleid. Het was in deze periode dat de moeizame overschakeling plaatsvond van de aparte vak- en standsorganisatie binnen de KAB naar de ongedeelde NKV. De plaatselijke vakcentrale werd de verzameling van de afdelingen van de plaatselijke vakbonden. Gaandeweg verdwenen de parochiële secties en werden de vakbonden de basis voor het plaatselijke NKV. 

Hein Meijs was een kwart eeuw voorzitter van de plaatselijke centrale van het NKV - voorzitter in de tijd dat de katholieke vakbeweging volop in beweging was. Door zijn persoonlijkheid, zijn optreden en waarschijnlijk ook de tijdgeest was hij veel minder dominant dan enkele van zijn voorgangers en andere plaatselijke bestuurders. De vakbeweging, de plaatselijke centrale waarvan hij voorzitter was, was een andere dan voor de oorlog of in de jaren vijftig. De sterke verwevenheid binnen de katholieke zuil, de solidariteit in eigen katholieke kring - of die nu bewust bestond of opgelegd was, doet niet ter zake - brokkelde begin jaren zestig af. De standsorganisatie had tot het ontstaan van het NKV op plaatselijk niveau een duidelijke rol. De plaatselijke centrale van de ene, ongedeelde Katholieke Vakbeweging NKV had een andere taak. De materiële maar ook steeds meer de immateriële belangenbehartiging lag bij de afzonderlijke vakbonden. De beroepsbestuurders en de landelijke organisaties trokken meer taken naar zich toe. De plaatselijke centrale waarvan Hein Meijs voorzitter was, concentreerde zich op het 'algemene werk'. 

Denkbeelden

Een van de belangrijke zaken die Hein Meijs bij een terugblik op 25 jaar voorzitterschap in een radio-interview voor Radio Tilburg noemt, is de samenwerking met CNV en NVV. Meijs is daarmee gestart en zat daarbij om de tafel met Ben Morselt van het NVV. Toen het besluit werd genomen om vanaf 1969 de besturen van de drie vakcentrales regelmatig bijeen te brengen kwam een gezamenlijk dagelijks bestuur tot stand: Hein Meijs was daar voorzitter van, L. Smulders van het NVV secretaris en P. Klösters van het CNV penningmeester. 
"De onderlinge samenwerking leverde geen probleem op. Dat had veel te maken met de mensen waarmee je om tafel zat. We moesten aan elkaar wennen, maar daarna liep het voortreffelijk. De bijeenkomsten verliepen in vriendschappelijke sfeer. Ik heb het altijd zeer jammer gevonden dat het CNV afhaakte, toen de FNV tot stand kwam." Het ontbreken van het plaatselijk overleg bleek in latere jaren een duidelijk gemis. Het is voorgekomen dat CNV en FNV in een vergadering met het gemeentebestuur onderling in discussie raakten. 

Eind jaren tachtig verschoof de vakbeweging haar aandachtsveld. Bemoeienis met de politiek was nodig. Opnieuw een citaat uit het radio-interview. "De vakbeweging is altijd een club van werkenden geweest. Dat is aan het verschuiven. We zijn de grootste belangenorganisatie van werkenden en niet-werkenden. We moeten ons plaatselijk met de politiek bezighouden. We wonen de hele dag in deze stad. Als belangenorganisatie worden we serieus genomen en wordt onze visie gevraagd." 
Hein Meijs zag met lede ogen aan hoe in de jaren tachtig elementen van de verzorgingsstaat aan bezuinigingen ten gronde gingen. "We hebben er negentig jaar over gedaan om het op te bouwen en nu dreigt het in tien jaar te worden afgebroken", zo meende hij. 

Gedwongen afscheid

In 1988 gaf hij voor het eerst aan dat hij zijn werk voor de bond wilde gaan verminderen. Feitelijk liet hij zich overhalen om zich herkiesbaar te stellen. Ondertussen zou actief gezocht gaan worden naar een opvolger. 
Het afscheid van het voorzitterschap kwam op een heel andere wijze dan Hein Meijs zich had voorgesteld. Achteraf mag gesteld worden dat wel erg meedogenloos is omgesprongen met iemand die meer dan veertig jaar een vooraanstaande rol had gespeeld in de Tilburgse arbeidersbeweging. In het FNV-jaarverslag over 1991 wordt subtiel een conflict aangeduid, waarin de twee grootste bonden de Industriebond en de ABVA/KABO betrokken zijn. "Het mag duidelijk zijn dat er enige tijd sprake is geweest van 'spanning' binnen de afdeling", zo heet het. Het conflict dat in 1990 speelde, heeft te maken met de organisatie van de plaatselijke afdeling en de wijze waarop gewerkt moest worden. Hein Meijs werd het slachtoffer: hij werd tijdens de jaarvergadering van de FNV weggestemd. Gevolg was dat de Industriebond FNV, waarin hij nog wel actief bleef, zich jarenlang onthouden heeft van medewerking aan het afdelingswerk. En feit was ook dat Hein Meijs zeer aangedaan was door zijn onverwachte en weinig fraaie afscheid. 



Hein Meijs als spreker bij het 85-jarig jubileum van de 
plaatselijke centrale Tilburg van het NKV, 1981.

Zijn zwakte was dat hij niet tegen ruzies bestand was. In de harder wordende maatschappij en de zich (noodgedwongen) steeds zakelijker opstellende vakbeweging kon hij zich maar moeilijk vinden. Hij was ook niet hard genoeg, niet brutaal genoeg. Voor mensen opkomen als hij onrecht signaleerde, was geen probleem. Voor zichzelf opkomen en aan zijn eigen belangen denken, kostte hem meer moeite. Mensen die hem van nabij gekend hebben als voorzitter, roemen zijn bindende krachten, maar merken op dat "iedereen aan het woord laten en iedereen uit laten praten" soms ook nadelig werkte.

Hij stierf op 14 november 1994 aan longkanker. Voor zijn inzet en verdiensten voor de Tilburgse samenleving ontving Hein Meijs de zilveren legpenning van de gemeente Tilburg. Die inzet kwam onder meer tot uiting in diverse besturen waarvan hij deel uitmaakte, zoals dat van de Thuiszorg Midden-Brabant. 
"Een vakbondsman in hart en nieren, zeer sociaal bewogen en altijd opkomend voor mensen in achterstandssituaties", zo werd hij getypeerd. 


Bronnen

- Gesprekken met Phil Meijs-Clijsen en Ad Meijs
- Aanvullende gesprekken met Ari van Valen en Wim Weijters.
- Radio-interview door Karel Luijjf voor Radio Tilburg januari 1990.
- Jaarverslagen NKV en FNV.
- Documentatie knipsels/interviews.