| 431. Augustinus Wichmans | |||
|
Titel: |
Augustinus Wichmans |
|
Ondertitel: |
Zielenherder te Tilburg in crisistijd (29 november 1632-11 januari 1643) (1) |
|
Auteur: |
F.J.M. Hoppenbrouwers* |
|
Jaargang: |
XIV (1996) |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
3-14 |
Begin 1596 was Franciscus Wichmans geboren in de Scheldestad Antwerpen en op 7 januari werd hij in de Sint-Jacobuskerk gedoopt. Zijn ouders waren Godefridus Wichmans en Catherina vanden Eynde. Waar hij zijn middelbare studies volgde, is onbekend. In elk geval heeft hij alle klassen van de Latijnse school doorlopen. Korte nadien vertrok hij naar Tongerlo.

Kopergravure van Augustinus Wichmans
(1596-1661) op 55-jarige
leeftijd door Wenceslaus Hollar (uit: Joannes Francisci Foppens,
'Bibliotheca Belgica...',deel I, Brussel, editie 1739) in 1651 (coll.
RHC Tilburg).
In de zomer van 1612 meldde de zestienjarige Franciscus Wichmans zich aan de poort van de norbertijnse abdij van de Heilige Maagd Maria te Tongerlo. Na een onderzoek werd hij geschikt bevonden. Hij moet een goede indruk op zijn examinatoren hebben gemaakt, want de jonge leeftijd waarop hij intrad, was nogal ongewoon. Na een noviciaat van een jaar en een dag werd Franciscus Wichmans door abt Stalpaerts op 22 september 1613 geprofest en ontving hij de kloosternaam Augustinus.
Op 24 september vertrok hij naar Leuven om aan de artesfaculteit te gaan studeren en op 6 oktober 1615 keerde hij naar Tongerlo terug. In het najaar van 1620 of het begin van 1622 werd Wichmans naar Leuven gestuurd om aan de theologische faculteit - ook wel het 'goddelijk orakel' genoemd - te studeren. In de tussentijd was zijn kloosterlijke en priesterlijke vorming verder voortgezet. Op 20 mei 1617 werd hij door bisschop Zoesius te 's-Hertogenbosch tot subdiaken gewijd en op 9 mei 1618 tot diaken. Op 19 maart 1620 ontving hij te Mechelen de priesterwijding uit handen van de Mechelse aartsbisschop Matthias Hovius.
Na de theologiestudie nam het schrijverschap een centrale plaats in zijn leven in. In 1625 verscheen de
Rosa candida et rubicunda ('De witte en rode roos'), een 'martelaarsgeschiedenis' van de norbertijn Petrus Janssen van Kalmthout, pastoor van Haaren, die in 1572 door een roversbende zou zijn vermoord. In 1626 kwam de
Apotheca spiritualium pharmacorum ('De bewaarplaats van spirituele medicijnen') samen met een ander daaraan verwant werk, het
Diarium ecclesiasticum de sanctis contra pestem tutelaribus ('De kerkelijke kalender van schutsheiligen tegen de pest') van de persen.
Twee jaar later, in 1628, zagen wederom twee geesteskinderen het licht. Allereerst kwam de
Sabbatismus Marianus ('De zaterdag van Maria') in druk. Dit werk werd vertaald als
Den saterdagh van Onze Lieve Vrouwe en in 1633 gepubliceerd. Ten tweede kwam eind 1628 een geschiedenis van de abdij van Postel uit. Het betrof de
Dissertatio historica de origine ac progressu coenobii Postulani ('Een historische verhandeling over de oorsprong en de voortgang van het Postelse klooster'). In deze periode werkte Wichmans reeds aan wat zijn 'opus magnum' werd: de
Brabantia Mariana Tripartita.

De abdij van Tongerlo op een kopergravure
(uit: Ádelyke lust-hoven ... des hertogsdoms Braband',
Amsterdam, editie 1706), vermoedelijk ontleend aan de oudste gravure uit
1650. Linksboven het
wapen van abt Augustinus Wichmans (coll. Ronald Peeters, Tilburg).
Op 23 april 1628 werd frater Wichmans als novicenmeester aangesteld. Dit was een zware en verantwoordelijke taak, want de vitaliteit van het religieuze leven hing af van een goede vorming van de aanstaande kanunniken. Ook was het aantal novicen voor wie hij zorg droeg, in het voorafgaande jaar flink toegenomen. Op 22 juli 1629 werd Wichmans in nog een andere functie benoemd. Hij werd namelijk 'circator', dat wil zeggen dat hij het toezicht moest uitoefenen op de kloostertucht. Mogelijk zat hij in deze hoedanigheid op gezette dagen de kapittelvergadering voor en oefende hij, indien de prior en subprior afwezig waren, het bestuur over het convent uit. Voor beide ambten vroegen de ordesstatuten een voorbeeldige koorheer.
Na de dood van abt Stalpaerts op 25 oktober 1629 en de installatie van diens opvolger Theodorus Verbraecken op 15 december 1629 werd frater Augustinus Wichmans, 34 jaar oud, als pastoor te Mierlo voorgedragen. In vergelijking met zijn confraters was zijn leeftijd niet uitzonderlijk.
Naast het kloosterlijke ideaal beschouwde de orde van Prémontré de uitoefening van de parochiezielzorg als haar belangrijkste roeping, waarvan pastoor Wichmans zelf zei dat dit het enige erfgoed van de H. Norbertus was. De aandacht van de norbertijnse zielzorgers ging zijns inziens uit naar de arme, eenvoudige boerenbevolking, waarbij de verspreiding en vergroting van de Mariadevotie centraal stond. De belangrijkste taak van een parochieherder was volgens Wichmans het toezicht op de juiste beleving van het rooms-katholieke geloof door de parochianen.(2)
Binnen de orde wist men maar al te goed dat het werk buiten de abdijmuren een zware en gevaarlijke taak was. Zo verordonneerden de norbertijnse ordesstatuten van 1630 dat de pastoors goed van leven, zeden, tucht en (theologische) kennis moesten zijn. In het hoofdstuk 'De pastoribus' gaven de nieuwe statuten zich terdege rekenschap van de besluiten van het Concilie van Trente (1545-1563).(3)
De absentie van de abdij werd ervaren als een ernstig gevaar voor de handhaving van het kloosterlijke leven. De bedreigingen waaraan Wichmans blootstond, waren verschillend van aard. Het afgezonderde leven in de parochie werd bedreigd door gevaren als drankmisbruik, ontucht en ruziemakerij. Hiertegen trachtte de orde haar pastoors te wapenen door een of meer confraters als 'socius' aan hen toe te voegen. Zo kon tevens het gemeenschappelijke canonicale, kloosterlijke leven in stand worden gehouden.(4) In Tilburg zag Wichmans voor het eerst meerdere keren confraters aan zijn zijde gesteld.
Een ander thema, de christelijke armoede, werd door de statuten opnieuw ingescherpt. De pastoors werden verplicht om jaarlijks een rekening en een inventaris op te maken als bewijs voor een goed financieel bestuur van de parochie en een verantwoording van de persoonlijke bestedingen.(5) Van Wichmans zijn er slechts twee bewaard gebleven.
De politieke en kerkelijke toestand van de Meierij van 's-Hertogenbosch kwam na de val van haar hoofdstad op 14 september 1629 ter discussie te staan. Toen troepen van de Staten-Generaal 's-Hertogenbosch hadden ingenomen, meenden de Staten vanaf dat tijdstip aanspraak te kunnen maken op het bezit van de gehele Meierij. De Spaanse overheid bestreed deze aanspraken. Een conferentie die deze zaak moest beslechten maar vanuit het Spaanse kamp enkel de bedoeling had een concrete oplossing te vertragen, had met onderbrekingen plaats te Tilburg van januari 1630 tot 21 maart 1631.
Het gevolg hiervan was, dat de kerkelijke toestand voorlopig gehandhaafd bleef. Er werden dan ook geen wezenlijke maatregelen van de zijde van de Staten-Generaal genomen, zolang de conferentie voortduurde. Zo bleef een aantal plakkaten met betrekking tot de opschorting van de katholieke eredienst en de sluiting van de parochiekerken zonder gevolg. Bovendien werden zij terstond door Spaanse plakkaten beantwoord die het tegendeel daarvan bevalen. Na de opschorting van de vredesconferentie te Tilburg werd op 13 mei 1631 opnieuw een bevel tot kerksluiting uitgevaardigd. Het plakkaat werd op 2 juni daaropvolgend in de Meierij verspreid en kort daarna, op 27 juni, volgde een Spaanse ordonnantie die het tegendeel verlangde.(6)
Wichmans' overplaatsing naar de parochie Tilburg
Weliswaar voorzien van duidelijke voorschriften en gedragsregels, maar werkzaam in een landstreek geteisterd door de politiek-militaire verwarring van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) die ten einde liep, kwam pastoor Wichmans naar Tilburg. Reeds te Mierlo had hij vanaf januari 1630 zijn geschiktheid bewezen voor de moeilijke taak van parochieherder. Wichmans volgde Adrianus Eynhoudts (1625-1632) op, die te Enschot 'met emeritaat' ging, omdat hij niet langer goed functioneerde. Op 24 november sprak hij de geloofsbelijdenis uit en legde hij te Geldrop de eed af ten overstaan van de vertegenwoordiger van bisschop Ophovius, de aartsdiaken Franciscus van Gestel. Op 29 november daaropvolgend nam hij bezit van de kerk en parochie van Tilburg. Hij werd binnengeleid door de deservitor van Enschot, confrater Thomas Cocx die hem te Mierlo opvolgde, vicaris Valerius Hessels, beneficiant Jacobus Gravius en koster Guilielmus Theodori van Son, magister
artium.(7) Geen van hen was een vertrouwde verschijning in Tilburg, want zij waren pas sinds korte tijd in dienst.
De overplaatsing van Mierlo naar Tilburg - een promotie - betekende een aanzienlijke lastenverzwaring en een grotere verantwoordelijkheid jegens zijn lastgevers en onderdanen. Telde Mierlo slechts twaalfhonderd communicanten, nu werd aan hem de zorg voor zo'n drieduizend toevertrouwd. Bovendien waren de pastorele goederen zeer omvangrijk, ongeveer vijftig hectaren, zodat hij veel meer aandacht moest besteden aan de administratie daarvan.(8) Deze wijziging van standplaats werd dan ook met gemengde gevoelens door pastoor Wichmans ervaren. Wel had hij zich verplicht tot gehoorzaamheid aan zijn abt, maar hij liet zijn parochianen te Mierlo slechts met tegenzin 'alleen'. In het Manuale pastorum in Tilburg, het pastoorsboek van Tilburg, gaf hij daaraan op de volgende wijze uiting:
'Wegens de gehoorzaamheid die ik aan hem verschuldigd ben en - in zoverre de gehoorzaamheid dit toestaat - met tegenzin en weerwil én met grote pijn van mijzelf en van mijn onderdanen, riep de abt van Tongerlo, de hoogwaardige heer Theodorus Verbraecken, mij, frater Augustinus Wichmans weg uit Mierlo, dat ik gedurende bijna drie jaren had bestuurd [...], en heeft mij de zeer zware last van het pastoraat van Tilburg en Enschot opgelegd.'
(9)

Anoniem olieverfschilderij 'T Huys Moerenburgh'
te Tilburg omstreeks 1700. Huize De Moerenburg
werd in 1750 gesloopt (coll. Noordbrabants Museum, 's-Hertogenbosch).
Zoals het een grootgrondbezitter betaamt, bewoonde hij zijn eigen landhuis, De
Moerenburg. Deze pastorie, die in 1358 voor het eerst wordt vermeld, lag aan de oostgrens van de heerlijkheid Tilburg op ongeveer één uur lopen van de kerk! Dit betekende dat pastoor Wichmans noodgedwongen een aantal pastorale bedieningen als de toediening van het H. Oliesel, het viaticum en de nooddopen maar moeilijk of helemaal niet kon uitoefenen. Naar een afbeelding van het gebouw te oordelen was deze pastorie een ruime behuizing. Kennelijk hadden zijn voorgangers Van Emmerick (1616-1625) en Eynhoudts het gebouw nogal verwaarloosd, want hij beklaagde zich dat hij voortdurend reparaties moest laten aanbrengen. De Moerenburg was omgeven door een gracht die was overspannen met een houten toegangsbrug. In de 'Omgracht' of 'Borchgracht' waren karpers uitgezet. Buiten dit complex stond nog een duiventoren en lag een karpervijver.
Het interieur van de pastorie werd in de inventaris van 1635 uitvoerig door Wichmans beschreven. De verschillende kamers waren ruim voorzien van religieuze voorstellingen zoals schilderijen van gelukzalige norbertijnen, de H. Norbertus, de Z. Herman-Jozef van Steinfeld en de Z. Siardus. De pastoriebibliotheek was zo omvangrijk, dat pastoor Wichmans zich bij zijn abt ervoor excuseerde niet alle werken te beschrijven. Tevens gaf hij een opsomming van de inrichting van de keuken en het erf. Daaruit blijkt duidelijk dat de Moerenburg het midden hield tussen een pastorie en een boerderij.
Het personeel bestond uit drie meiden en een boerenknecht. Zij verzorgden het huishouden en deden de pastorie-boerderij. Gezamenlijk hielden zij 's avonds een godsdienstoefening in de keuken, waar zij zonder twijfel de Loretaanse litanie van Onze-Lieve-Vrouw zeiden. Hiertoe was een klein altaartje ingericht in een keukenkast met daarin een kruisbeeld, een beeld van Maria en van Sint-Jan en twee kandelaars.(10) Aan de pastorie verschenen vaker soldaten en bedelaars die van het nodige werden voorzien. Ook toen Wichmans niet langer daar verbleef, verstrekte de pachter op zijn kosten aalmoezen aan passerende armen.(11)

Aquarel op perkament van de oude parochiekerk,
gezien vanuit het
zuidwesten. Deze voorstelling is een onderdeel van een perkamenten
kaart, vervaardigd door de 'Gesworen Lantmeter'Toelof van der Vleuten
in 1657 (coll. Streekarchivariaat Oosterhout, Oud-archief Alphen,
inv. nr. II.87).
De bouw van de parochiekerk die door Wichmans werd bediend, was in 1483 voltooid en toegewijd aan Dionysius de Areopagiet. Nadien viel zij meerdere malen ten prooi aan het geweld van noodweer en oorlog. Zo ging de kerk op zaterdag 15 april 1595 samen met de daarin opgeslagen meubels van de Tilburgers in vlammen op, toen de soldaten van het Bossche garnizoen probeerden om een aantal Staatse soldaten uit de kerk te verdrijven.(12) Terstond werd het herstel ter hand genomen, hoewel pas na een juridisch steekspel van tien jaren een contract voor de herbouw kon worden afgesloten. Toen werden de betalingsverplichtingen van de tiendheffers, de heer van Tilburg, het kapittel van Hilvarenbeek en de abdij van Tongerlo, vastgelegd. Ook droegen de parochianen vrijwillig bij in de kosten.(13) De kerkmeestersrekeningen en de 'gemeyntrekening' laten zien hoe de reparatie van het kerkgebouw langzamerhand gestalte kreeg. Zo werd in het hoogkoor een nieuwe 'Ave Maria-klok' opgehangen, waarmee de koster 's ochtends, 's middags en 's avonds de parochianen opriep tot het 'Wees gegroet'.(14)
De Sint-Dionysius was voorzien van een groot aantal altaren die door bisschop Zoesius op 29 januari 1617 opnieuw waren gewijd. Het hoogaltaar was opgedragen aan de H. Dionysius de Areopagiet en zijn gezellen en de H. Georgius (Sint-Joris), het Maria-altaar aan de Moeder Gods en de HH. zusters Magdalena en Martha én het H. Kruisaltaar aan het Allerheiligste Kruis en de HH. Job en Hubertus. Het Sacramentsaltaar (anno 1566) werd opgedragen aan het Hoogwaardig Sacrament, de H. Norbertus die door Wichmans
'de ijverige beschermer van de Eucharistie' werd genoemd, en de H. kerkleraar Thomas van Aquino. Dit altaar ademde de nieuwe contrareformatorische geest. Norbertus immers werd door de norbertijnen als een eucharistische en anti-ketterse heilige vereerd. Thomas van Aquino op zijn beurt verwees naar het leerstuk over de verandering van brood en wijn in het werkelijke lichaam en bloed van Christus. Hiernaast waren er nog de kleinere altaren van de vele broederschappen die Tilburg rijk was. Een aantal ervan en in het bijzonder het H. Kruisaltaar zag pastoor Wichmans liever in het schip van de kerk.(15) Wellicht vond hij dat deze altaren vanwege hun plaatsing in het transept of het koor te veel de aandacht trokken.
Naast de Sint-Dionysius bezat de parochie in ieder geval twee kapellen. Dit waren de Hasseltse kapel die aan Onze-Lieve-Vrouw gewijd was en de kapel van de H. Quirinus. In de Hasseltse kapel die van vóór 1530 dateert, werd iedere zaterdag en op feestdagen als Maria-ten-Hemelopneming (15 augustus), Allerheiligen en Kerstmis een mis opgedragen. De vicaris van de pastoor droeg hiervoor zorg. De Hasseltse kapel werd nog in 1641 vereerd met een schenking, maar daar werd toen geen mis meer gedaan. De kapel van de H. Quirinus die in het noordoosten van Tilburg aan Udenhout grensde, was wellicht een eenvoudige veldkapel met een heiligenbeeld en een offerblok. Daarvan bestonden er vermoedelijk meerdere in Tilburg. De Sint-Quirinus werd nog in 1650 vermeld, toen de kapelmeesters offergeld afstonden aan pastoor Augustinus van Dijck (1643-1664) ten behoeve van de bouw van de grenskerk te Poppel aan de zuidgrens van de Meierij.(16)
Het wereldlijk en geestelijk bestuur van de parochie
Net als zijn voorgangers moest ook pastoor Wichmans zien af te rekenen met onwillige bestuursambtenaren. De kerkmeesters van de Tilburgse parochiekerk die onder zijn voorganger Eynhoudts zonder diens toestemming geld hadden uitgeleend aan het dorpsbestuur wist hij met een hernieuwde eed van trouw aan zich te binden. Voorzover de bronnen hiervan blijk geven, deden zich geen nieuwe conflicten meer voor. Het ontvreemde geldbedrag werd evenwel pas ten tijde van pastoor Van Dijck teruggegeven.
Tijdens zijn pastoraat kwam Augustinus Wichmans, net als vóór hem Eynhoudts en na hem Van Dijck, geregeld met schout en schepenen van Tilburg in conflict. De pastorele goederen die min of meer van belastingheffing uitgezonderd waren, werden immers steeds hoger aangeslagen vanwege de contributiebetalingen die door de Staten-Generaal aan de heerlijkheid Tilburg werden opgelegd. Ook deinsde het dorpsbestuur er niet voor terug contributie te heffen op de akkers die in beslag waren genomen door de rentmeester van de geestelijke goederen te 's-Hertogenbosch.
Pastoor Wichmans beklaagde zich meer dan eens in het pastoorsboek over het willekeurige optreden van de schepenbank, maar vooral over schout Herman de Roy sprak hij erg bitter. Hij noemde hem onder andere een 'tyran' en een 'kwelgeest'. De Roy, een uitgetreden monnik van Tongerlo, was in zijn ogen de grootste boosdoener. Deze en andere notities geven blijk van een uitgesproken zelfbewuse beheerder van het pastorele goed, die zich in eerste instantie flexibel opstelde maar later rigoureus het compromis weigerde.(17)
Ook op de parochie Tilburg daalde het door Wichmans gewraakte 'pestbrengende vuur' van de calvinisering neer.(18) De Sint-Dionysius werd spoedig na de val van 's-Hertogenbosch de inzet van incidentele reformatiepogingen.(19) De Bossche kerkeraad zocht echter naar een reguliere en blijvende bediening van de gereformeerde godsdienst in de gehele Meierij. Op 1 september 1631 hechtten de Staten-Generaal hun goedkeuring aan het plan om predikanten aan te stellen, en uiteindelijk werd op 2 mei 1633 Paulus Arleboutius voor Tilburg aangewezen. Om conflicten te vermijden ging pastoor Wichmans, sinds kort landdeken van Hilvarenbeek, met de kwartierschout van Oisterwijk, Jan Coomans, naar Brussel om vrijgeleiden voor de predikanten te vragen. Dit verzoek werd op of rond 24 juni in de
Raad van State behandeld, maar het beoogde effect werd niet bereikt. Integendeel, twee dagen later verscheen een plakkaat waarin de toelating van predikanten werd verboden. Niettemin werd op 7 augustus Arleboutius na een kerkdienst geïnstalleerd als de eerste predikant van Tilburg. Zijn verblijf was kort en bewogen. Wichmans en zijn parochianen maakten hem en een tiental sympathisanten het leven danig zuur.
(20)

Fragment uit de rijke Ínventaris F.A.
Wichmans pastoris in Tilburg de anno
1635 die 28.Augusti' van Huize Moerenburg (coll. Abdijarchief Tongerlo,
Bundel inventarissen; beschreven door A. van Loon, p. 116-126, zie noot 10).
Naar het schijnt waren er geen pogingen ondernomen om de Tilburgse parochiezielzorgers uit Tilburg te verdrijven, want zij zetten hun werkzaamheden gewoon voort. Reeds drie dagen na de aankomst van Arleboutius op 10 augustus deed of pastoor Wichmans of een van zijn medewerkers de mis op het kerkhof. Daar bespotte hij Luther en Calvijn. De eerste bestempelde hij als een duivelskind en -leerling, de tweede werd door hem voor een gebrandmerkte 'sodomiet' uitgemaakt.(21) Ondertussen durfden de toehoorders van Arleboutius niet goed naar de kerk te komen, omdat zij werden bedreigd. Als reactie hierop ging op 10 oktober een plakkaat uit van de Staten-Generaal, dat verbood de predikant en zijn toehoorders nog langer lastig te vallen en op het kerkhof de mis te doen. Of pastoor Wichmans en zijn medewerkers aan dit verbod gehoor hebben gegeven, is niet bekend.
Op 21 december was het echter definitief uit met de pretenties van de predikant. In navolging van de Osse pastoor Septius werd de parochiekerk opengebroken en werd daar opnieuw de mis gedaan. Bij resoluties van de Staten-Generaal in december 1633 en januari en april 1634 werd bevolen de kerk aan de predikant terug te geven en werd Wichmans door de hoogschout van 's-Hertogenbosch aangeschreven. Wichmans en zijn medewerkers hielden evenwel voet bij stuk. Hun vrijmoedige optreden werd misschien ingegeven door de aanwezigheid in de Meierij van de beruchte Kroatische ruiters die in Spaanse dienst waren.(22)
Op 24 april 1634 werd pastoor Septius van Oss gevangen genomen. Op advies van Arleboutius haalden de kerk- en gildemeesters de Sint-Dionysius leeg. Wichmans nam de wijk naar Alphen, waar hij in ieder geval op 25 april verbleef. Nadat de rust was hersteld, keerde hij vermoedelijk naar Tilburg terug. Wellicht was het in deze periode dat hij in diverse vermommingen het dorp bezocht en in private huizen de mis deed.(23) Nu echter viel Arleboutius ten slachtoffer aan een tegenmaatregel van Spaanse zijde. Op 2 mei werd hij door soldaten van het garnizoen van Breda opgepakt. De parochiekerk kwam opnieuw in gebruik voor de katholieke eredienst, maar was waarschijnlijk nog slechts provisorisch ingericht. Uit de pastorie-inventaris van 1635 blijkt namelijk, dat het kerkorgel op de pastorie was opgeborgen.(24)
Op nog een andere manier werd van Staatse zijde gepoogd de rooms-katholieke pastoraatsuitoefening te dwarsbomen. Door de pastorele goederen en beneficiën in de Meierij te onteigenen wilden de Staatse overheden de economische basis aan de parochiezielzorg ontnemen. De rentmeester van de geestelijke goederen namens de Staten-Generaal Petrus Schuyl trachtte zich meester te maken van het pastorele bezit, zodra een nieuwe zielenherder in functie trad. Alhoewel de statuten van 1630 benadrukten dat een zielzorger na zijn dood in de abdij moest worden begraven, werd Wichmans' voorganger Eynhoudts (+1634) in het geheim te Enschot begraven. Zo wilde hij voorkomen dat er aan diens dood enige ruchtbaarheid werd gegeven en de Staten-Generaal beslag legden op het pastoraat. Kennelijk meenden zij dat Eynhoudts nog steeds pastoor van Tilburg was.(25)
Ook verschenen er plakkaten, waarin de pachters en cijnsplichtigen van de dorpsgeestelijken werd verboden bij hen betaling te doen. Naar het parochiearchief en de plakkaatboeken te oordelen gingen vanaf 1633 resoluties van de Staten-Generaal, de Raad van State en regionale autoriteiten uit. Daarin werd bevolen alle geestelijke renten, cijnsen en pachten aan te geven. Zo werden onder anderen pastoor Wichmans en zijn pachters voor de Bossche hoogschout gedaagd. Voor zover dit kon worden nagegaan, gaf hij aan deze bevelschriften geen gevolg. Pachters die wel aan deze dwangbevelen wilden gehoorzamen, werden door soldaten van het garnizoen van Breda gearresteerd. Schuyl van zijn kant probeerde de pachters van de pastoor gevangen te nemen. Daarom wilden zij de pastorie pas huren of de tienden en de boerderijen pachten, nadat Wichmans had toegezegd hen in geval van gevangenname te zullen vrijkopen.(26)
Pastoor Wichmans had trouwens zijn zaken aan betrouwbare en loyale pachters toevertrouwd. Over Hendrick Janssen en zijn vrouw Catherina bijvoorbeeld, die eerder pastoorsknecht en -meid waren geweest, sprak hij zeer lovend.(27) Ofschoon de betaling van huren, pachten en renten vaak achterliep, was hij erin geslaagd om het pastorele bezit grotendeels te vrijwaren van vreemde inmenging. Ook wist hij de beneficies van de Sint-Dionysius uit handen te houden van rentmeester Schuyl. Wichmans betoonde zich een bekwaam organisator en wist zijn greep op het pastorele goed te behouden.
Andere bestuurlijke activiteiten
Naast zijn pastorale bezigheden vervulde Wichmans nog enige andere functies. Op 3 februari 1633 werd hij door bisschop Ophovius aangesteld als landdeken van Hilvarenbeek. Afgezien van zijn aangetoonde geschiktheid voor dit ambt als landdeken van Helmond moet goed voor ogen worden gehouden, dat het pastoraat van negen van de achttien parochies in het dekenaat door norbertijnse abdijen werd vergeven, vijf daarvan door de abt van Tongerlo. Gezien dit numerieke overwicht lag de keuze voor een norbertijn van die abdij voor de hand. Ook enkele van zijn opvolgers in het pastoraat van Tilburg werden als landdeken van Hilvarenbeek aangesteld.(28)
Wichmans verwachtte niet dat deze taak eenvoudig zou zijn. Daarom smeekte hij in het pastoorsboek Gods genade af, opdat hijzelf en zij die hem toehoorden, bewaard zouden blijven. Als landdeken ontving hij regelmatig bezoek. Daarom excuseerde hij zich in de inventaris van 1635 voor de vele huishoudelijke uitgaven die hij deed om deze gasten te kunnen ontvangen.(29) Zeker in deze turbulente tijd moet hij zich veel moeite hebben getroost voor het wel en wee van het dekenaat Hilvarenbeek. Naarmate de druk op de Meierij echter toenam en zeker na de val van Breda in 1637, zal het dekenschap een veel lossere vorm hebben aangenomen.
Ook fungeerde Wichmans als tussenpersoon van de norbertijnse abdij van Berne 'in diaspora' en die van Tongerlo. Tevens trad hij op als reisgenoot van bisschop Ophovius. Zo vergezelde hij hem van 5 tot en met 9 mei 1636 naar abt Moors van Berne die te Heeswijk verbleef. Na hun terugkeer bleef Ophovius tot en met Pinksteren te Tilburg. Bestaande vriendschapsbanden werden vernieuwd en misschien diende de Bossche bisschop bij deze gelegenheid ook het vormsel toe. Wichmans zocht hem meermalen op voor hangende zaken betreffende de parochie.(30)
De uitoefening van de zielzorg
Hoewel de parochie Tilburg veel groter was dan de oude standplaats Mierlo, waren Wichmans' zielzorgerlijke taken minder omvangrijk. Naast de
administratie van het pastorele bezit diende hij vijf missen per week te zeggen, waarvan hij de dinsdagse en donderdagse mis kon afstaan aan iemand anders. De norbertijnse ordesstatuten schreven immers slechts drie wekelijkse missen verplicht voor. Op alle zon- en feestdagen moest hij preken en de hoogmis verzorgen. Met de hoogtijdagen van Pasen, Pinksteren, Allerheiligen en Kerstmis diende hij bovendien de vespers te zingen. Iedere week moest hij eenmaal de jaargetijden zeggen. De bediening van de sacramenten van doop, biecht en huwelijk kon hij naar believen overlaten aan zijn vicaris.
Pastoor Wichmans voelde zich in zijn geweten bezwaard door de bediening van Enschot dat deel uitmaakte van de parochie Tilburg. De belangrijkste reden was, dat de zielzorg voor de ongeveer tweehonderd communicanten amper naar behoren kon worden gedaan. Zijn pastorale verplichtingen werden daar weliswaar door een confrater-deservitor waargenomen, maar laatstgenoemde moest op zijn beurt regelmatig te Tilburg bijspringen. Zo deed hij iedere maandag in de Sint-Dionysius met de vicaris en beneficiant de jaargetijden, die blijkbaar nogal omvangrijk waren. Daarom drukte Wichmans in de inventaris van 1635 de hoop uit, dat de pastorele bediening van Tilburg en Enschot van elkaar zouden worden gescheiden.(31)
De parochieherder van Tilburg werd door twee priesters bijgestaan, te weten een vicaris en een beneficiant. Naar het schijnt was Tilburg geen aantrekkelijke plaats voor een vicaris, niet zozeer vanwege de inkomsten uit het ambt - 450 rijnsguldens - maar eerder vanwege de zware pastorale bediening. Pastoor Eynhoudts lukte het slechts met veel moeite om in 1628 een nieuwe vicaris te vinden. In een brief aan abt Stalpaerts schreef hij dat een eerdere kandidaat voor deze zware opdracht had bedankt en dat hij na informatie in de universiteitssteden Leuven en Douai nog steeds met lege handen stond.(32) Pas een half jaar later ondertekende de nieuwe vicaris zijn contract. Het was Wouter (Valerius) Alberts Hessels, baccalaureus in de theologie. Hij bleef zes jaren tot medio 1635 in dienst, toen hij zijn broer als pastoor van Megen opvolgde. In zijn voetspoor trad de uit Mierlo afkomstige Anthonius Thomas Verherent of Vecherent die 'licentiatus artium' en baccalaureus in de theologie was (1635-1637). Beiden waren dus in intellectueel opzicht zeer geschikte krachten.(33)

Foliovel uit het 'Manuale Pastorum in Tilburg'
waarop Wichmans de huurder
van de pastorie en zijn vrouw prijst als zeer betrouwbare personen 'van zuiver
goud'(ínstar auri probati'). Daaronder volgen hun betalingen over de jaren
1641 en volgende (coll. Abdijarchief Tongerlo, inv. nr. II.878, fol. 49r).
Uit het contract van de vicaris blijkt dat hij nogal wat taken moest vervullen. Hij behoorde vooraleerst de missen te zeggen die verbonden waren met zijn beneficie, en op de belangrijkste feestdagen had hij om zes uur het lof. Bovendien moest hij alle sacramentele bedieningen verrichten, inclusief het ziekenbezoek. Om de andere dag en op speciaal verzoek van de pastoor diende de vicaris te preken. Ook het godsdienstonderwijs was aan hem toevertrouwd. Op zon- en hoogtijdagen en op iedere woensdag en zaterdag in de Vasten en de Advent gaf hij catechese. Na de preek maar vanaf de preekstoel moest de vicaris het
Onze Vader, het Wees gegroet, de geloofsbelijdenis, de Tien geboden en de voorschriften van de kerk in de landstaal langzaam en verstaanbaar voorlezen. In overeenstemming met de diocesane statuten was de inhoud traditioneel omschreven, maar de vicaris zal zeker de catechismus van Mechelen hebben gebruikt die verplicht was voor het Bossche diocees.(34)
Beneficiant ten tijde van Wichmans' pastoraat was Jacobus Gravius (1631-1642) die in ieder geval vóór 26 oktober 1631 in dienst van zijn voorganger Eynhoudts was getreden. Hij stond vicaris Hessels en ook Verherent bij, ofschoon hij op grond van zijn contract niet verplicht was om de actieve zielzorg uit te oefenen. Wanneer de vicaris afwezig was of in gebreke bleef, stak hij een helpende hand toe. Hiervoor ontving hij van de pastoor een vergoeding in geld en in natura. Zo trakteerde Wichmans hem op een wekelijkse maaltijd op de pastorie.(35)
De last van de sacramentele zielzorg was dus verdeeld over de pastoor, zijn vicaris, de confrater-deservitor te Enschot en de beneficiant. Wichmans liet haar echter vrijwel geheel over aan zijn medewerkers en vóór 1640 had hij er op een enkele uitzondering na part noch deel aan. Tussen 1633 en 1640 zegende hij slechts vijfmaal een huwelijk in. In de doop- en trouwboeken van Tilburg verschijnen zijn naam en handschrift pas regelmatig vanaf 1642. Wel had hij ervoor gezorgd dat zij werden vernieuwd. Van meet af aan dus namen vicaris Hessels en later Verherent en beneficiant Jacobus Gravius de zielzorg voor hun rekening. Aanvankelijk konden zij zonder al te veel belemmeringen hun werk doen, ofschoon enige voorzichtigheid in acht moest worden genomen. Zo merkte Gravius in 1633 in het doopboek op, dat hij heimelijk had moeten dopen en dat het hem niet mogelijk was geweest om de dopen meteen in te schrijven.(36)
Toen het retorsieplakkaat van 2 december 1636 verscheen, werd het geruime tijd zeer problematisch om het pastoraat op gepaste wijze uit te oefenen. Dit plakkaat verklaarde immers alle geestelijken in de Nederlanden beneden de grote rivieren vogelvrij.(37) Vermoedelijk vluchtten de Tilburgse parochiegeestelijken naar Breda om aan gevangenname te ontkomen. Verherents verblijfplaats is onbekend gebleven en na 9 mei 1637 werd niets meer van hem vernomen. Hij werd niet vervangen, omdat het in deze benarde omstandigheden waarschijnlijk onmogelijk was om een nieuwe vicaris aan te zoeken. Gravius bevond zich tussen 25 april en 13 mei 1637 te Breda, waar hij een aantal huwelijken voltrok. De doopplechtigheden werden in 1637 buiten Tilburg verricht, te weten in de Baronie van Breda die in het westen aan Tilburg grensde.(38) Pastoor Wichmans bleef in ieder geval in Breda wonen, waar hij voor de Tilburgers preekte. Na de val van Breda op 10 oktober 1637 vertrok hij richting Antwerpen. Van zijn ballingschap in de Scheldestad is slechts bekend dat hij bij gelegenheid van de wijding van de kapel van Onze-Lieve-Vrouwe van Bijstand te Duffel op 25 maart 1638 de mis opdroeg en preekte.(39)
Zielzorg op afstand
De zielzorg werd met de nodige inventiviteit zo goed en zo kwaad als mogelijk hernomen. Gravius keerde al spoedig naar Tilburg terug. Tot circa 1640 verrichtte hij alle voorkomende werkzaamheden. Reeds in 1637 en ook in 1638 doopte hij te Tilburg kinderen uit Hilvarenbeek. Enkele notities in het trouwboek maken duidelijk, dat zijn situatie penibel was. Rond 1640 kwam de zielzorg te Tilburg vermoedelijk zwaarder onder druk te staan, want priesters uit omliggende dorpen moesten hierin bijspringen.
Gravius verbleef nu te Loon op Zand, waar pastoor Benedictus van Kessel door Haagse vrienden in bescherming werd genomen. Tussen 1641 en 1643 werden daar ongeveer tweehonderd kinderen uit Tilburg gedoopt. Een aantal van hen werd opnieuw gedoopt, nadat een vroedvrouw de nooddoop had toegediend. Toch verrichtte hij zijn werk nog steeds op Tilburgs grondgebied. Zo trouwde hij daar op 10 februari 1640 twee inwoners van Goirle. Vanwege zijn werkzaamheden vanuit Loon op Zand werd Gravius door de Staten-Generaal in hun resoluties van 8 en 17 maart 1642 met
f 1000 beboet. Wellicht voegde hij zich toen bij pastoor Wichmans die zich reeds te Alphen bevond. Zonder af te laten stond Gravius zijn pastoor bij, die hem met recht maar nogal bescheiden omschreef als
'Een trouwe werker en een ijverig dienaar in de wijngaard des Heren.' (40)
In het najaar van 1639 was pastoor Wichmans in de nabijheid van Tilburg teruggekeerd en had hij Alphen in de Baronie van Breda tot zijn woonstee gekozen.(41) Hij richtte er een huiskapel in en voorzag zich van mistoebehoren. Wel bezat hij nog een aantal kazuifels in verschillende liturgische kleuren uit de Sint-Dionysius. Tevens verbleef het parochiearchief en een deel van de bibliotheek onder zijn handbereik. Een aantal schilderijen waaraan hij blijkbaar gehecht was, was eveneens uit Tilburg weggehaald. Ook bezat Wichmans enkele nieuwe schilderijen. Het betrof het portret van de in 1637 overleden bisschop Ophovius en een schilderij van Petrus van Kalmthout wiens 'martelaarsgeschiedenis' hij had geschreven. Tevens was hij in het bezit van twee portretten van zichzelf.

Wichmans bezat onder andere een schilderij van
de in 1637
overleden bisschop Michael Ophovius. Met Ophovius, waarmee
hij een goede relatie onderhield, reisde hij eens naar abt Moors
van Berne die te Heeswijk verbleef (litho uit 1847, naar P.P.
Rubens, 1618, coll. Ronald Peeters, Tilburg).
Te Alphen werd pastoor Wichmans verzorgd door zijn oudste dienstmeid Mechtildis Guilielmi, die hij als zeer betrouwbaar kenschetste - iets wat blijkbaar niet vanzelfsprekend was. Hij reisde zo nu en dan naar omliggende plaatsen zoals Diessen, Hilvarenbeek, Drunen en Moergestel. Langs deze weg hield hij waarschijnlijk contact met andere pastoors van Tongerlo en ontplooide hij wellicht zijn dekenale activiteiten.(42)
Vanuit Tilburg kwamen Wichmans' parochianen naar hem toe om hun kinderen ten doop te houden, zich te verloven of te huwen. Een aantal malen vulde hij het doopsel van kinderen met het vereiste exorcisme aan. Het betrof de dopelingen, aan wie de koster van Tilburg, Van Son, de nooddoop had toegediend. Te Alphen konden de parochianen hun kerkgang maken. Maar sinds wanneer en hoe daar de mis werd gedaan, kan uit de bronnen niet worden afgeleid. Misschien werd hiertoe gebruik gemaakt van de parochiekerk van Alphen.
Betreffende de godsvrucht en de geloofsijver van de bevolking van de Meierij gaf Wichmans de lezers van zijn
Syntagma pastorale de inwoners van Tilburg tot voorbeeld. Alle zon- en feestdagen gingen zij naar Alphen, ongeacht het jaargetijde. Deze gang naar Alphen stopte in de loop van 1642, toen op 20 maart van dat jaar de Raad van State de kerkelijke bediening van de Meierij vanuit het omliggende gebied onder Staats gezag had verboden. Waarschijnlijk werd toen Aerle (Poppel, België) als de plaats van godsdienstoefening gekozen. Wichmans' opvolger Van Dijck althans deed daar van meet af aan de mis.(43) Te Poppel verrees in 1650 de grenskerk van Tilburg. Pastoor Wichmans verzorgde vanuit Alphen een deel van het pastoraat van Tilburg, maar de parochiezielzorg kwam ook in deze periode vooral ten laste van Jacobus
Gravius.
Het schrijverschap
Tijdens zijn verblijf in de abdij had Wichmans een viertal boeken geschreven en in Mierlo voltooide hij zijn hoofdwerk
Brabantia Mariana Tripartita. Ook in zijn ballingschapsjaren was hij als schrijver werkzaam geweest. Hij had een nieuwe uitgave verzorgd van een werk van zijn overleden confrater Martinus Groenenschilt,
Lust-hof der godt-vruchtige meditatien op het leven en lyden ons Heeren Iesu
Christi. Deze publikatie was opgedragen aan de nieuwe bisschop van Den Bosch, Jozef Bergaigne (1639-1647). Ook had hij een leven van de H. Dympna voltooid, dat nooit het daglicht zou zien omdat het manuscript zoekraakte.

Titelpagina van het bekendste boek van
Augustinus Wichmans,
de 'Brabantia Mariana Tripartita' uit 1632 (coll. RHC Tilburg).
In deze periode legde Wichmans ook de laatste hand aan zijn Syntagma pastorale. De antiquitate et necessitate catechismi ('Een pastorale verhandeling over de ouderdom en de noodzaak van de catechimsus'), een handboek voor plattelandszielzorgers. Dit werk was in zijn ogen een 'foetus abortivus', want bij ontstentenis van een goed deel van zijn bibliotheek had hij het werk niet tot volle wasdom kunnen laten komen. Het werk ontving weliswaar op 3 oktober 1641 de kerkelijke goedkeuring, maar werd niet uitgegeven.(44)
Deze Syntagma pastorale kan worden beschouwd als de verwerking van de pastorale praktijk zoals pastoor Wichmans die had leren kennen. Het werk richtte zich vooral tot de zielzorgers die hun pastoraat uitoefenden onder de ongeletterde, ruwe en arme boerenbevolking en gaf bijvoorbeeld praktische aanwijzingen voor de omgang met landelijke bevolking. Omdat zij juist vanwege hun armoede meenden door iedereen te worden veracht, moesten de zielzorgers hen met respect tegemoet treden. Ook propageerde hij nieuwe kerkelijke gebruiken zoals een frequentere biecht- en communiepraktijk.(45) Rijker aan ervaring - hij stond reeds tien jaar borg voor de actieve zielzorg in een door retorsie en oorlog gekwelde Meierij - was hij in staat om een schets te maken van de wijze, waarop het norbertijnse pastoraat vorm diende te krijgen.
De Syntagma pastorale laat zien hoe pastoor Wichmans zijn Tilburgse jaren had ervaren. Wellicht gegeneerd door zijn meer dan tweejarige afwezigheid van de parochie Tilburg vergeleek hij zich onder anderen met Johannes van Patmos, die was verbannen
'...vanwege het woord Gods en het getuigenis van Jezus...', en die op het eiland dat hem zijn naam gaf zijn Apocalyps schreef. Op dezelfde wijze had hij zich aan het schrijverschap gewijd, toen hij uit zijn parochie werd verjaagd. In het voorwoord verwees hij naar de
Rosa candida et rubicunda. Zoals de pastoor van Haaren Petrus van Kalmthout het slachtoffer was geworden van de Geuzen, zo was Wichmans door dezelfde 'ketters' uit zijn parochie verdreven. De uitoefening van het plattelandspastoraat door de norbertijnen ging inderdaad met inspanningen en vernederingen gepaard.(46)
Afscheid van Tilburg
Het jaar 1642 betekende een nieuwe wending in Wichmans' leven. Op 14 maart werd hij te Mechelen gekozen tot hulpabt van abt Verbraecken (+1644) met recht van opvolging. Na zijn verkiezing werd Wichmans bij koning Filips IV voorgedragen. Op 1 juli 1642 werd hij door de koning bevestigd en op 28 november werd de benoemingsbrief aan zijn abt ter hand gesteld. Wichmans ontving de bevestiging daarvan op 30 november, toen hij precies tien jaar pastoor van Tilburg was. Pas op 8 januari 1643 werden alle verwikkelingen rond zijn benoeming afgerond.(47) Op 7 januari werd Wichmans opvolger Van Dijck door abt Verbraecken aangewezen en keerde hij naar de abdij van Tongerlo terug. Zo kwam er een einde aan zijn zielzorgerlijke opdracht die hij gedurende iets meer dan dertien jaar had uitgeoefend.(48) Als abt zou hij zich nog enkel indirect met het bestuur van de parochie Tilburg bemoeien.
Augustinus Wichmans (1596-1661), als abt
van Tongerlo (1644-1661) (coll. Abdij van Tongerlo:
foto RHC Tilburg).
Noten
(1) Voor een uitvoerige levensschets, zie F.J.M. Hoppenbrouwers, 'Franciscus Augustinus Wichmans (1596-1661). Kanunnik, zielzorger en abt van Tongerlo', in:
Analecta Praemonstratensia 70 (1994) 226-293 en 71 (1995) 96-149. Voor een beknopte biografie, zie F.J.M. Hoppenbrouwers, 'Franciscus Augustinus Wichmans (1596-1661) schrijver, zielzorger en abt van Tongerlo', in:
Brabantse biografiën 3 (Amsterdam-Meppel 1995), 136-139.
(2) A. Wichmans, Brabantia Mariana Tripartita (Antwerpen 1632), [9], 680 en 681-683 en
Rosa candida et rubicunda (Antwerpen 1625), 6.
(3) Statuta candidi et canonici ordinis praemonstratensis renovata (Parijs 1632), 123-124, 124, 125, 126, 130 en 131.
(4) M. Koyen, 'Prelaat Stalpaerts en de parochies van Tongerlo', in: Analecta Praemonstratensia (=
APraem) 28 (1957) 173, 174 en 184. Vgl. Statuta candidi ordinis, 126,
Abdijarchief Tongerlo (= AAT) IV 81 Juridische kwesties, omslag 4
De visitandis pastoribus, 'Proponenda, inculcanda et praecipienda pastoribus et aliis foris habentibus' (kort na 12-07-1626). Zie ook A.A.J.M. van de Meerendonk, 'Zielzorg in de branding. Het priesterbestand in 's-Hertogenbosch en zijn Meierij tussen ca. 1565 en ca. 1630', in:
Feestbundel bij gelegenheid van honderd jaar gymnasiaal onderwijs te Heeswijk-Dinther 1886-1986 (Heeswijk-Dinther 1986) 81.
(5) Statuta candidi ordinis, 127, 128, 128-129 en 130-131 en 'Capitula provincialia circariae Brabantiae O. Praem. (1620-1643)', ed. J.E. Steynen, in:
APraem 17 (1941) 31, 32, 32-33 (1620) en 55 en 56 (1624).
(6) C. Cau, Groot placaet-boeck 1 ('s-Gravenhage 1658), 239-244 en V.A.M. Beermann,
Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch van 1629 tot 1648, (['s-Hertogenbosch] 1940), 3-5, 12-26 en 130 en 132.
(7) AAT II 159 Registrum beneficiorum (1564-1690), 29v en 36v, 878
Manuale pastorum in Tilburg (1625-1664) (= Manuale pastorum), (44r en 45r) en IV 77
Toekenning van beneficies, omslag 1 Presentationes ad ordines et beneficia
approbata, no. 4, 10r (07-12-1632) en omslag 3 Facultates, no. 4 (24 en 29-11-1632).
(8) AAT IV 340/2 Tilburg, no. 327 (28-07-1717), 3 en A. Wichmans, Brabantia Mariana
Tripartita, 687.
(9) Manuale pastorum, (44r). 'Reverendus Dominus Theodorus Verbraecken Abbas Tongerloensis, per obedientiam quam eidem debeo evocavit me
Fratrem Augustinum Wichmans invitum et reluctantem (quantum obedientia permittit) magno tum mei, tum subditorum meorum cum dolore e Pastoratu de Mierlo, quem ferme per triennium administraveram [...] et imposuit mihi grave nimis onus Pastoratuum Tilborch et Enschot.'
(10) Manuale pastorum, (23r), IV 137/1 Inventarissen (= Inventarissen), no. 513/5 (28-08-1635) en 340/2
Tilburg, no. 152 (29-08-1629). Zie ook AAT IV 81 Juridische kwesties, omslag 4
De visitandis pastoribus, 'Punctae quaedam in visitatione pastorum interroganda' (na 1643), A. Wichmans,
Apotheca spiritualium pharmacorum (Antwerpen 1626), 382-383 en Sabbatismus Marianus (Antwerpen 1628), 173. Zie tevens A.J.A. van Loon, 'De huizinge Moerenburg en haar bewoners I (1358-1648)', in:
De Lindeboom 2 (1978) 81-127.
(11) AAT IV 338 Tilburg, no. 30 (10-02-1641).
(12) AAT IV 339 Tilburg, no. 206 (pm. 1560) en 207 (z.j.). Zie ook
AAT IV 340/2 Tilburg, no. 327 (05-10-1717), 10 en G.J.W. Steijns, 'De geschiedenis van de parochie Tilburg 't Heike', in:
Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur 8 (1990) 67.
(13) AAT IV 338 Tilburg, no. 134 (25-03-1605), 339 Tilburg, no. 208-210 (18-01-1597, 29-03-1597 en 12-01-1598), 215 (2 januari 1598) en 219 (19-09-1599) en
Gemeentearchief Tilburg: Oud-administratief archief Tilburg (= OAT) 674;
Kerkmeestersrekening (1595-1600), 1r en 678; Kerkmeestersrekening (1613-1615), 23r.
(14) AAT IV 339 Tilburg, no. 116 (18-04-1621) en OAT 673-679
Kerkmeestersrekening (1591-1600, 1607-1615, 1621-1624) en 741 Rekening en verantwoording van gelden verkregen door verkoop van 200 bunders gemeentegrond (1595-1609).
(15) Manuale pastorum, (46r) en IV 339 Tilburg, no. 73 (02-06-1556), 116 (18-04-1621) en 123 (1628),
OAT 674 Kerkmeestersrekening, 65r, 677 Kerkmeestersrekening, 15v, 679
Kerkmeestersrekening, 36r en 741 Rekening en verantwoording (1595-1609), 65r. Zie ook P.C. Boeren, 'Uit de parochiegeschiedenis van Tilburg voor 1600', in:
Van heidorp tot industriestad (Tilburg 1955), 84 en 85-86, 'De invoering van de hervorming te Tilburg', in:
Taxandria 15 (1908) 208, D. de Jong, Grenskapellen voor de katholieke inwoners der Generaliteitslanden (Tilburg 1963), 123 en 129-131 en G.C.A. Juten, 'Kerkelijke beneficiën in het voormalige dekenaat Hilvarenbeek: Consilium de Beke', in:
Taxandria 30 (1923) 74-79.
(16) Manuale pastorum, 13r (28-08-1650) en IV 339 Tilburg, no. 83 (1616), F.J.M. van Puijenbroek (red.),
Eeuwen en uren in de Hasseltse kapel (Tilburg 1972), 10 en 32, A.M. Frenken, 'De latere kerkvisitaties (na die der eerste Bossche Bisschoppen)', in:
Bossche Bijdragen (= BB) 27 (1963-1964) 81 (1615) en [A. van Gils],
Katholyk Meyerysch Memorieboek ('s-Hertogenbosch 1819), 503-504.
(17) Manuale pastorum, 2r, 16r, 41r, (11r, 12v en 69r-70r), IV 137/1
Inventarissen, no. 525 (08-07-1641) en 339 Tilburg, no. 121-123 (na 02-11-1628). Vgl.
AAT IV 339 Tilburg, no. 109-110 (05-11-1615).
(18) A. Wichmans, Brabantia Mariana Tripartita, [9].
(19) Deze en de volgende alinea's zijn vooral ontleend aan V.A.M. Beermann,
Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch, 139-150, 'De invoering van de Hervorming te Tilburg', in:
Taxandria 15 (1908) 200-220, W. Meindersma, De Gereformeerde Gemeente te 's-Hertogenbosch 1629-1635
(Zaltbommel 1909), 241, 248 en 251-252 en 'Pogingen tot Reformatie der Meierij in de jaren 1629 en 1633', in:
Taxandria 17 (1910) 84-88. Zie ook J. Lijten, 'De installatie van de eerste predikant in Oirschot', in: H.K.M. Mijland e.a. (red.),
Oog op Oirschot (Oirschot 1991), 233-235.
(20) Bisdomarchief 's-Hertogenbosch, Oud parochiearchief Hilvarenbeek, 'Pastores alijque sacerdotes districtus Hilvarenbekensis' (ca. 1615), 2v en 4r en A.M. Frenken, 'De latere kerkvisitaties', 80-81 (1615).
(21) Vgl. T. Bozius, De signis Ecclesiae Dei I (Keulen 1592), 537 en J. Cochlaeus,
Historia de actis et scriptis Martini Lutheri Saxonis (Keulen 1568) 1-3.
(22) L.G.A. Houben, Geschiedenis van Eindhoven 1 (Turnhout 1890) 363 en Fr. Theodardus, 'Een kerkplundering te Eersel', in:
BB 14 (1936-1937) 164.
(23) Hs. Tongerlo, AAT V 324, N. van der Meulen, Continuatio seu prosecutio
Sanderi, ([Tongerlo eerste kwart 18de eeuw]), 1A en Doop-, trouw- en begraafboeken Tilburg (=
DTBT), no. 78 Liber matrimonialis (1633-1690), 9.
(24) AAT IV 137/1 Inventarissen, no. 513/5.
(25) Manuale pastorum, (45r), Statuta candidi ordinis, 134 en
Romeinsche bronnen voor den kerkelijken toestand der Nederlanden onder de apostolische vicarissen 1592-1727 1, ed. J.D.M. Cornelissen ('s-Gravenhage 1932), 462-463, no. 510 (15-05-1634). Zie ook
AAT IV 338 Tilburg, no. 79 (vóór 27-06-1637 - kopie na 1648).
(26) Voor deze en de volgende alinea, zie Manuale pastorum, 2r, (37r-40v, 47v-48r, 49r, 52r, 53v-54r, 56v, 61r, 62v en 65r), 880
Registrum beneficiorum in Tilborch etcetera (1604-1648) en 882 Innekomen van Sinte Catarijne Aultaer tot Tilborgh vernieuwt Anno 1638 (1604-1648 - notariële copie 169?), AAT IV 137/1 Inventarissen, no. 525, en 338 Tilburg, no. 23 (16-09-1633 en 1636), 48 (20-04-1635), 26 (25-03-1636), 27 (06-04-1636 en 1642) en 30 (10-02-1641), N. Wiltens,
Kerkelyk Plakaat-boek 1 (Den Haag 1722), 220-221 (06-08-1636). Zie ook L.F.W. Adriaenssen,
Hilvarenbeek onder de hertog en de generaliteit (Amsterdam-Hilvarenbeek 1987), 174 en V.A.M. Beermann,
Stad en Meierij van 's-Hertogenbosch, 36 en 176-177.
(27) Manuale pastorum, (16r-17r, 49r, 55r, 58r, 63v en 64v).
(28) Manuale pastorum, 45 en L.H.C. Schutjes, Geschiedenis van het bisdom 's-Hertogenbosch deel 3 (St.-Michielsgestel, 1872) 31. Zie ook 134-135, 283, 445-446, 597 en 768 (Arendonk, Bladel, Diessen, Enschot en Goirle), deel 4 (St.-Michielsgestel, 1873) 593-595, 630 en 634 en 647-648 (Hilvarenbeek, Hooge Mierden en Hulsel) en deel 5 (St.-Michielsgestel, 1876) 89, 133 en 137, 178, 350 en 353, 402 en 404, 487 en 491, 571 en 574, 813, en 923 en 926 (Middelbeers, Moergestel, Netersel, Oirschot, Oostelbeers, Poppel, Reusel, Vessem en Wintelre).
(29) Manuale pastorum, (45r) en AAT IV 137/1 Inventarissen, no. 513/5.
(30) OAT 855bis Voorstel van twee gewezen armmeester over 1624-1631 tot vinding van hun achterstal (28-05-1636) en
Het memoriaal van abt Jan Moors, 15 november 1634-23 juni 1637, ed. G.M. van der Velden (Averbode 1980) 104 (30-03-1635) en 185-186 (05/09-05-1636).
(31) AAT II 91 Lijsten betreffende inkledingen (1610-1647), 17-18,
Manuale pastorum, 3r, 67v en (67v), IV 137/1 Inventarissen, no. 513/1, IV 339
Tilburg, no. 126 (22-05-1626, 18-02-1629 en 17-05-1635) en Necrologium Ecclesiae B.M.V. de
Tongerloo, ed. W. van Spilbeeck (Tongerlo 1902), 40 en 52.
(32) AAT IV 340/1 Tilburg, no. 119-120 (15-05-1625) en 340/2
Tilburg, no. 152 (29-08-1628). Vgl. AAT IV 339 Tilburg, no. 86 (19-12-1610), 85 (05-11-1613), 92 (01-02-1614), 83 (1616) en 111 (16-11-1617), P.F.X. de Ram,
Nova et absoluta collectio synodorum I (Mechelen 1828), 392 (1607) en A.A.J.M. van de Meerendonk, 'Zielzorg in de branding'.
(33) AAT IV 339 Tilburg, no. 126 (22-05-1626, 18-02-1629 en 17-05-1635). Zie ook
AAT IV 77 Toekenning van beneficies, omslag 1 Presentationes, no. 3, 15r (24-01-1629), H. Bots e.a.,
Noordbrabantse studenten 1550-1750 (Tilburg 1979), 77 en D. de Kok, 'De Broederschap van de Rozenkrans te Megen', in: BB 20 (1951-1952) 100-117.
(34) AAT IV 339 Tilburg, no. 126 (22-05-1626, 18-02-1629 en 17-05-1635), M. Steyartus,
Synodi II diocesanae Silvaeducenis (Leuven [1692]), 106-108 (1612) en A. Pasture,
La restauration religieuse aux Pays-Bas catholiques (Leuven 1925), 369.
(35) AAT IV 137/1 Inventarissen, no. 513/5 en A.M. Frenken, 'Het dagboek van Michaël Ophovius, 4 augustus 1629-einde 1631', in:
BB 15 (1937-1938) 252-253 (26-10-1631).
(36) DTBT, no. 1 Liber baptizatorum (1600-1635), 217-227.
(37) F. Prims, 'De schrikkelijke jaren van de retorsie (1632-1642)', in: Taxandria 39 (1932) 84.
(38) AAT IV 339 Tilburg, no. 129 (04-11-1639), DTBT, no. 2
Liber baptizatorum (1634-1652), 64 en no. 78 Liber matrimonialis, 38-40.
(39) G. van Herdegom, Diva virgo candida (Brussel 1650), 296-297.
(40) Manuale pastorum, (67v). 'Est interim fidelis operarius in vinea Domini et minister sedulus.' en IV 340/1
Tilburg, no. 53 (24/25-06-1643), DTBT, no. 83 Dopen Tilburgers te Loon op Zand (1619-1684), 2r-15r, no. 2
Liber baptizatorum, no. 78 Liber matrimonialis, 46 (01 of 02-1638) en 50 (11-1638), no. 63
Liber matrimonialis (1637-1810), [5], L.F.W. Adriaenssen, Hilvarenbeek onder de hertog en de
generaliteit, 172 en V.[A.M.] Beermann, 'Een avontuurlijk Brabantsch priester uit de 17e eeuw: Benedictus van Kessel', in:
Archief voor kerkgeschiedenis 43 (1943) 33-60.
(41) Zie vooral AAT IV 137/1 Inventarissen, no. 525. Zie ook
DTBT, no. 78 Liber matrimonialis, 57 (18-09-1639) en M. Groenenschilt,
Lust-hof der godt-vruchtige meditatien op het leven en lyden ons Heeren Iesu Christi (Antwerpen 1639), [17].
Manuale pastorum, 19v (zomer 1643) en IV 338 Tilburg, no. 30 (10-02-1641).
(42) Manuale pastorum, (45v) (01-1643) en hs. Tongerlo, AAT V 69, Syntagma pastorale, 64v, Groot placaet-boeck 1, 255-256 en V.[A.M.] Beermann, 'Een avontuurlijk Brabantsch priester', 51.
(43) AAT V 69, Syntagma pastorale, 'Censura' (los ingelegd), 7r-v en 9v en M. Groenenschilt,
Lust-hof der godt-vruchtige meditatien, [5-17]. Voor Groenenschilt, zie N.J. Weyns, 'Groenenschilt, Martinus, geestelijk schrijver', in:
Nieuw Biografisch Woordenboek 5 (Brussel 1972), 381-383. Zie ook L. van Craywinckel,
De triumpherende suyverheydt. Het leven, martelie ende mirakelen vande H. maeght ende martelaresse Dympna
(Mechelen 16582), [4-6 en 7-8].
(45) AAT V 69, Syntagma pastorale, 128r-v, 154r en 161r-167v. Zie ook A. Wichmans,
Brabantia Mariana Tripartita, 83-98 en Sabbatismus Marianus, 159-161.
(46) AAT V 69, Syntagma pastorale, 1r-v en 5v. Wichmans citeert Apocalyps 1,9d.
'...propter verbum Dei et testimonium Iesu...' en 'Lectori mei. intentione bona Candida, et adfectu meliori Rubicundo.' Vgl. A. Wichmans,
Brabantia Mariana Tripartita, 680-684.
(47) Manuale pastorum, (45r), IV 55/2 Abtsverkiezingen, omslag
Verbraecken, no. 5 en 7-8 (1641/1642, 1641/1642, 08-12-1642) en omslag Wichmans, no. 1, 2, 3-4, 5-6, 7, 8, 9 en 10 (01-03, 06-03, 20-05, 25-06, 01-07, 23-10, 27-11-1642 en 08-01-1643) en W. van Spilbeeck,
De abdij van Tongerloo. Geschiedkundige navorschingen (Lier-Geel 1888), 473-476. Zie ook A. Pasture,
La restauration religieuse aux Pays-Bas catholiques, 260-266.
(48) AAT II 159 Registrum beneficiorum, 29v (10-01-1643) en
Manuale pastorum, (45v) (07-01-1643).

Reconstructietekening Huize Moerenburg door
Harrie Corvers, 1976 (coll. RHC Tilburg).
* Frans Hoppenbrouwers ('s-Hertogenbosch, 1962) studeerde te Tilburg onder andere theologie met als specialisatie de geschiedenis van kerk en theologie. Als onderzoeks-assistent bij de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) vervaardigde hij een studie over de katholieke spiritualiteit in de Noordelijke Nederlanden in de 17de eeuw (medio 1996). Thans is hij als studiesecretaris werkzaam bij de stichting Communicantes voor kerkelijke hulpverlening in Oost-Europa. Hij werkt aan een proefschrift betreffende de pastoraatsuitoefening door de norbertijnen van Tongerlo in de 17de en 18de eeuw.




