| 418. Sociaal-historicus Frans van Puijenbroek (1924-2000) | |||
|
Titel: |
Sociaal-historicus Frans van Puijenbroek (1924-2000) |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
75-76 |
Alweer een aantal jaren geleden ontmoette ik Frans van Puijenbroek tijdens een bijeenkomst op het gemeentehuis. Het was aardig dat ik zo al wat geschreven had over de historie van Tilburg, maar ik moest maar eens beginnen aan een alomvattende studie over de geschiedenis van de textielindustrie, zo wist hij te vertellen. Het leek alsof daar al heel wat over was geschreven, maar volgens hem was er behoefte aan een totaalstudie.
Die bouwsteen was zijns inziens ook absoluut nodig om te komen tot een serieuze geschiedschrijving over Tilburg. Enig tegengesputter over tijd, geld en prioriteit(en) werd resoluut van de hand gewezen. Er moest gewoon een flinke subsidie of garantie bij de gemeente worden losgepeuterd en dan kon het werk beginnen. Ik moest aan dit voorval denken toen het bekend werd dat de sociaal-historicus Frans van Puijenbroek was overleden.
Dr. F.J.M. van Puijenbroek, 1980 (coll. RHC Tilburg).
Frans van Puijenbroek had hart voor Tilburgs verleden. Het blijkt uit bovenstaand voorval, maar het blijkt ook uit de opsomming die hieronder volgt. Frans van Puijenbroek had natuurlijk iets met Tilburg, ook al is hij gestorven in zijn laatste woonplaats Eindhoven en is hij werkzaam geweest als directeur van het Nederlands Openlucht Museum in Arnhem. Zijn ‘roots’ lagen in Tilburg waar hij op 9 april 1924 geboren was en zeker voor iemand die met historie bezig is, is Tilburg door het complexe karakter van zijn geschiedenis een stad die je moeilijk loslaat.
Frans van Puijenbroek kwam uit een negen koppen tellend gezin van een textielarbeider. Een van zijn zusters was voormalig vakbondsvrouw, raadslid en wethouder Miet van Puijenbroek. Behalve in familieverband kruisten hun wegen zich ook in de belangstelling voor de sociaal-economische geschiedenis, culminerend in het streven om te komen tot een voor Tilburg representatief textielmuseum waar het leven en werken in de textiel een plaats kon krijgen. Dat beide direct of indirect een rol speelden in de totstandkoming van de huisvesting van het Nederlands Textielmuseum in het Mommerscomplex is dan ook geen toeval.
Frans van Puijenbroek volgde de Mulo en de avond-HBS en zat in de oorlog in het Tilburgs verzet. Na de oorlogsjaren werd hij directeur van het arbeidsbureau in Boxtel en ging hij sociaal-culturele wetenschappen studeren aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg waar hij in 1964 slaagde voor zijn doctoraal examen. Zijn belangstelling ging toen - mede door zijn werkkring - al uit naar de verdwijnende bedrijfstak de klompenmakerij in zijn werkgebied.. Vanaf 1966 was hij als wetenschappelijk medewerker sociaal-economische geschiedenis verbonden aan de Katholiek Hogeschool Tilburg. Ook was hij toen docent aan de Akademie van Bouwkunst en de Bibliotheek- en Documentatieschool in Tilburg. Zijn studie over de klompenmakerij werkte hij uit tot een proefschrift getiteld Onder de voet gelopen. Het ontstaan en het verdwijnen van een kleinnijverheid in Nederland na 1800: de Brabantse klompenmakerij. Hij promoveerde daarop in 1969 tot doctor in de sociale wetenschappen.
Over Tilburg had hij toen al Pronte Mensen, leven in Tilburg van toen (1968) geschreven in samenwerking met H. van den Eerenbeemt. Later volgde nog Eeuwen en Uren in de Hasseltse kapel (redactie, 1972).
In 1981 maakte hij de overstap van de wetenschap en het doceren naar de functie van directeur van het Rijksmuseum voor Volkskunde ‘Het Nederlands Openluchtmuseum’ in Arnhem waar hij tot zijn pensioen in 1989 werkzaam zou blijven. Hij was in die periode ook voorzitter van de Stichting Historisch Boerderij Onderzoek
Frans van Puijenbroek stond ook aan de wieg van de Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed, de uitgeefster van dit tijdschrift. De oprichtingsvergadering dateert van 13 mei 1975. Notarieel heeft Van Puijenbroek de stichting vast laten leggen op 9 juni 1975. In de akte wordt ondermeer melding gemaakt van de noodzaak om het Tilburgse cultuurgoed in stand te houden ‘voor de visuele herkenbaarheid en karakteristiek van de stad en voor de overlevering aan het nageslacht’.
Er aan vooraf ging een roerige periode waarin de bestuurderen van de stad in hun streven Tilburg te moderniseren weinig oog hadden voor monumentale en
karakteristieke bouwwerken in de stad. Drie decennia tot een kwart eeuw geleden waren er plannen om de Bredaseweg te verbreden en de
karakteristieke beeldenrij van het kerkhof te slopen. Daadwerkelijk gesloopt was al het gemeentehuis uit 1848-1849 aan de Markt (1971) en het monumentale fabriekscomplex van Pieter van Dooren aan de Hilvarenbeekseweg (maart 1975). Tegen deze achtergrond moet de oprichting van de stichting gezien worden. De concrete aanleiding was de sloop van het complex Pieter van Dooren ten behoeve van de nieuwbouw van het St. Elisabethziekenhuis. Tot 12 april 1982 was hij voorzitter van de stichting die daarna een slapend bestaan leed totdat ze nieuw leven werd ingeblazen doordat het tijdschrift ‘Tilburg’ in leven werd geroepen.
Frans van Puijenbroek werkte mee aan de rapportage van de ‘werkcommissiede industriële gebouwen van de wolnijverheid in Tilburg’, dat gepubliceerd is in De Lindeboom jaarboek III-IV (1979-1980). Daarin zat ondermeer een beknopt textielhistorisch overzicht vanaf 1800. Als lid van de Monumentencommissie stelde Van Puijenbroek drie fabriekspanden voor die het behouden meer dan waard waren: het complex Eras aan de Goirkestraat, het complex Brouwers aan de Schoolstraat/Korte Schijfstraat en het complex Mommers/Dröge aan de Goirkestraat. Zoals bekend is het laatste complex voor het nageslacht behouden en zijn de oudste delen (een stuk van de oorspronkelijke fabriek, de shed, de hoogbouw en de kantoorvilla) de huisvesting geworden van het Nederlands Textielmuseum
In hetzelfde nummer van De Lindeboom verscheen een veelgebruikt artikel van W.J. Pouwelse waaraan hij als co-auteur had meegewerkt over de kranten in Tilburg.
In 1994 publiceerde hij in het tijdschrift Tilburg ‘Tilburg achter de muziek aan. 125 jaar gesubsidieerd muziekonderwijs in Tilburg’, terwijl later dat jaar onder de titel Tilburgse toonzettingen. 125 jaar gesubsidieerd muziekonderwijs. Een sociaal-culturele verkenning
(Tilburgse Historische Reeks deel 4) een gedenkboek uitkwam over 125 jaar muziekonderwijs in de stad.
Op historisch terrein publiceerde Frans van Puijenbroek vooral over Tilburg en (later) Eindhoven waar hij zitting had in de redactie voor de geschiedschrijving van de stad (1982-1987). Die ene keer dat ik hem uitgebreider heb gesproken, begreep ik dat de belangstelling voor de geschiedenis en geschiedschrijving van Tilburg ook in zijn Arnhemse en Eindhovense periode nooit was verdwenen.
Op het laatst van zijn leven werkte hij aan een boek over de kunstenaar Kees Bol uit
Heusden.




