| 443. Gerard van Spaendonck (1746-1822) | |||
|
Titel: |
Gerard van Spaendonck (1746-1822) |
|
Ondertitel: |
Gevierd Tilburgs bloemschilder aan het Franse hof* |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVIII (2000) |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
18-21 |
Hij ligt op een afstand van 15 meter begraven achter Frédéric Chopin op de begraafplaats Père Lachaise te Parijs. Gerard van Spaendonck, geboren in Tilburg, overleden in Parijs, lid van het Institut de France, professor in de iconografie, directeur van de Jardin des Plantes en miniatuurschilder van koning Lodewijk XVI. In 1804 ontving hij als een der eersten het erekruis van het Legioen van Eer. Keizer Napoleon verleende hem in 1808 de titel van graaf. In vele musea, voornamelijk in Frankrijk, treft men zijn werken aan. Het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch kocht in 1999 voor bijna een ton nog een miniatuurstilleven van 7 cm doorsnee op een schildpaddoos van zijn hand.
Jeugd in Tilburg
Gerardus van Spaendonck werd op 22 maart 1746 te Tilburg geboren als zoon van Jan Antony van Spaendonck en Maria Theresia
Couwenbergh. Zijn vader was sinds 1734 op het kasteel aan de Hasselt rentmeester van prins Willem VIII van
Hessen-Kassel, heer van de heerlijkheid Tilburg en Goirle. De prins van Hessen-Kassel verkocht zijn heerlijkheid in 1754 aan Gijsbertus
Steenbergensis, graaf van Hogendorp. Vader Van Spaendonck verloor zijn rentmeestersambt en hij bevond zich met zijn groeiend gezin weldra in
'kommervolle omstandigheden'. Wegens buitengewone verdiensten kreeg hij het burgemeestersambt toegewezen, te vergelijken met het ambt van gemeenteontvanger.

Links het ouderlijk huis van Gerard en Cornelis van Spaendonck, genaamd
‘De Een Swaen’ op de Heuvel hoek Heuvelstraat te Tilburg in 1832.
(Coll. Atlas van Stolk, Rotterdam).
Al op jonge leeftijd openbaarden zich de kunsttalenten van zijn zoon Gerard, en 'elk uur dat hij aan het kantoor zijns vaders ontwoekeren kon, werd aan den schilderezel
doorgebragt', aldus een biograaf. Zo ontving hij eens als nieuwjaarsgeschenk een
ducaat, die hij aan een voerman meegaf om er in Antwerpen voor hem 'schoone verwen' te kopen.
Door een resolutie uitgevaardigd door de Raad van State, waarin het bekleden van ambten door rooms-katholieken verboden werd, verloor Jan Antony zijn baan. Een ambtelijke loopbaan voor zijn ambitieuze zoon zag hij niet meer zitten, en hij besloot hem in de schilderkunst verder te laten opleiden. In 1764 verliet de achttienjarige Gerard het ouderlijk huis De Een
Swaen, gelegen op de hoek van de Heuvel en de Steenweg (Heuvelstraat).
Via Antwerpen naar Parijs
De jonge Van Spaendonck vertrok naar Antwerpen, waar hij les zou krijgen van de bekende schilder Guillaume Jacques Herreyns (1743-1827). Jaarlijks moesten zijn ouders 300 gulden studiekosten betalen. Herreyns heeft veel profijt gehad van de artistieke deskundigheid van Gerard van
Spaendonck. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij hem na een bijna zesjarige opleiding graag in vaste dienst wilde nemen. Waarschijnlijk was Gerard opgeleid tot decoratieschilder, wat in die tijd vrijwel de enige bestaansmogelijkheid in dit vak bleek te zijn. Een riant bod van 300 gulden jaarsalaris werd door Gerard echter van de hand gewezen. Hij wilde liever een zelfstandig kunstenaar worden, een eigen stijl ontwikkelen en deze perfectioneren. En daarvoor had hij het verre en mondaine kunstcentrum Parijs in gedachten. Om zijn reis te bekostigen schilderde hij in mei 1769 twaalf dagen lang de decoraties van de erepoorten die werden opgericht ter gelegenheid van de intocht van prins Willem V in het kamp Breda. Hij ontving er dertig gulden voor, genoeg om in de zomer van 1769 samen met
'een anderen meubelschilder uit Berchem', waarmee hij bevriend was, en zijn jongere broer Cornelis (geboren te Tilburg in 1756, die eveneens bij Herreyns in de leer was geweest) naar de Franse hoofdstad te
vertekken,
'zonder voorkennis of toestemming hunner ouders, welker braafheid en godsdienstzin dit voornemen zeker zouden ontraden hebben, daar het wulpsch Parijs hen met schilderkunde kon volmaken weliswaar, maar nog meer en oogenschijnlijker met zedeloosheid
bevlekken'. Beide broers zouden er tot hun dood blijven.
Gerard van Spaendonck (1746-1822) op een litho naar het schilderij
an Nicolas Antoine Taunay dat zich thans in het Noordbrabants Museum
te ’s-Hertogenbosch bevindt. (Coll. Ronald
Peeters, Tilburg).
Gerard werd bevriend met de Franse edelman Lavalette. Deze mecenas was zo onder de indruk van zijn bloemschilderstukken, vaak miniaturen op snuifdozen, dat hij 's zomers bij hem mocht wonen op zijn buitenverblijf. In de winter woonde Lavalette op het
Louvre, waar hij op het platdak speciaal zand liet storten om zeldzame planten te kweken, die Gerard kon schilderen. Hun vriendschap duurde acht jaar lang, tot de dood van
Lavalette. Inmiddels was Gerard in 1774, nog geen vijf jaar na zijn komst in Parijs, door koning Lodewijk XVI aangesteld tot
'Peintre en mignature', koninklijk miniatuurschilder. Hij kreeg een woning toegewezen bij de oppertuinman van het
Louvre. De aanstelling had hij onder meer te danken aan de invloed die zijn vriend Claude-Henri Watelet aan het hof aanwendde. Deze was directeur-generaal van de koninklijke bossen, financier en bovenal verzamelaar. De miniaturen van Van Spaendonck kwamen in de mode. Voor een groot bloemstuk vroeg hij al gauw 1200 tot 1500 franc. Hij nam deel aan alle toonaangevende tentoonstellingen, en won er vele prijzen, in 1777 bijvoorbeeld een ereprijs op de Salon van het Louvre voor het bloemstuk 'fleurs dans un vase
d'agathe', bloemen in een vaas van agaat.
De velijnen van de koning
De aanstelling tot miniatuurschilder hield in dat hij belast werd met het voortzetten van de verzameling van de
'vélins du Roi'. Dit waren botanische studies die op speciaal perkament, huiden van ongeboren kalveren, werden geschilderd. De collectie werd oorspronkelijk aangelegd in de zeventiende eeuw door hertog Gaston
d'Orléans, de broer van koning Lodewijk XIII. Hij woonde op het kasteel van
Blois, en na diens dood in 1660, kwamen de velijnen van bloemen en vogels, die waren vervaardigd door Nicolas
Robert, bij de jonge Lodewijk XIV terecht. De koning werd zo enthousiast dat hij besloot de verzameling te laten aanvullen door officiële miniatuurschilders die in dienst van het Franse hof kwamen. De verzameling werd daarna uitgebreid door respectievelijk Lodewijk XV en Lodewijk
XVI. Vanaf 1735 was Madeleine Basseporte (1700-1780) miniatuurschilder, die tot aan haar dood aan de collectie heeft gewerkt. Aanvankelijk stond Gerard dus onder haar leiding. Pas in 1780 volgde zijn officiële benoeming. Hij werkte tot 1785 aan de
velijnen. Totaal zijn vijfenvijftig bladen van zijn hand. Vanaf 1788 was de beroemde bloemschilder Pierre-Joseph Redouté zijn leerling. Enkele door Van Spaendonck gesigneerde
velijnen, zijn vermoedelijk van Redouté.

Gravure van P.F. Le Grand naar een van de
‘velijnen’ van Gerard van Spaendonck, ca. 1800.
(Coll. RHC Tilburg).
De velijnen van Van Spaendonck maken deel uit van een collectie van 6500 stuks in 105 roodleren banden. Zij bevinden zich in het Museum d'Histoire Naturelle te Parijs. Op verzoek van zijn bewonderaars liet hij 24 van zijn velijnen graveren door onder andere
P.F. Le Grand. Hij gaf ze tussen 1799 en 1801 in eigen beheer uit in zes series van vier. De titel luidde
'Fleurs dessinées d'après nature par G. van Spaendonck'. Deze zeldzame uitgave, waarvan het Gemeentearchief Tilburg en het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch nog enkele losse gravures in hun collecties hebben, werd in de jaren vijftig in facsimile onder de titel
'Les plus belles fleurs de G. van Spaendonck, 1746-1822' door Karl Handler in Parijs uitgegeven. Een Engelse vertaling van Wilfrid Blunt volgde in 1957:
'Gerard van Spaendonck: flowers drawn from nature'.
Beroemd schilder
In 1781 werd Gerard van Spaendonck toegelaten als lid van de Académie des Beaux Arts, een eervolle toelating waarvoor men niet zo gauw in aanmerking kwam. Het gaf hem ook het recht aan de tweejaarlijkse Salons in het Louvre deel te nemen. In 1788 kreeg hij een bestuursfunctie
('conseiller') aan de Académie.
Als bloemschilder begaf hij zich ook op de vrije markt. Zijn werken werden grif gekocht door de koning en door de adel. Er werd soms meer geboden dan hij ervoor vroeg. Sommige stukken brachten vele duizenden francs op.
Hij werkte nauw samen met zijn broer Cornelis, die in 1789 overigens eveneens als bloemen- en vruchtenschilder lid van de Académie was geworden.
Tijdens de Franse Revolutie werd Gerard op aandringen en aanbeveling van zijn kunstvrienden, ondanks zijn koningsgezindheid, onder het nieuwe bewind benoemd tot bestuurder van de Jardin des
Plantes, en kreeg hij de leeropdracht als professor in de iconografie, de botansiche schilderkunst.
Hij is in dezelfde bewogen tijd aan de dood ontsnapt. Op 9 Thermidor van het jaar II volgens de republikeinse kalender (dit is 27 juli 1794), was Gerard van Spaendonck met dertien anderen op een feest door Robespierre uitgenodigd. 's Nachts werden twaalf van de veertien gasten weggevoerd. Alleen Van Spaendonck en zijn revolutionaire vriend, de beroemde schilder Jacques-Louis
David, ontsprongen de dans. David had ervoor gezorgd dat Van Spaendonck niet op het
'veroordelingslijstje' voorkwam. Na dit schrikbewind richtten zij in 1795 het Institut de France op, waaraan Gerard enkele functies bekleedde. In dat jaar kreeg zijn broer Cornelis de leiding over de porseleinfabriek te Sèvres.

Het Maison Buffon bij de Koninklijke Plantentuin te Parijs waar Gerard van
Spaendonck woonde. (Coll. Ronald Peeters, foto Sjors Smits, 1975).
Als intendant van de koninklijke tuinen en voor zijn functie als professor ontving Gerard een jaarsalaris van 6000 franc en bovendien vrije huisvesting in de vroegere woning van zijn voorganger graaf Du
Buffon. Dit huis, dat een van de gebouwen van de plantentuin is, staat er nu nog aan de Rue
Buffon. Het werd omstreeks 1805 in gouache geschilderd door de Tilburgse kunstenaar Josephus Augustus Knip (1777-1847), leerling en vriend van Van
Spaendonck. De gouache, waarop Van Spaendonck schilderend achter een van de ramen afgebeeld staat, bevindt zich thans in een particuliere collectie in Tilburg.
In de zomers gaf hij drie maanden openbaar les in de zaal van de bibliotheek van de Jardin des
Plantes. Er werd naar model getekend met zwart krijt of in aquarel. Het grootste deel van zijn leerlingen waren
'jonge dames van den hoogen stand'. Ondanks dat hij steeds omringd werd door vrouwelijk schoon, is hij nooit getrouwd geweest. Onder zijn leerlingen bevonden zich drie stadgenoten: de genoemde Josephus Knip, die van 1801 tot 1808 in Parijs verbleef, diens zuster Henriëtte Geertruy Knip, die van 1802 tot 1805 in Parijs woonde, en de genreschilder Adriaan de Lelie.

Het graf van Gerard van Spaendonck op de begraafpalats Père
Lachaise te Parijs. (Foto Ronald van Spaendonck, nov. 1989).
Als een der eersten ontving hij in 1804 de pas ingestelde orde van het Legioen van Eer, en in 1808 verleende keizer Napoleon hem de titel van graaf.
Gerard van Spaendonck overleed op 11 mei 1822 in het huis van Buffon, zesenzeventig jaar oud. Hij werd begraven op de begraafplaats Père
Lachaise. Werken van hem hangen in het Louvre te Parijs, in Fontainebleau, in
Montpellier, maar ook in het Noordbrabants Museum te 's-Hertogenbosch. Ze zijn tegenwoordig van onschatbare waarde.
Zijn broer Cornelis overleed te Parijs op 22 december 1839.
* Eerder gepubliceerd in: Tilburg Magazine, III (1992), nr. 2, p. 12-17.
Geraadpleegde literatuur
Margriet van Boven en Sam Segal, Gerard & Cornelis van Spaendonck. Twee Brabantse bloemschilders in Parijs
(Maarssen, 1980).
Margriet van Boven, 'Gerard en Cornelis van Spaendonck; bloemschilders uit Tilburg', in:
Tableau, jrg. 3, nr. 2, nov./dec. 1980, p. 454-456.
'Dubbelslag Noordbrabants Museum. Schildpad doosje van Van Spaendonck, schilderij op koper van Jan
Soens', in:
Brabants Dagblad van 1 juni 1999.
Roeland van Eijnden en Adriaan van der Willigen, Geschiedenis der vaderlandsche schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw,
III (Amsterdam, 1842), p.40-43 en 89-90.
J. Immerzeel, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van het begin der vijftiende eeuw tot
heden, III (Amsterdam, 1843), p. 101-103.
J.F.H. Lommen, Levensbeschrijving van Gerardus van Spaendonck (Tilburg, 1863).
Ronald Peeters, De straten van Tilburg (Tilburg, 1987), p. 145.
Ronald Peeters, De Paap van Gramschap. Vier eeuwen schrijven en drukken in Tilburg (Tilburg, 1992), p. 148-149.
(Lambert Tegenbosch en Ronald Peeters), J.A. Knip een neo-classicist uit Tilburg (Tilburg, 1975), afb. 5.
A.J. van Spaendonck, 'De schilder G. van Spaendonck', in: Historia, jrg. 12, 1947, p. 3-6.




