Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
423. Vier Tilburgse artsen van formaat
 

Titel:   

Vier Tilburgse artsen van formaat

Ondertitel:   

Auteur:   

Jan A.M. van Eijck

Jaargang:   

XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Pagina’ s:   

3-13


In het eerste kwart van de twintigste eeuw was er een viertal artsen in Tilburg dat de medische kar trok, dat de dienst uitmaakte werd ook wel beweerd. Maar bovenal toch vier dokters die veel betekenden voor de gezondheidszorg van de Tilburgers. Het waren "in volgorde van opkomst" de artsen Deelen, Bloemen, Eijgenraam en Ph. Taminiau. Zij waren niet alleen de voortrekkers en hoofdrolspelers in de afdeling Tilburg e.o. van de Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (NMG), ook maatschappelijk stonden zij vooraan en speelden zij een belangrijke rol. Zij waren alle vier mannen van formaat, waar Tilburg veel aan te danken heeft gehad.


Het waren vooral hun natuurlijke leiderskwaliteiten en -talenten die deze vier artsen hadden, maak ik op uit de feiten zoals die o.a. in de notulenboeken van onze afdeling van de kring Tilburg naar voren komen. (1) Er was natuurlijk ook wel eens tegenstand, al of niet gevoed door jaloezie, bij collega's die het nét niet hadden. Zo schoot in 1913 Passtoors, chirurg-vrouwenarts vanaf 1908, eens uit zijn slof toen hij zich gepasseerd voelde in de discussie over de toekomst van het St. Rochusgesticht aan de Lange Nieuwstraat. "'t Is hier altijd Deelen, Bloemen en Eijgenraam, hij wordt altijd in zulke zaken genegeerd", liet Passtoors zich op de vergadering boos ontvallen. Deelen, die vergadering toevallig afwezig, corrigeerde hem de keer daarop: zo'n toon daar was hij niet van gediend.
De vier Tilburgse artsen trokken ook samen op bij de organisatie van de landelijke Algemene Vergadering van de NMG in Tilburg in 1910. Zij vormden samen het organisatiecomité. Op de prachtige groepsfoto van dit landelijke congres in 1910, een van de weinige relicten van dat congres, staan zij alle vier, genummerd zelfs met een cijfertje op hun revers. Opdat het nageslacht hen niet zou vergeten, moet een vroegere secretaris hebben gedacht! 

K.A.F. Deelen (1862-1943)

Karel Allard Frederik Deelen was geboren in 1862 in Druten als zoon van een medicinae doctor. Hij studeerde zelf in Amsterdam en behaalde daar de artsenbul in januari 1886. In juni 1887 promoveerde hij tot doctor in Leiden, op een proefschrift over Lichen ruber planus, een huidziekte met blauwachtige jeukende knobbeltjes. Hij moet tevoren ook nog aan de Sorbonne te Parijs hebben gestudeerd, mogelijk als assistent in de chirurgie. Want hij kwam op 30 oktober 1887 vanuit Leiden in Tilburg om een gecombineerde praktijk als huisarts en als chirurg te beginnen.(2) Deelen was eigenlijk huisarts met de armenpraktijk van Tilburg-zuid ("onder de spoorlijn"), maar deed vanaf het allereerste begin ook veel operaties. Deelen was immers in Tilburg de eerste die zich op de chirurgie toelegde. Deelen heette "half-specialist", een officiële categorie artsen die de huisartsenpraktijk combineerde met een consultatieve praktijk als specialist.(3) Deelen is dat ook altijd blijven doen, die huisartsenpraktijk. Tot eind jaren dertig is hij huisarts gebleven. 

Het portret van Karel Deelen, voorzitter van de NMG in 
1911-1912, zoals het in Utrecht hangt in de 
KNMG-voorzittersgalerij van de Domus Medica 
(foto coll. Jan van Eijck).

Zijn chirurgische ervaring had hij o.a. aan de Sorbonne in Parijs opgedaan. Deelen vertelde op de ledenvergaderingen op het einde van de 19e eeuw al regelmatig over zijn operatieresultaten. Zo verhaalde hij eind 1889 al over negen operaties in drie maanden tijd. Het ging om liesbreuken, een bovenbeensamputatie, het verwijderen van het necrotisch (afgestorven) kopje van het spaakbeen, het verwijderen van vijf poliepen met de thermocauter, en hij reponeerde een halswervelluxatie! Operaties waren in de 19e eeuw nog maar in beperkte mate mogelijk. Behandeling van botbreuken en liesbreukoperaties gingen vaak goed, maar een kindje zonder anus, bij wie Deelen in 1893 de darm op 4 cm vanaf de huid aantrof en die hij aan de huid hechtte, dat kindje bezweek daags daarna. Ook een man van 65 jaar met een strictuur van de pisbuis stierf, zelfs al tijdens de operatie. Maar Deelen kon ook in hetzelfde jaar trots vertellen van een darmresectie die wel drie uur had geduurd en wél succesvol was verlopen.

Deelen bekwaamde zichzelf ook in het buitenland: in de zomer van 1897 was hij een paar dagen in de kliniek van prof. Witzel in Bonn geweest. Hij was ook nog zo slim geweest om er verschillende nieuwe instrumenten die daar in gebruik waren op de operatiekamer, mee te nemen voor het Tilburgse gasthuis. En hoewel Deelen niet alle operatietechnieken beheerste en dus maar een beperkt "repertoire" had, was hij ook erg kritisch naar wat hij al wél kon. In 1901 liet hij op de vergadering twee blindedarmen zien met een open lumen, dat wil zeggen niet ontstoken dus, zo gaf hij ruiterlijk toe! "Eigenlijk", zo zei Deelen in al zijn bescheidenheid, "is de indicatie van een appendicitis onmogelijk scherp te stellen!" Een eerlijke uitspraak van een integer man.
Waren het dus aanvankelijk liesbreuken en moeilijke botbreuken en een hoop abces-incisies, later volgden ook buikoperaties, en eind jaren negentig ook operaties aan de eierstokken, baarmoeder en nieren. Vanaf het moment dat Passtoors zich in 1908 in Tilburg vestigde, horen we weinig meer van operaties door Deelen.

Foto van de 110 deelnemers aan de Algemene Ledenvergadering van de Nederlandsche Maatschappij tot 
bevordering der Geneeskunst van 1910 in Tilburg. Waarschijnlijk is de foto genomen door fotograaf A. van 
Beurden tijdens het uitstapje naar het park De Gemullenhoek in Oisterwijk op maandagmiddag 4 juli. Op de
derde rij links staat Eijgenraam (nr.1), en op de voorste rij zitten, 8e van links Deelen (nr. 2), en uiterst links 
Bloemen (nr. 3) en rechts op de grond Taminiau (nr. 4 met doorgehaalde 3). Merk op dat er nog slechts één 
vrouwelijke arts aanwezig is: Aletta Jacobs, Catharina van Tusschenbroek of Cornelia de Lange?? Wie zal 
het zeggen. (Coll. RHC Tilburg, archief KNMG ).

Deelen heeft ook erg veel gedaan aan de röntgenologie in Tilburg. Nadat Wilhelm Conrad Röntgen op 8 november 1895 in Würzburg (D) zijn "X-stralen" had ontdekt, maakte Salomonson in Amsterdam de eerste röntgenfoto in januari 1896. Tilburg stond ook zijn mannetje, want dokter Proot maakte hier samen met de wis- en natuurkundeleraar Van Swaay van de "Hoogerburgerschool" (Rijks-HBS Koning Willem II) de eerste röntgenfoto reeds in mei 1896! Deze eerste röntgenfoto's vergden een belichtingstijd van 1½ à 2 uur! Daarom waarschijnlijk stokte de vooruitgang qua röntgenologie even, om na 1900 de draad weer op te nemen. Deelen was dan wel niet de eerste die aan röntgenologie deed in Tilburg, maar hij was toch een van de medeoprichters van de Nederlandsche Vereeniging voor Electrotherapie en Radiologie! Hij was wel niet bij de oprichtingsvergadering in 1901 in Rotterdam (11 artsen), maar had wel schriftelijk zijn adhesie betuigd met de oprichting, en behoorde zo tot de eerste 35 oprichters.(4) In 1917-1918 was hij zelfs voorzitter van deze vereniging. Zonder het in ons kringarchief te kunnen staven, moet hij een cursus röntgenologie hebben gevolgd bij Dessauer in Aschaffenbrug.(5) In ieder geval weten we dat hij in 1905 zelf een röntgeninstituut begon in Tilburg. Volgens zijn oud-assistent, de fysiotherapeut W. van Wijk (geb. 1889 te Zoeterwoude) die in de beginjaren het instituut draaide, en aan wie Deelen in 1929 zijn instituut overdeed, heeft Deelen al in 1904 een eerste röntgenapparaat aangeschaft, een apparaat van het Elektrisch Gesellschaft (AEG) op accu's. Later moest hij van Van Wijk een beter apparaat aanschaffen, van Siemens & Halstatt. Daar was nog heel wat over te doen, omdat de Duitse Mark kelderde in die tijd.(6) 

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van de 
geneeskundige kring Tilburg e.o. in november 1933 
gaf de kring een boekje uit met een dertigtal treffende 
cartoons met ondertekst van de collegae. Die van Deelen
was kort en krachtig: Eén uit velen: Deelen.

De eerste keer dat Deelen een röntgenfoto op de afdelingsvergadering liet zien, was in maart 1905: "Deelen toont een fraaie röntgenfoto van een uitgebreide tumor in het mediastinum (de ruimte tussen de longvliezen)". De eerstvolgende vergadering , in mei 1905, ontving hij de hele kring in zijn instituut, de Röntgeninrichting aan het Langepad (nu: Langestraat), "waar de voorzitter een interessante voordracht hield over de Röntgenstralen en haar toepassing voor diagnose en therapie van chirurgie, dermatologie en interne ziektegevallen; de voordracht werd verduidelijkt door een aantal Röntgenphotographieën waarbij eenige zeer interessante, en door demonstratie van het doorlichten van schedel en borstkas bij een jongen van ca. 14 jaar". Later is dit Fysisch-therapeutisch Instituut, waar naast röntgendiagnostiek en -bestraling ook fysiotherapie (o.a. met Zander-apparaten) werd bedreven, gevestigd in de Fabriekstraat. Het kende in de loop der jaren verschillende namen: "Instituut voor Physische ziektebehandeling" (1911), of "Medico Mechanisch Instituut" (1930).(7) 

Met de röntgenstralen kon men dus niet alleen diagnostiek bedrijven, al snel merkte men dat men ook therapeutisch kon bestralen. Erg in trek waren in het begin bestraling van huiddefecten zoals lupus (huidtuberculose), favus (hoofdzeer of "kletskop"), maar ook kyfose (rugverkromming), myomen (vleesbomen) en kanker werden bestraald, met wisselend succes uiteraard… Deelen probeerde in 1915 een jongetje uit Udenhout met "droog gangreen" bij wie elke winter vingers of tenen afstierven, te bestralen, maar hij had er een hard hoofd in. Ook merkte men al snel (rond 1900 al) dat men op moest passen met te veel bestraling: men kreeg erytheem (huiduitslag) en ulcera (zweren) of nagelvervormingen als men niet uitkeek! En dus ging men zich enigermate beschermen.
In 1908 viel Passtoors, de nieuwe chirurg-vrouwenarts, hem aan toen hij een röntgenfoto liet zien met een niersteen. "Dat is nog de vraag", zei Passtoors, "want je hebt maar een opname in één richting", en gelijk had hij! Passtoors zou rond 1914 zelf ook een röntgenapparaat aanschaffen, dat hij later aan het gasthuis schonk.(8) Eindelijk kreeg zo ook het Gasthuis een röntgenapparaat.
Deelen verkocht zijn instituut dus in 1927, toen het nieuwe St. Elisabethziekenhuis er kwam, aan de heer Van Wijk. In het ziekenhuis zelf zorgde Van Buchem, de internist/directeur-geneesheer, voor de röntgenologie. Pas in 1942 kwam dr. Goettsch als eerste röntgenoloog naar Tilburg, ook een fenomeen overigens! Door hun toedoen is er veel geröntgend in Tilburg. Later in het Witte Huis onder leiding van dr. Verbeeten, en nu met het Verbeeteninstituut blijft Tilburg een stralend middelpunt in Noord-Brabant… Allemaal ooit begonnen door Deelen!

In 1893 trouwde hij in Tilburg met Agnes Sträter (1872-1949).(9) Van de afdeling Tilburg van de NMG werd hij in 1888, vrijwel meteen na zijn komst in Tilburg lid. Hij werd een sterke leider. In 1892 werd hij al secretaris, en in 1904 volgde hij Van der Heyden op als voorzitter.
Deelen was behalve voorzitter van de afdeling Tilburg e.o. (1904-1927), ook voorzitter van de landelijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (1911-1912) en voorzitter van de Nederlandsche Vereniging voor Electrotherapie en Radiologie (1917-1918). Maar ook maatschappelijk was hij actief: voorzitter van de sociëteit Philharmonie (liefst van 1899-1930!)(10), van de afdeling Tilburg van de Ned. Heidemaatschappij, voorzitter van het Natuurhistorisch Museum in Tilburg en mede-oprichter van de Wetenschappelijke Kring in Tilburg. Geen wonder dat hij ook geridderd werd tot Officier in de Orde van de Nederlandse Leeuw (1930).(11) 



Een operatie in het oude Gasthuis aan de Gasthuisstraat rond 1900. De 
fotograaf was Bloemen. De operateur was Deelen (achter), geassisteerd 
door Van der Heyden (vóór), en rechts geeft Eijgenraam de narcose. Van 
deze situatie zijn er twee foto’s gemaakt, nauwelijks van elkaar te 
onderscheiden. (Coll. RHC Tilburg).

Tot het einde bleef hij actief. In 1917 bezocht hij nog het Tincen-instituut in Kopenhagen, waarschijnlijk in de functie van voorzitter van de Ned. Ver. van Electrotherapie en Radiologie.
Maar hij ontbrak ook zelden op de eigen afdelingsvergaderingen in Tilburg. In de tijd van de ziekenfondskwesties in de jaren twintig en dertig volgde hij de discussies op de voet, en gaf vaak goede raad. Hij komt over als een rustige man, een man met gezag en met een wijs oordeel. Maar ook een man met gevoel voor humor als je zijn notulen leest, die het belang van goede menselijke verhoudingen inzag, en wist hoe een grote rol gezelligheid (diners met een glas goede wijn!) daarbij zijn. "Maar wetenschap is toch belangrijker dan gezelligheid", zei hij. Zijn eerste regels in de notulenboeken van 1892, toen hij het secretariaat overnam van de vertrekkende Soer, zijn een voorbeeld van zijn humor:

Lezer die in dit verslag
de "res gestae"
[de krijgsdaden] moet gaan zoeken
wil, wat ik u bidden mag,
mij niet te hard vervloeken.
Wees welwillend! Ik beken
't Schrift kan op geen fraaijheid bogen
maar wijt 't zeer-doen van uw oogen
niet aan mij maar aan mijn pen.


Deelen bleef de huisartsenpraktijk doen tot aan de beginjaren veertig. Hij ging wel regelmatig naar het buitenland, wat hij altijd al had gedaan. Bij die gelegenheden, en ook bij langdurige ziekte, vroeg hij zijn collega's om even "op de winkel te passen". Hij rekende er wel op dat zijn patiënten bij hem bleven, ook als hij lang wegbleef. In 1929 lichtte Deelen op de afdelingsvergadering toe dat zijn zoon Theo definitief zijn vaders praktijk niet overnam. Hij wilde daarom zelf de praktijk blijven doen al was hij al 65, en die praktijk zo zoetjesaan laten verlopen naar collega's. Maar hij bleef een beroep doen op de collega's om de patiënten na zijn terugkeer weer naar hem terug te laten gaan, zo vroeg hij. Tot het einde hield hij dat vol. Genereus bood hij omstreeks 1941 aan A. Taminiau jr. zijn patiënten aan ter overname: "het waren er nog een schamel handjevol", kan Pum Taminiau nu nog schalks vertellen…(12) 
Karel Deelen overleed in april 1943. Hij kon pas officieel herdacht worden na de oorlog: op de vergadering van 3 juli 1945 werd hij met een In Memoriam herdacht samen met nog vier overleden collega's waaronder twee joodse artsen.
Ja, "Deelen was een razend knappe kop en een intelligente dokter", vond W. van Wijk.(13) De Midden-Brabantse afdeling heeft veel aan hem te danken!

J.F.J. Bloemen (1865-1922)

Jan Bloemen werd geboren in Stad Delden in Overijssel, waar zijn vader al de derde artsengeneratie Bloemen vormde.(14) Op uitdrukkelijk verzoek van zijn moeder zette Jan Bloemen deze praktijk in Delden voort, toen zijn vader overleed. Maar Jan Bloemen wilde liever een grote stadspraktijk dan een dorpspraktijk. Die gelegenheid deed zich voor toen zijn vriend en streekgenoot Siegbert Soer (geboren 1861 in Oldenzaal) zijn huisartspraktijk in Tilburg wilde verlaten. Soer ging namelijk een Kneipp-kuuroord starten in Ginneken bij Breda, het later succesvolle Klein Wörishofen. Bloemen kwam in augustus 1892 voor het eerst op de kringvergadering in Tilburg, en speelde meteen al een goede partij mee. De apotheekhoudende praktijk die hij van Soer overnam, zat aanvankelijk aan het Wilhelminapark in het pand waar later het kantoor van Thomas de Beer in werd gevestigd.(15) Toen apotheek Velder aan het Wilhelminapark kwam, verhuisde Bloemen de praktijk naar de Gasthuisstraat waar deze praktijk bleef gevestigd tot aan 1999!

Jan Bloemen senior, gefotografeerd 26 mei 1912. 
(Coll. Museum De Doornboom, Hilvarenbeek).

Jan Bloemen was een arts met gezag. Met een wijs en bezonken oordeel, zodat hij jarenlang een gezien lid was van de Afdelingsraad, de commissie die optrad bij conflicten en klachten. Jan Bloemen was ook een vooruitstrevend man. Hij had al op het eind van de 19e eeuw een fototoestel. Wij weten uit de notulen dat hij op de vergadering van januari 1898 "zeer goed gelukte photo's van een 24-jarigen werkman met myopathische spieratrofie" liet zien. Wij kennen ook twee foto's van zijn hand van een operatie in het Gasthuis (zie afbeelding), die volgens aantekening in ons archief uit 1900 zijn(16), een foto van de ingestorte toren van Oirschot (1904), en diverse foto's van het echtpaar Bloemen op de fiets die waarschijnlijk ook rond 1910 zijn genomen.(17) Ook een fiets was toen nog een bezienswaardigheid, en een staaltje van technisch vernuft.
Bloemen deed ook een stevige duit in het zakje in de discussie over de locatiekeuze van het nieuwe ziekenhuis rond 1916. Niet vreemd, want het oude gasthuis was bij hem naast de deur. Hij waarschuwde voor een locatie in het oosten van de stad "…daar door de vele Westenwinden de dampen uit de stad er teveel overgaan..". Toch kwam het nieuwe St. Elisabethziekenhuis aan de oostelijke stadsrand, alleen pas in 1927. Bloemen maakte het niet meer mee. 



De praktijkwoning van Bloemen aan de Gasthuisstraat. Tot 1999 
praktiseerden hier Bloemen sr. en jr., Van der Laan Van der Werf, 
Baaijens en Busch. (Part. coll.).

Jan Bloemen was een arts met een bloeiende praktijk. Hij was ook niet onbemiddeld. Volgens de ziekenfondsboekhouding had hij na Taminiau de grootste ziekenfondspraktijk, en volgens de belastingen behoorde hij met Deelen tot de hoogst aangeslagen burgers van Tilburg, na enkele fabrikanten. Hij stond in 1903 te boek met een belastbaar inkomen van ƒ 9.000 en dat was veel in die jaren in Tilburg.(18) 
Bloemen moet ook een Bourgondische inslag hebben gehad. Van hem gaat het sterke verhaal dat hij de moppen die hij hoorde op het jaarlijkse kringdiner, op zijn manchetten schreef om er de volgende dag thuis goede sier mee te kunnen maken.(19) Bij hem hoort ook het verhaal van het skelet van Piet Stams. De straatfiguur Piet Stams (1851-1914), die zelf vol grappen en grollen zat, werd doodziek rond 1912 en riep de hulp in van dokter Bloemen. Maar hij had geen rooie cent. Daarom verkocht hij zijn skelet aan dokter Bloemen. Die liet hem na zijn dood "anatomiseren" en op skelet zetten; het skelet van Piet Stams sierde tot aan de jaren dertig de praktijk van Bloemen. Ook daar zijn foto's van. Nu siert het de medisch-historische collectie "De dorpsdokter van vroeger" in museum De Doornboom in Hilvarenbeek.(20) 



“Jan Bloemen bij de schutters”: in het midden met een kruisje 
aangeduid. Bloemen was fervent lid van schutterij en harmonie 
Orpheus. (Part. coll.).


Toen Bloemen 25 jaar arts was in 1915 bood hij de kring, na een korte vergadering bij hem thuis, een souper aan. Dat was bijzonder, want door de oorlogsdreigingen, met veel vluchtelingen en gemobiliseerde soldaten in de stad, werd er in de jaren 1914-'18 geen jaardiner gehouden. Hij werd bij die gelegenheid letterlijk in de bloemetjes gezet door zijn patiënten.
Maatschappelijk was Jan Bloemen eveneens erg actief. Men kon hem aantreffen in het bestuur van de Sociëteit Philharmonie naast Deelen en Mathijs Kessels(21), hij was president van harmonie Orpheus en lid van de Schutterij. Ik vond hem op foto's van het vluchtelingencomité voor Belgische vluchtelingen in 1914.(22) 
Jan Bloemen werd ernstig ziek in 1922. Hij overleed in februari al, op de leeftijd van 57 jaar. Voorzitter Deelen herdacht hem met de woorden: ".. dien wij om zijn persoonlijke beminnelijkheid en altijd gereede hulpvaardigheid noode missen. De afdeeling verliest in hem één harer trouwste leden, die haar belangen behartigd heeft in verscheidene functies: in bestuur, afdeelingsraad en andere lichamen." Vanaf einde 1920 was zijn zoon Jan Bloemen jr. reeds in Tilburg gevestigd als arts. Hij kon dus zijn vader in de praktijk opvolgen. Dat was nog een geluk bij een ongeluk voor deze geziene doktersfamilie.

De oudste foto in het kringarchief is er een die genomen werd bij het afscheidsdiner
 van voorzitter Van der Heyden in 1904. Zijn opvolger Ph. Taminiau staat rechts, 
achter Van der Heyden. In het midden, onder het portret, staat Hoek (Helvoirt). 
Verder zitten v.l.n.r. Proot, H. Lobach (Oirschot), Hensen, Costerman Boodt 
(Goirle), Scheidelaar (Hilvarenbeek), Eijgenraam, NN, NN, Lobach (Udenhout), 
NN, Maassen (Dongen), Van der Heyden, Bloemen en Hoek (Boxtel). (Coll. 
RHC Tilburg, archief KNMG ).

 

L.J.M. Eijgenraam (1872-1913)

Lambertus Eijgenraam werd geboren op 11 oktober 1872 in Dordrecht. Hij deed zijn middelbare school op Rolduc (L), een gerenommeerde kostschool met handelsopleiding voor de gegoede stand in de 19e eeuw. Hij moet daar tot de beste leerlingen hebben behoord.(23) Na zijn medische studie in Amsterdam kwam hij in 1898 als arts naar Tilburg, pas 25 jaar oud! Een jonge veelbelovende dokter moet men al snel hebben gedacht. En hebben gezíen, want zijn ster rees snel in Tilburg. Op twee terreinen heeft Eijgenraam zijn sporen verdiend, in zijn toch zo korte beroepsleven, dat slechts 15 jaar zou duren: op dat van de vooruitstrevende medische praktijk, en op het terrein van het ziekenfondswezen in Tilburg.
Lambertus Eijgenraam was reeds ongeveer vanaf het begin (1898) verbonden aan het eerste Tilburgsche Ziekenfonds, samen met apotheker Bijvoet.(24) Zij tweeën vormden met de administrateur het bestuur van dit kleine fonds, en zij vergaderden maandelijks ten huize van Eijgenraam. Het opvallende van dit fonds ten opzichte van een gewoon doktersfonds, was dat het ook vier weken ziekenhuisverpleging vergoedde. Toen in 1904 een particulier initiatief dreigde om ook een breed ziekenfonds op te richten in Tilburg, verzetten de artsen zich hevig. Zij verenigden hun belangen en richtten gezamenlijk het Algemeen Ziekenfonds van Tilburg op.(25) Dat was eigenlijk het eerste grote ziekenfonds waar alle artsen aan verbonden waren. In 1914-'15 zou het overgaan in het Algemene Afdelings Ziekenfonds van de Maatschappij der Geneeskunst, het echte afdelingsziekenfonds. Nog later werd dat het AAZ resp. Ziekenfonds Midden-Brabant (ZMB), de tegenhanger van het arbeidersziekenfonds, het Centraal Ziekenfonds (1930). Van het Algemeen Ziekenfonds in 1904 werd ook Eijgenraam bestuurslid. Hij heeft zijn partij dus duchtig meegeblazen in deze eerste twee Tilburgse ziekenfondsen. Van hem is ook bekend dat hij een fervent strijder was voor de belangen van de kleine man: die moest zo goedkoop mogelijk verzekerd zijn van geneeskundige zorg vond hij.

Lambertus Eijgenraam (1872-1913). (Coll. RHC Tilburg).

Eijgenraam was dus pas 25 jaar toen hij zich in Tilburg vestigde. Aanvankelijk moet hij gewoond hebben aan het Haringseind, het gedeelte van de Korvelseweg tussen Nieuwstraat en St. Annaplein. Later ging hij wonen aan de Nieuwlandstraat nr. 34, waar na hem Verhoeven en Clerx nog praktiseerden.(26) Zo'n jonge arts als Eijgenraam, net van de collegebanken, was natuurlijk wetenschappelijk geïnteresseerd. Dat bleek ook al ras. Al in 1900 beloofde hij bijvoorbeeld op de ledenvergaderingen om een literatuuronderzoek te doen naar het nut van een keizersnede op een overleden zwangere. De aanleiding was een referaat van de oude dokter Maassen (1834-1915) uit Dongen, de laatste plattelandsheelmeester in onze regio, over de brochure van dr. Schaepman: "de sectione mortuae". Maassen was blijven steken in een inventarisatie in de regio over het nut en het succes van zo'n keizersnede. Eijgenraam kwam in de volgende vergadering met een helder advies: tot één uur na de dood van de zwangere was een keizersnede nuttig, daarna was het nutteloos, hoewel het van de R.K. kerk altijd moest… De naar het schijnt "fijne" katholiek Eijgenraam, formuleerde echter duidelijk de wetenschappelijke norm: tot één uur post mortem was voldoende.

Toen in 1904 voorzitter Van der Heyden afscheid nam van de Tilburgse kring, bracht Eijgenraam hem hulde "namens de jonge leden". Hij roemde hem als raadgever en als consulent, en stak Van der Heyden een pluim op de hoed dat hij ondanks alles toch "mijnheer den dokter" was gebleven! Die typisch Tilburgse uitdrukking was ook Eijgenraam blijkbaar opgevallen! 
Omdat Deelen Van der Heyden moest opvolgen als voorzitter, zocht men in zijn plaats een nieuwe secretaris, en dat werd Eijgenraam dus reeds in 1904. Met zijn jeugdig enthousiasme gaf hij terstond een verslag van het jaarlijks kringdiner in 1904: het nageslacht mocht gerust weten "dat de collegae als saïdjah's buffels hadden gegeten", en met het citaat "Les absents avaient tort" (de afwezigen hadden ongelijk) eindigde Eijgenraam bijna lyrisch zijn eerste verslag, een beetje in de stijl van Deelen, en zijn afkomst van een Franstalige Zuid-Limburgse kostschool niet verloochenend.



Feestvierende familie Eijgenraam. In het midden Lambertus Eijgenraam en zijn vrouw Elisabeth 
Masion (1872-1945). (Coll. RHC Tilburg).

Eijgenraam was een integere man. Hij had dan ook moeite met minder integere collega's zoals Proot en Hensen, die valse concurrentie pleegden met vroedvrouwen bijvoorbeeld, zoals in de affaire Ledel in 1905. Maar hij vond het ook moeilijk om in zulke situaties collega's af te vallen.(27) 
De wetenschappelijke interesse van Eijgenraam bleek niet alleen uit het feit dat hij een van de eerste leden van de Wetenschappelijke Kring Tilburg werd(28) , maar ook uit zijn vakmatige interesse. In 1905 gaf hij een beschrijving van de "fourth en fifth disease" met casuïstiek. Blijkbaar waren wat we nu vierde en vijfde ziekte noemen, toen nieuwe begrippen: het zijn betrekkelijk onschuldige kinderziekten met typische huiduitslag. Ook bij de komst van de eerste specialist in Tilburg, oogarts Sassen in 1906, liet Eijgenraam zich niet onbetuigd. Hij testte Sassen even uit: "of Sassen kon bevestigen dat tetanus na oogverwondingen, de zoogenaamde "Kopftetanus", inderdaad maar één goede remedie kende (volgens prof Pel), namelijk een snelle enucleatie?" (het geheel verwijderen van het oog)? "De aanwezige oogspecialist de heer Sassen herinnerde zich niet dit ooit speciaal gehoord te hebben", noteerde onze secretaris zelf fijntjes.

Rond 1910 verscherpten zich de discussies rondom de ziekenfondsen. Het werd er niet gezelliger op in de artsenkring, af te meten naar de notulen. Veel gekissebis, over vrije artsenkeuze, over toelatingsprocedures, over al of niet bindende besluiten, over dreigende kleine particuliere ziekenfondsen, enzovoort. Begin 1912 blikte voorzitter Deelen in zijn nieuwjaarstoespraak terug op de voorbije moeilijke jaren: "die wolk is voorbij" liet hij zich ontvallen. Deelen, die al een paar jaar dreigde met aftreden als voorzitter, voegde de daad bij het woord eind 1912, en trad af. En Eijgenraam moest hem ook hier opvolgen, en werd gekozen als nieuwe voorzitter. In januari 1913 sprak Eijgenraam zijn nieuwjaarsrede uit: "In plaats van met een familie zou hij onze kring liever willen vergelijken met een vredesconferentie, waar in de verte de kanonnen nog rommelen, met als wil dat deze vredesconferentie tot een goed eind mag worden gevoerd, wens ik u een zalig nieuwjaar", zo sprak hij gevoelig. Hij doelde met die kanonnen niet op het naderend oorlogsgeweld, maar op de ziekenfondsperikelen in de afdeling!

In 1913 vormde Eijgenraam samen met Deelen en Bloemen een commissie die de toekomst van het St. Rochusgesticht moest onderzoeken: moest het blijven als instituut voor besmettelijke ziekten of niet. Chirurg Passtoors, die beweerde zelf de meeste patiënten in het gasthuis te hebben, voelde zich gepasseerd. "'t Is hier altijd Deelen, Bloemen en Eijgenraam …" zo siste hij. Of het dit conflict is geweest, wat Eijgenraam dwarszat, is niet helemaal duidelijk. Het kan ook Eijgenraams gezondheid zijn geweest, of een combinatie van beide. In ieder geval trad Eijgenraam af als voorzitter begin september. Deelen werd opnieuw voorzitter. Maar Lambertus Eijgenraam stierf snel, op 15 september 1913 al, pas 40 jaar oud.
Een veelbelovende enthousiaste en intelligente dokter ontviel Tilburg. Veel te vroeg vond iedereen. Massaal gaf men blijk van zijn waardering op zijn begrafenis op het beeldenkerkhof aan de Bredaseweg.(29) 

Ph. L.M.M. Taminiau (1874-1940)

Philip Taminiau werd geboren in 1874 in Utrecht. Daar studeerde hij ook aan de universiteit en behaalde het artsdiploma in februari 1901.(30) Na bijna drie jaar praktijk te hebben gedaan in Blerick (L), deed zich voor hem een unieke gelegenheid voor. Van der Heyden, een zeer geziene huisarts en voorzitter van de kring Tilburg, ging plotseling uit Tilburg weg. Of hem alleen gezondheidsredenen parten speelden of dat er meer was, is niet helemaal duidelijk, hij verliet in ieder geval Tilburg en ging het in Rijswijk rustiger aan doen na dertig jaar praktijk. Taminiau polste Deelen hoe de situatie was en deze raadde hem aan om de praktijk over te nemen inclusief praktijkwoning aan de Heuvel.(31) Zo kwam Philip Taminiau in 1904 in een goed lopende praktijk. Er was ook wel meteen kritiek in de kring Tilburg, want de overname was niet helemaal volgens de spelregels gegaan vonden kritische collega's (te veel onderhands), maar het was alleen de vertrekkende Van der Heyden aan te rekenen, en niet de nieuwkomer vond men. Op de foto ter gelegenheid van het afscheidsdiner dat Van der Heyden werd bereid, staat de jonge Taminiau symbolisch achter Van der Heyden opgesteld. De eerste jaren bouwde hij zijn praktijk op en uit, en horen we nog weinig van hem. Maar in 1908 roerde hij zich reeds. Er werd door Deelen voorgesteld om tegelijk met het 50-jarig jubileum van de kring Tilburg e.o. in 1910 ook de Algemene Vergadering van de NMG naar Tilburg te halen. Hensen was tegen: "…die ontvangst zal veel moeite en kosten voor ons meebrengen, waar wij zelf niets dan onaangenaamheden van hebben te verwachten…" merkte hij zuur op. Maar Taminiau viel als eerste Deelen bij: hij voelde veel voor die ontvangst van de Maatschappij, "...waarvan wij het grote nut toch allen erkennen; het gaat niet aan altijd gast, nooit gastheer te zijn…" Samen met de drie zittende bestuursleden, Deelen, Eijgenraam en Bloemen, vormde Taminiau (als secretaris) de congrescommissie. Getuige de foto met 110 deelnemers moet het een succes zijn geweest! Het was een belangrijk congres, waar de al lang bestaande onduidelijke verhouding tussen geneesheer en levensverzekering afdoende werd geregeld (de "vrede van Tilburg" werd licht spottend gezegd), en waar Tilburgs gastvrijheid werd geroemd.(32) 

Ph.L.M.M. Taminiau (1874-1940), geschilderd door Jan van Delft. 
(Part. coll.; foto Dré van den Bogaard, 1980).

Al snel gaf Philip Taminiau ook blijk van zijn wetenschappelijke belangstelling. In november 1910 rapporteerde hij samen met kinderarts Plantenga, voor de Nederlandsche Bond tot bescherming van zuigelingen aan Hector Treub, de wereldberoemde hoogleraar verloskunde in Amsterdam, over de kindersterfte en hij deed duidelijke aanbevelingen.(33) En in 1918 deed Taminiau mee aan een prijsvraag van de NMG over de erfelijkheid van bepaalde ziekten. Hij kreeg een eervolle vermelding. Zijn bijdrage vormde de basis voor zijn latere proefschrift "Bijdrage tot de kennis van het familiair en hereditair voorkomen van carcinomen".(34) Zijn promotie had plaats een half jaar na zijn zilveren artsenjubileum. Waar haalde hij toch alle tijd en energie vandaan? Later, in 1937, schreef hij ook nog een brochure over de voeding, naar aanleiding van een uniek onderzoek bij de gesloten samenleving van de Trappisten van Abdij Koningshoeven(35), waar hij ook huisarts voor was. Ook hield hij voor eigen kring schijnbaar gemakkelijk een referaat. Zo sprak hij bij zijn aantreden als voorzitter in de kring in 1927 over "Acute Pneumothorax". En Deelen complimenteerde hem, en voegde eraan toe "dat wetenschap zeker zo belangrijk was dan gezelligheid", zo sprak de oude baas en grote voorganger. 

Cartoon van Ph. Taminiau, de voorzitter van de 
jubilerende kring in 1933.

Taminiau had ook een levendige belangstelling voor de geschiedenis van het vak en van de kring. Bij gelegenheid van het 75-jarig bestaan in 1933 hield hij als voorzitter een voordracht met een terugblik op oude tijden, daarbij puttend uit ons rijke kringarchief en uit de memoires die hij Scheidelaar, huisarts in ruste uit Hilvarenbeek, had laten opschrijven.(36) 
Naast zijn wetenschappelijke belangstelling stonden zijn bestuurskwaliteiten hoog aangeschreven. Van de plaatselijke kring werd hij in 1920 penningmeester als opvolger van Bloemen sr., en in 1927 verruilde hij die positie voor die van voorzitter, toen eindelijk Deelen kon worden afgelost. Maar ook landelijk speelde hij zijn partij. Werd hij in 1924 lid van het Hoofdbestuur van de NMG, hij herhaalde dat staaltje in 1934 voor nog eens een periode van vijf jaar!(37) 

Het naambordje van Ph. Taminiau in prachtige Jugendstil wordt nog bewaard 
door de familie Taminiau, van wie intussen de derde generatie in Tilburg
 praktiseert, en de vierde zich voorbereidt... (Foto Jan van Eijck).

Zijn belangrijkste rol echter was die voor het ziekenfondswezen. Was hij in 1909 al lid van het Algemene Ziekenfonds Tilburg, en schreef hij in 1921 een belangwekkend artikel over "Ziekenfondsverzekering en ziekenverzorging", waarin hij een pleidooi hield voor het Tilburgse systeem, zijn levenswerk lag toch vooral bij het Algemeen Afdelings Ziekenfonds AAZ, waarvan hij vanaf 1914 tot aan zijn dood het vuur uit zijn sloffen liep.(38) Trouw nam hij elke woensdagvoormiddag met apotheker Kerssemakers de lopende zaken door. Taminiau was eigenlijk een overtuigd tegenstander van het abonnementsysteem: veel liever zag hij dat het ziekenfonds een verrichtingensysteem zou zijn, zoals in de ons omringende landen. Dat was zowel voor de patiënt als kritische consument als voor de huisarts/apotheker als alerte leverancier veel gunstiger, was zijn overtuiging. Toch verloor hij die strijd. Hij moest met lede ogen zien dat reeds begin jaren dertig het abonnementsysteem werd verkozen boven het verrichtingensysteem. Jarenlang heeft Philip Taminiau gevochten voor een goed ziekenfonds. Jarenlang heeft hij met heel zijn enthousiasme, zijn volhoudendheid en vastberadenheid als bindende kracht de gelederen van de artsen gesloten en tegelijk artsen en ziekenfonds bij elkaar weten te houden. En dat was geen sinecure. Maar hij volhardde, tot het einde toe, en met veel succes.



Een faradiseerapparaatje met zwakstroom, zoals gebruikt door Ph. Taminiau. 
Het werd aangewend bij met name nerveuze klachten. Ook die zijn er altijd 
geweest, maar of het hielp? Als u er maar in gelooft! (Foto Jan van Eijck).

Daarnaast had hij nog tijd en energie als bestuurslid van de Vereeniging tot bevordering van de beoefening der wetenschap onder de katholieken in Nederland, was hij lid van het Genootschap t.b.v. natuur- genees- en heelkunde, was hij voorzitter van de Brabantsche Artsencursus, en in de jaren dertig lid van het medisch tuchtcollege in Eindhoven. En dan was hij ook maatschappelijk nog actief: als curator van de Volksuniversiteit en als voorzitter/oprichter van de afdeling Tilburg van de Maatschappij t.b.v. Toonkunst.(39) En daarnaast - of daarboven - had hij ook nog een groot gezin!
Ja, "mijn vader, die had het, zegt zijn zoon en opvolger Pum (A.) Taminiau (geboren 1914) nu nog, mijn vader heeft héél veel gedaan voor ons vak en voor de maatschappij, onnoemelijk veel, daar zijn wij maar kleine jongens bij…".(40) Daar is niets te veel mee gezegd; het zijn dieven die er iets af doen!

Ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het eerste grote 
Tilburgse ziekenfonds, het AAZ oftewel Taminiau’s troetelkind, 
werd in 1939 dit bord gebakken met de opwekkende tekst: dokter, 
ziekenhuis en medicijn, brengen samen zonneschijn! Als je al niet
 goed bent, word je zo wel beter! (coll. Ronald Peeters, Tilburg).

 

Noten

(1)   

Het archief van de afd. Midden-Brabant (vh. Tilburg e.o.) van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) is vanaf 1958 gedeponeerd in het Gemeente-Archief Tilburg (GAT). Het is tamelijk kompleet en goed toegankelijk met een daartoe opgemaakte inventaris (J. van Gils, Tilburg, 1983). De meeste gegevens en citaten uit het afdelingsarchief komen uit de Notulenboeken, inv. Nrs. 6-7, tenzij anders vermeld.De geschiedenis van de afdeling Midden-Brabant van de KMNG is recent beschrven in: Jan A.M. van Eijck, In geneeskunst en vriendschap / medicinae et amicitiae, de geschiedenis van 150 jaar medische praktijk in Midden-Brabant 1849-1999 (Tilburg, 1999)

(2)   

Vgl. Ronald Peeters, De straten van Tilburg (Tilburg, 1987), 36-37

(3)   

Alice Juch, De medisch specialisten in de Nederlandse gezondheidszorg, hun manifestatie en consolidatie 1890-1941 (Rotterdam, 1997), 90-94

(4)   

A. de Knecht-van Eekelen, J.F.M. Panhuysen en G. Rosenbusch, Door het menschelijk vleesch heen, 100 jaar radiodiagnostiek in Nederland, 1895-1995 (Rotterdam, 1995), 84-86

(5)   

ibidem, 55

(6)   

ibidem, 78-82

(7)   

ibidem, 80 (met afbeelding)

(8)   

dr. Th.A. Schlichting en prof.dr. L.G.J. Verberne, Gedenkboek Stichting St Elisabethziekenhuis Tilburg (Tilburg, 1954),42-42

(9)   

Peeters, De Straten van Tilburg, 36

(10)   

drs. A.P.J. Meijs, 150 Jaar Sociëteit Philharmonie 1840-1990 (Tilburg, 1990), 30-43

(11)   

Peeters, De Straten van Tilburg, 36

(12)   

persoonlijke mededeling, oktober 1999

(13)   

De Knecht-van Eekelen, Door het menschelijk vleesch heen, 79 

(14)   

dr. H. Festen, Historische schets van het ziekenfondswezen in Tilburg (Tilburg, 1965), 31-32

(15)   

ibidem

(16)   

archief collectie De dorpsdokter van vroeger, Museum De Doornboom Hilvarenbeek

(17)   

collectie J. van Besouw, Geersbroek/Ulvenhout

(18)   

Festen, Historische schets, 32 en 49

(19)   

ibidem, 32

(20)   

documentatie Museum De Doornboom, Hilvarenbeek

(21)   

Ed Schilders, Moordhoek, De moord op Marietje Kessels in een katholieke kerk (Tilburg, 1988), 51

(22)   

Meijs, Philharmonie, 35

(23)   

Festen, Historische schets, 33-34

(24)   

ibidem, 29-30

(25)   

ibidem, 53 e.v.

(26)   

Peeters, De straten van Tilburg, 49-50; en Festen, Historische schets, 34

(27)   

Cor G.W.P. van der Heijden, "Zij is mij een voortdurende ergernis", Het belangenconflict tussen vroedvrouw J.H. Ledel en de Tilburgse artsen (1905-1906), in Tilburg, Tijdschrift. voor geschiedenis, monumenten en cultuur, 11 (1993), nr. 1, 14-21

(28)   

Peeters, De straten van Tilburg, 50

(29)   

Festen, Historische schets, 33

(30)   

bidem, 124-129

(31)   

ibidem

(32)   

Daniëls, Algemene vergadering te Tilburg, in Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, jrg. 54(1910), II 155-161

(33)   

Verslag Alg. Vergadering gehouden te Amsterdam 15 november 1910, in Ned. Tijdschrift voor Geneeskunde, jrg. 54 (1910), II 2354-2368

(34)   

Vgl. G.J. Bremer, De bijdrage van Nederlandse huisartsen aan de geneeskundige wetenschap in de periode 1900-1950, in B.J.M. Aulbers en G.J. Bremer (red.), De huisarts van toen, een historische benadering (Rotterdam, 1985),120-121

(35)   

ibidem, 121; en Festen, Historische schets, 125

(36)   

Van Eijck, In geneeskunst en vriendschap, 40

(37)   

Festen, Historische schets, 126

(38)   

ibidem, 127 e.v.

(39)   

ibidem, 125-129

(40)   

Persoonlijke mededeling (oktober 1999)

* Drs. Jan A.M. van Eijck (Alphen en Riel, 1950) is werkzaam als jeugdarts en hoofd Jeugdgezondheidszorg van de GGD Midden-Brabant te Tilburg, maar woont in Goirle. In zijn vrije tijd is hij conservator van de medisch-historische collectie De Dorpsdokter van Vroeger in Museum De Doornboom te Hilvarenbeek. Hij publiceert o.m. over heemkunde (o.a. in ´Tilburg´, 1993 en 1999) en de geschiedenis van de geneeskunde. Jan van Eijck is ook kringarchivaris van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunde afd. Midden-Brabant, waarvoor hij in 1999 een gedenkboek schreef.