| 430. Ingenieur J.H. Brunklaus (1901-1994) | |||
|
Titel: |
Ingenieur J.H. Brunklaus (1901-1994) |
|
Ondertitel: |
Een gedreven technicus en het begin van zijn carrière als bedrijfsleider bij de Tilburgse gasfabriek (1924-1942) |
|
Auteur: |
Giel van Hooff* |
|
Jaargang: |
XVI (1998) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
10-17 |
In 1996 werd de vakgroep techniekgeschiedenis van de TU Eindhoven door prof. Bekker een verzameling boeken aangeboden afkomstig uit de nalatenschap van dr. ing. Brunklaus. De aangeboden literatuur bleek grotendeels nog niet in het bestand van de universiteitsbibliotheek aanwezig te zijn en ook verder inhoudelijk interessant genoeg om opname te rechtvaardigen.
Een klein deel van de collectie is geplaatst bij de vakgroep techniekgeschiedenis zelf, waaronder het - naar de mening van schrijver dezes - meest interessante: twee plakboeken die Brunklaus in de periode 1926 tot 1950 bijhield van zijn eigen publicaties en reacties daarop. Brunklaus was in deze periode bijzonder actief en wel op meerdere technische terreinen. Al bladerende begon mijn interesse voor zijn persoon te groeien. Het leek me aardig om de man achter deze knipsels en boeken wat nader voor het Tilburgse historische publiek te schetsen, temeer daar ik begreep dat hij in de jaren dat hij verbonden was aan de gasfabriek ter plaatse interessante ontwikkelingen op dit gebied in gang heeft gezet. Daarnaast en daarna verrichtte hij op verschillende andere gebieden redelijk spraakmakend werk, waaraan ik ook graag aandacht wil besteden.
De aanleiding om een korte levensschets te maken, kreeg een extra stimulans toen ik vernam dat in Tilburgse historische kring, met name bij het Gemeentearchief Tilburg, zijn persoon niet bekend bleek. Naast zijn eigen publicaties was gelukkig een uitgebreide familie- en levensgeschiedenis beschikbaar die Brunklaus zelf heeft samengesteld, blind heeft uitgetypt - nadat hij zich dit vanwege zijn toen slechte gezichtsvermogen had eigen gemaakt - toen hij ruim tachtig was. Deze biografie leverde voor een deel de basis voor deze bijdrage. Mededelingen van zijn dochter samen met de jaarverslagen van het Tilburgse gasbedrijf leverden ten slotte nog enkele brokkelige en beperkte gegevens op.
Jeugd- en studiejaren
De oorsprong van de Nederlandse tak van de familie Brunklaus ligt in Noord-Duitsland. Vanuit de armoedige veengebieden daar trokken veel arbeiders in de zomermaanden als seizoenskrachten naar met name de noordelijke provincies in Nederland. Uit deze groep van zogeheten hannekemaaiers en andere trekarbeiders kwamen ook wel handelslieden voort. Men kende de weg en kreeg geleidelijk aan contacten aan beide zijden van de grens, in zowel het oude als het nieuwe thuisland. Deze handel betrof voornamelijk textiel en de Duitse handelaren hadden daaraan de weinig vleiende benaming lapkenpoepen te danken. De benaming poepen werd algemeen in Nederland gebruikt voor Duitse gastarbeiders. Grootvader Brunklaus was hoofd en vermoedelijk tevens enige leerkracht aan de dorpsschool te Ermke, een klein dorp bij Cloppenburg, in Noord-Duitsland.

J.H. Brunklaus (1901-1994) omstreeks 1923 (coll. auteur).
Hij exploiteerde met zijn vrouw, Helene Peek, een winkel en een herberg en deed daarnaast aan wat landbouw. Mede onder invloed van de familierelaties - een broer van de moeder was de grondlegger van de firma Peek & Cloppenburg, begonnen te Utrecht, terwijl een broer van vaderskant een gelijksoortige textielzaak te Alkmaar had gevestigd - togen drie van de vier zoons naar Nederland. De twee oudsten, Willem en Henri, leerden de kneepjes van het vak bij hun familiegenoten te Utrecht en startten daarna een filiaalzaak van Peek & Cloppenburg te Breda. Willem werd via zijn huwelijk eigenaar van een stoomwasserij ter plaatse, zijn broer Henri zette de textielzaak alleen voort. De derde zoon en de vader van de hoofdpersoon van dit verhaal, Bernhard, leerde het vak bij zijn oom te Alkmaar. Na zijn leertijd richtte hij een filiaal van Vroom & Dreesmann te Tilburg in, om omstreeks 1900 in Dordrecht aan de Groenmarkt een eigen manufacturenwinkel te vestigen, als onderdeel van het opkomende V&D-imperium. Ook hij trouwde met een dochter van een wasserij-eigenaar, Anna Willems uit Rotterdam.
Het echtpaar kreeg zes kinderen, vier zonen en twee dochters. In 1901 werd als eerste Johan Henri geboren - roepnaam Henri - die opgroeide met veelal zijn nog geen jaar jongere broer Jacques in de buurt. De familie Brunklaus was niet geheel onbemiddeld. De winkel liep voorspoedig en uiteindelijk beschikte men over drie vestigingen te Dordrecht. Daarnaast had men een eigen confectie-atelier, waarin een dertigtal meisjes werkzaam was. De zoons kregen dan ook de gelegenheid om na het lager onderwijs door te leren.
Henri kwam, als enige katholiek op de hele school, op het stedelijk gymnasium terecht. Na afloop van zijn middelbare schooltijd was het de bedoeling dat hij ook in de textielhandel verder zou gaan. Hiervoor kwam hij eerst in de kost en in de leer te Breda, waar het filiaal van Vroom & Dreesmann onder leiding stond van een aangetrouwd familielid. Maar zijn hart trok naar de techniek. Als jongen had hij daarvoor al grote belangstelling: de fotografie beoefende hij al vanaf zijn twaalfde jaar, al jong was hij vertrouwd met de fiets en het
daarbij horende reparatiewerk, de röntgenapparatuur bij de tandarts werd door hem uitvoerig bestudeerd en hij bouwde onder meer een eigen morseseintoestel en een periscoop en in zijn latere schooljaren een kristalontvanger, een eenvoudig radiotoestel. Ook zijn vader had wel aandacht voor technische nieuwigheden. Wellicht dat mede daarom het verzoek van Henri, toen hij begin 1919 vanwege herstel van de Spaanse griep thuis verbleef, om aan de Technische Hogeschool te Delft werktuigbouwkunde te mogen studeren, werd ingewilligd.
Nadat hij twee jaar met de trein op en neer had gependeld, had Henri de meeste vereiste examens behaald. Alleen enkele wiskundige vakken waren nog onvoldoende. Tijdens de vakantie - waarin hij praktisch werk deed, onder andere in een automobielwerkplaats, een kleine machinefabriek en een grotere, onderdeel van een scheepswerf - werd het hem duidelijk dat er thuis financiële problemen waren. Verdere studie te Delft bleek daardoor onmogelijk.
Begin jaren twintig trad er een ernstige economische crisis op die ook de middenstand zwaar trof. Brunklaus ging noodgedwongen op zoek naar een goedkoper alternatief, waarbij Duitsland, dat een enorme geldontwaarding kende, aantrekkelijke mogelijkheden bood. In de zomer van 1922 volgden Henri en zijn broer Jacques vader op de fiets naar Berlijn. Vader was daar voor inkopen en mede om een kamer te zoeken voor Jacques die een vliegeniersopleiding te Staaken, bij Berlijn, ging volgen. Henri zijn technische belangstelling ging vooral uit naar de automobieltechniek en uit een advertentie wist hij dat het Technikum (een soort HTS) te Altenburg - een stadje ten zuiden van Leipzig - een dergelijke opleiding bood. Dankzij zijn goede vooropleiding hoefde hij die slechts twee semesters te volgen. In oktober 1922 meldde hij zich, in juli 1923 behaalde hij zijn diploma summa cum laude - met de hoogste lof - als werktuigbouwkundig ingenieur met de specialisatie automobieltechniek.
Al voor zijn afstuderen had hij via het Technikum een aanstelling bij een nabije kleine motorenfabriek die de fabricage van motorrijwielen ter hand nam. Brunklaus ontwierp hiervoor de motor. Daarnaast was hij betrokken bij de verdere ontwikkeling van diamantzaagmachines die onder meer in Amsterdam toepassing vonden. Op aandringen van thuis keerde hij in februari 1924 weer terug naar Nederland, waar hij na een groot aantal vergeefse sollicitaties per 1 mei van dat jaar uit meer dan tachtig gegadigden werd uitverkoren als technisch ambtenaar 2e klas bij het gasbedrijf te Tilburg.
Tilburgs gas
Het gasbedrijf was met een jaarproductie van ruim 7 miljoen m3 in 1925 in grootte de tiende onderneming in zijn soort in het land. De productie was omvangrijk genoeg om een eigen onderzoekslaboratorium te rechtvaardigen. De taak van Brunklaus bestond aanvankelijk uit de dagelijkse controle van de in het bedrijf voorhanden zijnde instrumenten en het inzamelen en verwerken van de berichten van de machinisten. Daarnaast verrichtte hij routinematig laboratoriumwerk zoals het onderzoek naar kwaliteit en samenstelling van de voornaamste grondstof, steenkool, en van het gas en de afvalproducten als teer en gasaarde.

Gezelschap bijeen, vermoedelijk t.g.v. de jaarvergadering van de Vereeniging van Gasfabrikanten
in Nederland te Tilburg. Eerste rij staand, 3e van rechts: J.H. Brunklaus
(coll. RHC Tilburg).
Juist in deze periode ondervond het gas steeds meer concurrentie van de elektriciteit. In snel tempo werden grote delen van Nederland geëlektrificeerd. In Tilburg was in 1911 een gemeentelijk elektriciteitsbedrijf van start gegaan, dat overigens een geheel vormde met het gasbedrijf en onder dezelfde directeur stond. Het elektriciteitsbedrijf telde al gauw de belangrijkste nijverheidsondernemingen als afnemer. Elektriciteit vond echter niet alleen toepassing in de nijverheid en industrie als krachtstroom maar ook bijvoorbeeld voor verlichting, verwarming en koken, gebieden waarop het gas een belangrijke rol speelde. In Tilburg bleven de toepassingen voor verlichting, warmte en koken voor een belangrijk deel voorbehouden aan het gasbedrijf, maar de aanwezigheid van een dynamische concurrent noopte hier eveneens tot economisch beheer en onderzoek naar nieuwe afzetmarkten en -mogelijkheden. Ook in Tilburg rukte de elektriciteit op, de afzet van het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf nam toe van nog geen 4 miljoen kwh in 1918 tot 13,5 in 1925. Het getal gasmotoren toonde sinds 1908 een dalende lijn en nam sindsdien af van 133 stuks met een vermogen van bijna 800 pk tot 25 motoren met 135,5 pk in 1925.
De gasproductie daalde enorm de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog, vooral door gebrek aan geschikte brandstof, steenkool. Na een aanvankelijk herstel tijdens de weer normale jaren na 1918 stagneerde de afzet begin jaren twintig. Het absolute productierecord van 1915 werd echter alweer in 1925 ingehaald, zij het dat de productie per inwoner was verminderd en ook nooit meer deze hoogte zou bereiken. Wel slaagde het gasbedrijf erin de productie tot 1935 voortdurend op te voeren, ondanks bijvoorbeeld de crisis van de jaren dertig. De afzet was voor ruim 90% bestemd voor particulieren, die mede door een intensieve reclamecampagne - in combinatie met een scherpe tariefstelling - gestimuleerd werden om allerlei nieuwe gasapparatuur aan te schaffen. De jaarverslagen van het gasbedrijf bevatten nauwkeurige opgaven van het aantal geplaatste komforen, fornuizen, kachels, warmwaterapparaten, wasmachines, gasstrijkijzers, bestralingslampen en koelkasten.

Het laboratorium waar Brunklaus zijn onderzoek. Foto 1926
(coll. RHC Tilburg).
Sinds 1933 beschikte het gasbedrijf over een ambtenaar die uitsluitend belast was met de propaganda voor het gasverbruik en de verkoop van gasverbruiksartikelen. Er werd sinds dat jaar ook een contactblad uitgegeven onder de titel
'Wat u reeds weet en niet weet', het gasbedrijf was nadrukkelijk aanwezig op tentoonstellingen en er werden onder meer kookavonden georganiseerd. Het aantal aansluitingen nam gestaag toe, de afzet minder mede onder invloed van 'verkeerd begrepen' bezuinigingen door huishoudens, die op het hoogtepunt van de crisis in veel gevallen van het dagelijks nuttigen van een warme maaltijd afzagen.
Warmte
De nog jonge Brunklaus nam zijn taak enthousiast ter hand. Om de afzet van gas voor verwarmingsdoeleinden te bevorderen was de prijs verlaagd en daarnaast de technische outillage aangepast. Brunklaus was al gauw ook verantwoordelijk geworden voor de planning van het leidingennet en het daarbij behorende personeel. Per 1 maart 1927 was hij bevorderd tot technisch ambtenaar 1e klasse. Als zodanig was hij intensief betrokken bij de verplaatsing van het eerste drukstation met een compressie-installatie en de aanleg van meerdere drukreduceerstations. Tilburg groeide en breidde zich uit en het leidingennet navenant. Om het gas goed en snel over langere afstand te kunnen transporteren werd het
'onder druk gezet'.

Brunklaus had een zeer belangrijk aandeel in de propaganda
voor de verbruiksontwikkeling. Hij schreef onder meer bijdragen
voor het propagandablad, in zijn vrije uren wel te verstaan. Daaronder
detectiveverhalen met daarin een link naar het gas. Zelfs een
familiekiekje van zijn pasgeboren dochter deed dienst, op het omslag
voor een propagandanummer rond warm water (part. coll. Tilburg).
Het gasbedrijf bevorderde de afzet actief door potentiële gebruikers als scholen, kerken en openbare ruimtes, ontwerpen voor een gasverwarmingsinstallatie aan te bieden. De gasverwarming had toen, naast de centrale verwarming, als alternatief voor de kolenkachels en turfhaarden, zijn intrede gedaan in grotere en deftiger gelegenheden. Zo beschikte de Tilburgse schouwburg over een dergelijke nieuwerwetse verwarmingsinstallatie die 311 elementen omvatte. Deze branders waren ieder apart aangesloten op de gasleiding. Daarnaast waren ook kleinere instellingen en luxere woonhuizen van een dergelijke inrichting voorzien. Onderzoek naar efficiëntere verbranding en verwarming vormden dan ook een onderdeel van de bedrijfspolitiek. Al in 1926 verschijnt in hét Nederlandstalige vaktijdschrift op het gebied van de gasfabricage, Het Gas, hierover een artikel van Brunklaus. Er zullen nog ettelijke bijdragen volgen. Het artikel bevat een verslag van een onderzoek naar automatische temperatuurregeling van gasverwarming, een vrij nieuw toepassingsgebied. We zijn heden ten dage geheel gewend aan kamerthermostaten, maar toentertijd stond de temperatuurregeling nog in de kinderschoenen. Het onderzoek betrof een - niet nader aangeduide - in het open veld gelegen lagereschoolgebouw. Voor deze nog ouderwetse vijfklassige school met een onderwijzerskamer met bijna 5 meter hoge lokalen bedacht Brunklaus een afzonderlijke temperatuurregelinstallatie voor elke brander, een soort voelhoren. Twee van de zes radiatoren waren daarvan voorzien, het artikel beschrijft hun functioneren. Het betoog is doorspekt met formules en berekeningen en duidelijk blijkt dat de schrijver op de hoogte is van de technische vakliteratuur, ook de buitenlandse. Een dergelijke doorwrochte en veelal rekenkundige aanpak kenmerkt al zijn artikelen.
De toepassing van gas en de verbetering van zijn rendement voor verwarmingsdoeleinden bleef de aandacht houden. De voordelen ten opzichte van de traditionele kolenkachels waren evident: deze vereisten immers voortdurend toezicht. Naast direct met gas gestookte kachels diende gas ook als brandstof voor verwarmingsketels. In het raadhuis van Tilburg stonden daartoe twee ketels opgesteld, een die direct met gas werd gestookt en een tweede die met cokes werd gestookt. De temperatuurregeling bleek een zwak punt. Brunklaus construeerde - toen de leverancier van de gasketel daarin niet slaagde - een voldoende gevoelige regulateur voor de stoomdruk. Het octrooi op de constructie werd door Brunklaus aan de fabrikant van de betreffende ketelinstallatie, de firma Spencer-Bonecourt, verkocht. De belangrijkste conclusie van het vergelijkend onderzoek in het raadhuis luidde dat met een direct gasgestookte warmwater- of lagedrukketel een ongeveer twee keer zo hoog rendement bereikt werd als met een cokesketel.

Brunklaus aan het begin van zijn Tilburgse tijd, geflankeerd
door twee vakbroeders, ca. 1925 (coll. auteur).
Service en voorlichting aan de gebruiker was naast verhuur en verkoop van gasapparatuur een belangrijk middel om de gasafzet te stimuleren. Ook het Tilburgse gasfabriek beschikte over een toonzaal, waar onder meer gasfornuizen werden verkocht. Brunklaus deed onderzoek naar een aantal gasovens voor huishoudelijk gebruik. Naast technische aspecten als het gasverbruik en de tijd nodig om bepaalde temperaturen te behalen, behoorden ook baktesten tot het onderzoek. Deze test werd onder zijn leiding later nog eens op uitgebreidere schaal herhaald. Op grond van de verkregen waarnemingen kon zo een beter advies aan de mogelijke gebruikers gegeven worden. Brunklaus formuleerde mede op basis van zijn testen voorschriften voor de beproeving van gasapparaten. Standaardvoorschriften bestonden toen nog niet en landelijke instellingen als het Gasinstituut voor Nederland waren nog onbekend. Er was dus grote behoefte aan bruikbare normen.
Leiding & uitbreiding
Een voor de hand liggende wijze om de gasafzet uit te breiden is de ruimtelijke vergroting van het afzetgebied. Vanaf omstreeks 1910 en met name in de jaren twintig en dertig deed de zogeheten intercommunale gaslevering steeds meer opgang. Vanuit grootschalige, meer economisch werkende gasbedrijven - meestal in de grotere steden te vinden - werd ook het omringende platteland voorzien. Dit was mede mogelijk door verbetering in de transportnetten waarbij het gas onder druk kon worden gezet en de drukverliezen over afstand minder een probleem waren. Voordat echter het gas via de meter de afnemer bereikte, moest de druk verminderd worden. De daarvoor bestaande apparatuur was nogal gevoelig voor de luchtdruk en Brunklaus ontwierp een nieuwe versie met een dunne metaaldoos, een zogenoemde huisdrukregulateur, die in 1932 door hem in Het Gas werd gepresenteerd. De vervaardiging daarvan werd overgedragen aan de NV Vormenfabriek te Tilburg.

Het contact tussen de Vormenfabriek, het gasbedrijf en de
persoon Brunklaus bleef niet beperkt tot de uitvoering van
de huisdrukregulateur. De Vormenfabriek was tevens een
goede klant van de gasfabriek, met onder meer een
hardingsoven op gas en het gebruik van gassoldeerbouten
(coll. auteur).
In 1930 werd de gemeente Gilze-Rijen aangesloten op het net van de Tilburgse gasfabriek. Dit hield onder meer de bouw van twee regulateurstations en een gashouder in, naast de aanleg van een ruim 26 km lange nieuwe hoofdleiding en een verdeelnet voor de ruim 500 aansluitingen. Het karwei moest in korte tijd worden geklaard. Brunklaus, die verantwoordelijk was voor het ontwerp, de kostenbegroting en de uitvoering van dit project, ontwierp voor het dichten van de sleuven een motorliertje voorzien van twee bakken die de grond meesleurden en zo in de gaten wierpen. Deze installatie werd in de eigen werkplaats van de gasfabriek vervaardigd. Hier werd tevens een transportabele compressorinstallatie in elkaar gezet. Deze leverde de benodigde druk voor het pneumatisch aanstampen en dichten van de sleuven. Deze pneumatische dichting, toen nog een betrekkelijke nieuwigheid, leverde een vaster resultaat dan met het traditionele handwerk bereikt kon worden. De installatie diende tevens voor de aandrijving van de pneumatische gereedschappen als schoppen en beitels en werd gebruikt voor het - onder druk - afpersen van de gereedgekomen stukken leiding.
Een andere nieuwigheid die Brunklaus bij het leggen van leidingen in Tilburg introduceerde, betrof de beveiliging tegen het inademen van gas. Brunklaus paste hiervoor het Van der Grinten-werkmasker toe, een product van de gelijknamige firma uit Venlo. Het ging om een soort duikerhelm die aan de onderzijde onder het werkpak of overall werd gestopt. De toevoer van zuivere lucht gebeurt onder druk met behulp van een ventilator. Voor het aandrijven van deze bedacht Brunklaus een op een fietsaanhangwagentje vervoerbare motorinstallatie.
De jaren dertig vond een verdere rationalisatie van het gasbedrijf plaats, waarvoor Brunklaus - sinds 1931 bedrijfsassistent - de hoofdverantwoordelijke was, direct onder de directeur van het gemeentelijk nutsbedrijf. Zo werden in deze periode twee nieuwe gashouders geplaatst en werd een bestaande voorzien van een zogeheten telescoopinrichting. Brunklaus had hierbij de technische leiding. De reparatie van de gaten in de bestaande gashouder gebeurde, een noviteit toen, door middel van elektrisch lassen.
Ook het stookgedeelte van de gasfabriek werd onder handen genomen. In 1932 werd besloten tot de installatie van een nieuwe kameroveninstallatie, een batterij van 12 semi-continue ovens volgens een ontwerp van de Britse firma West's Gas Improvement Comp. te Manchester. De levering ging met de nodige vertraging gepaard, onder meer doordat nagenoeg alle uitvoeringstekeningen opnieuw gemaakt moesten worden 'wegens verschil in werkmethoden tussen Engelse en continentale constructiewerkplaatsen', vermoedelijk het verschil tussen inch en centimeter. Bovendien waren er funderingsproblemen. Vrijwel direct na de ingebruikstelling, in januari 1934, bleek dat de gegarandeerde verbruikscijfers bij lange na niet werden gehaald. Nadat verschillende veranderingen waren uitgeprobeerd kreeg Brunklaus het toezicht op de installatie. Zijn interesse voor verbrandingsprocessen en ovenbouw werd in deze periode danig aangewakkerd. Deze bestond echter al reeds langer. Op verzoek van bedrijven werden regelmatig adviezen en ontwerpen voor gasovens geleverd. Zo ontwierp Brunklaus onder meer ovens voor Philips voor de harding van messing. Gaandeweg kreeg hij steeds meer belangstelling voor het verbrandingsproces en hij deed onderzoek naar de branders en het ovenmateriaal, waarbij hij op basis van experimenten tot nieuwe inzichten kwam.
Gasmotor en gasfles
Een andere manier om het gasverbruik te stimuleren, was de vergroting van de toepassingsmogelijkheden. Brunklaus ging zich uitgebreid bezighouden met de gasmotor die, zoals beschreven, grotendeels in onbruik was geraakt en het veld had moeten ruimen voor de elektromotor. Volgens Brunklaus hadden de constructeurs van gasmotoren zich te gemakkelijk neergelegd bij deze uitschakeling en was daarom de gasmotor in constructief opzicht achtergeraakt. In jarenlange experimenten ontwierp hij een gasmotor met roterende zuigers en daarmee zonder zuigerstangen, krukas en cilinder. In 1927 had hij de tekening klaar, op basis waarvan hij het jaar daarop zelf in de avonduren in de werkplaats van de gasfabriek een prototype bouwde. In september 1929 vroeg Brunklaus octrooi aan, dat in 1932 werd verleend. Hoewel het principe ervan onder meer door de Delftse hoogleraar verbrandingsmotoren Meijer werd onderschreven, is van deze vinding niet veel meer bekend. Het is dan ook twijfelachtig of zij echt toepassing heeft gevonden, in ieder geval niet op ruime schaal.
Wat wel werkte en ruim de aandacht kreeg, ook in de landelijke pers, was het zogenaamde flessengas. Het in gecomprimeerde vorm afleveren van gas in cilinders was al een oude werkwijze binnen de gasfabricage. Het vond met name toepassing in afgelegen gebieden en dunbevolkte streken. In Nederland was het echter sinds het midden van de 19e eeuw vrijwel geheel verdrongen door leidinggas. Toen nu de particuliere gasfabriek te Hellevoetsluis het gebruik van het leidingennet werd opgezegd als gevolg van een overeenkomst van gemeentewege met het elektriciteitsbedrijf van Rotterdam voor de levering van stroom, werd op advies en onder leiding van Brunklaus een flessengas-installatie ingevoerd. Onder grote belangstelling kwam deze in 1933 in gebruik. Een aardig detail bij deze toepassing was dat zowel de compressie-installatie nodig voor het onder druk vullen van de gasflessen als de Renaultwagen die de bezorging deed beide op gaskracht werkten.
De jaren dertig bleef Brunklaus onvermoeibaar bezig met uitbreiding en perfectionering van praktische toepassingen op gasgebied. Dit liep uiteen van het gebruik van stadsgas voor autogeen lassen tot de toepassing voor koelingsdoeleinden, waaronder de gaskoelkast. Ook de verbetering van de aloude toepassing voor verlichting bleef actueel.
Door proefondervindelijk onderzoek in Tilburg wist Brunklaus door de onderlinge afstand tussen de verlichtingseenheden en hun sterkte te variëren een beter rendement te bereiken, zowel qua lichtsterkte als verbruik bij de openbare gasverlichting, waarvan Tilburg in die dagen nog rijkelijk was voorzien.
Het rendement van het gasbedrijf werd nog eens verbeterd door de afzet van de cokes te vergroten. Deze reststof van het verbrandingsproces, in gebruik als huisbrandstof, ondervond in die jaren nogal wat concurrentie van de mijncokes en de steenkool, met name antraciet. Het gemeentelijk gasbedrijf kwam hierop in 1935 met een nieuw product, de zogeheten
'edelcokes', dat een groot succes was. De nieuwe cokesbreker die hiervoor gebruikt werd, was in eerste instantie afgekeurd. De leverancier, Eitle, verving deze door een exemplaar volgens eigen constructie van het gasbedrijf, hoogstwaarschijnlijk van de hand van
Brunklaus.
In de lucht en te land
Naast deze min of meer beroepsmatige activiteiten ontplooide Brunklaus ook nog diverse praktische en publicistische activiteiten op andere technische terreinen. Het vliegen had zijn actieve belangstelling: hij was actief lid van de eerste Nederlandse zweefvliegvereniging. Brunklaus publiceerde in 1926 ook een uitgebreid artikel over het zweefvliegen in een landelijk blad en schreef eind 1928 een ingezonden stuk in de Tilburgsche Courant naar aanleiding van het 25-jarige bestaan van het gemotoriseerd vliegen en de grote vlucht die dit bedrijf sindsdien heeft genomen. Daarnaast was en bleef de automobieltechniek, per slot van rekening zijn afstudeergebied, zijn warme interesse houden. Hij schreef in het blad Het Motorrijwiel en de Lichte Auto onder meer over een gemotoriseerde driewieler naar eigen ontwerp. Dit ontwerp, dat vermoedelijk niet verder gekomen is dan de tekentafel, ontmoette nogal wat kritiek bij een vaste medewerker van hetzelfde blad. Een combinatie van hobby en beroep mag de gasauto wel genoemd worden, een eigen fabrikaat dat Brunklaus in 1939 in het blad Motor presenteerde. Deze auto was een min of meer noodgedwongen aanpassing van de benzinewagen die hij reeds bezat, die door een verbod vanwege de toenmalige dreigende omstandigheden niet als zodanig in het weekend de weg op mocht.

Tentoonstellingsstand Gem. Gasbedrijf Tilburg in 1934
(coll. RHC Tilburg).
Ovens
Per augustus 1942 nam Brunklaus ontslag bij de Tilburgse gasfabriek, mede omdat er voor hem geen verdere carrièremogelijkheden bestonden en hij met de toenmalige directeur niet goed overweg kon. Brunklaus nam een betrekking aan als directeur van de gemeentelijke gasfabriek te Utrecht. In 1945 werd hij bedrijfsleider bij de NV Transformatorenfabriek J.H. Groot te Hooge Zwaluwe. Mede dankzij zijn vindingen en organisatorische capaciteiten groeide het bedrijf in tien jaar van een 15 werknemers tot meer dan 160. Zwaarwegende meningsverschillen met de commerciële leiding brachten hem begin 1955 tot de overstap naar de NV Bekkers Bakovenbouw te Maasniel. Op grond van zijn oude en nieuwe ervaringen op warmtetechnisch gebied kwam hij daar tot het schrijven van de technische publicatie waarmee hij het meest bekend is gebleven, een lijvig Duitstalig handboek over de bouw en werking van alle soorten in de industrie toepassing vindende ovens. De eerste druk daarvan onder de titel
Industrieofenbau: die Grundlagen der brennstoffbeheizten Öfen für Industrie und Gewerbe verscheen in 1956 bij het Vulkan-Verlag te Essen. Tijdens zijn leven zouden nog vijf bijgewerkte drukken verschijnen, naast een vertaling in het Tsjechisch.
In 1994 overleed Henri Brunklaus te Dongen. In Tilburg heeft hij dan wel niet zozeer in de archieven dan toch in ieder geval ondergronds bij de gasfabriek en haar leidingennet zijn sporen nagelaten. Mede onder zijn stimulerende invloed en door zijn technisch kunnen behoorde het Tilburgse gasbedrijf tot de best renderende ondernemingen in de sector.
Literatuur
De belangrijkste publicaties van Brunklaus die Tilburg betreffen, zijn, zoals gemeld in de inleiding, verzameld in de twee plakboeken, in te zien bij de vakgroep techniekgeschiedenis van de TU Eindhoven. Verder zijn nog enkele Tilburgse details te vinden in het hoofdstuk 'Hoofdleidingen' dat Brunklaus schreef voor het
Handboek voor gasfitters, deel I (Haarlem 1947). Voor de meer technisch georiënteerde lezers kan verwezen worden naar een artikel over Brunklaus' bijdragen aan ingenieurswetenschappen op het gebied van ovens en ovenprocessen in het tijdschrift
Gas, jrg. 1986, p. 445-449, van de hand van dr.ir. P.C.F. Bekker.
* Giel van Hooff (1951) promoveerde in 1990 aan de Technische Universiteit te Eindhoven, alwaar hij thans werkzaam is bij de vakgroep techniekgeschiedenis, op een dissertatie over de Nederlandse machinenijverheid 1825-1914. Hij publiceerde eerder (1985) in
'Tilburg' over de geschiedenis van de Tilburgse metaalnijverheid.




