Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed - Tijdschrift

 

442. Met het oog op Donders
 

Titel:   

Met het oog op Donders

Ondertitel:   

Tilburger prof. dr. F.C. Donders (1818-1889), een van 's werelds grootste oogheelkundigen uit de negentiende eeuw*

Auteur:   

Ronald Peeters

Jaargang:   

XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur

Nummer:   

1

Paginaí s:   

14-17

 

Jan en Annie Romein schreven in hun 'Erflaters van onze beschaving' in 1938 over zijn dood: 'in maart 1889 brak een van de meest harmonische levens af die ooit in deze verwarde mensenwereld geleefd zijn'. Franciscus Cornelis Donders, geboren in 1818 in de Nieuwlandstraat te Tilburg, een van de bekendste negentiende-eeuwse oogheelkundigen ter wereld, en vriend van de eveneens wereldberoemde natuuronderzoeker Charles Darwin (1809-1882).
In Utrecht staat een levensgroot standbeeld. In Tilburg herinneren een straatnaam, een gedenksteen (van Nicolaas Beets !) tegen de voorgevel van zijn geboortehuis en een levensgroot geschilderd portret in het Paleis-Raadhuis aan de grote Donders.

Prof.dr. F.C. Donders (1818-1889), geschilderd door J. Taanman 
te Amsterdam. Dit protret hangt in het Paleis-Raadhuis te Tilburg. 
Coll. RHC Tilburg, Foto Frans van Ameijde).

Franciscus Cornelis Donders werd op 27 mei 1818 in de Nieuwlandstraat (thans nr. 44, Volksuniversiteit Terra Nova) te Tilburg geboren als zoon van Jan Frans Donders (1755-1819) en Agnes Elisabeth Hegh (1781-1853). Van zijn zevende tot zijn dertiende jaar was hij bij dorpsschoolmeester Panken te Duizel in de kost, waar hij leerde lezen, schrijven en rekenen; ook leerde hij er Frans. Vanaf zijn elfde jaar mocht hij zijn kostgeld zelf verdienen door als ondermeester de Duizelse schooljeugd te onderwijzen. Op zijn dertiende jaar, in 1831, ging hij naar de Franse school te Tilburg. Van zijn uit Engeland afkomstige schoolvriend Henry Collier leerde hij wat Engels. Kort daarna vertrok hij naar de paters carmelieten in Boxmeer om er Latijn en Grieks te gaan leren. Toen hij zeventien was, werd hij kwekeling aan de Militaire Geneeskundige School te Utrecht en hij liet zich tevens inschrijven als student aan de universiteit. Zijn kennis en algemene ontwikkeling vond hij zelf niet groot: 'van de latijnsche letterkunde wist ik weinig, van de grieksche niets hoegenaamd en zoowat evenveel van de nederlandsche en van die van andere moderne talen'. Na zijn doctoraal examen, dat hij in Leiden haalde met zijn 'Boxmeersch latijn (ik sprak het als water)', zo schreef hij, vertrok hij in 1840 als officier van gezondheid naar Vlissingen, waar hij tot augustus 1841 bleef. 

Wetenschapper

Zijn wetenschappelijke bagage werd in sneltreinvaart ontwikkeld. Op 23 oktober 1840 verdedigde hij zijn proefschrift over twee gevallen van acute meningitis (hersenvliesontsteking). Na een verblijf in 's-Gravenhage werd hij in 1842 op 24-jarige leeftijd docent in de anatomie, de histologie en de fysiologie aan de Militaire Geneeskundige School te Utrecht tegen een salaris van 800 gulden. Het medisch-wetenschappelijke onderwijs stond op een keerpunt. Er werd steeds meer gedoceerd in het Nederlands in plaats van in verhaspeld en benaderend Latijn. En dat Donders tot 1842 nog nooit een microscoop had gezien, behalve dan een zonnemicroscoop op de kermis, deed toen niet meer ter zake.

Voor- en keerzijde van een bronzen penning door W. Schammer, uitgegeven ter gelegenheid van de 70e 
verjaardag en het 40-jarig professoraat van F.C. Donders in 1888. (Coll. RHC Tilburg, foto Jan Brieffies, 1983).

De aimabele Donders kwam al spoedig in voorname politieke en wetenschappelijke kringen terecht en zijn ster zou weldra schitteren aan het firmament. In 1845 begon hij zijn beroemd geworden onderzoek naar de draaiingen van het oog en naar de verschijnselen in het inwendige van het oog. Er werden in die tijd vele belangwekkende ontdekkingen gedaan, vooral door Duitse geleerden. Karl von Baer had het zoogdierei gevonden, Henle met zijn 'Handbuch der allgemeinen Anatomie' en Johannes MŁller met zijn 'Handbuch der Physiologie', hadden de geneeskunde een nieuwe wetenschappelijke basis gegeven. Voor de kennis van de microchemie werd de studie 'Microchemische onderzoekingen van de dierlijke weefsels', die Donders samen met Mulder in 1845/1846 publiceerde, een belangrijke bijdrage.

Charles Darwin

Bij de aanvaarding van het hoogleraarsambt in 1848 sprak hij zijn inaugurele rede 'De harmonie van het dierlijk leven, de openbaring van wetten' uit. Deze rede veroorzaakte enige beroering in de toenmalige wetenschappelijke wereld. De dertig jaar jonge professor gaf hierin de 'grondwet' van de ontwikkeling van het dierlijk leven, een grondwet die zo'n tien jaar later in Darwins 'On the Origin of Species by Means of Natural Selection' (1859) pas echt wereldkundig zou worden gemaakt. De afstammingsleer werd in de rede van Donders in feite reeds beknopt geformuleerd. En Darwin gaf aan Donders in 1871 toe: 'Het is duidelijk, dat U er zo dicht mogelijk aan toe bent geweest om mij voor te gaan op het punt der natuurlijke selectie.'
Donders had hem in 1869, in zijn landhuis te Down, voor het eerst ontmoet. Darwin vroeg Donders in 1870 een onderzoek te verrichten 'over den steun der oogen bij bloedsaandrang door uitademingsdrukking'. Dit onderzoek was nodig voor Darwins gelaatkundige studies, want de 'expression', zo meende hij, was van groot belang voor de afstammingsleer.
In 1882 maakte Donders deel uit van het Nederlands comitť dat het bijeenbrengen van 'The Darwin memorial Fund' beoogde.

Oogheelkunde

In 1846 verzorgde Donders de Nederlandse vertaling van Ruete's 'Lehrbuch der Augenheilkunde'. Er verschenen steeds meer publicaties van zijn hand over allerlei aspecten uit de oogheelkunde. Zijn grote belangstelling voor het oog bracht hem in 1851, het jaar van de eerste grote wereldtentoonstelling, in Londen, waar hij de beroemde fysioloog en oogarts William Bowman ontmoette, en waar hij ook een levenslange vriendschap sloot met de jonge Berlijnse oogarts Albrecht von Graefe. Hij hoorde van hem over de ontdekking van de oogspiegel door Von Helmholtz. 
Terug in Nederland bestelde hij zo'n oogspiegel, waarmee hij honderden blinden en half-blinden naar zijn pas geopende privť-kliniek in Utrecht lokte. Hij kon daar echter geen patiŽnten opnemen. Zij konden wel worden opgenomen in het cholerahospitaal, dat weldra te klein bleek. Het klimaat bleek gunstig om 40.000 gulden te investeren om naast het cholerahospitaal een gebouw aan te kopen, waarin Donders in 1858 het eerste Nederlandse ooglijdersgasthuis stichtte. Hij werd er als eerste directeur en 'dirigerend-geneesheer' aangesteld. 
Dit gasthuis heeft dienstgedaan tot 8 mei 1894, toen een nieuw gasthuis werd geopend. In 1883 legde hij zijn functie neer. Toen in 1862 professor Schroeder van der Kolk stierf, volgde Donders hem op als gewoon hoogleraar in de fysiologie, en kreeg hij de beschikking over een nieuw fysiologisch laboratorium. 

In 1864 schreef hij zijn bekendste werk: 'On the anomalies of accommodation and refraction of the eye', dat ook in het Duits, Frans, Pools, Italiaans en Russisch verscheen. Van 1851 tot zijn dood was hij lid van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, waarvan achttien jaar als voorzitter. Zijn wetenschappelijk oeuvre is omvangrijk geworden, en zijn onderscheidingen waren legio: onder andere Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de orde van Leopold (BelgiŽ), Ridder in de orde van de Poolster (Zweden), Commandeur in de orde van de Nederlandse Leeuw en Ridder Tweede Klasse in de orde van de Gouden Leeuw van het huis Nassau. In 1888 werd hem het eredoctoraat van de universiteit van Bologna toegekend.

Hij was uitvinder van vele instrumenten voor oogartsen. Niet zo bekend is de door hemzelf gebouwde 'Phon-autograph' uit 1874, waarmee het menselijk geluid werd vastgelegd en zichtbaar gemaakt als een trilling. De universiteit van Utrecht bezit dit apparaat, met opnamen van de Engelse redenaar Henry Sweet met stukjes uit het toneelstuk Pygmalion. Had hij het tegenovergestelde toegepast: het membraan laten trillen door het eerder vastgelegde trillingspatroon, dan had hij het menselijk geluid hoorbaar gemaakt: de grammofoon.

Nicolaas Beets

Op 28 mei 1888 werd door hem ter gelegenheid van het bereiken van zijn zeventigste verjaardag en het neerleggen van het ambt van hoogleraar de Donders-stichting in het leven geroepen. Uit dit fonds konden kandidaten voor de leerstoel fysiologie en oftalmologie (de leer der oogziekten) worden opgeleid. Hij had berekend dat uit de renten van het fonds om de acht jaar een fysioloog en een oftalmoloog konden worden opgeleid, en 'dit is voldoende'
Bij dezelfde gelegenheid werd in zijn geboortehuis te Tilburg op initiatief van de Maatschappij tot Bevordering van de Geneeskunst een gedenksteen ('in het midden zwart geslepen met vergulde letters') aangebracht, waarvan de tekst bedacht werd door Nicolaas Beets, die hem eens 'groot en goed' noemde. 

Dr. Nicolaas Beets (1814-1903) verkreeg zijn roem als schijver van het klassiek geworden werk 'Camera Obscura', dat hij in 1839 onder het pseudoniem Hildebrand uitbracht. Het Tilburgse gemeentebestuur gaf hem opdracht dit kleine 'werk' over de beroemde Utrechtse stadgenoot van Beets te maken. In een brief van 25 augustus 1888, bewaard in het Gemeentearchief van Tilburg, maakt hij de door hem ontworpen herinneringstekst aan het gemeentebestuur bekend:

'Weledele Zeer geleerde Heren. Na een verblijf buitenslands van ruim 4 weken, vind ik tehuis gekomen, uwe geŽerde letteren van 1 augustus, vragende mijn advies voor het Inschrift op den steen in den gevel van het huis, waarin deze groote Donders geboren werd. Ik moet wel vreezen thans met dit advies te laat te komen, maar naar mijn gevoelen zou dat inschrift niets meer of minder moeten behelzen dan: 'Op den 27-sten van Bloeimaand des jaars O.H. MDCCCXVIII werd Franciscus Cornelis Donders in deze woning geboren'. Met verschuldigde gevoelens heb ik de eer te zijn, Uw dw. dr. Nicolaas Beets'.

Geen opzienbarende tekst dus, maar in Tilburg is hiermee wel een kleine pennevrucht van deze bekende letterkundige vereeuwigd en nog steeds in de Nieuwlandstraat te aanschouwen. Het goud is echter van de letters verdwenen.

Gedenksteen tegen de voorgevel van Nieuwlandstraat 44, Tilburg.(Coll. RHC Tilburg, foto Jan 
Brieffies, 1982).

Op 24 maart 1889 is Donders te Utrecht overleden; en zoals Jan en Annie Romein in hun 'Erflaters van onze beschaving' hun hoofdstuk over Donders besloten: 'in maart 1889 brak een van de meest harmonische levens af die ooit in deze verwarde mensenwereld geleefd zijn'. 
Van 1862 tot 1888 heeft Donders als oogheelkundige en zintuigfysioloog een belangrijke plaats ingenomen in de Nederlandse medische wetenschap. Samen met de Duitse tijdgenoten H. von Helmholtz en A. von Graefe, behoorde hij tot de grondleggers van de moderne oogheelkunde.
Op het St. Janskerkhof te Utrecht staat sinds 1921 een levensgroot bronzen standbeeld van hem. Er is daar ook een F.C. Dondersstraat, evenals in Bussum en Amsterdam. Hilversum en Tilburg (sinds 1922) hebben een Prof. Dondersstraat.

Geboortehuis van F.C. Donders in de Nieuwlandstraat 44 te Tilburg. (Coll. RHC Tilburg, foto 
Frans van Ameijde, 1989).

In juni 1992 vierde het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap zijn honderdjarig bestaan met een symposium in Maastricht. Hier werden de zogenaamde Dondersvoordrachten gehouden, en er werd de 'Dondersprijs' voor een in het oog springend promotieonderzoek uitgereikt. Dit keer aan dr. Maurits Stakenburg voor zijn dissertatie (Groningen) uit 1991. Eveneens in 1992 is in het Museum Boerhaave te Leiden de tentoonstelling 'Oog in oog. Diagnostische ontwikkelingen in de oogheelkunde, 1850-1925' te zien geweest. Hier werd veel aandacht besteed aan de diagnostische technieken en hulpmiddelen van onder meer prof. dr. F.C. Donders.


* Verscheen eerder in: Tilburg Magazine, III (1992), nr. 3, p. 13-17.


Geraadpleegde literatuur

ir. J. van der Eerden en P.W.F. Donders, Het Tilburgse geslacht Donders (Haarlem, 1982), p. 111-112.

dr. F.P. Fischer en dr. G. Ten Doesschate, Franciscus Cornelis Donders (Assen, 1958), 223 blz.

drs. K.S. Grooss, Oog in oog. 1850-1925 Diagnostische ontwikkeling in de oogheelkunde (Leiden, Museum Boerhaave, 1992), 32 blz.

E.C. van Leersum, Het levenswerk van Franciscus Cornelis Donders (Haarlem, 1932), XVI, 408 blz.

Ronald Peeters, De straten van Tilburg (Tilburg, 1987), p. 41.

Ronald Peeters, De Paap van Gramschap. Vier eeuwen schrijven en drukken in Tilburg (Tilburg, 1992), p. 18-19 en 47-48.

Jan en Annie Romein, Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen (1938-1940, Amsterdam, 1976, 11e druk), p. 675-698.

'De ogen van Donders', in: Donders Nieuws, 6, afl. 1, juni 1988, p. 11-15.

'De gemiste uitvinding', in: Donders Nieuws, 10, afl. 1, juni 1992, p. 10.