| 449. Jetze Elsinga (1925) | |||
|
Titel: |
Jetze Elsinga (1925) |
|
Ondertitel: |
Een Friese spoorwegman in Tilburg |
|
Auteur: |
Paul Spapens * |
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina´s: |
113-115 |
Zie ook: Ten geleide
Er moet hem iets van het hart, de op 29 augustus 1925 in Minnertsga geboren Jetze Elsinga.
"Mij wordt wel eens een rooie achtergrond aangemeten", begint hij zijn levensverhaal. Maar dat is een overdrijving van de werkelijkheid. Dan zei men van mij:
"Daor hèdde wir dieje rooje", aldus de man, die zo Fries is als een Fries maar kan zijn (hij richtte in Tilburg de schaatsclub op), in bijna foutloos Tilburgs.

Jetze Elsinga als spreker bij het fusiecongres van de
vervoersbonden NVV en NKV in Amersfoort (part. coll.).
Maar wat wil je: als kind van vijf jaar verhuisde Elsinga met zijn ouders van de Friese klei naar Veghel, beleefde daar een cultuurschok van jewelste, keerde terug naar zijn vaderland en vestigde zich in 1948 in Tilburg. Het 'rooie aureool', denkt hij zelf, heeft hij te danken aan zijn aard.
"Ik kom altijd sterk op voor de werknemer, de slecht betaalde, voor diegenen die de klappen krijgen. Dat vertalen in 'rooje' vind ik nogal eenzijdig."
Wapenspreuk
Elsinga zit in het begin van het gesprek, eind november, niet echt gemakkelijk op zijn praatstoel. De 71-jarige vakbondsman sukkelt de laatste weken met zijn gezondheid. Zijn darmen spelen hem parten. Maar gaande het interview, wanneer het bondswerk aan de orde komt, praat hij als Brugman. Als het gaat over zijn pijnlijke, min of meer gedwongen vertrek bij het Revisiebedrijf van de Nederlandse Spoorwegen in Tilburg, komen de emoties boven en dat voor zo'n stoere Fries.
Nog steeds in het begin van het gesprek onthult Elsinga zijn persoonlijke credo:
"Liever een boterham met suiker dan met zenuwen." Daarmee wil hij zeggen dat hij zich onder geen omstandigheden door 'hooggeplaatsten' op laat lieren.
"Die zetten je onder druk. Daar krijg je de zenuwen van. Je verliest je gezicht. Dan heb ik liever minder, terwijl ik mezelf blijf." Deze wapenspreuk, want dat is het zoals later zal blijken, komt volgens hem op hetzelfde neer als het Friese gezegde 'liever staande sterven dan knielend leven'. In de keuken, rammelend met blikjes op zoek naar een theezakje (zijn vrouw is niet thuis), zegt hij met een absoluut niet gespeelde fierheid:
"Een vrije Fries knielt alleen voor God. Bij mij thuis is er ingehamerd dat ik me niet moest laten ringeloren, zeker niet door de heren."
Cultuurschok
Elsinga komt uit een gezin van drie kinderen; twee jongens en een meisje. Zijn wieg stond vijf kilometer van de Waddenkust. Het was daar een arme streek met inderdaad nogal 'rooie' bewoners. Elsinga's ouders waren echter geen socialisten. Zelf typeert hij ze als
"protestanten van de vrijzinnige kant. Zeg maar, VPRO-achtig", aldus Elsinga, die uit principe nooit lid is geworden van een politieke partij. Vader Elsinga werkte als gewone werkman bij de Noordfriese Spoorwegmaatschappij. Zijn loopbaan beëindigde hij bij de Nederlandse Spoorwegen, waar hij was opgeklommen tot adjunct-commies, een administratieve functie op het station van Sneek.
Vijf jaar oud verhuisde het gezin naar Veghel. Elsinga doet er even het zwijgen toe om de impact van de stap van zijn ouders door te laten dringen, stelt vast dat blijkbaar voor zijn gevoel de reactie nog wel wat kan worden versterkt en zegt:
"Stel je voor, helemaal vanuit de Friese klei naar Veghel! Dát was een ingreep! Zo'n groot cultuurverschil hebben bij wijze van spreken de Turkse gastarbeiders destijds niet eens ervaren. Ik kwam als calvinistisch kind in een katholieke plaats met een almachtige pastoor. Altijd moest ik vechten voor mijn vrijheid. Knikkerden we en ik won, dan werd ik geslagen. Dan was ik de geus. De kinderen scholden me uit voor vuile protestant. Ze noemden me een rotgeus."
Geus als scheldwoord klonk Elsinga volkomen onwerkelijk in de oren, omdat hij het juist had geleerd als een term waarmee de Fries zijn vrijheidsliefde placht aan te geven. Wist hij veel dat 'geus' voor de katholieken een ingehamerd scheldwoord was. Want waren de Martelaren van Gorkum in 1572 niet door de Geuzen in Den Briel (Brielle) vermoord. Hun heiligverklaring in 1867 had een zuiver propagandistische achtergrond. De heiligen kwamen mooi van pas om het 'verwerpelijke karakter' van de protestantse tegenstanders aan te tonen.
Hoe dat ook voor een kind uitpakte, heeft Elsinga geweten. Zelfs stelt hij dat de vorming van zijn persoonlijkheid op twee pijlers rust: de vorming door zijn ouders en zijn Friese achtergrond enerzijds en anderzijds indringende jeugdervaringen, die zich overigens niet tot Veghel beperkten. De familie vestigde zich na Veghel in Alkmaar, in het op en top socialistische Koog-Zaandijk, om kort voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog weer in het Friese vaderland terug te keren. Door dit gereis deed de jonge Elsinga ervaringen op die in die tijd voor slechts heel weinig leeftijdgenootjes waren weggelegd. Zij immers bleven wonen waar ze geboren en getogen waren.
"Overal waar je kwam, moest je je vechtend waarmaken", besluit Elsinga deze periode in zijn leven.
Naar Tilburg
Na de lagere school ging Elsinga naar de LTS waar hij tot machinebankwerker werd opgeleid. In een bedrijf in Sneek kon hij in dit vak aan de slag; hij leerde daar naar zijn zeggen alras de betekenis van het woord uitbuiting.
"Er was vrijwel geen werk. Ik was ontzettend blij dat ik werk had. Daarom moest ik er genoegen mee nemen dat de baas me slechts een rijksdaalder per week betaalde. Pure uitbuiting, waarin ik toen ontzettend de smoor heb gekregen." Zijn vader had volgens Elsinga een niet nader toegelichte rol in het verzet tegen de Duitsers. Tegen het eind van de oorlog zou hij betrokken zijn geweest bij de organisatie van een spoorstaking. Het hele gezin, maar de ouders en de kinderen wel van elkaar gescheiden, dook onder. Het huis van de Elsinga's werd door de Duitse politie SD verzegeld. Goed en wel bevrijd meldde Elsinga zich als oorlogsvrijwilliger bij de Koninklijke Luchtmacht. Via België, Engeland, Australië en Malakka kwam hij in 'Ons Indië' terecht alwaar hij monteur was bij de luchtmacht. Begin 1948 was Elsinga terug in Nederland.
"Ik wilde niet langer voor een rijksdaalder werken voor een baas", geeft hij als eerste van de drie verklaringen voor het feit dat hij oorlogsvrijwilliger was geworden.
"Een jaar later moest ik toch in dienst en mijn vader vond dat ik tucht nodig had. Waarom? Omdat ik nogal verwilderd was in de tijd dat ik ondergedoken had gezeten."
Elsinga solliciteerde onder meer bij de elektriciteitsmaatschappijen in Leeuwarden en in Arnhem en bij de Centrale Werkplaats van de Nederlandse Spoorwegen in Tilburg. Het maakte hem dus niets uit waar hij emplooi zou vinden, maar alle functies waarnaar hij solliciteerde, hadden wel iets te maken met constructietekenen. Medio 1948 kon Elsinga in Tilburg als leerling-tekenaar in de tekenkamer van de werkplaats aan de slag.
"Op school had ik daar altijd zeer goede cijfers voor", motiveert hij zijn keuze voor deze richting. Later werd Elsinga constructeur en de laatste zeven jaar van zijn leven in loondienst was hij belast met de public relations en bedrijfsveiligheid van het roemruchte bedrijf aan het NS-Plein. Tot aan zijn huwelijk in 1951 met zijn vrouw Marry den Boon die uit Zuid-Holland afkomstig was, woonde Elsinga in een kosthuis. Het echtpaar kreeg twee kinderen.
Linkse vakbond
Reeds in 1949 werd Elsinga lid van de vakbond. Spoorwegmensen konden zich aansluiten bij het CNV voor de protestanten, St-Raphaël voor de katholieken en als derde de Nederlandse Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel. In deze laatste bond hadden zich de 'neutralen' georganiseerd,
"de socialistisch getinte figuren", aldus Elsinga. "Deze bond was nogal aan de linksige kant. Ik koos voor deze bond vanwege het linkse element. De bond sloot aan bij mijn overtuiging dat een mens zich voor anderen in moet zetten. Het was niet meer dan logisch dat ik lid werd van de vakbond. Er moest toen nog zoveel strijd geleverd worden. Om als werknemer iets te kunnen bereiken, moet je georganiseerd zijn. Het ging bijvoorbeeld om de verbetering van de werkomstandigheden. Wil je een voorbeeld? In de ketelmakerij stonden de mensen met de dotten poetskatoen in de oren. Ik heb nog nooit een werkgever meegemaakt die de situatie van zijn werknemers uit zichzelf verbeterde als hij daar geen voordeel bij had te behalen. Ik heb nog nooit van een werkgever gehoord die uit zichzelf zegt: 'Ik heb goed gedraaid. Jullie krijgen een loonsverhoging van twee procent.' Een werknemer krijgt niets voor niets. Je moet alles bevechten. Daarom moet een werknemer altijd strijdbaar zijn."
In de bond maakte Elsinga een bliksemcarrière. Na twee jaar zat hij al in het bestuur van de afdeling en weer twee jaar later was de Fries voorzitter van niet alleen de leden die bij het spoor werkten, maar ook van havenwerkers (Tilburg heeft per slot van rekening een 'haven'), van taxi- en BBA-chauffeurs en van de transportsector.
"Net het Wilde Westen", zegt hij over de misstanden die destijds in deze laatste sector heersten. Van zeer dichtbij maakte Elsinga de fusies mee. Eerst ging de Nederlandse Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel met bonden uit andere vervoerssectoren op in de Nederlandse Vereniging van Vervoerspersoneel om via een tussenstap in 1972 Vervoersbond NVV te worden. Het samengaan met de Vervoersbond NKV leidde per 1 januari 1982 tot de Vervoersbond FNV.
Hij was voorzitter van de afdeling Spoor van de Vervoersbond NVV van een district dat zich uitstrekte van Dordrecht tot Nijmegen. Vervolgens nam hij zitting in de Bondsraad, in het Hoofdbestuur en in het Dagelijks Bestuur van de Bedrijfsgroep Spoorwegen van het NVV.
"In die laatste functie heb ik de eerste spoorstaking van na de oorlog mee uitgeroepen. Opnieuw ging het over een verbetering van de arbeidsvoorwaarden. In Tilburg heb ik nog twee taxistakingen uitgeroepen. Kareltje Boom was mijn grote tegenspeler. Hele nachten bleef ik op bij de stakende jongens. Er reden stakingsbrekers uit Waalwijk door de stad. De hele meute ging er in de auto's achteraan. Ja, dan kwam het wel eens tot knokken."
Menselijk kapitaal
De zware combinatie van een volledige dienstbetrekking bij de Hoofdwerkplaats van de Nederlandse Spoorwegen en van vakbondsfunctionaris ging heel lang goed. Zo goed zelfs dat Elsinga de herhaalde aanbiedingen om bezoldigd bestuurder te worden telkens af kon wijzen.
"Dat wilde ik niet, omdat de werknemer de slechtste werkgever is. Ik bedoel daarmee dat ik de problemen van een ander in me opzuig en daar dag en nacht mee rond blijf lopen. Op het moment dat vakbondswerk een vak wordt, ben je de vrijheid kwijt om te handelen naar wat volgens jou het juiste is."
Maar op een gegeven moment ging het niet meer goed. Elsinga kan niet precies aangeven wat de kentering heeft veroorzaakt en wanneer die is gekomen. Uit zijn woorden valt een steeds frequentere botsing tussen de bedrijfsleiding en hem op te maken. Karakterverschillen zullen daarbij zeker een rol hebben gespeeld. Elsinga de Fries wijkt niet. Hij schildert echter ook een hard portret van de leiding.
"De leiding keek alleen naar de techniek. Zolang die iets opbracht, was het goed. Het negeren van de kwaliteiten van mensen is zo verschrikkelijk kortzichtig. Een voorbeeld uit vele. Er zijn veel werknemers, gewone bankwerkers zal ik maar zeggen, die in hun vrije tijd een hele voetbalvereniging leiden. Op het werk worden deze mensen klein gehouden. Deze mensen verpieteren. Deze mensen worden murw gemaakt in plaats van dat dit schitterend menselijk kapitaal wordt aangeboord."
Meer en meer werd Elsinga geplaagd door het besef dat hij moest kiezen tussen stoppen met het bondswerk en 'in het gareel lopen' of doorgaan op de weg die hij was ingeslagen. Heel lang hield hij het vol steeds opnieuw voor het laatste te kiezen, totdat hij het op zijn 58-ste welletjes vond. Elsinga zwaaide af.
"Als ik opkwam voor de laagstbetaalden, dan had de leiding een hekel aan mij. Men wilde niet dat ik me om hen bekommerde. Het is me zodanig moeilijk gemaakt, dat ik geen ruimte meer had om te functioneren. Het was voor mij niet meer vol te houden. Toen ik eruit ging, zei iemand tegen mij dat ik strijdend ten onder ben gegaan. Zo voelt dat voor mij inderdaad. Ik kijk tevreden terug op de weg die ik in mijn leven ben gegaan."
Zijn eigen menselijk kapitaal is Elsinga na zijn vervroegde uittreden blijven inzetten voor de samenleving.
"Ik kan dat niet laten", zegt hij en noemt onder andere zijn plaats in de Raad van Toezicht van woningbouwvereniging Tiwos en in het bestuur van het Sociaal-Economisch Overlegorgaan Brabant. Hij is commissaris van Indutil. In 1997 viert hij zijn zilveren jubileum als ondervoorzitter en plaatsvervanger van de voorzitter van de Kamer van Koophandel: de werkgeversvoorman Jan Melis, voor wie Elsinga een groot respect heeft. Is Elsinga in de loop der jaren geëvolueerd van aanhanger van het strijdmodel tot pleitbezorger van het harmoniemodel?
"Ik bekleed deze functies namens de vakbond. Als werknemers in deze en andere organen niet vertegenwoordigd zijn, dan worden beslissingen over hen genomen zonder dat ze erbij zijn. Ik vìnd en ik wìl dat werknemers alle kansen te baat nemen om mee te sturen. Werknemers moeten daarom altijd georganiseerd blijven."
* Paul Spapens (1949) is journalist-publicist. Hij heeft meegewerkt aan de serie 'Ach Lieve Tijd
Tilburg'. Hij publiceerde diverse artikelen en boeken over (Brabantse) historische onderwerpen. Zijn specialisatie is volkscultuur. Hij is redacteur bij het
Brabants Dagblad.




