| 454. Miet van Puijenbroek (1914) | |||
|
Titel: |
Miet van Puijenbroek (1914) |
|
Ondertitel: |
De rugzak van een strijdbare vrouw |
|
Auteur: |
Tom Tacken * |
|
Jaargang: |
XIV (1996) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
102-105 |
Zie ook: Ten geleide
Het typeert Miet van Puijenbroek dat zij uitgerekend in 1935 lid werd van St.-Lambertus, de textielarbeidersbond. In de nazomer van dat jaar rolde een 'wilde' staking over de textielfabrieken van Tilburg. De sociale miserie als gevolg daarvan mocht de bond zich voor een groot deel zelf aanrekenen. Ongeveer 10% van de leden zei het lidmaatschap op.
"De grootste fout van Lambertus was dat ze zonder overleg met de arbeiders akkoord waren gegaan met een
loonsverlaging", analyseert Van Puijenbroek ruim zestig jaar later. "Daar hebben ze voor moeten boeten. Het verlies aan vertrouwen bij de leden was groot." Ja, maar zijzelf meldde zich juist aan als lid, op een moment dat anderen wegliepen. "Omdat ik besefte dat de bond toch belangrijk is. Dat je alleen wat kunt bereiken samen met anderen."
Strijdbaar, maar niet radicaal. Eigenzinnig, maar nooit eenkennig. Dat is Miet van Puijenbroek een arbeidzaam leven lang geweest. Als stopster op de werkvloer. Als volksvertegenwoordigster in gemeenteraad en Provinciale Staten. Als wethouder. Maar vooral ook als vakbondsvrouw. De twintig jaren tussen 1955 en 1975, waarin ze voorzitster was van de aan de bond gelieerde Katholieke Arbeiders Vrouwen, omschrijft ze immers
"als de mooiste uit mijn leven".
Korvelse toren
Onder de Korvelse toren is ze geboren op 17 mei 1914, het eerste oorlogsjaar van deze eeuw. Tweede uit een gezin van vijf jongens en vier meisjes. Vader was wever.
"Een echte goeie vakman. Alles wat ie deed, deed ie goed." Daaronder viel ook de opvoeding van zijn kinderen. Plichtsgetrouw bracht hij ze het 'ora et labora' bij: bidden en werken in de juiste balans.
"Maar een kwezel was hij zeker niet. Hij kon ook vloeken. Ik ook trouwens."
Ieder dubbeltje werd omgedraaid, jazeker. Maar vader en moeder vonden het ook een goede zaak dat hun kinderen sommige van die dubbeltjes in ruil voor lectuur naar de leeszaal aan de Willem II-straat brachten. Het arbeidersmeisje Miet van Puijenbroek, dat op bijna pensioengerechtige leeftijd wethouder van Sociale Zaken en Cultuur zou worden, besefte al heel vroeg het belang van vorming als motor van emancipatie.
Textielschool
Van moeder mocht ze naar de naaischool. "Maar daar was ik te wild voor. Nou ja, te speels. Andere meisjes uit de buurt gingen naar de Lagere Textielschool. Daar wou ik dus ook heen."
Op haar veertiende meldde ze zich als gediplomeerd stopster bij Van Dooren en Dams, haar eerste van acht textielfabrieken. Die stonden in Tilburg, maar ook in Twente, Eindhoven en Meerveldhoven.
"Alle acht zijn ze naar de knoppen gegaan", veinst ze een oorzakelijk verband.
Op de stopperij, waar de fouten in de stukken van wevers werden hersteld, werkten uitsluitend meisjes, op de baas na dan.
"We waren nog zo onschuldig. Op het bedrijf heb ik niet alleen gewerkt, maar ook nog veel gespeeld. Met z'n allen zingen en voordragen als de baas even weg was. 'We zijn zo blij haidie haida haidom'. Enorm veel plezier hadden we onder mekaar."
Kinderarbeid? "Nu zou je daarvan spreken. Maar zo heb ik dat toen zeker niet ervaren." Onderdrukking?
"Natuurlijk was er veel onrecht. Vrouwenlonen waren veel lager dan mannenlonen. Maar ik ben er nooit onder gebukt gegaan. Ik heb me verweerd."
Bijvoorbeeld toen de baas aankondigde dat de meisjes zich gezien de drukte voortaan al om zes uur 's ochtends op het werk dienden te melden. Miet is dan 17 jaar oud.
"Ik heb de meisjes opgestookt en ze zover gekregen dat ze toch pas om acht uur kwamen. Daar heb ik voor op m'n donder gehad. 'Ga jij maar met je moreel naar de kerk', schreeuwde de baas. Maar ik had er plezier in de hele boel twee uur stil te hebben gelegd."
Handen
De baas vaart tegen haar uit, maar geeft Miet van Puijenbroek niet haar ontslag.
"Daar was je een veel te goeie vakvrouw voor. Dat wordt vaak onderschat, maar wevers en ook stopsters waren kundige ambachtslieden. De baas had je nodig. Als hij moeilijk deed, stak ik mijn handen in de lucht. 'Als ik moet gaan, dan neem ik wel m'n handen mee', zei ik er dan bij."
Toch is in een slappe periode Miet van Puijenbroek dikwijls de eerstaangewezene om een middag onbetaald verlof te nemen.
"Vaak als straf. Gezongen onder het werken, bijvoorbeeld. Maar het had er ook mee te maken dat ik als enigste georganiseerd was, bij de vakbond was aangesloten. Och, er was zo'n middag thuis ook altijd wel wat te doen."
Later, wanneer ze lid is geworden van de vakbond, is er een groot verschil tussen Miet van Puijenbroek en de andere meisjes op de stopperij. Zij bereidt zich voor op een vrije en onafhankelijke toekomst als vrouw; en ziet in dat de vakbond voor haar veel te betekenen heeft. Het valt moeilijk de anderen daarvan te overtuigen. Die denken eerder aan de dag van trouwen, als 'stoppen' de betekenis van 'stoppen met werken' krijgt.
"Met juffrouw Hutten, een van de eerste vakbondsleidsters van Nederland, ben ik in die jaren voor de oorlog langs de deuren geweest om meisjes als lid te werven. Op een avond hadden we er vier in kunnen schrijven. Een week later kwamen de moeders met het boekje in hun hand het lidmaatschap opzeggen. De contributie was te hoog, maar die moeders keken ook niet verder dan hun neus lang was. De drie k's - keuken, kerk en kinderen - die telden alleen. Ze hadden niet door dat de arbeidersbeweging veel voor je kon betekenen. Ik heb er zelf enorm veel aan te danken gehad. Op de Sociale School van de vakbeweging kon ik werken aan mijn ontwikkeling."
Hoofdstopster
Verkering krijgt Miet van Puijenbroek niet. "Heb ik het er altijd veel te druk voor
gehad", luidt de kwinkslag als verklaring. Reinheid van zeden was ook de belofte geweest die zij als lid van de Katholieke Jonge Vrouwen had afgelegd.
"Behalve trouw aan Christus Koning en aan elkaar, moest je ook zweren niet voor je 21e in het openbaar verkering aan te gaan."
Vakvrouw als ze is, schopt Miet van Puijenbroek het op haar 25e al tot hoofdstopster. Ze gaat in Twente, ook zo'n rijke textielstreek, meisjes opleiden. Als haar moeder echter in 1941 op veel te jonge leeftijd overlijdt, keert ze terug naar Tilburg.
"Ik kreeg ook last van heimwee. In het gezin heeft mijn oudste zus Toos toen het huishouden recht moeten houden. Daarvoor komt haar meer eer en waardering toe dan waar ik recht op heb."
Datzelfde respect betoont ze met terugwerkende kracht ook de arbeidersvrouwen, die onder moeilijke omstandigheden het hardste gelag betaalden.
"Veel mannen smoorden. Droegen hun loonzakje wel over aan de vrouw, maar haalden er eerst wel geld uit voor een borreltje en een sigaartje."
Vorming voor vrouwen
Uiteindelijk gaat Miet van Puijenbroek zich dan ook voltijds wijden aan het welzijn van de arbeidersvrouw. Ze stapt in 1955 uit de textiel, ook omdat ze allang doorheeft dat voor een vrouw in die branche geen glorieuze toekomst is weggelegd. Maar het voorzitterschap van de Tilburgse afdeling van de Katholieke Arbeiders Vrouwen, dat zij in dat jaar als een betaalde baan oppakt, is haar dan ook op het lijf geschreven.
De KAV, dochter van de Katholieke Arbeiders Beweging, wil vrouwen van arbeiders vorming bieden.
"We waren pioniers op dat vlak." Naai-, knip- en kookcursussen, het kindervakantiewerk maar ook reizen naar Lourdes maken deel uit van het programma, dat dus bezwaarlijk feministisch kan worden genoemd.
"Emancipatie is een zaak tussen man en vrouw", stelt Miet van Puijenbroek dan ook,
"daar moeten anderen zich niet mee bemoeien."

Het bestuur van de KAV met Miet van Puijenbroek bij het afscheid van pastoor Bekkers
als pastoor van het Heike, 27 januari 1957.
(coll. RHC Tilburg).
Wat bepaald niet wil zeggen dat ze de bestaande verhoudingen tussen man en vrouw als een gegeven beschouwt.
"Ook binnen de Katholieke Arbeiders Beweging heb ik me vaak afgezet tegen mannen die het niet konden hebben als een vrouw wat presteerde. Die vasthielden aan dat beeld van moeder de vrouw. 'In 50 voor Christus kwamen de Batavieren ons land binnen, maar nu lopen ze er nog rond', hield ik ze dan voor."
Conservatisme ontwaart ze ook in de geestelijke stand. "Maar ik wil geen zwart-wit verhaal ophangen. Er waren bij de verenigingen vele geestelijk adviseurs die goed werk hebben verricht. Maar je had ook van die kapelaans die zich meenden met de contributie te moeten bemoeien. 'Doen jullie nu maar het geestelijke, dan doen wij wel het materiële', was mijn weerwoord dan."
Gemeenteraad
In 1953 komt Miet van Puijenbroek voor de Katholieke Volks Partij in de gemeenteraad van Tilburg. In niet minder dan 37 aaneengesloten jaren als volksvertegenwoordigster verwerft ze zich in de stad een immense populariteit, die bij verkiezingen meerdere malen tot uiting komt in genoeg voorkeurstemmen voor wel drie zetels. Ze neemt dan ook geen blad voor de mond, spaart geen heilige huisjes.
Pas in 1978 - ze is dan 64 jaar oud - wordt Miet van Puijenbroek de eerste vrouwelijke wethouder van Tilburg. Ze krijgt de portefeuille die gevuld is met sociale zaken en cultuur. En dat in een periode waarin het parool luidt:
bezuinigen. Toch is in het veld de herinnering aan wethouder Van Puijenbroek nog warm, getuige de legpenning die zij onlangs nog kreeg van de Tilburgse Kunststichting.
"De eerste wethouder van cultuur die met de vuist op tafel sloeg", karakteriseerde directeur Jan Doms de oud-politica.
"Ik heb als eerste gepoogd lijn in het cultuurbeleid van de gemeente te
krijgen", vat zij zelf samen.
Het is bij één collegeperiode gebleven. "Ik was ook al 68 toen de nieuwe verkiezingen kwamen. Noch vanuit de fractie noch vanuit de partij werd mij gevraagd of ik door wou gaan of stoppen. Dat heb ik ze wel kwalijk genomen. Kennelijk waren er te veel die op een baantje uit waren."
Rooie Miet
Al stelde ze zich meermalen binnen de partij kritisch op en kreeg ze daarvoor haar bijnaam Rooie Miet, KVP en CDA is ze haar actieve periode lang trouw gebleven. Rebels van aard koos ze al in de jaren dertig voor Sint-Lambertus en niet voor de linkse, minder brave vakbond De Eendracht. In de politiek dong de Partij van de Arbeid menigmaal naar de hand van de volksvrouw die zei waar het op stond.
"Maar dan antwoordde ik geen lid van hun partij te kunnen worden vanwege munne rugzak."
In die van huis uit meegekregen rugzak zit het ora veilig naast het labora opgeborgen. Maar ook het besef dat veranderingen van binnenuit bevochten moeten worden.
"Als je lid van een club bent, hoef je het niet overal mee eens te zijn. Die denkfout maken de meeste mensen. Maar je moet er niet uitstappen, je moet zorgen dat je een inbreng levert."

Toespraak Miet van Puijenbroek op 3 september 1982 bij haar
afscheid als wethouder van Tilburg.
(coll. RHC Tilburg).
Toch kwam die breuk met het CDA er alsnog. De onhandig aangekondigde bezuiniging op de WAO die het landelijk partijbestuur zich vlak voor de vorige Kamerverkiezingen dacht te kunnen permitteren, was ook voor Miet van Puijenbroek aanleiding om als lid te bedanken.
"Uit kwaadheid." Maar: "Vorig jaar ben ik toch weer lid geworden. Vanwege de goede verstandhouding op plaatselijk niveau."
De textiel voorbij
Die kwam in 1990 ook tot uiting, toen het CDA haar een portret aanbood. Het schilderij van Miet van Puijenbroek hangt in het Textielmuseum, waarvoor zij zich als raadslid en wethouder sterk maakte. De teloorgang van de textielstad mocht zich niet voltrekken zonder een monument voor haar geschiedenis op te richten, vond zij.
Die neergang beschouwt zij terugblikkend als onafwendbaar. "Al in 1950 werd voorspeld dat de textiel hier ten einde zou komen, dat de concurrentie vanuit Italië te groot was. Tilburg heeft dan ook het geluk gehad dat de afbraak tijdig is voorzien, al was het natuurlijk dramatisch voor mensen met een klein pensioentje. Zeker ook omdat sommige directeuren met miljoenen aan de haal zijn gegaan. Wat dat betreft had de vakbond ook kritischer moeten zijn, vaker inzage in de boeken moeten eisen."
Ze herinnert zich in dat verband de sluiting van Enneking. Die fabriek had op dat moment de portefeuille gevuld met orders. Toch besloot de directie, gezien de malaise rondom, haar kapitaal te gelde te maken en haar arbeid te bedanken.
"In de gemeenteraad zat iemand die bij Enneking werkte. Zelf durfde hij daarom geen vragen te stellen, maar onder andere mij vroeg hij wel om aan het college opheldering te vragen. Dat heb ik ook gedaan, maar het antwoord van de gemeente is nog altijd niet gekomen."
Actie
Ze is nu 82 jaar oud. "Ik kan niet meer goed uit de weg. Maar anders zou ik mijn vuisten nog ballen. Er is veel bereikt. Ik wil niet dramatiseren, maar als je terugdenkt aan de positie van de arbeider in die jaren dertig, is er veel verbeterd. Toch zie je de tegenstellingen tussen arm en rijk weer groeien. Marktwerking en egoïsme rukken op. De werknemer moet oppassen en zich blijven organiseren. Al die zo moeizaam tot stand gekomen sociale wetten, worden nu om zeep geholpen. Was ik maar jong en sterk, ik zou meteen actie gaan voeren."
* Tom Tacken (1965) studeerde politicologie en volgde daarna een journalistieke opleiding. Thans werkt hij als redacteur bij het
Brabants Dagblad. Hij werkte mee aan de bundel 'Enigen uit velen' over de fraters van Tilburg.




