| 455. Fidentius van Beers OFM Cap. (1906) | |||
|
Titel: |
Fidentius van Beers OFM Cap. (1906) |
|
Ondertitel: |
Vorming en verantwoordelijkheid |
|
Auteur: |
Ton Thelen * |
|
Jaargang: |
XIV (1996) |
|
Nummer: |
3 |
|
Pagina’ s: |
96-101 |
Zie ook: Ten geleide
Johannes Cornelius Antonius van Beers, zoals hij in het register van de burgerlijke stand staat ingeschreven, is een geboren en getogen Tilburger. Zijn vader, Wilhelmus Norbertus, zag op 23 november 1874 in Tilburg het levenslicht. Vader is voller/stukkendroger van beroep. Hij is op 17 mei 1905 getrouwd met Wilhelmina Huberdina Jansen, geboren in Tilburg op 8 augustus 1867. Zij werkt op een textielfabriek en zal zo wellicht ook haar man hebben leren kennen.
Het echtpaar krijgt drie kinderen, van wie Johannes, geboren op 4 maart 1906, de oudste is. Hun tweede kind, Anna Cornelia, dat van 27 december 1909 dateert, overlijdt al vroeg, op 19 augustus 1910. Als laatste komt op 9 juni 1911 Josephus Joannis Adrianus ter wereld. Het gezin woont in de Jan Aartestraat, nr. 17.
Johannes voelt zich geroepen tot de kloosterlijke staat. Hij kiest voor de kapucijnen. Op 9 september 1919 vertrekt hij, dertien jaar oud, naar het kleinseminarie van de orde, in Langeweg, gemeente Terheijden. Na deze vooropleiding vertrekt hij naar het kapucijnenklooster aan de Korvelseweg in Tilburg. Daar begint op 7 september 1925 zijn noviciaat. Hij neemt dan de kloosternaam Fidentius aan. Het jaar daarop, op 8 september 1926, doet hij de professie, legt hij de kloostergeloften af. 's Anderendaags vertrekt hij naar het klooster van Biezenmortel, in de gemeente Udenhout, waar het grootseminarie van de orde is gehuisvest. Zijn enige broer kiest eveneens voor de orde van de kapucijnen. Hij treedt op 7 september 1929 in noviciaat en noemt zich naar de H. Sebastianus. Op 4 augustus 1936 wordt hij tot priester gewijd.

Pater Fidentius van Beers als spreker op een Credo Pugno zomerfeest in Oisterwijk in de jaren
vijftig (archief kapucijnen 's-Hertogenbosch).
Johannes (Fidentius) blijkt een intelligente leerling. Hij blinkt uit in theologie en de H. Schrift. De provinciaal van de orde stuurt hem naar Rome. Aan de Gregoriaanse Universiteit, de pauselijke universiteit, bekwaamt hij zich verder in de theologie, om vervolgens H. Schrift te studeren aan het Pauselijk Instituut voor Bijbelkunde. Op 8 juli 1933 slaagt hij voor theologie, met recht van doceren, en op 2 juli 1935 behaalt hij het licentiaat in de H. Schrift, wat gelijk staat met de academische titel van doctorandus. Tussentijds, op 17 juli 1932, is hij in Rome tot priester gewijd. Hij blijft nog een jaar in de 'eeuwige stad', maar dan wordt hij toch teruggeroepen naar Nederland. 1 Augustus 1936 vertrekt hij, eerst naar Breda, en vervolgens kort daarop naar het groot-seminarie in Biezenmortel. Hij is hier lector in de bijbelwetenschap. Tussen 1939 en 1945 is de opleiding verplaatst naar Tilburg. In 1939 verschijnt een studie van zijn hand over de oudste getuigenissen omtrent Jezus Christus, onder de titel De Bronnen over het Leven van Jezus, te Utrecht uitgegeven. Een wetenschappelijke carrière en een loopbaan als leraar staan evenwel niet in zijn lot geschreven. In 1950 krijgt hij eervol ontslag. Zijn werk is op een ander terrein komen te liggen: het geestelijke, godsdienstige en maatschappelijke vormingswerk binnen de katholieke arbeidersbeweging
Aalmoezenier
Van 1948 dateert zijn benoeming tot diocesaan geestelijk adviseur, zelf spreekt hij liever van aalmoezenier, van het vormings- en ontwikkelingswerk van de Bossche Diocesane Bond der KAB. Hij is hiervoor gevraagd door de voorzitter van de bond, P.J. Vriens uit Tilburg, en de bondsadviseur rector W.M. Bekkers, de latere bisschop van 's-Hertogenbosch. Met dat werk zijn ongeveer twee dagen per week gemoeid. Het is tevens de bedoeling dat, als over twee jaar voor hem een opvolger als lector aan het grootseminarie zal zijn gevonden, hij ook het adviseurschap van Credo Pugno op zich zal nemen. Zijn provinciaal overste, die hem voor dit verzoek naar Den Bosch heeft genodigd, stemt met de benoeming in.
Hoewel onverwacht, zijn de nieuwe en toekomstige functie Fidentius niet vreemd. "Het begon in 1937, toen de overste van het kapucijnenklooster (de gardiaan) van Udenhout, Emilianus, mij vroeg of ik om de 14 dagen wat vorming wilde geven aan de plaatselijke Credo Pugno-club. De kapelaan van de parochie had alleen maar oog voor de Middenstandsbond en daarom waren de arbeiders naar het klooster gekomen om een pater. Ik had nog nooit van Credo Pugno gehoord, maar als de gardiaan het vroeg: vooruit dan maar."
De kloosterlijke gehoorzaamheid is voor hem vanzelfsprekend. Hoezeer in deze tijd het werk van de arbeidersbeweging nog in belangrijke mate gestuurd wordt door een persoonlijke invulling, het doel telt, blijkt uit de wijze waarop hij zijn taak opneemt:
"De vorming die ik aanvankelijk gaf, bestond dan ook hierin dat ik de Credo Pugno-mannen (een man of twaalf) een Canisiusbijbeltje in de hand stopte en met hen geselecteerde perikopen (stukken uit de H. Schrift, bijvoorbeeld de zondagsevangeliën-TT)
begon te lezen. Tot mijn verbazing sloeg het nogal aan en uit de gesprekken die na de lezing en een beetje uitleg volgden, begon ik te begrijpen dat je met het evangelie ook voor moderne noden uit de voeten kunt. Ik werd zelf minstens evenveel gevormd als de andere deelnemers. Ik leerde deze arbeiders van nabij kennen en ontdekte dat het pientere mensen waren en gelovige christenen." De tijdelijke verhuizing naar Tilburg in 1939 valt hem dan ook zwaar. In 1945 keert hij weer in de hem zo vertrouwde en geliefde kring terug. Hij wordt dan meteen geestelijk adviseur van de Udenhoutse afdeling van de KAB.
Via zijn Credo Pugno-club en familierelaties leert hij de leiders van de diocesane bond kennen, die zijn inzet en kwaliteiten voor de arbeidersbeweging op waarde weten te schatten.
"En toen dan ook in de winter van 1944-1945 in het bevrijde Zuiden de beweging herrees, werd mij gevraagd om bij de eerste grote vergadering in de Heikese kerk in Tilburg -
alle zalen waren immers bezet door de Engelsen - een preek te houden over 'Sociale rechtvaardigheid en liefde' een thema ontleend aan 'Quadragesimo Anno'." Vreemd genoeg noemt Versluis deze bijeenkomst niet in zijn gedenkboek van de Bossche Bond der KAB, Door eigen kracht, noch in zijn Beknopte Geschiedenis van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland.
De verschijning van de encycliek Quadragesimo Anno, in 1931 van paus Pius XI, is voor Fidentius de eerste aanraking met de sociale leer van de Kerk en met de katholieke arbeidersbeweging. Hij is dan in Rome getuige van de afkondiging van de encycliek en leidt daar samen met enkele studenten de honderden arbeiders en hun kaderleden uit Nederland rond, die voor die gelegenheid, tevens de herdenking van 40 jaar Rerum Novarum, de eerste sociale encycliek van paus Leo XIII, naar de 'heilige stad' zijn gekomen.
"Daar (in Tilburg) is het eigenlijk voorgoed begonnen, zij het nog informeel. Na Tilburg volgden vrijwel alle dorpen in de buurt." Fidentius maakt als spreker naam:
"... later sprak ik op vier grote kaderbijeenkomsten in het openluchttheater in Oisterwijk voor alle regio's van het bisdom en in 1947 werd ik genodigd voor een praatje op de praatavond van de allereerste Gemertse Studiedagen, en in 1948 voor een officiële inleiding in Gemert over de crisis van het christendom. En in de herfst van dat jaar volgde mijn benoeming tot aalmoezenier voor het vormings- en ontwikkelingswerk. Het was de eerste benoeming door de bisschop van een niet-wereldheer in de Bossche Bond van de KAB." Op 20 september 1951 treedt hij vervolgens in de functie van diocesaan moderator van Credo Pugno. Hiermee begint een lange periode van grote toewijding aan de belangen van de geestelijke en maatschappelijke ontwikkeling van de arbeider, een wezenlijke peiler van de katholieke sociale beweging. Bij alle contacten en vriendschappen die het hem brengt, is er ook de keerzijde van een zeker sociaal isolement in de levensgemeenschap van het klooster, waartoe hij geroepen is.
Afzondering
Inmiddels woont hij vanaf 1947 in het kapucijnerklooster te Eindhoven. Zijn broer Sebastianus volgt hem in 1954 en tot diens overlijden op 22 maart 1985 blijven zij gebroederlijk samen. In zijn broer heeft hij al die jaren eigenlijk de enige persoon aan wie hij zijn verhaal kwijt kan. Zulk een actief maatschappelijk leven brengt voor de kloosterling Fidentius ook eenzaamheid en vervreemding van zijn kloosterbroeders met zich mee. Zijn werk laat zich moeilijk inpassen in de regelmaat en de geestelijke afzondering en rust van het kloosterleven. Zijn kritische maatschappelijke bewogenheid vindt maar weinig gehoor bij zijn confrères. Zij hebben minder oog voor de wereld buiten en zijn meer gericht op binnenkerkelijke aangelegenheden. Afgezien van het grote aandeel van de kapucijnen in de drankbestrijding, van de geestelijke zorg voor de gevangenen en de zigeuners, ligt in de jaren vijftig en zestig de meeste nadruk op de prediking voor de binnenlandse (volks-) en buitenlandse missie en de (parochie)retraites. Daarvoor worden vele predikanten beschikbaar gehouden. Mede om die reden, maar wellicht ook met het oog op zijn plaats binnen de kloostergemeenschap, gaat de provinciaal niet akkoord met een vaste functie in het bedrijfsapostolaat in Eindhoven, of als moderator aan de Philipsbedrijfsschool. Niettemin heeft Fidentius steeds op de instemming van zijn oversten met zijn maatschappelijke werkzaamheden kunnen rekenen. Zijn organisatorische kwaliteiten brengen hem ook in meerdere bestuurlijke functies binnen de provincie van de kapucijnen.
Ontwikkelingswerk
Het ontwikkelingswerk, dat nu ook Fidentius' dagtaak is geworden, neemt een essentiële plaats in binnen het streven naar emancipatie van de arbeiders. Het gaat niet alleen om de opheffing van de economische achterstelling door een verbetering van de leef- en werkomstandigheden, maar ook om de sociaal-culturele verheffing van de arbeiders. Zij dienen een gelijkwaardige positie en taak te krijgen in de opbouw van een rechtvaardiger samenleving. Kennis van de maatschappelijke en politieke verhoudingen, van de sociaal-economische processen en van de eigen rechten en plichten, worden daartoe
onontbeerlijk geacht. Dit vormt bij uitstek het werkterrein van de standsorganisaties, sedert zich een organisatorische tweedeling heeft afgetekend in een materiële en een geestelijke belangenbehartigingssfeer, al zijn de grenzen niet scherp getrokken. Soms neemt de vakbeweging het initiatief, soms zet de KSA (Katholieke Sociale Actie, de algemene informatiecentrale) de eerste stap. Evenals bij de sociale organisatie is het vormings- en ontwikkelingswerk de eerste decennia een zaak van pionieren en afkijken van anderen, met een nogal wisselend kwaliteitsniveau. Het aanbod wordt alsmaar breder: driedaagse en tweedaagse sociale cursussen, apologetische (= geloofsverkondiging) en politieke cursussen, lessen in de economie, ontwikkelingsvoordrachten en -avonden, diocesane en landelijke Katholiekendagen, Sociale Weken en Sociale Studiedagen, (meerjarige) Gewestelijke Sociale Scholen, brochures, enz.; voor alle arbeiders, of meer speciaal voor kaderleden en besturen.
In het inhoudelijk en kwalitatief nogal diverse, lokale of bovenlokale aanbod komt gaandeweg enige structuur en uniformering. In 1930 wordt opgericht de Ontwikkelingscentrale van het Nederlands Katholiek Werkliedenverbond, belast met de opleiding en vorming van arbeidersleiders en de kadervorming, onder meer door de driejarige gewestelijke sociale scholen. Voor de uitvoering van de cursussen zijn de diocesane bonden verantwoordelijk. In 1936 wordt voor het meer algemene vormingswerk een meer gestandaardiseerd pakket opgesteld voor de winterprogramma's die van oktober tot Pasen in de plaatselijke afdelingen van de Werkliedenbonden en vanaf 1945 van de KAB worden gegeven. Met name hiervoor is Fidentius veel op pad, heel het bisdom door, gemiddeld zo'n 80 à 100 keer per winterseizoen. Na de reorganisatie in 1945 tot KAB valt het algemene vormingswerk onder de Cultuurdienst. Genoemd kan nog worden het A.C. de Bruin-Instituut, opgericht in 1946, met een eigen taak, dat vanaf 1949 min of meer als een koepel over het werk de Ontwikkelingscentrale fungeert.
Credo Pugno
Hoewel ook het vormings- en ontwikkelingswerk geheel in het teken staat van de katholieke geloofswaarden, is de godsdienstig-zedelijke vorming specifiek geconcentreerd in het 'Credo Pugno'-Instituut voor Vorming en Propaganda. Omdat vanuit het katholieke sociale denken het maatschappelijk handelen geheel doortrokken dient te zijn van de geloofswaarden, zijn beide vormingsactiviteiten echter als de twee zijden van één medaille met elkaar verbonden. Zowel de naam Credo Pugno, 'Ik geloof (en daarom) strijd ik', als het instituut zijn in 1904 in Limburg ontstaan vanuit de R.K. Werkliedenbond. In de jaren dertig krijgt de beweging navolging in de vier andere diocesane werkliedenbonden. Met G.P.J. Bannenberg, aalmoezenier van de arbeid in de Bossche Werkliedenbond, als diocesaan moderator en voorzitter gaat in 1933 Credo Pugno in het Bossche bisdom van start.

V.l.n.r.: Pater Fidentius, Jan van Valen, Van Iersel voorzitter van de KAB afdeling Tilburg (part.
coll.).
Credo Pugno, wel genoemd de kernbeweging binnen de katholieke arbeidersbeweging, is diocesaan opgezet in plaatselijke clubs, in de grote steden zoals Tilburg verdeeld naar de parochies.
"Dit was geheel in overeenstemming met de gedachte van de standsorganisatie, die als ideaal koesterde de (her)kerstening van de samenleving." Voor een belangrijk deel koerst de diocesane leiding op eigen kompas, wat veel organisatie en 'duizenden' vergaderingen met zich meebrengt. Tal van activiteiten worden opgezet, van propaganda tot lezingen, gespreksgroepen, de zorg voor het katholieke gezin, brochures en bedrijfsapostolaat. Vanaf 1945 wordt het Credo Pugno-werk geïntensiveerd door de dan ingestelde Gosdienstig-zedelijke Raad. Rond 1965 sterft Credo Pugno een zachte dood. De tijdsgeest van ontzuiling en secularisatie knagen aan haar fundamenten.
Met de reorganisatie van de KAB in het Nederlands Katholiek Vakverbond op 20 mei 1963 komt een einde aan het bestaan van de diocesane bonden. Ook het algemene vormings- en ontwikkelingswerk wordt anders opgezet en valt voortaan onder de Dienst Vorming en Onderwijs. De Dienst wordt gecoördineerd door een landelijke contactgroep, met afvaardigingen uit de regio's en onder leiding van Theo Loerakker. Daarnaast behoudt het wetenschappelijke A.C. de Bruin-Instituut zijn eigen specifieke taak. Een overzichtelijke studie over het veelzijdige vormings- en ontwikkelingswerk laat nog op zich wachten.
Gemertse Studiedagen
Op 20 september 1951 gaan de functies van moderator en voorzitter van Credo Pugno officieel, dat wil zeggen bisschoppelijk bekrachtigd, over op Fidentius, die daarmee het zeer brede terrein van Credo Pugno en de algemene vorming en ontwikkeling onder zijn hoede krijgt. Al vanaf 15 augustus is hij in functie. Hoewel qua doelstelling en werkwijze Credo Pugno en het vormingswerk zijn gescheiden, vallen zij bestuurlijk samen. Wekelijks is Fidentius op het kantoor van de KAB in Tilburg, waar hij de eerste jaren alle zaken doorspreekt met de secretaris van Credo Pugno, Frans van Bakel. Medio 1958 wordt Jan van Valen, voorheen kringbestuurder van de KAB in Eindhoven en vanaf zijn verhuizing naar Tilburg begin dat jaar lid van het diocesane Credo Pugno-bestuur, zijn steun en toeverlaat. Samen bezoeken zij twee à drie avonden per week de vele afdelingen over het bisdom verspreid.
Vanuit het bondskantoor in Tilburg wordt onder leiding van Fidentius ook het brede vormings- en ontwikkelingswerk geïnitieerd en georganiseerd, zoals de wintercursussen, de gewestelijke sociale scholen en niet in de laatste plaats de Sociale Studiedagen, die voor het eerst in 1947 te Gemert worden gehouden, op het kasteel-klooster van de Paters van de H. Geest. Zij zijn een initiatief van de diocesane Ontwikkelingscentrale van de Bossche KAB, in 1965 voortgezet door het Provinciaal Centrum van het NKV in Noord-Brabant. Zij duren drie dagen. Vanaf het begin tot en met de 28ste Studiedag in 1974 is Fidentius met de voorbereiding en de verslaglegging belast, in de beginjaren in nauwe samenwerking met Piet Coppes uit Tilburg, dan secretaris van de Bossche KAB. De onderwerpen lopen uiteen van levensbeschouwelijke tot maatschappelijke, economische en politieke vraagstukken; gaan over verzuiling, arbeid, techniek, onderwijs, gezondheidszorg, milieu, enz. Voor de spreekbeurten worden eminente wetenschappers en vakmensen uitgenodigd. In 1979 wordt nog de 30ste Studiedag 'gevierd', maar in de jaren daarna verloopt de belangstelling. 1986 sluit de rij. Het jaar daarop valt het doek over een van de meest roemruchte instituten uit de Brabantse vakbondsgeschiedenis.
Redacteur en adviseur
De vorming van het NKV in 1963 brengt ook voor Fidentius enige verandering met zich mee. Zijn functie van aalmoezenier van de Bossche KAB heet voortaan aalmoezenier Sociale Werken, district Eindhoven. In die hoedanigheid heeft hij ook zitting in de landelijke contactgroep van de Dienst Vorming en Onderwijs. Jan van Valen aanvaardt in 1963 een betrekking bij de Dienst, waar hij tot taak heeft de organisatie en begeleiding van de Sociale Scholen. In april 1974 gaat hij met pensioen. Na de vorming van de Federatie Nederlands Vakverbond in 1976 worden de Sociale Scholen voortgezet in de
vakbondsscholen. Per 1 januari 1975 neemt Fidentius ontslag uit zijn functies binnen het NKV Noord-Brabant.
Met het Credo Pugno en het vormings- en ontwikkelingswerk zijn niet al zijn activiteiten genoemd. Op 10 juli 1947 komt hij in de redactie van Het Volksweekblad, wordt 24 augustus 1948 vice-hoofdredacteur en 23 november 1954 hoofdredacteur. Het blad - een uitgave van de kapucijnen in Den Bosch - verschijnt van 1947 tot 1959 en wordt van 1960 tot 1963 voortgezet onder de naam Rotonde. Wat De Linie is voor de katholieke bovenlaag is Het Volksweekblad Rotonde voor de gewone man en vrouw, met wie hij zich zeer verbonden voelt. Het einde van het blad in 1962 gaat hem dan ook zeer ter harte.
Hij is voorts betrokken bij de organisatie van de Rome-reizen vanuit de
arbeidersbeweging, die in 1960 voor het eerst plaatsvinden. Ook de organisatie van de Lourdes-bedevaarten is hem toebedeeld. Van 1947 tot 1971 is hij geestelijk adviseur van de Katholieke Onderwijzers Bond. In 1974 volgt zijn benoeming tot landelijk aalmoezenier van de Unie van Katholieke Bonden van Ouderen, welke functie hij tot op hoge leeftijd aanhoudt.
Waardering
Zijn brede maatschappelijke inzet voor de vorming en ontwikkeling van de arbeiders levert Fidentius vele vrienden en doet hem alom grote waardering toekomen. Bij gelegenheid van het formele einde van de Bossche KAB wordt hij op 22 juni 1963 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Een huldiging valt hem ook ten deel bij het 25-jarig jubileum van de naoorlogse katholieke vakbeweging in Noord-Brabant. Op 28 augustus 1971 wordt hij geëerd met de zilveren legpenning van de Provincie Noord-Brabant. Bij zijn afscheid uit de katholieke arbeidersbeweging valt hem de onderscheiding tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau ten deel. Als hij in juli 1982 zijn gouden priesterfeest viert, worden in verscheidene kranten zijn vele verdiensten uitvoerig gememoreerd.
Bijna veertig jaar dient Fidentius de katholieke zaak. Toch is het katholiek-zijn voor hem niet identiek aan het 'Roomschen dat zijn wij', noch staat de katholieke organisatie voor hem in het teken van culturele afzondering en katholiek particularisme. De katholieke belijdenis is geen dogma, maar een werkwoord. Het gaat erom
"de onvergankelijke waarden van het evangelie in (het) maatschappelijk handelen persoonlijk tot uitdrukking te
brengen". Door de omgang met de katholieke arbeiders begint het evangelie voor hem te leven in een maatschappelijke context,
"en ik was er heel wat gelukkiger dan in het veilige kloosterlijke bestaan en in onze toch altijd wat individualistische
vroomheid". Hij raakt ook zelf daardoor bevrijd, "een bevrijding die mede bevorderd werd door mijn belangstelling voor de vernieuwing in de
theologie". Zo is hij ook aanwezig (als vertegenwoordiger van de pers) op het Tweede Vaticaans Concilie in 1962. Bij de uitvaardiging van de encycliek Mater et Magistra van paus Johannes XXIII in 1961 is hij er ook bij, maar dan als congresganger van de internationale katholieke arbeidersbeweging.
"Via de vakbeweging meende ik een bijdrage te leveren aan een evangelische kritiek in woord en daad op de moderne, harde maatschappij." Als in de jaren zestig de katholieke sociale emancipatie maatschappelijke succesen boekt en de gedenkboeken een toon van triomfantalisme uitdragen, neemt hij kritisch afstand van de zelfvoldaanheid over het bereikte resultaat.
"Op zichzelf een voortreffelijke zaak, maar boordevol risico's voor inkapseling in bestaande structuren." Hij betreurt de aarzeling binnen het NKV om met het NVV samen te gaan. Samenwerking prevaleert boven confessionele identiteit en afzonderlijkheid:
"Je moet een onderscheid maken tussen confessionaliteit en het bouwen van structuren op levensbeschouwingen." Vanwege de 'verrechtsing' binnen de KVP en de 'onfrisse' propaganda tegen de PvdA zegt hij al in 1956 zijn lidmaatschap van de KVP op en sluit nadien aan bij de PPR. Hij komt op voor de eigen verantwoordelijkheid en inspraak van de gelovige leek. Over het Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout in 1970 laat hij zich kritisch uit: de stem van de katholieke arbeider wordt niet gehoord. Hoewel overtuigd katholiek en trouw aan de Kerk wijst hij een hiërarchieke bemoeienis op maatschappelijk terrein af. De hiërarchie moet hier de eigen verantwoordelijkheid van de gelovige respecteren en stimuleren:
"Nooit mag zij het profane terrein of een onderdeel daarvan voor zich opeisen."
In die geest heeft Fidentius heel zijn leven gehandeld.
Bronnen
- KDC Nijmegen, Archief NKV, diverse stukken.
- GAT, Archief NKV, diverse stukken.
- Archief Kapucijnen 's-Bosch, dossier Fidentius van Beers.
- Interview met Fidentius, Eindhoven 21 oktober 1996.
- Interview met Jan van Valen, Tilburg 6 november 1996.
- C.J. Kuiper, Uit het Rijk van de Arbeid, dl. 3 (Utrecht, 1953).
- W.G. Versluis, Beknopte geschiedenis van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland
(Utrecht, 1949).
- Idem, Door eigen kracht. Vijftig jaren geschiedenis van de Bossche Bond der KAB (Tilburg,
1953).
- W. van de Pas, Inzicht en verdieping. Geschiedenis van het ontwikkelingswerk van de Katholieke Arbeidersbeweging in Nederland (Utrecht,
1955).
- A.C.J. de Vrankrijker, Volksontwikkeling. Geschiedenis en problemen van het sociaal-cultureel werk in Nederland (Assen,
1962).
- Terugblikken bij het vooruitzien. De Katholieke Arbeidersbeweging in herinneringen en beschouwingen. Een Liber Amicorum voor KAB/NKV (Baarn,
1981).
- J. Roes (red.), Studies over KAB en NKV in de economische en politieke ontwikkeling van Nederland na
1945, dl. 1 (Baarn, 1985).
- Verslagen Gemertse Studiedagen 1947-1979.
- Diverse krantenberichten.
* Ton Thelen (1948) schreef een proefschrift over de priester Lambert Poell die in Tilburg een belangrijke rol heeft gespeeld in de sociale beweging. Hij publiceerde en begeleidde een groot aantal boeken en artikelen over de arbeidersbeweging en regionale en lokale geschiedenis van Noord-Brabant.




