Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift
433. 'Toontje Solidair'
 

Titel:   

'Toontje Solidair'

Ondertitel:   

Een biografische schets van de Tilburgse katholieke voorman Anton van Rijen

Auteur:   

Jos van Meeuwen *

Jaargang:   

XI (1993) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

2

Pagina’ s:   

32-35

 


Rijen, Antonius Theodorus van
(roepnaam Antoon; bijnaam: Toontje Solidair), voorzitter van de Bossche Diocesane Werkliedenbond (1920-1938) en van de Federatie van Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden (1918-1920), is geboren te Tilburg op 11 oktober 1878 en aldaar overleden op 4 september 1946. Hij was de zoon van Johannes Paulus van Rijen, timmerman, en Rozalia Cornelia Gustenhoven. Op 8 augustus 1911 trad hij in het huwelijk met Johanna Everdina van Bers, geboren te Bemmel (Gelderland). Het huwelijk bleef kinderloos.


Antonius Theodorus van Rijen (1878-1946).
(coll. RHC Tilburg).

Op 1 juli 1906 trad Antoon van Rijen, die daarvoor werkzaam was als kantoorklerk, als eerste (betaalde) 'Secretaris van den Arbeid' in dienst van de drie jaar eerder opgerichte Bossche Diocesane Werkliedenbond, de overkoepelende standsorganisatie van het bisdom 's-Hertogenbosch, die sinds 1934 haar hoofdkantoor had aan het St. Annaplein (nr. 21) in de fabrieksstad Tilburg. Zijn geestelijke mentoren waren mgr. Prinsen, de Bossche aalmoezenier van de arbeid, en mgr. W.P.A.M. Mutsaerts, de Tilburgse fabrikantenzoon, vriend van Poels, adviseur van de R.K. Bond van Spoor- en Tramwegpersoneel 'St. Raphael' en later bisschop van Den Bosch. 

Hij was een tegenstander van het streven naar een interconfessionele arbeidersbeweging, dat zich behalve in Twente ook in het bisdom Den Bosch en met name in Tilburg onder de textielarbeiders manifesteerde. Toen Van Rijen aantrad als secretaris van de arbeid telde de landelijke interconfessionele textielarbeidersbond Unitas meer katholieke leden in Brabant dan in Twente. De zogenoemde Zuidelijke Districtsbond had toen 1800 leden. De strijd van de Bossche geestelijkheid en de Bossche Diocesane Werkliedenbond onder aanvoering van Van Rijen richtte zich - in naam van de diocesane autonomie - behalve tegen het interconfessionalisme ook tegen het streven naar de oprichting van landelijke katholieke vakbonden en van een katholieke vakcentrale. 

Als secretaris van de arbeid had Van Rijen de opdracht om de verenigingsgedachte te propageren onder de katholieke arbeiders en organisatorische, wettelijke en juridische adviezen te geven. In de beginjaren vormde de propaganda de hoofdmoot van zijn werkzaamheden. 'Dag aan dag, avond en avond op reis en ter vergadering, zodat de correspondentie bijna uitsluitend na thuiskomst van de reis in de late avond- en nachturen kon gevoerd worden. Zondagsrust en zondagsheiliging? Wel, daar speechte de secretaris van de arbeid over in de vergaderingen, evenals over de achturen-arbeidsdag, welke voor hem zeer dikwijls tweemaal per 24 uur kwam, gelijk het ook herhaaldelijk is voorgekomen, dat hij twaalf en meer Zondagen achtereen op het propagandepad was. Drie spreekbeurten op een Zondag waren heus geen zeldzaamheden', zo beschreef Van Rijen achteraf zijn eigen inzet in het zilveren gedenkboek van de Bossche Diocesane Bond. Overal roerde hij de trom van de christelijke solidariteit. Aan dit stokpaardje, waarop hij graag door de Brabantse dreven draafde, dankte hij zijn bijnaam 'Toontje Solidair'. Bij zijn overlijden roemde de Nieuwe Tilburgsche Courant hem als een 'weldenkende propagandist en een prachtig schrijver'. 



Het net in gebruik genomen hoofdkantoor van de Bossche Diocesane 
Werkliedenbond aan het St. Annaplein 21 in 1934.
(coll. RHC Tilburg).

In menig Brabants dorp gaf Van Rijen de aanzet tot de oprichting van een katholieke werkliedenvereniging. Waar de aantrekkingskracht van de standsorganisatie niet groot genoeg was, nam de Bossche Diocesane Werkliedenbond zijn toevlucht tot het stimuleren van de oprichting van plaatselijke vakverenigingen, die dan volgens het zgn. 'gildenbondsysteem-in-diocesaan-verband' gebundeld moesten worden tot algemene werkliedenverenigingen. Volgens Van Rijen zelf overtrof het 'aantal der door hem opgerichte vakvereenigingen (...) verre dat der werkliedenvereenigingen'. Pas na het Bisschoppelijk Communiqué van 1916, waarin het episcopaat een uitspraak deed over de verhouding tussen de stands- en de vakorganisatie, werd in het bisdom Den Bosch afgestapt van het gildenbondmodel, tot genoegen van geschiedschrijver Versluis: 'Gelukkig maar, voegen wij er aan toe, want een zegepraal van het gildenbondsysteem zou uitgelopen zijn op de dood van de eigenlijke standsorganisatie. Het zou (...) de standsorganisatie gedegradeerd hebben tot een centrale van plaatselijke vakafdelingen met collectief lidmaatschap. Het is niet teveel gezegd, als men beweert, dat de katholieke arbeidersbeweging dan waarschijnlijk zou uitgelopen zijn op: "een strijd om de dikkere boterham" alleen'.

Versluis roemde de 'ongelofelijke werkkracht' van Van Rijen, die 'onwankelbaar was geweest in zijn trouw en volgzaamheid aan het kerkelijk gezag'. Volgens Versluis was Van Rijen geen groot organisator en initiatief- noch ideeënrijk : 'Gefundeerde eigen meningen zijn in zijn werk niet tot uitdrukking gekomen. Soms wist hij het wezenlijk waardevolle in andermans mening snel te onderscheiden en droeg deze dan zo uit, dat de argeloze toeschouwers konden wanen Van Rijens eigen overtuiging te beluisteren. Een ander maal ontging hem blijkbaar de wezenlijke betekenis van een gangbare mening, maar mat hij haar waarde af aan het momentele gezag van de persoon, die haar het eerst had voorgedragen'. Versluis vond desalniettemin, dat Van Rijen het eerbetoon in de vorm van een bronzen plaquette in het bondskantoor waardig was op grond van zijn 'ongeveinsde liefde voor de arbeidersstand, zijn nietsontziende werkkracht en zijn onverdachte katholiciteit'.


Functies

De loopbaan van Van Rijen binnen de katholieke arbeidersbeweging speelde zich vooral af op diocesaan niveau. Op 24 juli 1912 werd hij als tweede secretaris toegevoegd aan het bestuur van de Bossche Diocesane Werkliedenbond, op 1 juni 1919 werd hij bevorderd tot eerste secretaris en op 7 juni 1920 werd hij gekozen tot voorzitter. Op 11 oktober 1938 nam Van Rijen ontslag als beambte en voorzitter en werd hij uit dankbaarheid benoemd tot ere-voorzitter. 



V.l.n.r. Antoon van Rijnen, kapelaan Werners en Jan van Rijzewijk op het 
terras van Hotel Berg-en-Dal te Beek-Ubbergen in 1910. (coll. RHC Tilburg).

Als verpersoonlijking van de Bossche Diocesane Bond was Van Rijen betrokken bij de oprichting van een aantal diocesane instellingen en organisaties, zoals het Centraal Ziekenfonds van de Bossche Docesane Werkliedenbond, de Diocesane Ontwikkelingscentrale en het Diocesaan Comité der St. Radboudstichting (ten behoeve van de oprichting van een katholieke universiteit). Ook in Tilburg vervulde Van Rijen een aantal nevenfuncties, zoals het lidmaatschap van het plaatselijk comité van de Katholieke Sociale Actie en het voorzitterschap van het Tilburgs Kruisverbond (1903-1919). Daarnaast was hij onder meer betrokken bij de oprichting van de woningbouwvereniging St. Joseph en van de Tilburgse Volkshogeschool. 
Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant was de 'eerste liefde' van de principiële geheelonthouder Van Rijen echter de Tilburgsche R.K. Drankbestrijdersvereeniging, die hij mee oprichtte in 1910 en waarvan hij voorzitter en secretaris was. 
Landelijk speelde Van Rijen een rol als bestuurslid van de in 1906 opgerichte Federatie van Diocesane R.K. Volks- en Werkliedenbonden, een 'wel zeer los federatief verband' (Kuiper) van autonome diocesane overkoepelende standsorganisaties, dat nauwelijks in staat bleek initiatieven te ontplooien op landelijk niveau. Hij was secretaris van 1915 tot 1918 en voorzitter van 1918 tot 1920. Toen de Federatie in 1925 samenging met het R.K. Vakbureau in het R.K. Werkliedenverbond in Nederland werd Van Rijen lid van het bestuur.


Tegenstellingen

Als exponent van de standsorganisatie en het Bossche diocesane particularisme kwam Van Rijen meermalen in botsing met zijn plaatsgenoot Jan van Rijzewijk, die voorzitter was van de landelijke R.K. Tabaksbewerkersbond en van het met veel moeite in 1909 tot stand gekomen Bureau voor de R.K. Vakorganisatie. In de eufemistische terminologie van de geschiedschrijver van de katholieke arbeidersbeweging, Kuiper, heette het dat 'de bedoelde persoonlijke rivaliteit (tussen de voormannen van de stands- en de vakorganisatie) wel met enige juistheid (is) uitgedrukt met te zeggen, dat tussen Jan van Rijzewijk en Piet van Haazevoet aan de ene, en Hendrik Brouwer en Antoon van Rijen aan de andere kant, een niet altijd even goede collegiale verstandhouding bestond'. Terwijl Van Rijzewijk de grenzen zocht van de christelijke solidariteit (en van het kerkelijk gezag) bleek Van Rijen volgens het Nieuwsblad van het Zuiden 'bijzonder geschikt om het contact tussen de arbeiders en de andere standen te leggen'. 

Ook in de lokale politieke arena botsten beide arbeidersvoormannen. Aanvankelijk stonden zij schouder aan schouder tegenover de Tilburgse politieke elite, die de werklieden het recht van spreken en kiezen in de R.K. Kiesvereeniging 'District Tilburg' ontzegden. 
In 1909 manifesteerde de tweespalt onder de Tilburgse arbeiders vanwege het interconfessionalisme zich in de strijd tussen Van Rijen en Bernhard Hutten, Unitasman en hoofdbestuurslid van het CNV, om een zetel in de gemeenteraad. Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant hadden vooraanstaande Tilburgers zich teruggetrokken uit de verkiezingsstrijd ten faveure van Van Rijen: 'Aan hem kunnen werklieden en middenstanders hun vertrouwen schenken.' De krant ontraadde zijn lezers ten stelligste hun stem uit te brengen op Hutten, 'die als R.K. niet luisterend naar de stem van zijn Hoogwaardige Bisschop zich blijft verzetten tegen de katholieke organisatie'. Zijn aanhangers verdedigden hem in een advertentie, waarin hij een 'echt Tilburgs werkman' werd genoemd, een 'bezadigd spreker', die immer bereid was tot overleg met de Tilburgse burgerij. Volgens de advertentietekst was Van Rijen niet eens een echte arbeider en zat er een luchtje aan zijn kandidaatstelling, want 'de voorzitter van de Gildenbond (Van Rijzewijk, JvM.) moest om onverklaarbare redenen voor Van Rijen wijken'. Van Rijen werd gekozen tot gemeenteraadslid met 520 stemmen tegen 204 stemmen voor Hutten. Twee jaar later kwam ook Van Rijzewijk in de raad. 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog probeerde Van Rijzewijk met de Gildenbond als uitvalsbasis de macht over te nemen in de kiesvereniging. Volgens Van Rijen was dit streven zowel in strijd met de christelijke solidariteit als met het verbod van de bisschoppen aan sociale organisaties om aan politiek te doen. 
In 1913 werd Van Rijen genoemd als kandidaat voor een zetel in de Tweede Kamer. Toen vijf jaar later onder de katholieken een felle standenstrijd losbarstte om de kandidaatstelling voor de eerste Tweede-Kamerverkiezingen onder algemeen kiesrecht, werd ook Van Rijen kandidaat gesteld. Volgens De Maasbode zag hij echter af van een kandidatuur 'om het verkeerde idee tegen te gaan, dat ieder, die in de vakvereeniging of sociale beweging in het algemeen nuttig werk verricht, nu ook vanzelf geschikt is als kamerlid'. Bovendien was Van Rijen volgens De Maasbode van mening, dat er al te veel kandidaten uit arbeiderskring waren gesteld. 
Als troostprijs werd Van Rijen op 10 mei 1918 benoemd tot de eerste arbeiderswethouder van de gemeente Tilburg. In 1919 werd hij gekozen tot lid van de Provinciale Staten van Noord-Brabant. Van Rijen beheerde de portefeuille van sociale aangelegenheden tot zijn benoeming tot lid van Gedeputeerde Staten op 30 juli 1929.


Verdiensten

Voor zijn verdiensten werd Van Rijen door de paus benoemd tot ridder in de Orde van St. Gregorius en onderscheiden met het 'Pro Ecclesia et Pontifice'. De Nederlandse overheid benoemde hem tot ridder in de Orde van Oranje Nassau en ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw, terwijl Koning Albert I van Belgie hem de Bronzen Eremedaille toekende.
Van Rijen overleed op 4 september 1946. Op zaterdag 7 september werd hij onder grote belangstelling begraven. De requiemmis werd gehouden in de parochiekerk van Korvel. Onder omfloerste vaandels bewezen Tilburgse arbeiders, hun katholieke organisaties en voormannen hem in groten getale de laatste eer. Ook de commissaris van de Koningin in Noord-Brabant, jhr. mr. F. Smits van Oyen, en kopstukken uit de lokale politiek, zoals oud-burgemeester en oud-wethouder Van de Mortel, oud-wethouder Van Oudenhoven, zijn opvolger als voorzitter van de Bossche Diocesane Bond en wethouder Frans Hoogers, de voorzitter van de Kamer van Koophandel, H. Mannaerts, woonden de begrafenis bij.
Door de gemeente Tilburg werd een straat naar Antoon Th. van Rijen genoemd.


Literatuur

- Kuiper, C.J., Uit het rijk van den arbeid, (3 delen), Utrecht 1924, 1927 en 1953.
- Lauret, A.M., Stroomversnelling, Tilburg 1964.
- Rossen, M., Het gemeentelijk volkshuisvestingsbeleid in Nederland. Een comparatief onderzoek in Tilburg en Enschede (1900-1925), Tilburg 1988.
- Thelen, A., Lambert Poell (1872-1937) en de katholieke sociale beweging, Tilburg 1990.
- Versluis, W.G., Door eigen kracht. Vijftig jaren geschiedenis van de Bossche Diocesane Bond der K.A.B., Tilburg 1953.

  

(Coll. Ronald Peeters, Tilburg).                                    (Coll. RHC Tilburg).

Geschriften van Antoon van Rijen

- R.K. Arbeiders waakt op! Een woord van opwekking en aansporing tot deelname aan de Katholieke Vakbeweging, Tilburg 1909.
- Is dáár uw plaats?, Tilburg 1909.
- Het Secretariaat in het Diocees Den Bosch, Den Bosch 1909.
- Gedenkboek ter gelegenheid van het 12,5-jarig bestaan van den Bosschen Diocesanen Werkliedenbond, Den Bosch 1916.
- Gedenkboek ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van den Bosschen Diocesanen Bond, 1903-1928, Den Bosch 1928.


Aanvulling:
De Bossche Diocesane Werkliedenbond betrok in 1934 het bondskantoor aan het St. Annaplein. Toen Van Rijen in 1906 aantrad als Secretaris van den Arbeid hield hij kantoor in een voorkamertje van zijn woning. In 1918 kreeg de diocesane bond de beschikking over twee kamers in de Gildenbond aan de Tuinstraat. In 1921 verhuisde het bondsgebouw naar de Trouwlaan 12.

* Jos van Meeuwen publiceerde o.m. in 'Tilburg' (1986 en 1989) en werkt thans aan een dissertatie.