| 456. Willibrord en Ansfried in Oisterwijk? | |||
|
Titel: |
Willibrord en Ansfried in Oisterwijk? |
|
Ondertitel: |
|
|
Auteur: |
|
|
Jaargang: |
XVII (1999) Tilburg, tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur |
|
Nummer: |
1 |
|
Pagina’ s: |
22-26 |
Wanneer we het hebben over de 'donkere Middeleeuwen', dan denken de meeste mensen vooral aan een bedompt, armoedig en cultureel achtergebleven tijdperk. Dat is ook precies wat de bedenkers van deze term er in de negentiende eeuw mee bedoelden: de primitieve en grimmige puinhopen van de Romeinse beschaving, waarop pas na het jaar 1000 weer enige cultuur tot bloei kwam. Dat beeld is echter onjuist, of gaat op zijn minst uit van een al te eng begrip van beschaving en cultuur.
In de Britse traditie van wetenschapsbeoefening wordt het begrip Dark Ages nauwer gedefinieerd tot die periode (van ca. 400 tot 700) waaruit zo goed als geen geschreven bronnen zijn overgeleverd. De periode is 'donker' omdat ons er nauwelijks een blik in wordt vergund.
Historisch onderzoek naar deze duistere eeuwen is als het reconstrueren van het 'plaatje' van een grote legpuzzel waarvan 98 procent van de stukjes zoek is. Voor sommigen is dat bij voorbaat volslagen onzin en tijdverspilling, voor anderen gaat er een ongekende fascinatie van uit. Wim van Dijk behoorde ongetwijfeld tot die tweede groep. Hij werd gegrepen door het verleden van zijn woonplaats Oisterwijk en beet zich vast in de
Dark Ages daarvan.
Nu beginnen de bronnen in onze streek pas in de loop van de elfde eeuw goed op gang te komen, zodat de donkere Middeleeuwen hier ook tot in die periode duren. In feite wordt ons maar op twee momenten een lichtpuntje in deze duisternis geschonken, en dan nog alleen in 'onze streek' in de brede zin van het woord: rond het optreden van Willibrord in het begin van de achtste eeuw, en rond de intrigerende persoon Ansfried en zijn vrouw Hilsondis in de tiende eeuw. Vandaar dus titel en thema van het boekje dat Van Dijk schreef en dat helaas postuum moest verschijnen,
Willibrord, Ansfried en Oisterwijk. Voor dit boekje is een behoorlijke berg werk verzet, en wie ooit heeft geprobeerd om op basis van twintig (schijnbaar) willekeurige stukjes de afbeelding te schetsen van een puzzel van duizend stukjes, die weet hoeveel tijd en energie daarin gekropen zal zijn.
Alleen al daarom is dit boekje van belang. Van Dijk heeft de moeite genomen het beschikbare materiaal bij elkaar te zetten en heeft geprobeerd het zodanig te schikken dat er een samenhangend beeld uit naar voren komt. Beroepshistorici hebben deze periode weliswaar niet links laten liggen, maar hebben wel - meer dan elders - verzuimd om hun bevindingen voor een breed publiek toegankelijk te maken. In meerdere opzichten kan
Willibrord, Ansfried en Oisterwijk die leemte vullen. Toch moeten daarbij wel enkele kanttekeningen worden geplaatst. Van Dijk heeft namelijk een toch niet onbelangrijk deel van de recentere literatuur niet gebruikt en heeft zich met dit boekje ook heel expliciet als doel gesteld om zelf een bijdrage aan het onderzoek te leveren. Van dat eerste ken ik de reden niet. Misschien kende hij die literatuur niet, misschien was hij door omstandigheden verhinderd er kennis van te nemen.
Het tweede bezwaar is voor een lokaal historicus minder gemakkelijk te vergeven en brengt een wezenlijk gevaar met zich mee. Zoals al gezegd is het onderzoek naar de vroege Middeleeuwen complex, en Van Dijk was geen geschoold historicus. In die situatie liggen er valkuilen waar zelfs de ervaren 'beroeps' nog wel eens in wil tuinen. Zo is bij Van Dijk de wens al te sterk de vader van de gedachte geworden en heeft hij enkele mogelijkheden verheven tot feiten. Natuurlijk is het extra pijnlijk zoiets te moeten constateren bij een boek waarvan de auteur het verschijnen zelf niet meer mocht meemaken, maar Van Dijk heeft zich als mediëvist te weinig kritisch getoond en enkele feiten (dus niet
de feiten, maar hier en daar een detail) laten buigen voor zijn interpretatie.
Het boek bevat drie hoofdstukken, die de drie woorden uit de titel weerspiegelen. Het eerste gaat dus over Willibrord en diens activiteiten in Midden-Brabant. Met name hier mis ik belangrijke recente publicaties, zoals die verschenen ter gelegenheid van de beide Willibrord-herdenkingsjaren 1989 (congressen in Luxemburg en Nijmegen met daaruit voortvloeiende bundels en de biografie door A.G. Weiler,
Willibrords missie. Hilversum: Gooi en Sticht, 1989) en 1995 (congressen en een expositie in Utrecht).
Te weinig lijkt de auteur zich ook te realiseren dat alle geschreven informatie die we uit deze periode hebben, afkomstig is uit een kerkelijke omgeving. De kleine venstertjes die deze bronnen voor ons vormen, zijn niet helder, vertekenen ons beeld en laten alleen zien wat de maker ervan wilde tonen. Het is al te naïef hun informatie zonder meer aan te nemen voor 'de waarheid en niets dan de waarheid'. Om ons te realiseren hoe eenzijdig vertekend het beeld is dat dit oplevert, hoeven we maar te kijken naar het archeologische materiaal dat we uit deze zelfde periode kennen en waarvoor het recente proefschrift van oud-provinciaal archeoloog W.J.H. Verwers een goede toegang biedt
(North Brabant in Roman and Early Medieval Times: Habitation History. Amsterdam / Amersfoort: ROB, 1998). Regelmatig lijkt het over twee totaal verschillende werelden te gaan.
Lambertus
Waar we dit door een gelukkig toeval kunnen zien, is in het leven van Lambertus (bisschop van Maastricht/Tongeren/Luik), die ook door Van Dijk in zijn verhaal wordt betrokken. Naar mijn idee is dat niet terecht, want of Willibrord en Lambertus elkaar ooit daadwerkelijk hebben ontmoet is absoluut niet zeker. Toch veroorloof ik me hier een kort en illustratief zijstapje. Aan de hand van de vroege bronnen over Lambertus kunnen we namelijk zien hoe kerkelijke en seculiere visies op de feiten konden verschillen (waarbij de kerkelijke visie vrijwel steeds sterker bleek, alleen al omdat de mannen van de kerk de kennis van het schrift monopoliseerden), en ook hoezeer in deze periode kerk en politiek met elkaar verweven waren.
In de meer gangbare levensverhalen, en ook bij Van Dijk (p. 37) werd Lambertus in 705 in Luik vermoord door Dodon, domesticus ('naaste verwant', 'huisgenoot') van Pippijn. De aanleiding zou zijn dat Lambertus de onwettige relatie had afgekeurd die Pippijn onderhield met Dodons zuster Alpais en moeder van Karel Martel. Nauwkeurige lezing van de oudste levensbeschrijving
(Vita Landiberti Vetustissima) leert echter dat dit op zijn zachtst gezegd een gekleurde versie van de waarheid is. In feite ging het om een machtsstrijd tussen twee families, die van Lambertus en die van Dodon. Inzet van die strijd was de macht over het bisdom, dat als een familiebezit werd beschouwd. Lambertus was dus geen martelaar voor het geloof, maar slachtoffer in een hoog opgelopen familievete. Al in 1936 heeft de bekende germanist Gerhard Eis beargumenteerd dat de kern van dit oudste levensverhaal geen kerkelijke maar een seculiere bron is, die ons bij hoge uitzondering ongekleurd door kerkelijke motieven heeft bereikt. Alle latere
Vitae van Lambertus laten de goede man sterven als martelaar en verdoezelen de machtspolitieke motieven van de moord. Wat dit laat zien, is hoezeer de presentatie van de feiten in onze bronnen wordt bepaald door de optiek van hun auteurs. Het is aan de historicus om te trachten daardoorheen te prikken.
Willibrord
Willibrord was misschien geen pion, maar wel een schaakstuk in de Merovingische politiek om de Friezen aan zich te onderwerpen. Van opportunisme was daarbij geen sprake, want onze strikte scheiding tussen kerkelijk en wereldlijk is een anachronisme waarvan wij ons helaas moeilijk los kunnen maken. Ook Van Dijk heeft mijns inziens dit politieke aspect onderschat, zoals hij ook heeft onderschat dat de Frankische grondbezitters in Texandrië al lang christelijk waren toen Willibrord arriveerde.
Het gebied was ook niet de 'vergeten Texandergouw' (p. 12) - dat is slechts voor ons zo als gevolg van de bronnenschaarste. De Franken zaten hier al eerder dan in de streek rond Luik en als het inderdaad hier is dat de terugtrekkende Romeinen de Franken als
foederati toelieten, dan zullen onder de nieuwe heren de bestaande bezitsverhoudingen toch niet wezenlijk zijn veranderd. (Door de drastische bevolkingsafname was er in economisch opzicht natuurlijk wel veel veranderd.)
De schenkers van landerijen in Texandrië aan Willibrord zullen dus geen nieuwkomers zijn geweest, maar juist de gevestigde adel die haar vrijheden bedreigd zag nu Pippijn - formeel immers slechts 'eerste onder gelijken' - zijn hongerige blikken richtte op Frisia. Enerzijds zullen zij hebben gevreesd dat Pippijn zijn greep op hun gebieden verstevigde omdat hij toch hiervandaan de Friezen te lijf moest, anderzijds zal de mogelijkheid van machtsuitbreiding in Frisia hen hebben aangesproken. Door land aan Willibrord te schenken hielden zij het uit handen van Pippijn en kregen zij op voorhand een voet tussen de deur in het (nog tamelijk fictieve) bisdom Utrecht. Maar ook dit - moet ik bekennen - is een interpretatie.
Het verhaal van Willibrords leven laat zich op basis van de bronnen probleemloos in grote lijnen schetsen. Het meest recente voorbeeld daarvan is het al aangehaalde boek door Weiler. Wie echter als lokaal historicus het verleden van enkele vierkante kilometers probeert te ontrafelen, die heeft een probleem. Het zogenaamde 'testament van Willibrord' geeft immers uitstekend weer wat de pretenties in Echternach waren en geeft een heel aardig beeld van het vroege grondbezit van deze abdij. Maar dat dit stuk ook letterlijk het testament is zoals Willibrord dat heeft opgesteld, dat gelooft (bijna) niemand. Dat betekent dat elke schenking afzonderlijk de verdenking op zich heeft een latere invoeging te zijn, en dus onbruikbaar als bron voor de vroege achtste eeuw. Aan deze elementaire problematiek gaat Van Dijk geheel voorbij. De redenering 'als we het op de ene plek zeker weten, dan zal het voor de andere ook wel gelden' (geparafraseerd naar p. 27) gaat natuurlijk niet op. Ook een historisch feit vereist een positief bewijs.
Een paar dingen vallen meteen op wanneer we dit testament in zijn geheel bekijken. Ten eerste het aantal van de schenkingen (waarbij die in Frisia/Utrecht niet eens vertegenwoordigd zijn) en het feit dat die al vrijwel meteen na aanvang van Willibrords missie begonnen binnen te stromen. Blijkbaar was het niet nodig om eerst eens rustig aan te zien wat die nieuweling uit Ierland zou gaan doen. Had Willibrord zoveel charisma, of waren deze schenkingen anders gemotiveerd? Een mogelijk antwoord op deze vraag heb ik hierboven al geformuleerd. Ten tweede valt op dat, waar zoiets genoemd wordt, deze schenkingen nogal eens komen uit het moederlijk erfdeel van de schenker (of schenkster). Was dit om te voorkomen dat bezit dat bij een huwelijk was ingebracht weer aan de familie van de vrouw zou vervallen en zo verloren dreigde te gaan? We zien in deze zelfde periode de feodaliteit ontstaan en hoogstwaarschijnlijk bleef in deze gevallen de schenker als een soort vazal over zijn eigen schenking beschikken. Ik kom hier nog op terug, want rond Ansfried lijkt mij dit proces nog duidelijker.
Op nog twee andere dingen heeft Van Dijk zich verkeken. De overleveringen rond Willibrordputten en de Willibrord-patrocinia mogen niet als aanwijzing worden gezien dat de heilige ook inderdaad ter plekke is geweest. Van Dijk weet dat, maar kan zich er toch niet van losmaken (p. 26) en dat vertroebelt zijn betoog. (Overigens heeft hij een Willibrord-patrocinium gemist. Ook de oude en al lang niet meer bestaande kerk van Venloon/Loon op Zand was gewijd aan Willibrord.) Het tweede is de idee dat de Dommel deel uitmaakte van Willibrords 'vaste' reisroute van Utrecht naar Echternach. Dat lijkt mij erg onwaarschijnlijk. Rijn en Maas vormden al sinds de Romeinse tijd (en eerder) de hoofdverkeerswegen en ook de Romeinse wegen over land volgden deze routes.
De conclusie die Van Dijk uit dit alles trekt, is dat Willibrords werkgebied weliswaar in Frisia lag, maar dat hij toch 'belangrijk aan de christelijke infrastructuur van Texandrië heeft bijgedragen' (p. 40). Ik denk dat die infrastructuur al bestond en dat Willibrord daar vooral zijn voordeel mee heeft gedaan. Oisterwijk komt in dit verhaal nog niet voor, omdat - zoals Van Dijk ook aangeeft - het nog niet bestond.
Ansfried
Hoofdstuk twee is gewijd aan Ansfried en Hilsondis en brengt ons naar de periode rond het jaar 1000. Van Dijk begint hier met de gewaagde speculatie dat het gehucht Kerkhoven de oudste kern van Oisterwijk zou zijn, ontstaan rond een kerk die ook nog eens door Willibrord met een bezoek zou (kunnen) zijn vereerd. Deze uiteenzetting (p. 43 ff.) doet dit boek zeer tekort en het is te betreuren dat Van Dijk zich ertoe heeft laten verleiden deze wensdroom zelfs maar voor 'mogelijk' te verslijten.
Om te beginnen dateert de oudste vermelding van Kerkhoven pas uit 1304. De naam luidt dan
Karlichoven. Op basis daarvan kan de etymologie onmogelijk leiden naar een betekenis 'kerk-hoeve' (dat moet toch wel 'Karels hoeve' zijn). Verder stoelt de veronderstelling dat Willibrord hier geweest kán zijn, werkelijk op niets. Het is dan ook wrang te moeten constateren dat Van Dijk al deze bezwaren tegen zijn suggesties kende en dit toch tot 'werkhypothese' heeft verheven. Alle nuttige informatie die hij elders in dit boek aandraagt en alle zinnige inzichten en uitdagende en stimulerende gedachten worden hiermee in een kader geplaatst dat het de historicus wel erg gemakkelijk maakt om dit boekje af te doen als een leuk stukje huisvlijt van een amateur. Dat is nu precies wat Van Dijk niet heeft verdiend.
Vervolgens komen we bij Oisterwijk. In 1230 verleende hertog Hendrik van Brabant stadsrechten aan Oisterwijk, dat hij in 1210 had gesticht. Tijdstip en aard van de handeling wijzen erop dat we
-wijk (vicus) hier moeten begrijpen als 'handelsnederzetting' of 'marktplaats', de normale middeleeuwse betekenis voor dit plaatsnaam-element. Het zal hier zijn gegaan om een nieuwe jurisdictie, die werd geschapen in de directe nabijheid van een al bestaande nederzetting, en wel Oost-Tilburg. Dit laatste was een parochie en had daarmee een totaal andere juridische status dan de stichting van hertog Hendrik (vandaar ook dat de twee elkaar ruimtelijk konden overlappen). Dat vervolgens de handelsnederzetting het parochiecentrum ging overvleugelen, en daarmee de naam Oost-Tilburg werd ingeruild voor Oisterwijk, is een gevolg van economische en demografische mechanismen die ook elders plaatsvonden.
Ansfried komt vervolgens in beeld via het Oisterwijkse patrocinium van St. Petrus' Banden. Opnieuw is de link speculatief, want uitgaande van Ansfrieds voorliefde voor St. Petrus' Banden komt Van Dijk ertoe ook de stichting van de kerk in Oisterwijk (Oost-Tilburg) op het conto van Ansfried te zetten. Zekerheid ontbreekt ook hier, maar Van Dijks speculaties zijn een stuk coherenter dan die rond Kerkhoven. Grootste bron van zorg is deze keer dat Van Dijk zich er opnieuw toe laat verleiden willens en wetens een valse oorkonde (de schenking van Hilsondis aan Thorn) als bron te gebruiken.
Voor Oisterwijk (of beter Oost-Tilburg) blijft alles dus opnieuw een speculatie. Wat echter in het bredere verhaal interessant is, is opnieuw de vraag naar het motief van de schenkingen van Ansfried en zijn echtgenote. Of daar uitsluitend diepe devotie aan ten grondslag lag, durf ik te betwijfelen. Ansfried had een behoorlijke wereldlijke carrière achter de rug, maar zijn echtgenote had hem alleen één dochter gebaard. Wat zou er na zijn overlijden met het familiebezit zijn gebeurd? Voor mij is dat niet helemaal duidelijk, en kennelijk had Ansfried daar ook een hard hoofd in. In het feodale stelsel zouden zijn
allodia vervallen aan de keizer, die tevens groothertog was van Lotharingen, de overige bezittingen waarschijnlijk grotendeels aan de vooralsnog niet aanwezige echtgenoot van zijn dochter. De andere gebieden waarover hij gezag uitoefende, inclusief die van zijn vrouw, zouden daarbij verspreid raken en het opgebouwde familie-imperium kwam ten einde.
De 'oplossing' zagen we al eerder. Ansfried stichtte in 990 op zijn allodium in Thorn een klooster en begiftigde dit met zijn erfgoed. Twee jaar later (992, maar de oorkonde is een
falsum en bevat op zijn minst latere invoegingen) schonk zijn vrouw Hilsondis ook haar eigen erfgoed (grotendeels?) aan ditzelfde klooster. Zo werd het klooster van Thorn de rechtmatige erfopvolger van hun beider bezittingen, en dit onvervreemdbaar voor wereldlijke 'aasgieren'. Om ook het bestaan van hun dochter veilig te stellen, en bij leven hun invloed niet geheel op te geven, werd - met toestemming van de bisschop van Luik - dochter Benedicta tot abdis gemaakt. Het meisje kreeg daarmee alle wereldlijke macht die haar ouders hadden bijeengebracht, terwijl zij niet kon worden lastiggevallen door landhongerige minnaars.

Boven Midden-Brabant en onder Oisterwijk in de Middeleeuwen (uit: Van Dijk, p. 111).
Enkele jaren later overleed Hilsondis en in 995 benoemde keizer Otto III onze Ansfried tot bisschop van Utrecht. Hij deed dit waarschijnlijk in samenspraak, en waarschijnlijk op aanraden van Notger van Luik (Van Dijk, p. 55). Uit alles blijkt dat Ansfried een schrander man was en zowel met de keizer als met Notger van Luik op goede voet stond. Zo profiteerden alle partijen van deze constructie en bleef het landsheerlijk gezag van 'de Ansfrieds' (om de familie maar even zo te noemen) intact.
In zijn paragraaf over Vught (p. 60 ff.) vergeet Van Dijk dat Ansfried na 995 op de zetel van Willibrord zat, en daarom ook uit naam of op de toon van deze illustere voorganger kon spreken. Dat hij zich nu op St. Martinus beroept, is evenmin vreemd, dat is immers de patroon van zijn diocees en dus nu ook zijn patroon in de functie van bisschop. Dat hij in een oorkonde wordt geschaard onder de
homines franci zegt niets over een Frankische etniciteit (waarvan ik betwijfel of die toen nog bestond). De term betekent simpelweg 'vrije mannen', dus in het bezit van een allodium. De idee dat van de twee kerken in Vught de ene een eigenkerk en de andere een oude parochiekerk ('oerparochie'?) is, is niet geheel nieuw maar wel erg interessant. Dit is een onderwerp dat nadere bespiegelingen zeer waard is. Vergelijking met Loon op Zand, waar een identieke situatie heeft bestaan, dringt zich daarbij op.
Belangrijk is vervolgens dat Ansfried de laatste graaf van Rode (St.-Oedenrode) wordt genoemd. Het verdwijnen van dit graafschap heeft alles te maken met de inlijving van grote delen van 'onze streken' (in Oost- en Midden-Brabant) in het hertogdom Brabant. De bronnen hierover zijn echter (zoals steeds) schaars en moeilijk te interpreteren en naar mijn gevoel is ook Van Dijk er niet in geslaagd de feiten en de (middeleeuwse) fictie van elkaar te scheiden. De hele verhandeling over Ansfried, St.-Oedenrode, Hilvarenbeek en St. Petrus' Banden (p. 62-70) blijft daarmee mijn inziens 'zweven' en mist voldoende feitelijke onderbouwing.
Oisterwijk
Hoofdstuk drie vormt ten slotte de uiteenzetting van Van Dijks 'Hypothese over de kerstening van Oisterwijk'. Na het voorgaande zal duidelijk zijn dat ik veel respect heb voor het vele werk dat Van Dijk heeft verzet, maar dat ik met zijn conclusies niet instem. In feite geeft hij drie hypothesen, waarbij zijn voorkeur uitgaat naar een stichting van Oisterwijk (de kerk van St. Petrus' Banden, en dus in feite van Oost-Tilburg) door Ansfried. Positief bewijs daarvoor ontbreek echter volkomen. Zijn derde hypothese, die Van Dijk ook zelf waarschijnlijker acht, kijkt naar de heren van Tilburg die we kennen als Giselbert I en II, ongeveer een halve eeuw na Ansfried. Ook zij werden weleens aangeduid als 'ridder van Rode', dus ergens zal er wel een verband met Ansfried hebben bestaan, maar de aard van dat verband kennen we niet. Giselbert I stichtte rond 1150 de kerk van West-Tilburg ('t Heike), waarmee de naam Oost-Tilburg pas bestaansrecht kreeg (p. 91-92).
Met dit boekje is Wim van Dijk dapper in de voetsporen getreden van met name Bas Aarts, A.J.A. Bijsterveld en Willy Steurs. Het is ondanks de complexe materie uiterst leesbaar geworden en daarmee van groot belang om ook het grotere publiek - de geïnteresseerde leek - met de oudste geschiedenis van Oisterwijk en wijde omgeving bekend te maken. Dat het boek op veel details om nuancering of correctie vraagt, mag niet betekenen dat beroepshistorici het daarom terzijde schuiven. Zij zijn nu aan zet om ook hun versie van het verhaal te vertellen - in gewone mensentaal.
W.G. van Dijk, Willibrord, Ansfried en Oisterwijk. Zoektocht naar het ontstaan en de verbreiding van het Christendom in Noord-Brabant, meer in het bijzonder in Oisterwijk en omgeving. Oisterwijk: Heemkundekring De Kleine Meijerij, 1998, 127 pp., ISBN 90-9011415-7,
f 25,-.
Te bestellen bij Secretariaat Heemkundekring De Kleine Meijerij, Mr Van Sonstraat 10, 5062 CS Oisterwijk.
* Lauran Toorians (1958) is historicus en taalkundige.




