| 429. Mr. B.J.M. Van Spaendonck: een man van weinig regels en royale mandaten | |||
|
Titel: |
Mr. B.J.M. Van Spaendonck: een man van weinig regels en royale mandaten |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
Cor G.W.P. van der Heijden |
|
Jaargang: |
XII (1994) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
81-83 |
"Als er voor de Tilburgse, zelfs voor de gehele Nederlandse, wolnijverheid tijdens het Interbellum leven en werk van een bepaalde persoon speciale studie verdient, is dat niet een fabrikant maar mr. B.J.M. van
Spaendonck".(1) Deze uitspraak werd in 1987 gedaan en onlangs is met het verschijnen van de studie van Linssen in deze behoefte voorzien.
Linssen heeft op het terrein van de geschiedschrijving van werkgeversorganisaties zijn sporen ruimschoots verdiend, zodat hij de aangewezen persoon leek om zich te wagen aan een biografie van mr. B.J.M. van Spaendonck.(2) Een biografie in de letterlijke betekenis van het woord is het boek overigens niet geworden. In deze studie wordt vooral nagegaan waarom Van Spaendonck erin slaagde om, dankzij een benijdenswaardige feeling voor situaties, via gebundelde krachten op velerlei terrein een unieke positie op te bouwen als bemiddelaar tussen bedrijfsleven en overheid en tussen onderneming en maatschappij.
Linssen rekent Van Spaendonck tot de bekende 'tweehonderd van Mertens'. Aan het eind van de jaren zestig verklaarde deze katholieke vanbondsman dat de Nederlandse economie in handen was van rond de tweehonderd personen, een groep mensen die elkaar goed kenden en elkaar frequent ontmoetten in verschillende colleges. Het was aldus, volgens Mertens, een deskundige en financieel sterke, maar tevens beangstigende groep.

Mr. B.J.M. van Spaendonck (1896-1967).
(coll. RHC Tilburg).
Uit het boek blijkt overduidelijk dat Van Spaendonck een centrale plaats in dit netwerk innam. Hij was een markant persoon bij wie vele interessante lijnen samenkwamen. Zijn activiteiten beperkten zich niet tot een deelterrein, maar hij was een echte duizendpoot. De kern van zijn werkterrein werd gevormd door de zuidelijke werkgeversorganisaties. Deze werden niet door hem opgericht, maar wel was hij vrijwel vanaf het begin de secretaris van deze organisaties. Het merendeel, zoals de Tilburgsche Vereeniging van Fabrikanten van Wollen Stoffen, was gevestigd binnen het bisdom Den Bosch, waar een veelzijdige en groeikrachtige industrie aanwezig was. Van Spaendoncks invloed lag meer
bij de oude gevestigde industrie dan bij de nieuwkomers. De industrieën die hij onder zijn hoede kreeg, waren - ook landelijk bezien - voor een belangrijk deel in Brabant gevestigd: de textielindustrie, de schoenindustrie en de baksteenindustrie. Nauw verwant met het secretariaat van de werkgeversverenigingen, was een andere belangrijke functie van Van Spaendonck: decennia lang was hij secretaris van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Tilburg. Daarnaast was hij jarenlang bestuurlijk actief binnen tal van onderwijsinstellingen.
Zo was Van Spaendonck van 1919 tot 1956 secretaris van de Katholieke Leergangen. Hij was ten nauwste betrokken bij de initiatieven die uiteindelijk resulteerden in de oprichting van de Roomsch Katholieke Handelshoogeschool, de huidige Katholieke Universiteit Brabant. Deze onderwijsinstelling lag hem na aan het hart. Het wekt dan ook geen bevreemding dat in 1956, na zijn zestigste verjaardag, de promotie tot doctor honoris causa aan deze Hogeschool plaatsvond. In 1962 volgde de benoeming van Van Spaendonck tot curator van de (zoals de naam toen luidde) Katholieke Hogeschool Tilburg.
Intrigerend is te lezen hoe Van Spaendonck in de Haagse kringen wist door te dringen en zich er uitstekend thuis voelde. Van Spaendonck was zich ervan bewust dat men van het Haagse web gebruik moest maken zonder erin te blijven hangen. Die kunst verstond hij door en door. Deze Tilburgse fabrikantenzoon was steeds adequaat en tijdig geïnformeerd. Hij had er tal van betrouwbare antennes binnen regering, parlement en maatschappelijke organisaties. Op diverse plaatsen in het boek duiken steeds weer bekende namen op die een vooraanstaande rol in het Nederlandse politieke bedrijf speelden. Steenberghe, Romme, Kortenhorst en De Quay behoren tot de meest bekende, maar ook bij veel andere personen komt het bijzinnetje 'de latere minister' of 'de latere staatssecretaris' voor.
De talloze functies die Van Spaendonck bekleedde, betroffen zelden voorzitterschappen, maar doorgaans secretariaten. Deze waren pluriform van karakter en vertoonden één essentiële overeenkomst: ze werden betaald. Uit het boek wordt niet goed duidelijk hoe deze cumulatie van functies bij één persoon gedurende de periode van pakweg 1920 tot 1960 verliep. Op dit vlak is Linssen onvoldoende systematisch te werk gegaan.
Wel erg duidelijk is Linssen in de karakterisering van hoe Van Spaendonck met het verworven secretariaat omging. "Overigens was niet immer even duidelijk waar de grens lag tussen het bestuurlijk-beleidsverantwoordelijke en het ambtelijk-uitvoerende secretariaat. Van Spaendonck was er niet de man naar om dat onderscheid onnodig aan te scherpen. Hij kende zijn plaats. Met taakomschrijvingen voor zichzelf werkte hij niet of nauwelijks. Hij voelde zich als een vis in het water bij weinig regels en royale
mandaten".(3) Een bestuur - hoe ondeskundig optredend ook - liet hij immer in zijn waarde. Hij gaf een algemene ledenvergadering de voldoening te mogen goedkeuren of verwerpen. "Hij zag de voorzitter van een vereniging als de kapitein van het schip, waarvan hij zelf de eerste stuurman was.
Aangezien de kapiteins vaak wisselden en het bovendien nog druk hadden met andere zaken, was de eerste stuurman degene die koers hield en in gevaarlijke wateren tevens als betrouwbare loods
fungeerde".(4) Deze handelwijze van Van Spaendonck verklaart wellicht waarom hij nooit het politieke pad bewandeld heeft. Hoewel hij, indien hij zijn ambities in die richting kenbaar gemaakt zou hebben, zonder twijfel voor een ministerspost in aanmerking zou zijn gekomen, zag hij daarvan af. Uit het boek van Linssen wordt duidelijk dat dit voor iedereen - niet in de laatste plaats voor Van Spaendonck zelf - het beste is geweest. Ik krijg althans de indruk dat de 'workoholic' Barend van Spaendonck, naar de opvatting van de Tweede Kamer, te hard van stapel zou lopen en maar moeilijk zou kunnen wennen aan de spelregels van de parlementaire democratie.
Van Spaendonck had een uitgesproken mening over tal van zaken van sociale en economische aard waarmee de politici decennia lang worstelden. Enkele gebieden waarop Barend van Spaendonck nadrukkelijk ook op persoonlijke titel opereerde zijn in een thematisch hoofdstuk belicht. Zijn hart lag bij de thema's protectie en vrijhandel, collectieve arbeidsverhoudingen, sociale verzekeringen en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Gedurende zijn loopbaan waren dit terreinen waar zich enorme veranderingen voltrokken. De richting is onmiskenbaar mede door mr. B.J.M. van Spaendonck bepaald.
Dat het bekleden van tal van spilfuncties ook nadelen met zich mee kon brengen, ondervond Van Spaendonck aan den lijve tijdens en net na de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de bezetting zag hij zich voor het dilemma geplaatst: het bijltje erbij neer gooien of ermee blijven doorhakken, in de wetenschap dat waar gehakt wordt, spaanders vallen. Van Spaendonck koos voor het standpunt: 'maken wat er in de gegeven omstandigheden van te maken viel'. Dit hield in dat hij met de Duitse bezettingsautoriteiten of hun zetbazen te maken kreeg en dat hij hun richtlijnen moest uitvoeren. Het was dan ook geen verrassing dat hij voorkwam op een lijst van personen wier zuiverheid nader onderzocht moest worden. Lopende het veertien maanden durende onderzoek werd hij gedwongen tal van functies neer te leggen.

Het personeel van het Bureau van Spaendonck en het personeel van het Rijksbureau voor Wol en Lompen bij
gelegenheid van het feit dat Barend van Spaendonck 25 jaar geleden zijn academische titel behaalde, met vooraan
in het midden gezeten Barend van Spaendonck. De foto is genomen in november 1943.
(coll. RHC Tilburg).
Hoewel de uiteindelijke conclusie was dat hij zich een goed vaderlander had getoond en in ere hersteld werd, was zijn blazoen desondanks toch besmet. Het was voor Van Spaendonck gelukkig dat minister Vos de door de zuiveringscommissie voorgestelde officiële berisping achterwege liet. De zinsnede "dat mr. Van Spaendonck in bepaalde opzichten van een voor de aankweking en stimulering van den weerstand van het Nederlandsche volk schadelijk opportunisme heeft blijk gegeven" liegt er niet
om.(5)
De passage over de rol van Van Spaendonck tijdens de Tweede Wereldoorlog en de perikelen na de bevrijding behoort tot het meest onthullende deel van het boek. Zelfs hier betoont Linssen zijn respect en waardering, bijna bewondering, voor mr. Barend van Spaendonck. Naast het vele goede dat over het boek te zeggen valt, wil ik tot slot bij dit (grote) minpunt stil blijven staan. Linssen was tot zijn pensionering in 1994 algemeen secretaris van de Limburgse Werkgeversvereniging. Hij was dus werkzaam in een vergelijkbare functie als waarin Van Spaendonck grossierde. Enerzijds heeft dit het voordeel dat het inlevingsvermogen vergroot wordt, maar anderzijds kleeft er het nadeel aan dat Linssen de zaak met dezelfde oogkleppen beziet als waarmee Van Spaendonck was uitgerust. De kern is dat de auteur te weinig distantie tot het onderwerp getoond heeft. Linssen heeft zich te vaak beperkt tot een slaafse weergave van de opvattingen en positie van Van Spaendonck, de problematiek uitsluitend door zijn bril bezien. Voor een belangrijk deel komt dit door de eenzijdigheid van het gebruikte bronmateriaal, voornamelijk afkomstig uit zijn persoonlijk archief of uit het archief van de werkgeversverenigingen. Afwijkende opvattingen, zoals voorkomend in secundaire literatuur en archivalia van de 'andere zijde', krijgen in deze studie geen
plaats.(6) Hierdoor is het boek een goede samenvatting van het standpunt van mr. Barend van Spaendonck, maar ook niet meer dan dat.
G.C.P. Linssen, Van Spaendonck: een case-study naar bemiddelingsgedrag. Een schets van de spilfunctie, die mr. B.J.M. van Spaendonck (1896-1967) innam temidden van bedrijfsleven en overheid (Tilburg, 1994) Bijdragen tot de geschiedenis van het Zuiden van Nederland, deel 97; XXVII+292 blz.; ISBN 90-70641-47-X geb.; prijs
f 75.
Noten
(1) C.G.W.P. van der Heijden, 'Loonherziening in de Tilburgse wolnijverheid als indicator voor het 'succes' van de textielarbeidersbonden, 1920-1940', in:
De Lindeboom, IX-X (Tilburg, 1987) 246.
(2) Naast enkele artikelen van beperkte omvang moet in dit verband vooral zijn in 1978 verschenen studie Werkgeversorganisatie in katholiek patroon. Een schets van ontstaan en uitbouw van de diocesane vereniging van werkgevers in het Zuiden van Nederland, 1915-1940 genoemd worden.
(3) Linssen, Van Spaendonck: een case-study naar bemiddelingsgedrag, 1-2.
(4) Ididem, 243.
(5) Ibidem, 68.
(6) Linssen besteedt, om een voorbeeld te noemen, aandacht aan de sociale verhoudingen in de Tilburgse wolnijverheid zonder gebruik te maken van de hierover verschenen relevante literatuur. Van Spaendonck speelde als secretaris van de VTFWS een belangrijke rol bij de onderhandelingen over de arbeidsvoorwaarden. Hij was tevens een van de hoofdrolspelers bij de textielstaking van 1935. De recente literatuur die hierover in goed toegankelijke tijdschriften en jaarboeken (zoals
De Lindeboom, het Noordbrabants Historisch Jaarboek en dit tijdschrift) is verschenen, werd niet geraadpleegd. Kwamen de kritische noten die daarin gekraakt werden wellicht niet in zijn kraam te pas?




