| 424. Jan van den Broek (1919) | |||
|
Titel: |
Jan van den Broek (1919) |
|
Ondertitel: |
Bode en penningmeester van St.-Lambertus |
|
Auteur: |
Joep Eijkens * |
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
105-108 |
Zie ook: Ten geleide
Voorzover Jan van den Broek zich kan herinneren, telde Tilburg vroeger drie steenfabrieken. Die van Stevens en Claesen lagen bij de Rauwbraken - het prachtige moerasgebied dat verdween onder het zand van Industrieterrein Loven - die van Teurlings aan het begin van de Dongenseweg. En daar werkte Jans vader Louis.
"Hij heeft ook meegeholpen de bond voor steenfabrieksarbeiders op te richten", zegt de voormalige bode en later penningmeester van textielarbeidersbond St.-Lambertus van de KAB en het NKV.
Jan van den Broek werd geboren op 1 februari 1919 in 't Goirke. "Ik meen op 't
Smidspad", zegt hij. "Mijn grootvader had een smederij op 't Lijnsheike." Louis van den Broek en Jo Sparidaens kregen zes kinderen en Jan was de eerste.
"Onze pa was een veel ergere bondsman dan ik", vertelt hij. "Maar toen was het ook harder nodig, hè. Ik heb dikwijls brood naar hem moeten brengen op de steenfabriek. Dan moeste langs de oven heen lopen. Nou, dan liep het zweet oe over de rug. Het was een van de slechtst betaalde banen, maar ja, ik zeg wel eens: hoe zwaarder het werk, hoe lager het loon."
Zijn vader was nogal eens 's avonds op pad voor de bond. "En ik ben vaak meegegaan als hij contributie moest innen. Dat heb ik zelf ook veel gedaan, hè, als bode." Hij vertelt hoe hij ooit zijn kwijtgeraakte 'beurs' met wel vijftig gulden -
"toch gauw een paar weeklonen" - terug had gevonden op zijn laatste adres in een zogeheten kwaaie buurt.
"Ja", zegt hij nu, "ik zei tegen de pastoor van 't Goirke dat ik blij was dat ik mijn beurs niet kwijt was geraakt in de Goirkestraat waar al die fabrikanten wonen. Maar waarom niet? vroeg de pastoor. Och, zei ik, ik denk het zo maar."
J
Jan van den Broek heeft het nooit zo op fabrikanten gehad. Hij vertelt van de tijd dat hij als jongeman lid was van Credo Pugno ('Ik geloof, ik strijd') de propagandaclub die deel uitmaakte van de katholieke arbeidersbeweging. Hoe hij het toen vertikt had om alleen de heren Mannaerts en Pessers en andere leden van het kerkbestuur 'naar hun plaats te begeleiden' op een ouderavond.
"Ik heb een hekel aan voortrekken", zegt hij. "Mensen zijn voor mij allemaal gelijk, maar ja, er was maar één ding belangrijk" - hij wrijft duim over wijsvinger -
"het is erg om te zeggen."
Textielpensioentje
Hij praat over armoede in Tilburg anno 1996. "En dan heb ik het ook over de duizenden die na vijftig jaar in de textiel een pensioentje hebben van 125 gulden in de maand. In andere bedrijfstakken zitten ze zes, zeven keer hoger. Veel textielmensen zijn er slechter aan toe dan mensen die helemaal niks krijgen. Want die vallen weer in allerlei regelingen.
"Bij ons thuis was er ook armoede", vervolgt hij. "Ik kan me wel herinneren dat ik zes sneeën lustte en dat er maar vijf waren. Of dat ge maar 'n een half ei kreegt. Trouwens, toen wij zelf trouwden, woonden we ook in bij een zus van mijn vrouw, op een kamerke met een bed, tafel en stoel..." De kinderen moeten wel lachen als ze weer het verhaal horen dat pa en ma pas bij hun zilveren bruiloft voor het eerst drie dagen op vakantie gingen naar Duitsland. Och, de kinderen zijn gelukkig allemaal goed terechtgekomen.
"Ik heb ze gezegd, het maakt me niet uit wat ge gaat doen, als ge maar niet in de textiel gaat."
Zonde
Jan van den Broek hoort tot de grote groep arbeidersjongens die meteen na de lagere school de fabriek in gingen.
"Er kwam een frater bij ons thuis die tegen ons moeder zei: ''t Is toch zonde dat ge jullie Jan niet laat studeren.' Maar ja, er moest bij ons geld binnenkomen, al was het maar twee, drie gulden per week... Ik denk wel eens dat we die tijd weer terugkrijgen, als ze niet oppassen: dat alleen de jongens met wat losse centen in de zak kunnen gaan leren..."
Zijn eerste baantje als 14-jarige knaap was bij Kastofa-Van Beurden in de Kuiperstraat.
"Ge begont als aanknoper. Iedereen begon zo, ge moest dan de draden op de klossen aan elkaar knopen."
"Ik heb 35 jaar in de textiel gezeten, maar ik heb er nooit graag gewerkt. Maar ja, er was anders niks. Als een groot bedrijf zich hier wilde vestigen, hielden de fabrikanten het tegen, want ze waren bang dat hun arbeiders dan weg zouden lopen, hè.... Niemand heeft me ooit gevraagd of ik de textiel in wilde. Ge kreegt een overall onder oew arm en ge kondt beginnen."
1935
Toen de beruchte textielstaking van 1935 uitbrak, werkte Van den Broek in de wollenstoffenfabrieken van Dröge in de Goirkestraat.
"Ik ben dikwijls zat naar het baantje in de Enschotsestraat gegaan", zegt hij, doelend op de toenmalige wielerbaan tegenover het abattoir.
"Want daar vonden de vergaderingen plaats, hè. Als het maar over 't sociale ging, had ik belangstelling.... Die staking was natuurlijk niet de beste periode, want de bond liep achter de fabrikanten aan, hè. Ik meen dat ik al lid was toen de staking uitbrak. Een broer van mijn moeder, Gust Sparidaens, zat ook bij Lambertus. Als die bij ons thuis kwam ging het met onze pa altijd maar over één ding."
In 1939 moest hij in dienst. De kazerne lag in Breda en twee keer per week fietste 'Broekie' naar Tilburg om de avondlessen van de Textielschool te kunnen volgen.
"En als ge thuis waart in het weekend, konde studeren. Maar ik heb altijd graag geleerd, ik geloof dat ik alles bij elkaar wel honderd cursussen heb gedaan bij de bond."
Aken
Van den Broek was in Vught gelegerd toen de Duitsers op 10 mei 1940 ons land binnen vielen.
"We schoten met geweren op vliegtuigen", vat hij de hopeloze situatie mooi samen. Na verloop van tijd kon hij weer aan de slag bij Dröge. En uiteraard nam hij toen zijn inmiddels behaalde diploma van de textielschool mee, want dat diploma betekende opslag.
"Maar de man van de directie liet weten dat de tijd er niet naar was om iets extra's te doen. Iets extra's! Terwijl het gewoon je recht was!"
In 1942 vertrok hij min of meer gedwongen naar Aken om daar in de textiel te gaan werken.
"Als ik geen ja had gezegd, was het misschien Berlijn geworden." In het najaar van 1944 keerde hij pas weer terug.

Jan van den Broek gefotografeerd bij het 60-jarig jubileum van
St.-Lambertus in 1955. (part. coll.).
Na de oorlog hervatte Van den Broek zijn werk bij Dröge. Tot 1957. De tijd van de massa-ontslagen brak aan en Van den Broek koos eieren voor zijn geld.
"Want ik zou zeker niet tot de laatsten horen, die ze zouden ontslaan. Dus ik vertrok. Ze wilden me eerst niet laten gaan!" Hij kreeg werk bij André van Spaendonck. Tot 1970, toen ook daar de poorten dicht gingen en er een heel andere wereld voor hem openging.
Rooie bond
Maar eerst keren we terug naar de dertiger jaren, toen Van den Broek lid werd van de bond. Feitelijk hoorde hij daarmee tot een minderheid:
"Het hoogtepunt wat wij ooit met Lambertus gehad hebben, is zo'n vierduizend leden, terwijl er toen in Tilburg zo'n 16.000 textielarbeiders waren. De rooie bond, 'De Eendracht' van het NVV, was veel kleiner."
Hij weet nog goed hoe hij ooit langs de deur ging om nieuwe leden te werven en bij een NVV'er binnenkwam.
"Aan de muur hing een diploma dat hij 25 jaar lid was geweest. Ik zei hem: 'Het is wel niet de bond die wij graag hebben, maar ik vind wel goed dat ge al zo lang lid bent.' Nou, die man keek ons vreemd aan. Dat we hem niet afbraken, hè. Maar iemand die geen lid was, vond ik erger dan iemand van de 'verkeerde' bond."
Wat hem aan niet-leden - ook nu nog - vooral niet zint is dat ze meeprofiteren van wat de bond bereikt heeft.
"Neem de vakantie. Door de bond is er vakantie-uitkering gekomen. Er zijn wel eens plannen geweest om de leden een half weekloon te geven en de ongeorganiseerden een kwart, het andere kwart zou dan in een fonds van de bond moeten. Maar daar trapten de fabrikanten niet in, hè. Want dat zou propaganda voor ons betekenen."
Op de vraag of hij nooit neiging heeft gehad om over te stappen naar het NVV, begint zijn vrouw Toos te lachen. Van den Broek weet wel waarom:
"Bij ons zeggen ze wel eens: Jan is 'n halve rooie. Ik ben heel lang lid geweest van de KVP. Omdat die specifiek katholiek was. Maar toen ze zeiden - nog vóór de verkiezingen - dat ze in geen geval zouden samenwerken met de PvdA, heb ik gezegd: de KVP heeft m'n laatste dubbeltje gekregen. Nee, ik steun al lang het CDA niet meer. Maar ik ga elke zondag naar de kerk, dus ik doe wel m'n plicht, denk ik dan."
Fabriekscommissie
Het gesprek komt op zijn werk bij Dröge. Zo'n fabrikant, vertelt Van den Broek, was een soort Onze Lieve Heer. En om iets van de arbeidsverhoudingen duidelijk te maken, gaat hij terug naar de tijd kort na de oorlog.
"Ik zat toen met twee collega's in de fabriekscommissie. Dat was geen ondernemingsraad maar een soort voorloper ervan. Op een gegeven moment vierde de weverijleider zijn 25-jarig jubileum. Daar mochten wij als leden van de fabriekscommissie ook bij zijn. De jubilaris komt binnen. 'Nu zul je wel een sigaartje lusten', zegt Dröge en neemt een kist uit zijn eikenhouten bureau. Toen die man hem wegstak voor de middag, kreeg hij er nog een extra bij. Een collega naast me dacht: nou zullen we ook wel een sigaartje krijgen, maar nee, die kist verdween weer in het eikenhouten bureau."
Ook het dienblad met borreltjes bleef buiten handbereik van de nog steeds staande commissieleden. Ze konden weer terug aan het werk.
"Nou die man naast me vloekte alle duivels uit de hel", vervolgt Van den Broek.
"Ge waart nog minder dan niks. En Dröge was nog niet eens de ergste."
Hij denkt weer aan die keer, nog niet zo lang geleden, toen hij met een groep ouderen een bezoek bracht aan het Nederlands Textielmuseum - direct grenzend aan de voormalige fabrieken van Dröge.
"Op een gegeven moment zei een mevrouw: wat jammer toch, dat heel die textiel voorbij is in Tilburg. Nou mevrouw, heb ik gezegd, het is echt niet allemaal goud wat er blinkt: ik heb zelf nog een dag of acht moeten staken voor een kwartje extra in de week!"
Penningmeester
Het incident met de gemiste sigaar en borrel speelde rond 1947, dezelfde tijd waarin Van den Broek bij St.-Lambertus bode werd. Daarmee trad hij toe tot het leger van zo'n veertig man die regelmatig op pad gingen om contributie te innen bij de leden thuis.
"Dat heb ik gedaan tot ze overstapten op automatisch betalen, ik schat zo eind jaren
zeventig", zegt Van den Broek. "Eigenlijk hadden ze ermee door moeten gaan, want met dat automatisch betalen is het persoonlijk contact met de leden helemaal weggevallen. En ze zeggen dan wel dat het op een andere manier ook kan, maar daar merkte heel weinig van. Als er vroeger ergens in een fabriek iets aan de knikker was, dan wist je het. Nu
weette het pas, als het kwaad al geschied is."
In 1953 bestuurslid geworden, promoveerde hij in 1956 tot penningmeester van de plaatselijke afdeling van St.-Lambertus.
"Daarnaast ben ik ook een tijd lang bondsraadslid geweest. Daar hadde 'n beetje medezeggenschap op het gebied van arbeidsvoorwaarden."
Het penningmeesterschap was bepaald geen sinecure. Van den Broek: "Ik zeg altijd: de voorzitter kan iets verkeerd zeggen, de secretaris kan iets verkeerds schrijven, maar als de penningmeester iets verkeerds doet, kost het geld. Ik heb ook altijd gezegd: ik doe dit niet tot m'n 65ste." Trots vertelt hij hoe hij maar liefst 20.000 gulden in kas wist te krijgen voor de viering van het 75-jarig jubileum van de plaatselijke afdeling door al tien jaar van te voren geld opzij te leggen. Maar het had bij het landelijk bestuur wel scheve gezichten gegeven.
Damastweverij
Als het aan Van den Broek had gelegen, hadden de Tilburgse textielfabrieken tien jaar eerder mogen sluiten. Zelf zat hij zoals gezegd bij André van Spaendonck toen daar in 1970 het doek viel.
"Wij waren een van de weinigen met een goeie afvloeiingsregeling, tenminste voor die tijd. Een gouden handdruk zou ik het niet willen noemen, maar er waren er wel bij die een paar duizend gulden meekregen. Hoe eerder ge gingt, hoe meer ge beurde."
Even leek het erop dat de toen 51-jarige Van den Broek emplooi zou vinden in een kruitfabriek, maar toen het om werk in ploegendienst bleek te gaan, bedankte hij toch.
"Want mijn gezondheid was ook niet zo best en dan had ik nog mijn werk bij de vakbeweging, en mijn gezin."
In plaats daarvan diende zich de bijzondere mogelijkheid aan om samen met Gérard Verhoof en Bert Beerens een damastweverij op te zetten in de voormalige gebouwen van de Tilburgse Katoenspinnerij. En wel op initiatief van de gemeente Tilburg. De werkzaamheden zouden geschieden in WSW-verband, zoals de sociale werkvoorziening toen nog heette.

100 jaar vakbeweging in Tilburg 2 februari 1996. Op de voorste rij helemaal links Wim van Bavel.
Daarnaast Miet van Puijenbroek. Zittend tweede van rechts Jan van den Broek (foto Rien
Siers; coll. RHC Tilburg).
"Dat is de enige tijd geweest dat ik graag in de textiel heb gezeten", zegt Van den Broek.
"Het ging om een product dat je helemaal van begin tot eind zelf maakte." "En er zat niemand met een klok achter je
aan", voegt zijn vrouw eraan toe.
Van den Broek: "Toen ik daar in 1984 met pensioen ging heb ik gezegd: ik hoop dat die S van Sociaal hier blijft bestaan. Kijk, het economische mag niet ten koste gaan van het sociale, maar andersom ook niet. Ik krijg nu wel eens de indruk dat ze steeds minder mensen in dienst nemen voor wie het eigenlijk bedoeld is..."
Armoede
De vakbeweging van de jaren dertig en die van nu zijn amper met elkaar te vergelijken, vindt Van den Broek.
"Ik geloof niet dat er nu nog mensen zijn die niet vinden dat er een vakbeweging moet zijn. Maar het probleem is nog steeds dat veel mensen zeggen: het lidmaatschap kost me te veel... Nu krijg je al snel dat werkgevers zeggen: 60 procent is geen lid, dus die staan aan onze kant."
Hij vindt het heel jammer dat het niet tot één grote vakbeweging van NKV, NVV en CNV is gekomen. En het zint hem evenmin dat er zoveel bonden apart van elkaar opereren.
"Er zou één FNV moeten zijn".
En weer komt Van den Broek terug op zijn grote zorg over de steeds diepere kloof tussen arm en rijk in Nederland. Hij kent de armoedeproblematiek van nabij: sinds zijn pensioen zat hij in de districtsadviescommissie van de bond voor uitkeringsgerechtigden en in het bestuur van de Katholieke Bond van Ouderen Heikant-Quirijnstok.
"Ik ben nu aan m'n laatste seizoen bezig als voorzitter van de Samenwerkende Ouderen Organisaties Noord."
Het laatste seizoen ja, want zijn hart werkt niet meer zo best. En zijn vrouw begint ook al moeilijk te lopen.
"Ik ga nog veel naar vergaderingen van de KBO Heikant, de SBT en SOON. Maar ik ben aan het afbouwen. Als ik thuis ben, lees ik de krant, hou de tv bij en luister graag naar muziek, meestal operette. En heel af en toe maken we nog een dansje, maar dat wordt allemaal minder, hè."
Twee huizen
Als het notitieblokje in de tas gaat en de bezoeker aanstalten maakt om te vertrekken, zegt Jan van den Broek opeens:
"Al sinds ik getrouwd ben, heb ik vrijwilligerswerk gedaan. Dat heeft me meer gekost dan opgeleverd. Iemand zei me laatst: als ge in plaats daarvan nou voor oezelf had gewerkt al die tijd, dan hadde nu twee huizen gehad... Maar ik heb het altijd graag gedaan en belangrijk gevonden dat het gebeurt. Gelukkig zijn er meer mensen die er zo over denken. Als dat niet het geval was, zag de wereld er iets anders uit, denk ik..."
* Joep Eijkens (Tilburg, 1951) studeerde geschiedenis in Nijmegen. Hij is werkzaam als redacteur bij het
Brabants Dagblad.




