| 444. Tilburger Sjef van Dongen (1906-1973) in de witte hel van Spitsbergen | |||
|
Titel: |
Tilburger Sjef van Dongen (1906-1973) in de witte hel van Spitsbergen |
|
Ondertitel: |
Spectaculaire redding na vergaan van het luchtschip de 'Italia' in 1928* |
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVIII (2000) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
22-27 |
De wereldpers hield in 1928 het publiek enkele maanden in spanning over de catastrofaal verlopen Noordpoolvlucht van generaal Umberto Nobile met zijn luchtschip de 'Italia'. Ook de Tilburgse kranten publiceerden dagelijks berichten. Ieder detail van de vlucht en ten slotte de spectaculaire reddingsoperatie vanaf de ijsschotsen in het onherbergzame Spitsbergen werd breed uitgemeten. Men hield de adem in. Maar men wist aanvankelijk niet dat de jeugdige Tilburger Sjef van Dongen met een hondeslee in alle eenzaamheid een heroïsche reddingspoging naar de bemanning van de 'Italia' ondernam. Toen hij na afloop uiteindelijk in augustus 1928 in Rotterdam aankwam, werd hij als een held ontvangen en kort daarna in zijn nieuwe woonplaats Arnhem gehuldigd.
Sjef van Dongen (1906-1973), gefotografeerd direct na zijn
terugkeer uit Spitsbergen in augustus 1928. (Coll. Ronald Peeters,
Tilburg, repro uit: ‘Vijf jaar in ijs en sneeuw’. t.o.p. 3).
'Spitsbergen ... ja, wat weten we eigenlijk hier in het Europeesche, beschaafde leven, van Spitsbergen, het land van sneeuw en ijs, van woeste stormen en eeuwige koude, het land van avontuur en gevaar ? ...'
Sjef van Dongen schrijft koel en zakelijk, als hij over zijn avontuurlijk bestaan in het onherbergzame Spitsbergen zijn relaas doet. Hij was 22 jaar toen hij daarover een boek schreef, en hij had er toen al vijf jaar in die verschrikkelijke witte hel op zitten.
Spitsbergen, acht keer zo groot als Nederland, in de 12e eeuw door de Noren ontdekt en in 1596 door de Nederlander Willem Barentsz herontdekt, had in 1928 amper 1000 inwoners. Nu zullen het er bijna vier keer zoveel zijn. Het ligt op de 78e breedtegraad, binnen de poolcirkel in de Noordelijke IJszee. Sinds 1919 behoort het tot Noorwegen en het staat bekend onder de naam
Svalbard.
Tilburg
Op 30 december 1912 kwam de familie Van Dongen vanuit Rotterdam naar Tilburg; ze ging in de Nijverstraat 88 wonen. Een half jaar later wonen de Van Dongens op het Lijnsheike 40, en in 1920 aan de Goirkekanaaldijk 1. Dat huis, dat vader Van Dongen in dat jaar liet bouwen, werd in 1964 afgebroken. Het stond ongeveer op de plaats waar later de zestien etages hoge Hoffmannflat werd gebouwd, aan het Wilhelminakanaal naast de
brugwachterswoning. Vader Franciscus van Dongen, die evenals moeder Theresia Zijlmans uit Waalwijk afkomstig was, had een hoge positie als boekhouder bij
Kessels' Muziekinstrumentenfabriek. In 1922 werd hij boekhouder bij de in Rotterdam gevestigde
N.V. Nederlandsche Spitsbergen Compagnie (Nespico) en hij vertrok weldra zonder zijn gezin naar Spitsbergen. Sjef van Dongen, de oudste van drie zonen en twee dochters, zat in Tilburg op de HBS en werd kantoorbediende bij de
Nespico. De familie volgde een jaar later vader Van Dongen naar Spitsbergen:
'We lieten dus op dien 13en Augustus 1923 Tilburg en 't Goirke, het land der
'Turken', achter ons om te vertrekken naar het avontuurlijke land, waarvan ik tot dusver niet veel anders wist dan wat ik op school ervan geleerd had.'
Sjef was op 30 maart 1906 in Haarlem geboren en bracht het grootste deel van zijn jeugd in Tilburg door. Deze plaats is ook de enige waarover hij in zijn boek
'Vijf jaar in ijs en sneeuw. Mijn leven in het Noordpoolgebied' schreef:
'We woonden in het rustige Tilburg, met zijn gemoedelijke menschen, te midden van steeds rookende schoorsteenpijpen, en omringd - destijds ten minste - door de beroemde maar niet altijd welriekende blauwslootjes.'
Het in 1920 gebouwde woonhuis van de familie Van Dongen aan de Goirkekanaaldijk 1 te Tilburg.
(Coll. RHC Tilburg, foto 3-12-1963).
Op een van mijn vele onbedwingbare speurtochten naar historische Tilburgse curiosa, ontdekte ik in een plaatselijk antiquariaat het merkwaardige boek van Sjef van Dongen. Het jaar van uitgave staat er niet in. De niet meer bestaande uitgeverij Scheltens & Giltay te Amsterdam, bekend om de vele reisboeken die er werden uitgegeven, moet het omstreeks 1929 gepubliceerd hebben. Nadat ik zijn boek had gelezen, wist ik het zeker: Sjef van Dongen zou onderwerp worden van een studie, waarover ik een enorme documentatie zou aanleggen.
Naar Spitsbergen
De mijnbouwmaatschappij Nespico had op Spitsbergen zo'n 500 werknemers in dienst. Vader Van Dongen had er de controle over de grote magazijnen, en
Sjef, 17 jaar oud, kreeg er een kantoorbaantje. Hij had er aanvankelijk een onbezorgd maar weliswaar avontuurlijk leven. De Nespico had de Nederlandse nederzetting
Barentsburg, gelegen aan de Green Harbour, in eigendom. De dichtstbijzijnde nederzettingen waren op 3 km afstand Spitsbergen-Radiostation en op 70 km
Longyearbyen, een Noorse kolenmijn waar
'in normale omstandigheden' 300 arbeiders werkten. En die omstandigheden waren in 1926 inderdaad gewijzigd. In Barentsburg lag het bedrijf inmiddels stil. Gebrek aan bedrijfskapitaal, lage kolenprijzen en abnormaal hoge transportkosten, waren er de oorzaak van dat de Nespico nog slechts drie mensen in dienst had op Spitsbergen: een Noor, een Duitser en Sjef van Dongen. Zij zagen toe op de eigendommen van de maatschappij en verrichtten onderhoud aan de machines. Een eenzaam bestaan zonder comfort, twee winters lang. Van november tot begin februari was er geen, en van mei tot en met juli dag en nacht zon.
Sjef van Dongen (rechts) met zijn ouders, twee broers en twee zusters en een onbekende dame op
Spitsbergen. (Coll. RHC Tilburg, repro uit ‘De Katholieke Illustratie’ 4-7-1928).
Het eentonige leven op Spitsbergen zou voor Sjef van Dongen een onverwachte wending krijgen. In het fascistische Italië van Mussolini maakte generaal Nobile zich in maart 1928 op voor de meest spraakmakende poolvlucht aller tijden. Voor de tweede keer zou getracht worden per luchtschip de Noordpool te bereiken. Een vlucht met vele politieke achtergronden, een propagandastunt die Italië zo nodig had toen na de eerste solovlucht over de oceaan, een jaar eerder door
Lindbergh, transatlantische vluchten, recordpogingen en andere waaghalzerijen aan de orde van de dag waren.
De ‘Italia’ landt in Kins Bay op Spitsbergen op 6 mei 1928.
(Coll. RHC Tilburg, repro uit ‘De
Katholieke Illustratie’ 4-6-1928).
Nobile kocht zijn luchtschip, toen onder de naam de 'Norge', van de bekende poolreiziger
Amundsen, die ermee onder Noorse vlag in 1926 een vlucht van Spitsbergen naar Alaska had gemaakt. En daarbij was ook Umberto Nobile aanwezig. In de tweede helft van maart 1928 begon de Italiaanse expeditie in beweging te komen. De bemanning van de
'Italia' werd zelfs op 30 maart door paus Pius XI in audiëntie ontvangen. De paus, zelf een verwoed alpinist en kenner van de poolliteratuur, gaf Nobile een 80 kilo zwaar eikenhouten kruis mee waarin in een uitgespaarde holte een perkamenten oorkonde was opgeborgen. Het kruis zou op de Noordpool uit het luchtschip worden neergelaten. Terwijl Nobile bezig is met zijn voorbereidingen, vliegt de Australiër Wilkins met een vliegtuigje van Point Barrow op Alaska over de pool naar Green Harbour op Spitsbergen. Het werd druk in het hoge noorden. Sjef van Dongen ontmoette Wilkins en zijn compagnon Eielson na hun landing bij het radiostation van Spitsbergen:
'echte fideele, prettige lui die met ons, gewone luidjes, omgingen als waren we minstens even beroemd en geleerd als zij !' Inmiddels was ook het schip de 'Hobby', dat uit het Noorse Tromsö naar Spitsbergen was vertrokken maar acht weken in het ijs had vastgezeten, in Spitsbergen aangekomen. De 'Hobby' bracht onder andere post en materiaal voor herstel van de hangar voor de
'Italia', die daar eerder voor de tocht van de 'Norge' in Kings Bay op Spitsbergen was gebouwd. Van Dongen vernam toen ook nadere bijzonderheden over de tocht van
Nobile. Deze was met een negentien koppen tellende bemanning, met proviand voor vier tot vijf maanden, op 15 april aan zijn expeditie begonnen. Op 6 mei kwam hij in Kings Bay op Spitsbergen aan. Van hieruit zou de tocht naar de Noordpool worden ondernomen. Door slechte weersomstandigheden zou een eerste proefvlucht over Spitsbergen en Nova Zembla een week later en de eigenlijke pooltocht pas op 23 mei plaatsvinden.
De ramp met de 'Italia'
Nobile en vijftien bemanningsleden werden door een honderdvijftigtal buitenlandse journalisten, die er speciaal voor naar Spitsbergen waren gekomen, uitgezwaaid. De volgende dag werd de pool bereikt, maar door harde wind en slecht zicht werd er niet geland. De Italiaanse driekleur en het kruis dat zij van de paus hadden gekregen, werden onder het weerklinken van de grammofoonplaat met het fascistische volkslied 'Giovanezza', naar beneden geworpen. Maar op de terugtocht op 25 mei kwam de 'Italia' in moeilijkheden: ze stortte op het pakijs neer, waarbij de commandogondel van het luchtschip werd afgerukt. Het luchtschip steeg echter, zonder die commandogondel, weer op en liet negen man waaronder Nobile achter op een ijsschol. Even later werd aan de oostelijke horizon een dunne rookzuil waargenomen, vermoedelijk de brandende resten van de 'Italia'. De achtergebleven groep beschikte nog wel over een zendapparaat, maar zij kon geen contact krijgen met het Italiaanse hulpschip de 'Citta di Milano'. Op 30 mei vertrokken drie leden van de onfortuinlijke groep over het drijfijs in de hoop hulp te vinden. Deze mars zou Malmgren het leven, Mariano zijn voet en Zappi bijna het verstand kosten. Inmiddels hadden Italië en Noorwegen hulpexpedities uitgezonden. Op grote schaal werd er naar de vermisten gezocht door Italianen, Zweden, Noren, Finnen, Russen en Fransen. Schepen als de Noorse walvisvaarder 'Braganza' en de Russische ijsbrekers de 'Malygin' en de 'Krassin' werden ingezet. Zelfs Amundsen nam met zijn vliegtuig de 'Latham' deel aan de zoektocht.
Kaart van de verschillende routes die respectievelijk door de ‘Krassin’, Sjef van Dongen en het
vliegtuig werden afgelegd. (Coll. Ronald Peeters, Tilburg, repro uit: ‘Vijf jaar in ijs en sneeuw’, p. 159).
Twee uur nadat de 'Citta di Milano' op 26 mei een laatste radiobericht van de 'Italia' had opgevangen, vroeg de gouverneur van Spitsbergen aan Sjef van Dongen, kenner van het uitgestrekte woeste gebied, een hondeslee gereed te maken om Nobile te gaan zoeken. Op 15 juni meldde hij zich bij kapitein Romagna op de 'Citta di Milano', waar hij vernam dat Malmgren en de twee Italiaanse officieren Mariano en Zappi op weg waren om over het pakijs de noordkust van Spitsbergen te bereiken. Van Dongen kreeg strikte orders niets aan de journalisten mee te delen. Niemand buiten de Italianen wist iets van het lot van Nobile en de Malmgren-groep af. Sjef van Dongen zou de groep tegemoet moeten reizen om vervolgens verder te trekken naar Nobile, die ten oosten van het Foyneiland in het pakijs zat. Hij werd met de 'Braganza' zo ver als mogelijk naar het noorden gebracht. Op de sledetocht zou eerst zijn Noorse vriend ir. Varming, en later de Italiaanse Alpenjagers-kapitein Sora hem vergezellen. Zij gingen met negen honden en voor 21 dagen proviand op 17 juni op weg. In zijn boek beschrijft Van Dongen uitvoerig zijn barre tocht. De eerste paar honderd meter werden gefilmd door John Dored, een filmoperateur van de beroemde Paramount-filmmaatschappij. Enkele toen gemaakte foto's sieren het boek.
Sjef van Dongen en kapitein Sora op zoek naar Nobile. (Coll. RHC Tilburg, repro uit ‘De Katholieke Illustratie’ 13-6-1928).
De eerste twee dagen werd er dagelijks 110 km afgelegd, de derde dag, toen zij van het schiereiland Kaap Brunn het pakijs waren ingegaan, bereikten zij slechts een afstand van 40 km. Ze trokken van ijsschots naar ijsschots langs het open water, 12 km ver, zonder resultaat. Op 22 juni waren ze weer terug op de plaats waar ze begonnen waren. Maar ze moesten koste wat kost terug in het pakijs. Twee dagen later waagden zij met een primitief gemaakt bootje de grote stap. Zij gingen
'om de beurt, een hond bij den nek pakkende, met het bootje bestaande uit een vijftal gummiblazen verbonden met latjes waarop men kan gaan zitten, het water over !'
De komende dagen waren dagen van grote ontberingen, waarbij zij enkele honden verloren. De hond Vigo, die was gestorven, werd door de andere opgegeten. De hond Hans moest anderhalve dag later zelfs worden afgemaakt om de overige honden te kunnen voeren. Zelf hadden ze alleen nog wat Glaxovo, een soort krachtdrank, om zich op de been te houden. Dagenlang hebben ze in zware storm waarbij dichte nevels ontstonden gezocht. Twee honden hebben ze weer moeten neerschieten. Ze aten het vlees, taai en half gekookt. Sora is ook bijna verongelukt, doordat hij met zijn ski's aan in het ijskoude zoute en hardstromende water onder het ijs terechtkwam. Maar Sjef van Dongen is hem nagesprongen en heeft hem kunnen redden. Op 10 juli, na drie dagen niet geslapen te hebben, bereikten zij Foyneiland, en op 12 juli hoorden zij de sirene van de stoomboot de 'Krassin'. Deze had inmiddels de Malmgren-groep opgepikt en voer voorbij Van Dongen en Sora omdat het schip eerst Nobile wilde zoeken. Dezelfde avond werden zij opgemerkt door een Zweedse en twee Finse vliegers. De toestellen konden landen en zo maakte Sjef van Dongen voor de eerste keer in zijn leven een vliegreis. Alles moest hij op het ijs achterlaten, zijn fototoestel, kleren, honden:
'Er was geen tijd zelfs om sokken en pantalon aan te trekken, elk oogenblik kon het vliegtuigje tusschen het steeds in beweging zijnde ijs gekraakt worden...'
Aangekomen op het schip de 'Quest' werd hij als een held ontvangen, 'half gekleed, sinds drie weken niet geschoren, wat ik aan kleeren aan had was stuk, evenals mijn huid die er werkelijk door de kou, het nat en de zon bij lappen bij hing...'
‘We maken de sleden gereed voor de groote expeditie’. Links kapitein Sora en op de voorgrond
voorovergebogen Sjef van Dongen. (Coll. Ronald Peeters, Tilburg, repro uit: ‘Vijf jaar in ijs en
sneeuw’. t.o.p. 156).
Op 23 juni was Nobile reeds als eerste van de zogenaamde tentgroep door de Zweed Lundborg van het ijs gehaald. De achtergebleven groep stond nu onder commando van Viglieri. Na 48 dagen werden zij uiteindelijk door de 'Krassin' gered. Naar de ballongroep met de zes bemanningsleden zou niet meer gezocht worden, omdat men aannam dat zij niet meer in leven waren. En ook van Amundsen, de man die de Noord- en de Zuidpool bedwong en die op 16 juni met vijf anderen in een vliegtuig aan de reddingsactie deelnam, is nooit meer iets vernomen. Hij vond zijn graf in de onmetelijke ijszee.
De in nood verkerende Viglierigroep bij hun tent, wordt vanuit de lucht ontdekt.
(Coll. RHC Tilburg,
repro uit ‘De Katholieke Illustratie’ 18-7-1928).
Sjef van Dongen thuis
De wereldpers heeft wekenlang aandacht geschonken aan de spectaculaire vlucht van de 'Italia', de reddingsactie, maar ook aan de heldhaftige tocht van Sjef van Dongen. Een Engelse krant heeft zelfs zijn foto met rouwrand afgebeeld tussen de slachtoffers van de Poolvlucht. Bij zijn aankomst in Nederland op 14 augustus 1928, werd hij op het station in Rotterdam als een held onthaald. Op het kantoor van de Nespico ontving hij van de maatschappij een grote zilveren medaille met oorkonde en een studiebeurs van
f 2400 per jaar voor een studie naar keuze voor drie jaren. 's Avonds werd hij in Arnhem gehuldigd, de plaats waar zijn ouders sinds november 1926 woonden. Van het spontaan ingestelde huldigingscomité kreeg hij een horloge met inscriptie. Een drie minuten durend filmpje over deze huldigingen wordt nog steeds in het gemeentearchief van Arnhem bewaard.
Op 24 augustus maakte Sjef van Dongen een fietstocht naar Waalwijk, waar familie van hem woonde. Hij bezocht bij die gelegenheid ook Tilburg.
De Nieuwe Tilburgsche Courant besteedde er wel aandacht aan, maar het bezoek had een informeel karakter. Voor de studie- en debatingclub 'Lumen et Veritas' beloofde hij nog eens een lezing over zijn poolervaringen te houden, maar of dat ooit gebeurd is, is niet bekend.
Sjef van Dongen heeft nog als verkoper bij Philips gewerkt, kreeg daarna de alleenvertegenwoordiging van het produkt Sanovite van de Liga-fabrieken en kwam zodoende in het Zeeuwse Oostburg terecht, waar hij zijn vrouw leerde kennen. In de Tweede Wereldoorlog zat hij in het verzet, vervulde na de bevrijding een functie bij het Militair Gezag, was waarnemend burgemeester van Oostburg en in 1945 waarnemend burgemeester van Aardenburg in Zeeuw-Vlaanderen. Van 1946 tot 1962 was hij daar burgemeester. Vanaf 1948 was hij voor de K.V.P. lid van Provinciale Staten van Zeeland, en van 1962 tot 1970 lid van Gedeputeerde Staten. Hij is ook nog van 1956 tot 1966 lid geweest van de Tweede Kamer en heeft vele openbare functies vervuld. Hij was ereburger van Aardenburg.
Sjef van Dongen overleed op 15 maart 1973 op 67-jarige leeftijd in Vlissingen. De enige herinnering in Tilburg aan deze bijzondere man is te vinden in het bevolkingsregister 1921/1939, waar bij zijn naam de aantekening staat:
'In juni 1928 op zoek naar Nobile en in juli 1928 door de "Krassin" gered'. Naar later bleek, is hij dus niet door de 'Krassin' maar door de Zweedse vlieger Jacobsen gered.
* Verscheen eerder in: Tilburg Magazine, II (1991), 51-57.

(Coll. Ronald Peeters, Tilburg).
Geraadpleegde literatuur
Sjef van Dongen, Vijf jaar in ijs en sneeuw. Mijn leven in het Noordpoolgebied (Amsterdam z.j., ca. 1929).
Sjef van Dongen, Een Hollandsche jongen in het hooge noorden. Leven en avonturen op Spitsbergen (Amsterdam z.j., ca. 1929).
F.M. Gescher, Naar de uiteinden der aarde. Per slede en door de lucht. Een halve eeuw pool-ontdekkingen (Utrecht-Nijmegen, 1947), p. 210-260.
Fred Hildenbrandt, S.O.S. Noordpool. Nobile's tragedie in het Poolijs (Den Haag, z.j., ca. 1960), met een voorwoord van Sjef van Dongen.
Ronald Peeters, De Paap van Gramschap. Vier eeuwen schrijven en drukken in Tilburg (Tilburg, 1992) p. 49-50.
R.M. Peeters, 'Sjef van Dongen (1906-1973), avonturier op Spitsbergen en politicus', in: J. van Oudheusden e.a. (red.),
Brabantse biografieën 2. Levensbeschrijvingen van bekende en onbekende Noordbrabanders (Amsterdam-Meppel-'s-Hertogenbosch, 1994) p. 35-38.
A.S. Stempher, 'Een Noordpoolreiziger gehuldigd in Arnhem', in: Arnhem de Genoeglijkste. Orgaan van het Arnhems Historisch Genootschap 'Prodessa Conamur'
8 (1988), p. 129-138.
Valentin Suchanow, De tocht van de 'Krassin' (Amsterdam, 1929).




