Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
427. Tekenleraar C.C. Huijsmans (1810-1886)
 

Titel:   

Tekenleraar C.C. Huijsmans (1810-1886)

Ondertitel:   

Tilburg en de Rijks-HBS Koning Willem II (1866-1877)

Auteur:   

Wilma van Giersbergen*

Jaargang:   

XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

3

Pagina’ s:   

55-67


In 1865 werd Constant Huijsmans op persoonlijk advies van minister Thorbecke als tekenleraar aangesteld op de Rijks-HBS Koning Willem II te Tilburg. Ondanks het vooruitzicht op een schitterende carrière zou het een bittere teleurstelling worden. Bij zijn benoeming speelden behalve bekwaamheden ook politiek-godsdienstige motieven een belangrijke rol. Uiteindelijk zouden onwil en kortzichtigheid van burgerij en clerus de Rijks-HBS op de rand van de afgrond brengen. Het deed Huijsmans in 1877 besluiten Tilburg voorgoed de rug toe te keren.



Constant Huijsmans (1810-1886) op latere leeftijd (Repro
 in RHC Tilburg, coll. KMA, Breda).

Sinds 1837 was Constantinus Cornelis Huijsmans als tekenmeester in de handtekenkunde verbonden aan zowel het Stadstekeninstituut in Breda als aan de Koninklijke Militaire Academie (KMA). Van het Stadstekeninstituut was hij tevens directeur. Huijsmans ontpopte zich als een bezield docent met uitgesproken ideeën over tekenonderwijs en kunstnijverheid. Uit onvrede met de bestaande leercursussen ontwikkelde hij drie tekenmethoden.(1) Zijn cursus Grondbeginselen leverde hem in 1852 het lidmaatschap op van de Koninklijke Akademie van Beeldende Kunsten te Amsterdam. Daarnaast publiceerde hij tussen 1853 en 1864 drie kritische artikelen in het gerenommeerde tijdschrift De Gids waarin hij het Nederlandse tekenonderwijs aan de kaak stelde(2). Met name met zijn artikel Eene vraag des tijds. Kunst en Industrie uit 1864 - waarin hij stelde dat hij, in tegenstelling tot minister Thorbecke, wel degelijk vond dat kunst een regeringszaak was - trok hij de aandacht van de minister.

De functie op de Rijks-HBS kwam hem als geroepen. Zowel op de KMA als op het Stadstekeninstituut werkte Huijsmans al enige jaren niet meer naar tevredenheid. Op de KMA vond in 1857 een grote reorganisatie plaats die een ongunstig effect had op het tekenonderwijs en de positie van de betreffende docenten. Bovendien werd door de komst van de fotografie het tekenonderwijs langzamerhand geminimaliseerd en het aantal uren voor dit vak aanmerkelijk teruggebracht.(3) Huijsmans echter bleef overtuigd van het belang van tekenonderwijs aan de cadetten. Helaas had zijn rapport met aanbevelingen en suggesties ten aanzien van het tekenonderwijs, dat hij ontwikkelde in opdracht van de gouverneur van de KMA, weinig invloed.(4)
Ook op het Stadstekeninstituut kreeg hij de nodige teleurstellingen te verwerken. Door een deel van de gemeenteraad werden school en directie - in dit geval dus Huijsmans - in diskrediet gebracht.(5) Bovendien koppelde het Rijk in 1863 de moeizaam lopende avondtekenschool aan het gunstig bekend staande Stadstekeninstituut. Al deze factoren waren voor Huijsmans aanleiding zich te bezinnen op zijn verdere toekomst. En in 1864 - dus nog voordat zich een nieuw perspectief aandiende - speelde hij met de gedachte de beide functies neer te leggen.(6) 

Een nieuwe functie

In augustus 1865 lokte J. Bosscha (1831-1911), inspecteur van het middelbaar onderwijs voor Noord-Brabant, Gelderland, Utrecht en Limburg, Huijsmans naar de nieuw op te richten Rijks-HBS Koning Willem II in Tilburg. Het was een van de eerste zes HBS'en in Nederland en de eerste in Brabant.(7) De doorslaggevende reden voor Huijsmans om deze functie te aanvaarden was het vleiende argument van de inspecteur, die Tilburg schetste als een nieuw centrum van kunst waaraan Huijsmans veel zou kunnen bijdragen. 'De Rijksschool Willem II zou dan een centrum voor onderwijs van kunst kunnen worden. Wie weet hoeveel leerlingen gij daarheen zoudt trekken, die zich onder uwe leiding alleen voor het teekenen kwamen bekwamen', zo schreef hij Huijsmans in augustus 1865.(8) 



Advertentie uit de Tilburgsche Courant van 9 december 1865 
waarin het docententeam van de Rijks-HBS wordt aangekondigd 
(coll.  RHC Tilburg).

Dit gaf Huijsmans de indruk dat hij in Tilburg zijn creativiteit en inspiratie ten gunste van het tekenonderwijs opnieuw zou kunnen aanwenden. Bovendien plaatste de functie van tekenleraar aan een Rijks-HBS 'hem in eene veel meer gunstige verhouding [...] dan bij deze Akademie ooit het geval zou kunnen worden, en in welke hij mede in het algemeen belang, vele en goede diensten zal kunnen bewijzen', berichtte de gouverneur van de KMA de minister van Oorlog.(9) Behalve een hogere sociale status lag er voor Huijsmans ook een financiële vooruitgang in het verschiet. In plaats van de maximale 1200 gulden op jaarbasis zou zijn salaris aanvankelijk 1500 gulden bedragen. Het was een aantrekkelijk loon dat hem geboden werd, want veel tekendocenten verdienden minder dan 1200 gulden.(10) 

Het meest verrassend was echter dat Bosscha het uiteindelijk bij de minister gedaan kreeg om Huijsmans 1800 gulden toe te kennen. En daarvoor hoefde hij alleen het handtekenen te verzorgen en niet het rechtlijnig tekenen zoals gebruikelijk was. Daarmee was, schreef de inspecteur vol trots, Huijsmans 'het eerste voorbeeld van een leraar in de schoone kunsten wiens positie beter is dan die van een leeraar in de wetenschappen. Immers met betrekking tot het aantal lesuren is de jaarwedde hooger dan die van eenigen anderen leeraar. Nergens werd tot dusverre aan een leeraar in hand- en regtlijnig teekenen te samen meer dan f 1200 toegelegd.'(11) Toch nam Huijsmans, ondanks de rooskleurige vooruitzichten, pas na veel wikken en wegen zijn besluit, en uiteindelijk was het Bosscha die hem, na enige druk uitgeoefend te hebben, over de streep trok. Huijsmans' verhouding tot gouverneur Van Overstraten, die hij zeer waardeerde, speelde in zijn beslissing een rol, maar ook het betere salaris dat hem op de valreep nog door de KMA geboden werd. Helaas kon Van Overstraten het vertrek van 'deze hoogst verdienstelijk onderwijzer' niet beletten en tot zijn grote spijt moest hij de minister van Oorlog meedelen dat het afscheid 'een werkelijk verlies voor deze Inrigting wezen zal'.(12)

Op 9 december 1865 verscheen Huijsmans' aanstelling als docent handtekenen aan de Rijks-HBS in Tilburg in de Tilburgsche Courant . In april 1866 nam Huijsmans zijn nieuwe functie in en hij vertrok naar Tilburg. Dat het Rijk uitdrukkelijk Huijsmans verkoos, daaraan droeg zeker zijn reputatie als tekendocent bij. Wat hij echter niet kon bevroeden, was dat er aan zijn benoeming politiek-godsdienstige motieven ten grondslag lagen, die uiteindelijk doorslaggevend waren voor zowel aanstelling als salaris.

Een nieuwe schoolvorm: de Hogere Burgerschool 

De Hogere Burgerschool was een volstrekt nieuw fenomeen en het gevolg van de Wet op het middelbaar onderwijs van 1863. Ze betekende een belangrijke vernieuwing. De HBS was een praktische opleiding, bedoeld voor jongens die hogere posities ambieerden in bijvoorbeeld het steeds groeiende bedrijfsleven. Daartoe bood de school een drie- of een vijfjarige cursus met vakken gericht op nijverheid en industrie. De nadruk in het programma lag op de exacte wetenschappen, talenkennis en boekhouden, maar gezien haar uiteindelijke doel werd er relatief veel tijd besteed aan tekenonderwijs. Het Rijk nam door het stichten van neutrale HBS'en het initiatief dat door provincies, gemeenten en particulieren overgenomen diende te worden, al dan niet gesubsidieerd met rijksgelden. 

Het eerste resultaat was in 1866 de start van zes Rijk-HBS'en. Vele zouden daarna nog volgen. Door persoonlijke bemoeienis van de liberale minister Thorbecke werd de eerste Rijks-HBS van Brabant in Tilburg gevestigd en niet in 's-Hertogenbosch, dat eveneens aanspraak maakte en dat zelfs - in tegenstelling tot Tilburg - al een gebouw ter beschikking had. Als argument voor zijn keuze stelde Thorbecke dat Tilburg zich de afgelopen jaren meer en meer ontwikkeld en uitgebreid had ten gunste van het fabriekswezen. Een goede middelbare school mocht daarbij volgens hem niet ontbreken.(13) De verwachting was dat een HBS een positieve bijdrage zou leveren aan de verdere ontwikkeling van de stad. Thorbeckes bezoek aan Tilburg op 1 oktober 1863, dat hij met het voltallig kabinet had gebracht om de opening van de spoorwegverbinding Breda-Tilburg bij te wonen, had de doorslag gegeven. Met eigen ogen had hij toen de Tilburgse bedrijvigheid aanschouwd. Ook loco-burgemeester en wethouder van onderwijs, J.A.H. Diepen, die hem toesprak, bleek een bepleiter van de HBS te zijn.(14) 



Rijks-HBS Koning Willem II in 1874 (foto T. Weijnen, Maastricht. Coll. RHC
Tilburg).

Geen voorstanders daarentegen waren de Tilburgse notabelen en de clerus, die immers afkerig was van openbaar onderwijs. Diepen, tijdens het bezoek een confrontatie met de geestelijkheid vrezend, was zo tactisch geweest haar te adviseren niet bij de plechtigheid aanwezig te zijn. Het gevolg was dat Thorbecke op dat moment zijn belangrijkste tegenstander miste, want hoewel bij het ministeriële bezoek afwezig, bleek de geestelijkheid niettemin oppermachtig en haar tegenstand zou verstrekkende gevolgen hebben voor de HBS.

Kort na het bezoek van Thorbecke diende Tilburg op 22 oktober 1863 officieel een verzoek in tot oprichting van een HBS en het gaf te kennen behoefte te hebben aan een vijfjarige cursus. Omdat de gemeente de benodigde lokalen niet ter beschikking kon of wilde stellen, richtte ze zich tot de erfgenamen van wijlen koning Willem II met het verzoek om het aan hen toebehorend paleis, dat op dat moment leeg stond, aan de gemeente af te staan ten behoeve van de op te richten Rijks-HBS. Het positieve antwoord bevorderde de vestiging van de school. Wel moest het paleis belangrijke wijzigingen ondergaan om als school te kunnen functioneren. Daarvoor werden van rijkswege de nodige maatregelen genomen. Uiteindelijk werd in het KB van 6 december 1864, no 74 vastgelegd dat 'eene der Rijks- hoogere burgerscholen van vijfjarigen cursus, onder den naam van Rijksschool Willem II, te Tilburg' werd gevestigd. Daarmee was de eerste HBS in Brabant een feit.(15) 


Tilburg: katholiek en bekrompen

Al snel na zijn verhuizing begreep Huijsmans dat Tilburg een heel ander karakter en andere mentaliteit had dan Breda, de stad waar hij tot die tijd gewoond had. In het centrum, aan het Ven, liet Huijsmans een vrijstaand huis bouwen omgeven door een grote tuin waar hij samen met zijn zus Oda (1829-1913) ging wonen.(16) Zijn woonomgeving viel hem niet mee, want hij klaagde over de slechte infrastructuur. 'Wij wonen op 3 minuten afstand van de kerk, van het stadhuis en de school en er is geen straatweg en geen waterleiding', schreef hij eind 1867 aan zijn vriend Pieter Johannes Veth (1814-1895). Er waren perioden dat door de regen alles rondom het huis een modderpoel was, zodat er geen bezoek ontvangen kon worden. Bovendien vond Huijsmans de stad allesbehalve aantrekkelijk en aan Veth schreef hij dan ook: 'Alles is hier in Tilburg even lelijk en den toestand van de stad - want het is godbetert eene stad! - er zoo wat uitziet, zoo als Gij u verbeelden kunt dat een fatzoenlijk dorp in de midden eeuwen was.' (17) Het in korte tijd flink uit de kluiten gewassen Tilburg kon inderdaad nauwelijks een charmante stad genoemd worden. 

De industrie - met name de textielindustrie - had zich snel uitgebreid en het inwonertal zou van circa 14.000 inwoners in 1848 oplopen tot ruim 20.000 in 1868.(18) Het merendeel van de bevolking bestond uit laaggeschoolde arbeiders. Zo dreef bijvoorbeeld een groot deel van de textielindustrie nog op thuiswevers. Omdat de lonen er laag waren, was de verwerking van ruwe grondstoffen vanuit Leiden en Haarlem naar Tilburg verplaatst. De afwerking van het eindproduct, waarvoor beter geschoolden nodig waren, vond plaats in de moedersteden.(19) Huijsmans schaamde zich dan ook stevig voor zijn nieuwe woonplaats. Toen Veth hem vroeg of diens zeventienjarige zoon Daniël voor een logeerpartij welkom was, reageerde Huijsmans zeer verheugd doch terughoudend. Hij was namelijk zeer gehecht aan deze jongen en het idee van zijn komst vond hij erg aanlokkelijk, maar hij vroeg zich af of de stad wel zou kunnen bijdragen aan de vorming van deze knaap. Zelf zag hij alleen mogelijkheden via hemzelf en via de HBS, 'want er is misschien geen tweede plaats, zoo oliedom, als mijnen tegenwoordige verblijfplaats. Er is niets wat tot kunst of schoonheidsgevoel opwekt, en integendeel alles wat het kan uitdoven als het bestaat', schreef hij Veth als antwoord.(20) 

Behalve met een onaantrekkelijke woonomgeving werd Huijsmans al snel geconfronteerd met de mentaliteit van de bovenlaag van de bevolking. Bij hen bespeurde hij een grote desinteresse, ongeletterheid en lethargie waar het cultuur en onderwijs betrof. Bovendien hield de katholieke elite, samen met de clerus, de hele gemeenschap in haar greep. De bovenlaag waar Huijsmans mee te maken kreeg, werd gevormd door de nieuwe kapitaalkrachtige fabrikanten. Dit was een financiële elite en geen intellectuele. Een oude elite, zoals in Breda, die kunsten en onderwijs stimuleerde, ontbrak nagenoeg in Tilburg en wat vooral opviel was dat de nieuwe bovenlaag niet in staat was een onderwijskundig en cultureel klimaat te scheppen. Behalve dat ze het belang ervan niet inzag, was ze, volgens Huijsmans, absoluut niet onderlegd. Hij kwam dan ook tot de conclusie dat de vestiging van een zo grote school als de HBS de persoonlijke wens van Thorbecke was geweest. 

Kennelijk had de minister zich laten verleiden door het denkbeeld van een grote industrie die een hoog peil kon bereiken, 'maar het is eene Industrie van ruwe grondstoffen - het zijn wevers - schatrijke en dood arme wevers - en de hoogste staan op weinig hogere trap van beschaving als de laagste - en gevoelen volstrekt niet de behoefte om meerdere ontwikkeling', schreef Huijsmans in 1867.(21) Het mag duidelijk zijn dat hij met de 'schatrijke wevers' denigrerend de textielfabrikanten bedoelde. Het verschil met de doodarme Tilburgse wever was, naar zijn mening, slechts gelegen in het bezit van kapitaal, niet in dat van enige beschaving. Wat Huijsmans de industriëlen echter het meest verweet, was niet eens hun gebrek aan ontwikkeling, maar het feit dat ze zich aan hun verantwoordelijkheid onttrokken het volk op een hoger peil te brengen. Zo schreef hij in 1875: 'De plaatselijke industrie, dooft hier alle hoger leven, omdat zij aan niets, buiten materiaalen zaken, behoefte heeft, en diegene die op de hogere ontwikkeling van het volk invloed zouden kunnen uitoefenen, in hun eigenbelang, nog het weinige uitdoven dat bestaat.' (22)

Hij achtte het onnadenkend en kortzichtig dat de industriëlen niet zagen dat het ontwikkelen van de Tilburgers ook in hun eigen belang was. Ook de Commissie van Toezicht was, toen de HBS geen leerlingen trok, eenzelfde mening toegedaan, zij het dat zij een andere oorzaak zag dan alleen desinteresse. Volgens haar was de bevolking opgevoed in een streng christelijk geloof en van kindsbeen af gewend aan harde arbeid. Doel was binnen de kortst mogelijke tijd de Tilburgse industrie tot bloei te brengen. Flinke handarbeid werd daarbij belangrijker geacht dan grote wetenschappelijke kennis. Wel nam men elke innovatie aan die de industrie kon verrijken, maar 'men bleef vreemd aan de gedachte, om door eigen aanschouwing zich met de wetenschap zelve vertrouwd te maken.' Bovendien stonden godsdienstzin en rechtzinnig geloof een vorm van onderwijs in de weg dat zich richtte naar rationalisme en materialisme.(23) 



Achterzijde van de Rijks-HBS Koning Willem II in 1874 (foto T. Weijnen, Maastricht. Coll. RHC
Tilburg).

De notabelen vormden een hecht katholiek bolwerk binnen de stad. Dit was bevorderd doordat Tilburg in 1842 zetel was geworden van de tamelijk autocratisch ingestelde bisschop Joannes Zwijsen (1794-1877). Toen Zwijsen in 1864 naar 's-Hertogenbosch vertrok, was er in Tilburg een stevige katholieke basis gelegd.(24) Het katholieke gezag, en dan met name de orthodoxe katholieken - ultramontanen genoemd - liet zich in Tilburg op alle fronten gelden. In de strijd tegen de liberalen boycotten de ultramontanen de openbare HBS vanaf het begin zoveel mogelijk. De godsdienstkwestie werd nog toegespitst door het in 1868 door de Nederlandse bisschoppen uitgevaardigde amendement dat bepaalde dat het voor katholieken alleen geoorloofd was die scholen te bezoeken die gedragen werden door de katholieke beginselen. De openbare school werd daarmee verboden terrein voor katholieken, tenzij er geen andere mogelijkheid tot scholing was. Katholieken die trouw bleven aan hun liberale opvattingen hadden het vooral in plaatsen als Tilburg erg moeilijk. Zoals we zullen zien, werden binnen de Tilburgse HBS docenten met verschillende religieuze opvattingen - katholieken, met als de beide uitersten de liberale katholieken en de ultramontanen, en de protestanten, eveneens in al hun diversiteit - tegen elkaar uitgespeeld en werd hun het werken nagenoeg onmogelijk gemaakt.

Kort na zijn vestiging in Tilburg kreeg Huijsmans direct te maken met 'het gezag' of 'de zwarte partij', zoals hij de geestelijkheid noemde. Hij kwam snel tot de ontdekking dat er maar één gezag in de stad was waar iedereen, inclusief burgemeester en raad, zich zonder morren aan onderwierp; dat was het gezag van kerk en pastoor. Het verschil met Breda, een stad die altijd als liberaal omschreven was, bleek voor hem moeilijk te verteren te zijn. Om duidelijk te maken hoe groot de greep van de kerk op het dagelijks leven in Tilburg was, beschreef Huijsmans een concert waar de heren met hun dames aanwezig waren. Spottend vertelde hij dat zo gauw het donker werd er een afgevaardigde van de pastoor binnenkwam, 'een of ander Jufvrouwtje en zegt U "Weet Ge wel dat het al half acht is, - de Pastoor zal niet tevreden zijn" en alle staan op en gaan bedaard naar huis.' Met kermis mochten er weliswaar bals zijn, maar nooit bij avond. De dames werden dan verzocht naar huis te gaan en de heren keerden alleen terug 'en zwelgen de nachten door', aldus Huijsmans. Verontrust vroeg hij zich daarom af, als 'het gezag' de mogelijkheid kreeg zich in het openbaar zo te doen gelden, hoe het dan gesteld was met de inmenging in het huishouden en de opvoeding van de jeugd.(25) 

Huijsmans realiseerde zich dat hij in het hart van de ultramontanen was komen wonen en besefte terdege dat hij slecht met de bewoners zou harmoniëren, wanneer hij openlijk voor zijn mening zou uitkomen. Voor hem gold dat de beide uiterste partijen, enerzijds de ultramontanen en anderzijds de liberalen, even onverdraagzaam waren. Naar zijn mening was huichelen de enige manier om in Tilburg te overleven, maar omdat dit hem tegen de borst stuitte, trachtte hij een oplossing te vinden die niet tegen zijn geweten indruiste.(26) Hij probeerde zoveel mogelijk het openbare leven te mijden en trok zich terug in zijn atelier dat 'een stil en aangenaam verblijf [is], waar mooije platen en plijster afgietsels, met eenige geschilderde schetsen en mijne goedelieve boeken eene oasis, in den vreesselijke woestijn, vormen', zo schreef hij ruim anderhalf jaar na aankomst in Tilburg.(27) 

Dit gemanoeuvreer tussen alle partijen door drukte hem zeer zwaar, maar wanneer het erop aankwam, liet hij zijn standpunt wel duidelijk blijken. Zo voegde hij bij katholieke feesten in 1872 daad bij woord en constateerde hij hoe zwak de 'zwarte partij' was, want slechts op twee katholieke huizen - waaronder dat van hem - pronkte de vlag met oranje wimpel, zo noteerde hij. Zelfs de protestanten en de joden die uitgebreid vlagden bij de eerder gehouden Piusfeesten, hielden de vlag binnen. 'Zoo zit reeds onze flinke hollandsche geest gedrukt onder de knie van dat zwarte clericalisme', constateerde Huijsmans. Maar als men echt de heersende geest in Tilburg wilde leren kennen, zo adviseerde Huijsmans aan Veth, dan moest men vooral de Tijd lezen en 'die vuile' Maasbode 'wanneer Ge er de moed toehebt'. (28) De Maasbode zou in 1876 inderdaad een grote rol spelen bij het ontslag van J.H.H. Hülsmann, directeur van de HBS.

Feit is dat inspecteur Bosscha, toen hij Huijsmans bij Thorbecke aanbeval, op de hoogte was van de te verwachten moeilijkheden op de Tilburgse HBS. Zo berichtte hij al in 1865 aan de minister dat de benoeming van de als ultra-katholiek bekend staande F.C. Soer, die zich als docent bij de HBS had aangemeld, bij de gematigde katholieken niet welkom zou zijn. Het was een vooruitziende blik die bewaarheid zou worden. Maar omdat er te veel weigeringen onder de kandidaten waren, zag Thorbecke zich genoodzaakt Soer aan te stellen.(29) 

Huijsmans stond bekend als een liberale katholiek. Al in 1843, toen de godsdiensttwisten tussen katholieken en protestanten in Breda zo hoog opgelopen waren dat er in de hele stad rellen uitbraken, veroordeelde hij fel het intolerante gedrag van de beide partijen.(30) Zelf bleef hij zijn hele leven lang bevriend met de protestanten Veth en Bosscha die hij beiden van de KMA kende. Tekenend is wel dat Veth bij Huijsmans' dood in 1886 aan Oda Huijsmans schreef: 'en het verschil in godsdienstige belijdenis heeft nooit in die schoone harmonie ook maar den geringsten wanklank gebracht.' (31) Aan Thorbecke adviseerde Bosscha dan ook Huijsmans aan te stellen die 'door godsdienstige gezindheid [...] meer dan anderen geschikt [is] de bevolking van Tilburg en Brabant vertrouwen in te boezemen voor de school.' (32) Hij veronderstelde dat Huijsmans in staat zou zijn de op de HBS te verwachten problemen op te vangen. Dit zou verschillende zaken verklaren, zoals de druk die de inspecteur op Huijsmans uitoefende zijn baan aan de KMA vaarwel te zeggen, en het exorbitant hoge salaris dat hem uiteindelijk toegekend werd. Helaas had Huijsmans er geen weet van dat hij als buffer ingezet werd, en helaas voor Bosscha was Huijsmans niet bij machte het web van politieke en godsdienstige intriges te doorgronden.

De Tilburgse HBS

Tussen 1866 en 1873 maakte Huijsmans drie directeurswisselingen mee; een veeg teken. Eerste directeur was de onkundige F.J.A. Fles (1827-1889) die al na een jaar gedwongen werd af te treden. Ook de bemoeizuchtige W.H. Fenger (1838-?) onderging in 1873 eenzelfde lot. De bekwame J.H.H. Hülsmann (1836-?) daarentegen, waarvoor Huijsmans zeer veel respect had, werd op zodanige wijze in diskrediet gebracht dat hij uiteindelijke zelf ontslag nam. 

Huijsmans onder directeur Fles

Fles startte met een lerarenkorps bestaande uit tien docenten, waarvan drie uit het buitenland: twee uit Duitsland en één uit Engeland.(33) Ondanks het feit dat de behoorlijke jaarwedden vele kandidaten trokken uit voornamelijk de betere stand, waren er voor de exacte vakken onvoldoende docenten beschikbaar. Zij werden met name uit Duitsland gerekruteerd. Als verklaring voor die keuze gaf de regering dat deze docenten ervaring opgedaan hadden aan middelbare scholen en over voortreffelijke methoden beschikten. Bij aanvang stonden die tien docenten ter beschikking van dertien leerlingen. Dit was namelijk het aantal dat zich voor dat eerste jaar had aangemeld, maar na een geschiktheidsonderzoek bleek slechts één leerling in staat het hoger onderwijs te volgen. De overige leerlingen ontbrak het zowel aan kennis als aan 'ontwikkeling van verstand en oordeel.' (34) 

Een eerste klas zat er dan ook niet in. Met enig leedvermaak berichtte de Tilburgsche Courant in februari 1866 dat de heren docenten gearriveerd waren, maar 'de opening der school zal echter nog wel kunnen achterwege blijven, aangezien voor zooveel bekend is, zich nog geene leerlingen hebben aangemeld.' In april startte de vijfjarige HBS daarom met alleen een voorbereidingsklas.(35) Bosscha waarschuwde directeur Fles dat hem grote moeilijkheden te wachten stonden 'om de leerlingen op de hoogte te brengen; gemis aan kennis op een leeftijd althans, waarop die verwacht mag worden, gaat gewoonlijk gepaard met gemis aan ijver en leerlust.' (36) Ondanks de geconstateerde beperkte verstandelijke vermogens waren de jongens afkomstig uit de gegoede klasse, meest kinderen van fabrikanten. Het schoolgeld - dertig gulden per jaar - was immers voor arbeiderskinderen niet op te brengen.(37) 

In de loop van de cursus steeg het aantal leerlingen tot vijfentwintig, waarvan vijf jongens deelonderwijs volgden. Het was namelijk voor leerlingen ook mogelijk partieel onderwijs te volgen en zich in die vakken te bekwamen die ze voor hun beroep meenden nodig te hebben. Bij het overgangsexamen bleken er slechts elf leerlingen in staat om in augustus 1866 naar de eerste klas over te gaan.(38) De school opende toen haar eerste volledige cursusjaar met alleen een voorbereidingsklas en een eerste klas. Als enige HBS in het land waren aanmeldingen voor klassen hoger dan de eerste uitgebleven. Met de 31 aangemelde jongens voor volledig onderwijs had ze op dat moment ook het kleinste aantal leerlingen van alle HBS'en. De leeftijden op de HBSen varieerden van beneden de twaalf jaar tot boven de achttien jaar, zij het dat die zich in Tilburg concentreerden in de laagste klas.(39) 



Schoolfoto Rijks-HBS Koning Willem II, waarschijnlijk in 1866 of 1867 genomen. C.C. 
Huijsmans zit vermoedelijk direct rechts van de tafel. Leerling Vincent van Gogh is 
vermoedelijk de derde van rechts op de voorste rij (Repro Gemeentearchief Tilburg. Coll. 
Koning Willem II college, Tilburg).

Bekend is dat zich dat jaar onder de leerlingen van de eerste klas de dertienjarige Vincent van Gogh bevond.(40) Uit alles bleek het cursusjaar 1866-1867 voor Tilburg teleurstellend te verlopen, maar de overheid veroorloofde zich niet over het resultaat van de leerlingen een oordeel te vellen. Zij oordeelde dat voor de vakken handtekenen en gymnastiek, vakken waarvan ze veronderstelde dat ze tot op zekere hoogte onafhankelijk waren van de intellectuele vermogens van de leerlingen, de beste resultaten geleverd waren.(41) Daarmee had Huijsmans zijn eerste pluim te pakken.



Detail van waarschijnlijk Constant Huijsmans (1810-1886) 
ca. 1866, genomen uit de schoolfoto (Repro RHC Tilburg. 
Coll. Koning Willem II college, Tilburg).

De geringe resultaten waren niet alleen te wijten aan de beperkte intellectuele vermogens van de jongens, maar ook aan het bestuurlijke onvermogen van directeur Fles, die geen enkele onderwijservaring bezat. Zijn start was al slecht geweest. Hoewel voorgedragen door Thorbecke was hij vanaf het begin niet welkom geweest, zeker niet bij de geestelijkheid, ondanks zijn katholieke geloof en de algemene achting die hij in Breda - waarvan hij afkomstig was - genoot.(42) Volgens Huijsmans was Fles een persoon die noch bij de leerlingen, noch bij het personeel respect afdwong. Hij was iemand 'die overal en een ieder stootte, zonder dat hij zich daarvan bewust was'. Hij had geen vertrouwen en toonde gebrek aan tact en menselijkheid. Kortom: hij was zeker niet de geschikte persoon om deze moeilijke school te leiden. Zoals te verwachten viel, werd Huijsmans de vertrouwenspersoon van de docenten en de Commissie van Toezicht. Voor zichzelf raakte hij daarmee in tweestrijd. Enerzijds voelde hij zich enorm vereerd met het vertrouwen dat hem van alle kanten geschonken werd, anderzijds bevond hij zich in een moeilijk parket ten opzichte van de directeur, met wie hij vanaf het begin open kaart speelde.(43) 

In het begin was hij bereid de directeur in bescherming te nemen. 'Fles is goed maar het is een Advocaat', schreef hij in april 1867. Toch stuitte het hem tegen de borst dat Fles geen belangstelling toonde voor het onderwijs dat door de andere docenten gegeven werd.(44) Tegenover Veth, aan wie hij de meest precaire zaken toevertrouwde, liet Huijsmans zich dan ook scherper uit: 'maar toch de zaak is onkundig verknoeid [...] zulk een ongelukkig product als onze Directeur is, kunt Gij u niet voorstellen. Hij dirigeert niets en heeft er zelf geen het minste denkbeeld van.' Maar ondanks dat probeerde Huijsmans ook tegenover Veth zo lang mogelijk de goede eigenschappen naar voren te halen - 'want hij is waarlijk een goed man' - en hij trachtte de tekortkomingen te vergoelijken in de hoop dat Fles in de loop van de tijd zou veranderen.(45) 

Toen bleek dat de directeur zich niets aantrok van alle kritiek en de voortgang van de school hem onverschillig liet, kon Huijsmans hem onmogelijk meer beschermen. Uiteindelijk berichtte hij Fles dat ook hij - evenals de andere docenten en de Commissie van Toezicht al eerder gedaan hadden - het vertrouwen in hem verloren had. Uiteraard was Bosscha de crisis niet ontgaan - 'de Inspecteur is veel te slim om niet te zien hoe de zaken zitten en spreekt er met mij onverholen over' - en de zaak resulteerde in het verplichte aftreden van Fles eind 1866. Het had de school geen goed gedaan. Twee docenten hielden het voor gezien en het aantal jongens dat zich aanmeldde voor het nieuwe schooljaar was schrikbarend laag: slechts negentien voor volledig onderwijs, zodat de school opnieuw het kleinste aantal leerlingen van het land had. Het aantal partiëlen daarentegen steeg tot 27.(46) Dat er uiteindelijk nog leerlingen overbleven, was te danken aan het voorzichtige gedrag van de docenten die zich overal in schikten, zo concludeerde Huijsmans.(47) 

Huijsmans onder directeur Fenger

Fles werd vervangen door de uit Duitsland afkomstige wis- en natuurkundeleraar W.H. Fenger, die sinds 1866 directeur was aan de HBS in Venlo. Zijn manier om orde op zaken te stellen, was de HBS met tucht te leiden. Tot de verwachte bloei kwam het in het begin niet en vanwege zijn bemoeizucht raakte hij al snel uit de gratie bij de leraren.(48) Deze keer had het Rijk voor de Tilburgse school geen goed woord over. Het stelde dat de HBS in aanzien en achting zeker niet vooruitging, verweet gemis aan flexibiliteit bij het schoolbestuur en gebrek aan orde en tucht onder de leerlingen. Opnieuw vielen de resultaten in Tilburg zwaar tegen. Slechts twee docenten leverden uitmuntende prestaties: de leraar scheikunde F.J.P. van Calker en opnieuw Huijsmans.(49) 

Uiteraard zag ook Huijsmans graag dat de Willem II-school in achting steeg - 'de naam is mooi genoeg' - maar hij wist dat hij tevergeefs hoopte. Hij constateerde namelijk nog een andere oorzaak waardoor de school niet functioneerde. Behalve een onbekwame leiding en het gebrek aan intellectueel vermogen van de leerlingen was volgens hem de elite vanaf het prille begin de school het meest vijandig geweest. In plaats van haar kinderen naar Tilburg te sturen zoals verwacht werd, zond ze haar zonen naar HBS'en elders in het land, zoals naar Katwijk, Sittard en Utrecht. Een doeltreffender verzet was niet denkbaar. Daarbij merkte Huijsmans op: 'en was het nu nog om naar instellingen te gaan, waar behalve voor hun onderwijs ook voor hunne opvoeding gezorgd wordt, dan kon men met hun vertrek vreeden hebben, want dan konden wij er niets aan doen, maar neen, zij vertrekken van hier naar de H.B. School te Utrecht en dat is een ergere zaak.' (50) 
Het werd hem langzamerhand duidelijk dat vanaf het begin de Tilburgse HBS niet door de bovenlaag gedragen werd, zoals bijvoorbeeld in Helmond - eveneens een industriestad - wel het geval was. Daar was het onderwijs goed en werd het door de gemeenschap op prijs gesteld. Gevolg was dat bij oprichting de Helmondse HBS meteen met drie klassen kon beginnen en de eerste klas 41 jongens telde.(51)
 
Een bijkomende zorg in Tilburg waren de kosten. Door het kleine aantal leerlingen waren de inkomsten gering en de personeelskosten onevenredig groot.(52) Daar kwam verandering in, toen in 1869 het aantal leerlingen sterk steeg - van negentien naar 32 leerlingen - waarmee de school zelfs die van Helmond voorbijstreefde. Uiteindelijk wist Fenger het onderwijs toch op een hoger peil te brengen. 'Het onderwijs aan deze inrigting, die thans onder de zeer goede mag worden gerangschikt, begint meer en meer gewaardeerd te worden', schreef de overheid in 1869. Toename van het aantal jongens werd door het Rijk toegeschreven aan de uitbreiding(!) van het personeel.(53) Dit was echter niet de belangrijkste oorzaak. Toen bleek dat de Tilburgse bevolking niet bereid was de HBS van leerlingen te voorzien, ging de directie met behulp van advertenties jongens van buiten werven. Het resultaat was dat nieuwe leerlingen zich aanmeldden. Bovendien werd Tilburg door de vestiging van Werkspoor in 1870 uitgebreid met een grote groep ambitieuze werknemers die hun kinderen wel op de Tilburgse HBS deden.(54) 

Na 1868 liet het genoemde amendement van de bisschoppen - dat proclameerde dat katholieken geen openbare scholen mochten bezoeken - zich gelden, waardoor 'onze uitmuntende Fenger' zich voor een nieuwe taak gesteld zag. Zo constateerde Bosscha met verbazing dat zich in Tilburg waarschijnlijk geen enkele leerling zou aanmelden. 'Zo erg had ik mij de gevolgen van den tegenstand niet gedacht', schreef hij Fenger.(55) Toch noteerde Huijsmans dat de school desondanks nog 43 leerlingen telde en inmiddels al vier cursussen had: de voorbereidingsklas en drie leerjaren. Maar dat ging beslist niet zonder strijd. 'Wij hebben te doen met eene partij die niet aanvalt, U zeer beleefd is, maar waarvan Ge de tegenwerking in de rondte van U voelt, die alle en alles in haar belang zoekt te bewerken en daartoe gelegentheden heeft die niet te voorkomen zijn', schreef hij in januari 1869.(56) 

Vanaf die tijd kregen Huijsmans en zijn collega's zeer direct te maken met het ultramontanisme 'in zijne afschuwelijkste vorm, met zijn verdacht maken, zijn spionneschool, zijn huichelarij in de rebelsche vorm', zo berichtte hij Veth in 1871. De hele gang van zaken drukte als een loden last op zijn schouders en verschillende van zijn collega's zouden in de loop der jaren het slachtoffer worden van deze hetze: de al genoemde Soer, de leraar wiskunde F.A. Eick en later de leraar kosmologie Th.W. Mac Gillavry. Zoals Bosscha voorzien had, was Soer binnen de school moeilijk gevallen. Toch bleef hij tot 1891 als docent verbonden aan de Willem II. Ook Huijsmans kon niet achter Soer staan - 'ik zeg u vooruit dat hij U niet bevallen zou evenmin als hij het mij [...] doet' - maar vond het niet terecht dat hij vervolgd werd. Hij constateerde dat Soer 'toch een fatzoenlijk man [is] op wiens eer of bestaan niets te zeggen valt'. Het meest bezwarende vond Huijsmans dat de ultramontanen tweespalt probeerden te drijven door Soers vrouw en kinderen tegen hem op te zetten. Soer was katholiek, schreef in katholieke bladen en was aan alle kanten met priesters geparenteerd, maar hij koos er niet voor de clericale richting te volgen, zo probeerde Huijsmans begrip voor hem op te brengen. 'Hij is katholiek maar geen Ultramontaan', schreef hij Veth.(57) Zoals we zagen, dacht Bosscha daar anders over.

Opmerkelijk was dat het docentkorps, dat bestond uit leerkrachten met de meest uiteenlopende achtergrond, zowel wat nationaliteit betrof als onderwijservaring en godsdienst, over het algemeen een grote saamhorigheid kende. Volgens Huijsmans genoot het onder de bevolking over het algemeen de grootste achting. Ook de Commissie van Toezicht was die mening toegedaan en noteerde dat de 'bedrevenheid der leeraren in de verschillende vakken verre hare verwachting heeft overtroffen.' (58) De clerus daarentegen achtte de tijd rijp deze bondgenootschap te breken. De plaats waar ze het lerarenteam kon treffen, was de deftige sociëteit Philharmonie, de enige sociëteit die Tilburg rijk was. Het juiste ogenblik vond ze op het moment toen collega Eick zich in november 1868 aanmeldde als lid. Tot ieders verbazing werd hij gedeballoteerd door een, volgens Huijsmans, 'bewerkt klubje.' Dit was een opmerkelijk feit aangezien deze sociëteit, opgericht met toestemming van de kerk en onder haar gezag geplaatst, vanaf het begin de leraren van de HBS geaccepteerd had. Het personeel van de HBS legde de afwijzing niet naast zich neer. Directeur Fenger protesteerde samen met alle leraren en allen zegden hun lidmaatschap op.(59) Ze huurden een lokaal in café Boulevard en richtten zelf een nieuwe sociëteit op. 



Aanmelding van zes docenten voor de Sociëteit Philharmonie 
(ingeplakt bij de notulen van 8 november 1871, RHC Tilburg, 
Archief Sociëteit Philharmonie, inv. nr. 1).

Opvallend was dat enkele notabelen zich direct bij hen aansloten en hun een renteloos voorschot verstrekten ten behoeve van de inrichting. Het was een niet verwacht succes waarmee de geestelijkheid een slag verloren leek te hebben. De nieuwe sociëteit maakte zich meteen meester van een van de twee Tilburgse kranten, de Tilburger Bode, die in 1865 eveneens in onmin was geraakt met het geestelijk gezag en evenmin de goedkeuring van de notabelen kon wegdragen. Strijdlustig schreef Huijsmans in 1869 aan Burgersdijk dat de Tilburger Bode direct veel meer gelezen werd. Fenger echter, op het matje geroepen door de Commissie van Toezicht, was bang de strijd tegen de geestelijkheid te verliezen en nam geen deel meer aan de opstand. Daardoor vonden de leraren dat hij hen in de steek liet. Optimistisch veronderstelde Huijsmans dat, nu er een onafhankelijke groep bestond met een eigen sociëteit en een eigen orgaan, de clerus gedwongen zou worden voorzichtiger te zijn en in ieder geval de school in het openbaar niet meer zou tegenwerken. 'Maar dat alles eischt de grootste voorzichtigheid, want wij worden langs alle zijden bespionneerd', schreef hij in 1869. Toch was Huijsmans ervan overtuigd dat ze op de duur zouden winnen, want toen duidelijk was dat men zowel een zelfstandig mens als een goed katholiek kon zijn, begon er onder de hogere stand hier en daar oppositie te komen. Het bewijs daarvoor was de toetreding van enkele van de rijkste en aanzienlijkste katholieken tot de nieuwe sociëteit, maar, zo waarschuwde Huijsmans, 'daarmeden zijn wij voorzichtig, en wij hebben alles gedaan om het heft in handen te houden; anders wordt hun aantal spoedig zoo groot, dat zij bij stemmingen de meerderheid hebben, en dan zijn wij weder onder dat gezag, waar wij ons nu voor de eerste maal sedert Tilburg bestaat van los gemaakt hebben.' (60)

Inmiddels hield Eick het voor gezien en verliet de school, evenals collega F.W. Krecke, die vervangen werd door Mac Gillavry, een man die door Huijsmans zeer hoog geacht werd. Hij behoorde volgens hem tot de zeer geavanceerde liberalen en was in Tilburg een algemeen gerespecteerd man.(61) Huijsmans' stiekeme hoop was dat het clericalisme door overdrijving zichzelf zou benadelen. Een bewijs daarvan werd volgens hem geleverd, toen op 8 november 1871 zes docenten, waaronder Huijsmans, zich weer aanmeldden bij de sociëteit Philharmonie. Vier ervan, waaronder Mac Gillavry, werden gedeballoteerd. Om juist hem te weigeren, daarvoor hadden de katholieken, zo schreef Huijsmans, veel moeite gedaan.(62) Daarom viel het te verwachten dat Mac Gillavry geen andere stemmen zou krijgen dan alleen die van de protestanten en dat waren er hooguit twintig. Dat hij er uiteindelijk 65 kreeg - helaas niet genoeg - was opnieuw een kleine overwinning. Dus 45 stemmen die heimelijk liberaal zijn, juichte Huijsmans. En hij betreurde het dat een man zoals Mac Gillavry in een vrij Nederland niet voor zijn mening uit mocht komen, tenminste niet wanneer hij niet tevens de moed had vrouw en kinderen slachtoffer te laten worden van zijn eerlijkheid. Maar ook Mac Gillavry liet Tilburg snel voor wat het was en vertrok. 'Het is voor mij, en voor het kleine klubje waartoe ik behoor, een groot en onherstelbaar verlies', schreef Huijsmans somber, maar hij voegde er tevens aan toe dat zijn vertrek eveneens een groot verlies voor de school was.(63) 

De godsdienstconflicten drongen langzamerhand door in alle facetten van Huijsmans' leven. Zo vroeg hij in 1872 aan Veth of deze zijn artikel over de ware beschaving, dat hij aan het voorbereiden was voor De Gids, wilde lezen. Verontrust voegde hij eraan toe of Veth iets kon ontdekken 'dat in dezen tijd van spanning, in den mond van een Katholiek nadeelig op den toestand van de H.B.school cultuur zou kunnen werken, of iets dat men tegen mij zou kunnen keeren die toch al niet als al te zuiver staat aangeschreven'. Want, zo beweerde hij, hij had geen 'druppel martelaarsbloed' en wilde zijn leven, maar zeker dat van Oda niet aan kwellingen blootstellen.(64) 

Het verzet in Tilburg bleef uiteraard bij de overheid niet onopgemerkt. 'De tegenkanting die de hoogere burgerschool in deze gemeente ondervond, werkte nog ongunstig op het aantal leerlingen', constateerde zij.(65) Toch waakte de HBS er met veel zorg voor om, ondanks het tekort aan leerlingen, roomse jongens aan te nemen, want 'in het onderwijs zit het wapen, dat de zwarte partij het meest vreest.' (66) Daar kwam bij dat de problemen rond Fenger steeds groter werden en hij zich steeds minder gezien wist te maken. Het wantrouwen tegenover hem werd steeds groter en in 1872 riepen de docenten de tussenkomst in van Thorbecke, want 'het ging ten laatste alle perken te buiten', schreef Huijsmans. Alle docenten waren van mening dat de situatie veranderd diende te worden. 



Voorpagina programma Rijks-HBS schooljaar 1867-1868 
(coll. RHC Tilburg).

Een enquête volgde, waarin Huijsmans opnieuw meer dan hem lief was, gemoeid werd. Deze keer ging het bijna ten koste van zijn baan. Doordat hij de reputatie had juist bij conflicten geen ruziemaker te zijn, werd van hem gevraagd de gang van zaken op papier te zetten 'en de waarheid zag er zeer bar uit - en wij hadden met een ontzettend slim personaadje te doen.' Fenger probeerde zich met allerlei argumenten uit zijn penibele situatie te redden. Zo zou hij het slachtoffer zijn geworden van godsdiensthaat, omwille van zijn katholiciteit vervolgd worden, en wilde de vrijmetselaarij - die door de katholieken als een gevaarlijke partij beschouwd werd - zich van hem ontdoen. Nu deed zich het bijzondere feit voor dat allen - geestelijkheid, elite, stedelijke raad en Commissie van Toezicht - de handen ineensloegen en petitioneerden om, met Fenger als symbool, het katholicisme tegenover de vrijmetselarij te verdedigen. En Huijsmans nam het volgende zonderlinge feit waar: de rollen draaiden zich om. Geestelijkheid en elite, die al jaren de school vijandig gezind waren, probeerden nu Fenger te behouden. Het waren zware maanden, bekende Huijsmans later aan Veth. Als Thorbecke, om de lieve vrede te bewaren, de ontslagaanvraag van Fenger niet aanvaard had, was Huijsmans - samen met zijn collega's - in het ongelijk gesteld. Hij was dan ontslagen en had Tilburg moeten verlaten 'en dat was op mijn leeftijd een zware ramp.' Uiteindelijk werd Fenger met verlof gestuurd gevolgd door ontslag. Huijsmans vernam dat Hülsmann de nieuwe directeur zou worden, maar zolang 'Fenger nog altijd op de loer leyt, zijn wij niet gerust', schreef hij voorzichtig.(67) 

Huijsmans onder directeur Hülsmann

In 1873 trad de Duitser Hülsmann, op dat moment directeur aan de gemeentelijke HBS in Breda, als directeur van de Tilburgse HBS aan. Hij kende het klappen van de zweep, want ook in Breda had hij te maken gehad met verzet van de geestelijkheid tegen de school. Hülsmann was daar echter op een zodanige manier opgetreden dat hij het vertrouwen in de school wist te bewaren. Het aantal leerlingen voor volledig onderwijs steeg zelfs van 21 naar 68.(68) Het kon niet anders of hij moet geweten hebben welke moeilijkheden hem in Tilburg te wachten stonden, maar werd er kennelijk niet door afgeschrikt. Hij was een zeer kundig man met groot pedagogisch inzicht, maar ook voor hem was de tegenwerking te groot. Na een aanzienlijke stijging van het aantal jongens werd de zaak zodanig op de spits gedreven dat in 1877 het leerlingenaantal drastisch daalde. Een polemiek die plaatsvond tussen de Tilburgsche Courant en de rechtsgeoriënteerde katholieke Maasbode speelde daarin een beslissende rol en bewerkstelligde het voortijdige vertrek van Hülsmann. De Maasbode zette op 5 december 1876 de aanval in op zowel de directeur als de protestantse docenten. De hele kwestie kwam uiteindelijk bij het ministerie terecht. De directeur wilde de school zo snel mogelijk verlaten, maar deze mogelijkheid kwam pas in 1880 toen hij een aanstelling kreeg in Amsterdam.(69) 

Huijsmans maakte dit niet meer mee. Hij had in 1877 ontslag genomen en was naar Den Haag verhuisd. Na meer dan tien jaren zonder noemenswaardig succes op de HBS werkzaam te zijn geweest, had hij de strijd opgegeven. Vertrouwen in de school had hij al lang niet meer. Hij betreurde de hele gang van zaken ten zeerste, want zelf had hij juist veel mogelijkheden gezien en al die jaren had hij alles gedaan de inwoners van goed onderwijs te voorzien. In 1876 schreef hij dan ook: 'En het is zoo jammer - er zitten zoovele schoone gaven in dit volk - maar zij die dit zouden moeten helpen te voorschijn roepen, zijn daarvoor zoo wanhopend onverschillig - het kan hen zoo volstrekt niets scheelen - zij trekken het zich zoo weinig aan, dat dit ook terugwerkt op het volk zelf en mijne inrichting, in plaats van vooruittegaan, dagelijks al meer en meer afneemt.' (70) Hij was tot de overtuiging gekomen dat alles wat hij probeerde bij te brengen nutteloos was en 'dat ik letterlijk uitdoof nooit iets schoons zie of hoor en al wat ik hier uitvoer hoegenaamd geen vruchten draagt.' (71)

Al die jaren had hij tegen beter weten in gehoopt dat hij door veel inspanning de Tilburgers meer ontwikkeling kon brengen. Daartoe had hij met veel liefde en vuur zijn taak verricht, 'maar ik kom hoe langer hoe meer tot de overtuiging, dat hetgeen ik bereiken wilde, nog in geen honderd jaar in Tilburg te verkrijgen zal zijn.' Na jaren van vergeefse moeite verlangde hij op 66-jarige leeftijd naar rust en naar een stad met veel schoons waar hij de tijd kon doorbrengen op een minder 'zieldodende' manier. 'Ik ben blij dat ik al zoo oud ben en de tijd nadert dat ik van eene taak zal verlost zijn, waarop ik mijne krachten zoo totaal nutteloos heb verspilt', besloot hij zijn relaas aan Veth.(73) 

De vraag rijst waarom Huijsmans, zoals verschillende van zijn collega's, niet eerder het besluit nam de HBS te verlaten, want zelfs onder Hülsmann lukte het hem niet op het gebied van de kunsten iets tot stand te brengen. Een eerste overweging zijn functie neer te leggen, nam hij pas in 1875. Hierover raadpleegde hij Hülsmann, die hem niet graag kwijt wilde, 'dat zegt hij, en dat geloof ik, want hij weet dat ik zeer aan hem gehecht ben.' (73) Een belangrijke reden de school niet te verlaten, was zijn gevorderde leeftijd.(74) Het was logisch dat hij wilde wachten totdat hij zijn veertigjarige diensttijd zou bereiken.(75) Bovendien was het op de andere HBS'en met de kunst niet veel beter gesteld. 'Bij de Hog. B. School is de kunst geheel en al bijzaak en is zij dat overal elders. Hier te midden van eene omgeving zoo dor & lelijk als maar denkbaar is - en waar niemand onder de Collega's er iets om geeft, is zij dat in de hoogste mate.' (76) Desondanks voelde hij zich in zijn tekenklas, waar hij met gemotiveerde leerlingen volgens een eigen opgesteld plan werkte, op zijn best, ondanks de problemen binnen en buiten de school. Het bemoeilijkte zijn lessen, maar deed geen afbreuk aan zijn heilig vuur. Wel vond hij het 'jammer voor mijne lessen, daar ik zoo met hart & ziel bij ben'.(77) Aangezien hij niet verwachtte er in een andere betrekking op vooruit te gaan, was er voor hem dus geen noodzakelijke reden eerder zijn functie neer te leggen. 



Woning van Constant Huijsmans aan het Piusplein (in 1937 afgebroken; op die plaats staat nu Miller 
Time café, links van de ingang van de Emmapassage). De foto is van omstreeks 1910 (Coll.  RHC Tilburg).


Conclusie

De behoefte aan een neutrale HBS in het katholieke Tilburg werd gevoeld door het Rijk en niet door de plaatselijke bevolking. Toen de school eenmaal een feit was, lieten inwoners niets na om HBS en leraren te dwarsbomen. Desondanks was het onderwijzend personeel na een moeilijke start in staat de school in aanzien te laten stijgen. Vanaf het begin speelde Constant Huijsmans in de schoolkwestie een grote rol. Als vertrouwenspersoon van zowel personeel als onderwijsinspectie wist hij diverse keren te bemiddelen. Pas na 1880 zou de HBS in rustiger vaarwater komen, waardoor ze de kans kreeg uit te groeien tot een volwaardig instituut. Huijsmans had toen echter zijn ontslag al genomen en sleet zijn laatste dagen in Den Haag.


Noten 

Gebruikte afkortingen:

ARA = Algemeen Rijksarchief, Den Haag
GAB = Gemeentearchief, Breda
GAT = Gemeentearchief, Tilburg
RKD = Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag
UB Leiden = Universiteits Bibliotheek, Leiden

(1) Het Landschap. Eene volgreeks van oorspronkelijke voorbeelden en studiën voor het teekenen met potlood, vormende eenen leercursus in dit genre, zoo als hij gevolgd wordt op de Koninklijke Militaire Akademie (Dordrecht, 1841); Handleiding tot de beginselen der teekenkunst, aan ouders, leermeesters en jongelieden van alle standen (Breda, 1842). Van deze methode werd alleen een prospectus samengesteld: Grondbeginselen der teekenkunst. Eene theoretische en praktische handleiding om het teekenen grondig te leeren (Amsterdam, 1850-1852).
(2) 'De kunstbeschaving van den nijverheids-stand en de middelen om haar te bevorderen', in: De Gids, 17 (1853) dl 1, pp. 583-617; 'Het teekenen beschouwd in betrekking tot de nijverheid', in: De Gids, 22 (1858) pp. 743-779; en 'Eene vraag des tijds. Kunst en industrie', in: De Gids, 28 (1864) pp. 23-62 en pp. 254-296.
(3) J.C.G.W. Coenen, 'Handtekenlessen aan de K.M.A. door beroemde schilders', in: Parade, 2 (augustus 1982) jg .3, p. 29.
(4) GAB, Brief van C.C. Huijsmans aan J. van Overstraten, commandant van de KMA, Breda 28 februari 1857, inv. nr.31, omslag 15.
(5) GAB, Ongedateerde brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, in inv. nr. IV-31, omslag 6.
(6) Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer, Brief van C.C. Huijsmans aan L.A.J. Burgersdijk, Breda 14 oktober 1864, inv. nr. A BUR B 3.
(7) De andere vijf Rijks-HBSen die van start gingen waren die te Gouda, Middelburg, Groningen, Roermond en Utrecht.
(8) GAB, Brief van J. Bosscha aan C.C. Huijsmans, Den Haag 31 augustus 1865, inv. nr.IV-31, omslag 18.
(9) ARA, Geheim brievenboek van gouverneur Van Overstraten aan de Minister van Oorlog aanvangende 16 april 1859 tot 2 november 1873, Breda 4 december 1865, inv. nr. 116, brief nr. 150 G.
(10) Op. cit. noot 8; Ter vergelijking: jaarwedden docenten handtekenen aan andere Rijks-HBS'en over 1865-1869: Gouda 1000 gulden, Sappemeer en Assen 800 gulden, Helmond 800 en 900 gulden en Zaltbommel 700 gulden.
(11)GAB, Brief van J. Bosscha aan C.C. Huijsmans, Den Haag 25 november 1865, inv. nr. IV-31, omslag 18.
(12) Op.cit. noot 9.
(13) Verslag van den staat der Hooge,- Middelbare en lagere scholen in het koninkrijk der Nederlanden over 1863-1864, pp. 22-23 en op.cit. over 1864-1865, pp. 23 en 41.
(14) H. Franssen, J. de Veer en J. Wolfs, Jaren van voorzichtig beleid. De huidige Rijksscholengemeenschap Koning Willem II 125 jaar in Tilburg (Tilburg 1990), p. 9.
(15) Op. cit. noot 13 over 1863-1864, p. 23 en op.cit. noot 13 over 1864-1865, p. 41.
(16) Ad Willemen, 'Een schets van C.C. Huijsmans', in: Tilburg, Tijdschrift voor Geschiedenis, monumenten en cultuur, 6 (1988) jg. 3, p. 79.
(17) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 10 oktober 1867, inv. nr. BPL 1756.
(18) H. van Doremalen en R. Peeters, ' "Het heeft wel iets van Tilburg of zoo...". Tilburg en Vincent van Gogh 1866-1868', in: Tilburg, Tijdschrift voor Geschiedenis, monumenten en cultuur, 8 (1990) jg. 2, p. 37; Tot circa 1860 kwam de bevolkingsgroei tot stand door natuurlijke aanwas, tussen 1865 en 1870 was het vestigingsoverschot belangrijker dan de natuurlijke groei.
(19) H.F.J.M. van den Eerenbeemt, Ontwikkelingslijnen en scharnierpunten in het Brabants industrieel bedrijf 1777-1914 (Tilburg 1977), pp. 22-26.
(20) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 17 december 1867, inv. nr. BPL 1756.
(21) Op. cit. noot 17.
(22) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 23 november 1875, inv. nr. BPL 1756.
(23) GAT, Notulen van de Commissie van Toezicht op het Middelbaar Onderwijs, 16 juli 1867, geen inv. nr.
(24) J. Peijnenburg, Zij maakten Brabant katholiek. Van Vicariaat tot Vaticanum II ('s-Hertogenbosch 1988) (dl 2), p. 79.
(25) Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer, Brief van C.C. Huijsmans aan L.A.J. Burgersdijk, 13 januari 1869, inv. nr. A BUR B 5.
(26) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 15 december 1871, inv. nr. BPL 1756.
(27) Op.cit. noot 20.
(28) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 6 april 1872, inv. nr. BPL 1756.
(29) Franssen op.cit. p.19.
(30) UB Leiden, Brief van C.C.Huijsmans aan P.J. Veth, Breda februari 1843, inv. nr. BPL 1756.
(31) GAB, Brief van P.J. Veth aan Oda Huijsmans, Arnhem 4 december 1886, inv. nr. IV-31, omslag 6.
P.J. Veth was van 1838 tot 1841 aan de KMA lector in het Maleis en Engels, J. Bosscha was daar leraar van 1860 tot 1863. 
(32) Franssen op.cit. p. 15.
(33) Franssen op.cit. p. 16. Zie Franssen voor samenstelling van het docentenkorps.
(34) Op.cit. noot 13 over 1866-1867, pp. 42 en 49. 
(35) Tilburgsche Courant, 3 februari 1866; Overigens klaagden ook Utrecht en Roermond over te geringe intellectuele capaciteiten. Ook voor Roermond werd een voorbereidingsklas gesuggereerd. Toch kon daar het onderwijs in bijna alle vakken met lof vermeld worden.
(36) GAT, Brief van J. Bosscha aan directeur Fles, Den Haag 2 mei 1866, Archief RSG Koning Willem II 1865-1973, no.635/inv. nr. 59.
(37) Het schoolgeld over 1866-1867 voor volledig onderwijs bedroeg voor de zes HBS'en: Tilburg, Gouda en Roermond dertig gulden, voor Middelburg veertig gulden, Groningen vijftig gulden en Utrecht was het duurst met zestig gulden.
(38) Op.cit. noot 13 over 1866-1867, p. 36.
(39) Volledig onderwijs: Tilburg telde 31 leerlingen alleen verspreid over de eerste klas, Gouda 35 jongens verdeeld over drie klassen, Middelburg 66, Utrecht 63, Groningen 108 en Roermond 61 leerlingen allen verspreid over vijf klassen. Pas in 1871 zou in Tilburg het vijfde jaar afgebouwd zijn en was voor het eerst een eindexamen mogelijk.
(40) Zie hiervoor H.F.J.M. van den Eerenbeemt, De onbekende Vincent van Gogh. Leren en tekenen in Tilburg 1866-1868 (Tilburg,1972).
(41) Op.cit. noot 13 over 1866-1867, p. 50.
(42) Franssen op.cit. p. 27.
(43) Op.cit. noot 25.
(44) Stads- of Athenaeumbibliotheek Deventer, Brief van C.C. Huijsmans aan L.A.J. Burgersdijk, Tilburg 11 april 1867, inv. nr. A BUR B 4. 
(45) Op.cit. noot 17.
(46) Van de 32 HBSen die Nederland in 1867 inmiddels rijk was, kenden alleen Middelburg, Zutphen, Delft en Tilburg een vermindering van leerlingen. Ook de nieuwkomers in Brabant - 's-Hertogenbosch met 33 leerlingen en Helmond met 48 jongens verdeeld over drie klassen en Breda met 19 jongens verspreid over twee klassen - deden het goed.
(47) Op.cit. noot 25.
(48) Franssen op.cit. pp. 28-29.
(49) Op.cit. noot 13 over 1867-1868, pp. 48 en 53; Overigens vielen ook dat jaar de resultaten op landelijk niveau tegen en als algehele oorzaak gaf het Rijk de geringe ontwikkeling van de jongens. Soms werden leerlingen noodgedwongen toegelaten wegens gebrek aan andere vormen van onderwijs, zoals in Leeuwarden het geval was.
(50) Op.cit. noot 17; en UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 15 april 1873, inv. nr. BPL 1756; Hoeveel leerlingen uit Tilburg naar elders vertrokken, is onbekend. Feit is dat het aantal jongens voor volledig onderwijs in Utrecht sterk toenam: van 63 in 1867 naar 93 in 1868.
(51) Op.cit. noot 13 over 1867-1868, pp. 33 en 48; Overigens waren er meerdere scholen in katholieke steden die te maken kregen met tegenwerking, zoals bijvoorbeeld Roermond en Breda, maar desondanks meldden zich daar voldoende jongens aan. 
(52) Op.cit. noot 13 over 1868-1869: Tilburg (19 leerlingen, 11 docenten) 22.500 gulden personeelskosten; Helmond (45 leerlingen, 11 docenten) 13.030 gulden personeelskosten; Roermond (74 leerlingen, 13 docenten) 25.426 gulden personeelskosten en Groningen als grootste HBS (119 leerlingen, 14 docenten) 22.751 gulden personeelskosten.
(53) Op.cit. noot 13 over 1869-1870, pp. 25 en 31; Overzicht aantal leerlingen voor volledig onderwijs Rijks-HBS Tilburg: 1866-1867: 31 leerlingen; 1867-1868 en 1868-1869: 19 leerlingen en 1869-1870: 32 leerlingen.
(54) Franssen op.cit. p. 25.
(55) GAT, Brief van J. Bosscha aan directeur Fles, Den Haag 30 juli 1869, Archief RSG Koning Willem II 1865-1973, no. 635/inv. nr. 59.
(56) Op.cit. noot 25.
(57) Op.cit. noot 26.
(58) Op.cit. noot 23.
(59) GAT, Vergadering van 4 november 1868, Archief van de Sociëteit Philharmonie, notulen 1868-1896, nr. 260/inv. nr. I.1 en Brief van directeur Fenger aan Philharmonie, Tilburg 11 november 1868, nr. 260/inv. nr. 26.
(60) Op.cit. noot 25 en Franssen op.cit. p. 29.
(61) Op. cit. noot 13 over 1869-1870, p. 28 en op.cit. noot 28.
(62) Op.cit. noot 59, nr. 260/inv. nr. I.1; Huijsmans kreeg de meeste stemmen: 143 voor, 15 tegen en 6 blanco. Dat hij binnen Tilburg een gezien persoon was, bleek al eerder. In 1867 werd hij benaderd om gemeenteraadslid te worden. Omdat dit niet verenigbaar was met zijn functie bij het middelbaar onderwijs, kon dit geen doorgang vinden.
(63) Op.cit. noot 28.
(64) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 22 mei 1872, inv. nr. BPL 1756.
(65) Op.cit. noot 13 over 1869-1870, p. 31.
(66) Op.cit. noot 28.
(67) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 15 april 1873, inv. nr. BPL 1756.
(68) Op.cit. noot 13 over 1869-1870, p. 25 en 31 en Franssen op.cit. p. 30.
(69) ARA, Brief van Burgemeester en Wethouders van Tilburg aan de minister van Binnenlandse Zaken, Tilburg 23 november 1876, Ministerie van BiZa 1848-1876, inv. nr. 736/no 141; Franssen op.cit. pp. 32-33 en 43. 
(70) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 17 april 1876, inv. nr. BPL 1756.
(71) Op.cit. noot 22.
(72) Op.cit. noot 70.
(73) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 3 januari 1877, inv. nr. BPL 1756.
(74) Op. cit. noot 67.
(75) Dat zijn veertigjarige diensttijd niet in 1876 zou plaatsvinden, zoals hij in eerste instantie dacht, maar een jaar later, was een enorme tegenvaller voor hem. In 1837 was hij officieel als tekenmeester aan de KMA en het Stadstekeninstituut begonnen, maar al in 1836 was hij voor zijn vader als vervanger opgetreden. Helaas voor hem werd dit eerste jaar door de overheid niet als dienstjaar aangemerkt.
(76) UB Leiden, Brief van C.C. Huijsmans aan P.J. Veth, Tilburg 8 september 1875, inv. nr. BPL 1756.
(77) Op.cit. noot 17.


* Wilma van Giersbergen studeerde kunstgeschiedenis aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. Zij werkte onder andere als projectleider in het Universiteitsmuseum Utrecht en in het PTT-Museum in Den Haag. Momenteel is zij verbonden als beheerder/conservator aan het Nmi Museum IJkwezen te Delft en aan het Haags Gemeentearchief (topografisch-historische atlas). Drs. Van Giersbergen publiceerde hoofdzakelijk over de Brabantse schilderkunst 1795-1940. In 2002 hoopt zij te promoveren op het 19e-eeuwse teken- en kunstnijverheidsonderwijs gezien vanuit het perspectief van de Bredase tekenmeester C.C. Huijsmans.